direct naar inhoud van Regels

Jisteboerewei (wijziging bestemming van agrarisch cultuurgrond naar bedrijf - 2)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0737.15BPIIIWP01-vg01
Plantype: wijzigingsplan

Wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Jistrum, Jisteboerewei (wijziging bestemming van agrarisch cultuurgrond naar bedrijf - 2)

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2020

 

NL.IMRO.0737.15BPIIIWP01

 

 

 

 

Toelichting

 

Wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Jistrum, Jisteboerewei (wijziging bestemming van agrarisch cultuurgrond naar bedrijf - 2)

 
Inhoudsopgave

 

Wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Jistrum, Jisteboerewei (wijziging bestemming van agrarisch cultuurgrond naar bedrijf - 2)

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Plangebied

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Planbeschijving

2.1 Huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan

3.2.2 Structuurvisie 'Grutsk op 'e romte'

3.2.3 Provinciale verordening

3.2.4 Provinciaal verkeer en vervoerplan

3.3 Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Milieuzonering

4.2 Geluid

4.4 Luchtkwaliteit

4.5 Externe veiligheid

4.5.1 Externe veiligheid inrichtingen

4.5.2 Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen

4.6 Bodem

4.7 Ecologie

4.8 Archeologie

4.9 Water

4.10 Kabels en leidingen

4.11 Conclusie

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Toelichting op het juridische systeem

5.2 Toelichting op de bestemming

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economisch

6.2 Maatschappelijk

 

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

 

1.1 Aanleiding

 

Aan de Jisteboerewei te Jistrum is, na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, ruimte voor wonen - werken. De huidige percelen zijn op dit moment in gebruik als mais- en/of grasland.

 

De voorgenomen realisatie van een kleinschalig bedrijventerrein nabij Jistrum aan de Jisteboerewei is in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Jistrum 2017 van de gemeente Tytsjerksteradiel. De realisatie van het bedrijventerrein is enkel mogelijk na een wijziging van het bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel heeft zich in beginsel bereid verklaard planologische medewerking te verlenen aan het een wijziging van het bestemmingsplan en brengt daarom het voorliggende plan in procedure.

 

1.2 Plangebied

 

Het plangebied omvat het agrarische perceel zoals weergegeven in figuur 1.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1: bron ruimtelijkeplannen.nl

 

 

1.3 Leeswijzer

 

In hoofdstuk 2 van dit wijzigingsplan wordt het plan nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige, gewenste situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan en tenslotte wordt de uitvoerbaarheid van het plan in hoofdstuk 6 toegelicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschijving

 

2.1 Huidige situatie

 

De oostzijde van Jistrum is uit landschappelijk oogpunt zeer kwetsbaar in verband met de daar voorkomende dykswâlen. Het gebied ten noorden van Jistrum is geoptimaliseerd voor de landbouw en daardoor minder geschikt voor andere doeleinden. Ten westen van Jistrum liggen de sportvelden en voor het overige is dit gebied ook optimaal ingericht voor agrarische activiteiten. Deze overwegingen gelden aanzienlijk minder voor de gekozen bedrijfslocatie. Verder heeft zwaar gewogen de verkeersproblematiek. De ontsluiting van de Jisteboerewei geeft een relatief heldere route richting Rijksstraatweg (via Kootstertille) en richting N31/A7 (via Kootstertille en Drogeham richting Drachten). Deze route is geschikt voor zwaar(der) verkeer. Wegen als De Meren en de Tillewei zijn niet geschikt vanwege het profiel en aanliggende functies (met name wonen). Ook de Kooiweg is minder geschikt. Ontsluiting in noordelijke richting is enkel mogelijk dwars door de dorpsbebouwing. Aan weerszijden van de Kooiweg is singelbeplanting van o.a. eiken met aan de westzijde een fietspad.

 

Op de onderhavige locatie kunnen maximaal 5 bedrijven uit de categoriën 1 en 2 van de bedrijfsbestemmingen met de daarbij behorende woningen een plaats vinden. Tevens is binnen deze locatie minimaal 2500m² ingericht ten behoeve van landschappelijke en waterhuishoudkundige doeleinden. De bebouwing zal op een zodanige afstand van de Jisteboerewei worden gesitueerd dat voldaan wordt aan de normen op het gebied van milieuwetgeving. Evenwijdig aan de Jisteboerewei zal een strook van minimaal 12 meter de bestemming "Tuin" krijgen. Al met al zal netto circa 1,25 ha. voor bedrijfsdoeleinden benutbaar terrein overblijven.

 

 

2.2 Toekomstige situatie

 

Het plan betreft de realisatie van een kleinschalig bedrijventerrein (wonen en werken) aan de Jisteboerewei te Jistrum. De locatie Jisteboerewei is niet aangelegd om bedrijventerrein op voorraad te hebben, er zal, afhankelijk van de vraag, invulling aan het terrein worden gegeven. Op dit moment is er vraag naar de drie laatste bedrijfskavels (er zijn inmiddels twee inbestemd). Vandaar dat met het voorliggende wijzigingsplan toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid om de bestemming van het perceel te wijzigen van "agrarisch - cultuurgrond" in "bedrijf - 2".

 

Hoofdstuk 3 Beleid

 

 

3.1 Rijksbeleid

De rijksoverheid speelt samen met de decentrale overheden (provincies, gemeenten en waterschappen) een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van Nederland. Wel is deze rol van karakter aan het veranderen. Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van 2012 is het rijksbeleid in de ruimtelijke ordening stevig afgeslankt. Het rijksbeleid richt zich voornamelijk nog op de economisch sterke regio’s. De decentrale overheden krijgen een grotere verantwoordelijkheid voor beleid, uitvoering en bekostiging van de ruimtelijke inrichting van de rest van Nederland.

Hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak dat ons in Nederland ter beschikking staat.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.

Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd:

 

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van 2011 stelt regels over de aangewezen nationale belangen genoemd in de SVIR. Met dit bestemmingsplan zijn geen rijksbelangen gemoeid.

 

3.2 Provinciaal beleid

 

3.2.1 Streekplan

 

De provincie Fryslân heeft in 2007 het Streekplan Fryslân ‘Om de kwaliteit fan de romte’ vastgesteld. Met dit streekplan laat de provincie zien welke accenten zij in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Fryslân wil leggen. Zij wil veel ontwikkelmogelijkheden bieden voor wonen en werken, die tegelijkertijd bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Fryslân. Gemeenten en anderen krijgen de ruimte om de gewenste kwaliteiten te leveren: er wordt ‘romte foar kwaliteit’ geboden door de provincie.

 

In het Streekplan Fryslân 2007 staan de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen de komende tien jaar kunnen plaatsvinden. Binnen deze kaders hebben gemeenten en andere initiatiefnemers ruim de mogelijkheid om ontwikkelingen tot stand te brengen, waarbij de kernkwaliteiten van Fryslân voor de toekomst in stand gehouden en versterkt worden. Daarbij stuurt de provincie op bovenlokale belangen, met als leidende gedachte: lokaal wat kan en provinciaal wat moet.

De provincie gaat uit van een ondeelbaar Fryslân met ruimtelijke kwaliteit: stad en platteland hebben elkaar nodig en ondersteunen elkaar. Fryslân is ingedeeld in een aantal gebieden. Tytsjerksteradiel - en daarmee Jistrum - behoort tot het gebied Midden-Fryslân. De provincie zet in op de handhaving en versterking van de positie van Burgum als belangrijk regionaal centrum.

 

Wonen

Jistrum is in het streekplan aangeduid als "overige kern". Dat betekent een kleine kern, waar woningbouw primair gericht is op de woningvraag uit het gebied zelf en de verdeling van de beschikbare woningbouwruimte een gemeentelijke verantwoordelijkheid is.

 

Werken

Voor overige kernen is in het streekplan het volgende uitgangspunt opgenomen: ruimte voor lokale bedrijven draagt bij aan de levendigheid en de economische vitaliteit op het lokale schaalniveau. Primair wordt binnen het bestaande bebouwde gebied gezocht naar ruimte door functieveranderingen, het intensiveren en combineren van functies, of het benutten van open ruimte. Daarnaast is er ruimte voor nieuwe bedrijvigheid aan de rand van de kern onder bepaalde voorwaarden. Voorraadvorming van bedrijventerrein is niet mogelijk.

Ook op zaken als landbouw, recreatie en toerisme, water, netwerken e.d. wordt ingegaan in het streekplan. Jistrum ligt in het Nationaal landschap 'De Noardlike Fryske Wâlden'. Voor de nationale landschappen bestaat geen rijksbeleid meer. De begrenzing van de Nationale landschappen is een planologische begrenzing die nog wel in het Streekplan 2007 staat. Het provinciale beoordelingsregime van de landschappelijke kwaliteit is zowel binnen als buiten de begrenzing van de Nationale Landschappen even zwaar. Daarmee in samenhang is het provinciaal beleid gericht op bescherming van natuur- en landschapswaarden zowel binnen als buiten Nationale Landschappen.

 

 

3.2.2 Structuurvisie 'Grutsk op 'e romte'

 

In 'Grutsk op ‘e Romte' worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie binnen Fryslân te borgen.

In hoofdstuk 8 van deze structuurvisie wordt een beschrijving gegeven van het deelgebied 'noordelijke wouden'. Dit mondt uit in de benoeming van een achttal provinciale waarden:

 

Er kan worden geconcludeerd dat het wijzigingsplan in lijn met de door de structuurvisie benoemde waarden is opgesteld.

 

 

3.2.3 Provinciale verordening

 

De Verordening Romte Fryslân (2014) stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in nieuwe bestemmingsplannen. Geldend provincaal beleid is omgezet in algemeen geldende regels. Deze verordening is een integrale herziening van de vorige Verordening Romte uit 2011 op grond van nieuw provinciaal beleid inzake (intensieve) vehouderij, landschap en cultuur (Grutsk op 'e Romte) en weidevogels. Daarnaast heeft een tussentijdse evaluatie van het streekplan plaatsgevonden die van invloed is op de verordening. Ook op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) was een aanpassing van de verordening vereist.

De verordening blijft wel binnen de denkrichting en concepten van het streekplan. Een integrale heroverweging van het ruimtelijk beleid, als onderdeel van het provinciaal omgevingsbeleid is later aan de orde en kan dan ook leiden tot een integrale heroverweging van de verordening.”

 

Artikel 4.1.1. lid 2 provinciale verordening luidt als volgt:

In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een nieuw bedrijfsterrein of uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein bevatten voor een of enkele bedrijven, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. er is sprake van een directe, concrete behoefte van bedrijven die naar aard en schaal passen bij aard en schaal van de overige kern, de bedrijfsconcentratiekern, het regionaal of het stedelijk centrum;

  2. aangetoond is dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand bedrijfsterrein of een in ontwikkeling zijnde bedrijfsterrein in de regio;

  3. het totale ruimtebeslag van deze bedrijven staat in een redelijke verhouding tot de schaal van de kern;

  4. gewaarborgd is dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap.

 

De gemeente Tytsjerksteradiel heeft samen met andere gemeenten in de regio Noordoost Fryslân een Convenant Bedrijventerreinen afgesloten met de provincie Fryslân (zie bijlage 1).

In het convenant wordt op pagina 12 een onderverdeling gemaakt in lokale, regionale en specifiek grootschalige bedrijventerreinen.

In het overzicht 4 is de lijst van bedrijventerreinen opgenomen. Daar wordt ook dit bedrijventerrein, als onderdeel van het Convenant Bedrijventerreinen.

 

De aanmeldingen voor de laatste 3 kavels, waarvan hier sprake is, overstijgt het aantal beschikbare kavels. Het betreft allemaal lokale kleinschalige bedrijven die een vestigingsplek zoeken in de eigen woonomgeving. In de regio/gemeente zijn geen andere mogelijkheden beschikbaar voor de woonwerklocaties. In de gehele gemeente zijn slechts 3 kavels beschikbaar, gelegen onder een hoogspanningsleiding. Ondanks de beperkingen die dat met zich meebrengt, zijn ook deze kavels inmiddels gereserveerd. Hiervoor vindt technische afstemming plaats met Tennet. De gemeente voert hiernaast een procedure voor bedrijventerrein Sanjesfjild in Oentsjerk. Hiervoor zijn de beschikbare kavels inmiddels ook gereserveerd.

 

Het ruimtebeslag van de geïnteresseerde bedrijven is overeenkomstig het bedrijf dat al gevestigd is op het bedrijventerrein nabij Jistrum. Kleinschalig en passend bij de structuur van het lokale bedrijventerrein van in totaliteit 5 kavels.

 

Voor het bedrijventerrein is een beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Dat is leidend bij de realisatie van de bedrijfspanden en ook toegepast bij het gevestigde bedrijf. Aan de aspecten milieu, ontsluiting en landschap is in de toelichting van het wijzigingsplan en het moederplan, bestemmingsplan Jistrum de nodige aandacht besteed.

 

3.2.4 Provinciaal verkeer en vervoerplan

Provinciale Staten hebben in 2006 het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan 2006 (PVVP 2006) vastgesteld. Het plan is herzien in 2011.

Met dit plan zijn de ambities op verkeer- en vervoergebied in Fryslân tot 2020 vastomlijnd: een realistisch investeringsprogramma voor wegen en vaarwegen, met een solide toekomstvisie voor het openbaar vervoer en een krachtig maatregelenpakket voor het fietsverkeer.

Het hoofddoel van het PVVP is het realiseren van een duurzaam verkeer- en vervoersysteem in Fryslân:

 

Op grond van het PVVP is voor een aantal wegen in/grenzend aan Jistrum een 60km regime ingesteld. Dit heeft voor het wijzigingsplan geen gevolgen. De betreffende weg (Jisteboerewei) behoudt de bestemming 'Verkeer - Ontsluitingswegen'. Er kan worden geconcludeerd dat het wijzigingsplan in overeenstemming met het PVVP is opgesteld.

 

 

 

 

3.3 Gemeentelijk beleid

De gemeente wil de werkgelegenheid in de gemeente bevorderen door het voeren van een actief economisch beleid. Het beleid is erop gericht om bestaande bedrijven te behouden en voldoende ruimte te bieden aan de bedrijfsvoering. Ook startende bedrijven zijn een belangrijke doelgroep. De

gemeente stimuleert economische ontwikkeling door bestaande (ruimtelijke) potenties beter te benutten. Dragende elementen zijn: de regionale functie van Burgum, een hoogwaardige infrastructuur en de kwaliteit en diversiteit van de groene omgeving.

 

Bundeling en segmentering

De gemeente kiest voor bedrijven die op bedrijventerreinen moeten worden gevestigd voor een bundelingsprincipe en segmentering van type bedrijvigheid. In relatie tot de aanleg van de Centrale As zijn, in overleg met de provincie Fryslân, ruimtelijke keuzes gemaakt voor nieuwe vestigingslocaties. Deze bestaan grotendeels uit de bekende planontwikkelingen. Bij de overige dorpen is alleen ruimte voor kleinschalige bedrijven via maatwerkoplossingen. Werken aan huis wordt, voor zover mogelijk, gestimuleerd.

 

Zorgvuldig ruimtegebruik

Op rijksniveau zijn afspraken gemaakt over het toepassen van de zogenaamde SER-ladder bij de aanleg voor nieuwe vestigingslocaties. De gemeente onderschrijft dit afwegingskader. Waar mogelijk (en gewenst) zal herstructurering van bestaande terreinen plaatsvinden. Inzet blijft zorgvuldig

ruimtegebruik door intensivering en een kwaliteitsimpuls. Ook vrijkomende bedrijfspanden moeten, voor zover geen transformatie plaatsvindt naar andere functies, zoveel mogelijk opnieuw in gebruik worden genomen. Bij aanleg van nieuwe terreinen wil de gemeente op een zorgvuldige wijze met

ruimte omgaan. Terreinen zullen daarom gefaseerd, op basis van behoefte, in ontwikkeling worden genomen. Slechts op bepaalde terreinen zal beperkt op ‘voorraad’ worden aangelegd.

 

 

 

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

 

 

De voorgenomen bouw van de woning kan mogelijk effecten op de omgeving van het plangebied hebben. Er kunnen zich functies in de omgeving van het plangebied voordoen die mogelijk hindereffecten op de nieuwe woning hebben en waarvoor de woning belemmerend of beperkend kan werken. Daarbij valt te denken aan bedrijven of wegen. De bouw van de woning kan op zijn beurt weer effecten hebben voor beschermde plan- en diersoorten, en archeologische waarden die binnen het plangebied voorkomen, e.d. Voor vele van dergelijke aspecten zijn wettelijke regels en/of normen vastgelegd. In het onderstaande zal nader worden ingegaan op die omgevingsaspecten die relevant kunnen zijn voor het onderhavige plan.

 

 

4.1 Milieuzonering

 

Ter bescherming van de leefkwaliteit is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Om die reden moet worden onderzocht of het toekomstige bedrijventerrein van invloed is op de (woon)functies in de directe omgeving. In de omgeving van het plangebied komen in een straal van 75 meter geen gevoelige (milieu)functies voor. Op basis van de bestemming "Bedrijf - 2" kunnen ter plaatse categorie 1 en 2 bedrijven op het bedrijventerrein worden gevestigd. Dergelijke bedrijven hebben een richtafstand van 30 meter. Geconcludeerd kan worden dat het bedrijventerrein op voldoende afstand van de gevoelige functies is gesitueerd.

 

 

4.2 Geluid

 

In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor de bouw van de bedrijfswoning is het wegverkeerslawaai van de Jisteboerewei een aspect waarmee rekening gehouden moet worden.

 

In het bestemmingsplan “Jistrum 2017” zijn langs de Jisteboerewei te Jistrum bouwkavels opgenomen om wonen-werken mogelijk te maken. Op één kavel is reeds in 2010 een bedrijfswoning met bedrijfsgebouw gerealiseerd. De gemeente heeft de FUMO (2018) gevraagd de geluidbelasting te berekenen om inzichtelijk te maken of op deze kavels kan worden voldaan aan de grenswaarden van de Wgh.

 

Toetsing Wgh.

Voor het wegverkeerlawaai bedraagt de voorkeursgrensgrenswaarde conform de Wgh. 48 dB. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ten gevolge van verkeer op de zoneplichtige Jisteboerewei de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Indien de woning wordt gerealiseerd achter de aangegeven rooilijn, kan worden voldaan aan de voorwaarden van de Wgh.

 

Toetsing Bouwbesluit

Omdat voor de te realiseren woning geen hogere waarden hoeven te worden vastgesteld, dienen de geluidsgevoelige verblijfsgebieden van de woning te worden getoetst aan artikel 3.2. Daarin wordt geregeld dat de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied minimaal 20 dB dient te zijn.

 

 

4.3 Stikstofdepositie

Met de nieuwste versie van het Aerius berekeningsprogramma is een berekening gemaakt (zie bijlage 2). Deze berekeningen toont aan dat er voor het realiseren van 3 bedrijfskavels met bedrijfswoningen geen sprake is van meetbare effecten (de  berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr). Dit project kan dan ook worden voorgezet. Er is gerekend met 3 bedrijfskavels inclusief bedrijfswoningen, waarbij zowel de realisatie (plan) als gebruiksfase is meegenomen.

 

 

4.4 Luchtkwaliteit

 

In de Wet luchtkwaliteit (2007) zijn normen opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht. Deze normen hebben betrekking op de concentraties in de buitenlucht van een aantal luchtverontreinigende stoffen. Het betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Deze wetgeving vloeit voort uit normen voor luchtkwaliteit die door de Europese Unie zijn gesteld.

 

Om aan deze Europese normen te voldoen zijn in Nederland extra maatregelen nodig, met name voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De Nederlandse overheid heeft hiervoor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgesteld. Projecten die van dit NSL deel uit maken hoeven niet afzonderlijk aan de wettelijke normen te worden getoetst. De bouw van een nieuwe woning vormt geen NSL-project, zodat een afzonderlijke toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beginsel vereist is.

 

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet worden aangetoond dat bij de uitvoering van dat plan:

 

 

Het betreft hier de realisatie van van een drietal woon- werklocaties. De verkeersbewegingen die deze woon-/werklocaties met zich meebrengt zijn zodanig beperkt dat deze de luchtkwaliteit ter plaatse nagenoeg niet beïnvloeden. Bovendien is de achtergrondsituatie van de luchtkwaliteit in Jistrum en omgeving dusdanig dat deze beneden de wettelijke grenswaarden blijft.

 

 

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Sinds een aantal jaren is er wetgeving voor "externe veiligheid" om de burger niet onnodig aan te hoge risicos bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico's gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

 

Ten behoeve van het bestemmingsplan Jistrum 2017 heeft de Fumo (de Friese uitvoeringsdienst milieu en omgeving) een adviesrapport opgesteld over de externe veiligheid. Ook Brandweer Fryslân is om advies gevraagd.

De Fumo heeft in zijn rapport het advies van de Brandweer Fryslân opgenomen. In het rapport wordt nader ingegaan op de risicobronnen die van invloed kunnen zijn binnen de grenzen van het bestemmingsplan.

 

Het Fumorapport vermeldt dat uit de professionele Risicokaart blijkt dat zich in de directe nabijheid van Jistrum risicobronnen bevinden, waarvan de risicocontouren of invloedsgebieden zich over het plangebied bevinden. Het betreft transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

 

Binnen het plangebied bevinden zich voor het overige geen risicobronnen zoals gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen). Op het transport van gevaarlijke stoffen door leidingen wordt onderstaand ingegaan.

 

 

4.5.1 Externe veiligheid inrichtingen

Op grond van het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) moet afstand worden aangehouden tussen risicovolle en risicogevoelige functies. Risicovolle functies betreffen hoofdzakelijk bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, welke veiligheidsrisico’s opleveren voor hun directe omgeving. In de omgeving van het plangebied doen zich geen risicovolle inrichtingen voor die van invloed op het plangebied zijn.

 

 

4.5.2 Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen

Op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) heeft de Fumo zowel het Persoonsgebonden Risico (PR) als het GroepsRisico (GR) nader beschouwd ten aanzien van de hogedruk aardgastransportleidingen die in de nabijheid van het plangebied lopen. Daarbij komt het volgende naar voren:

 

De invloedsgebieden van aardgastransportleiding A-604 valt voor een heel klein deel over het plangebied.

 

De leiding heeft een aantal kenmerken zoals diameter en letaliteitszone (letaliteit is "de mate van dodelijkheid" van een bepaald fenomeen). In het kader van de externe veiligheid is deze letaliteitszone van belang. Deze loopt van 1% tot 100% en is een invloedsgebied dat weergegeven wordt in meters. Binnen de 100% letaliteitszone zullen alle aanwezige personen komen te overlijden ingeval van een incident. De 1% letaliteitszone is dat deel van het invloedsgebied waarin de letaliteit afneemt van 100% tot 1%.

 

Wanneer een plan in het gebied tussen de 100% en 1% letaliteitszone valt dient een beperkte verantwoording van het GR plaats te vinden. Valt een plangebied binnen de 100% letaliteitszone, dan dient een volledige verantwoording van het GR plaats te vinden. Voor leiding A-604 dient een beperkte verantwoording van het GR plaats te vinden.

 

In het gedeelte van het plangebied dat binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen valt, bevinden zich in de huidige en toekomstige situatie geen objecten waar mensen (kunnen) verblijven. In de nieuwe situatie blijft dit gegeven gelijk.

 

Buiten het plangebied, maar binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen, bevinden zich objecten waar mensen verblijven zolas woonfuncties, industriefuncties en overige gebruiksfuncties. Omdat sprake is van vaststelling van een wijzigingsplan is door Fumo een risicoanalyse gemaakt waarmee onder andere het GR is berekend. Met behulp van het rekenprogramma CAROLA kan de Fumo bepalen of voldaan wordt aan de risiconormen voor de externe veiligheid zoals die zijn vastgelegd in het Bevb. Het resultaat van een berekening bestaat uit PR-contouren en een FN-curve voor het GR.

 

PR

Het Bevb stelt dat er geen kwetsbare objecten mogen voorkomen binnen de 10-6de contouren van leidingen waarin gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Uit zowel de professionele Risicokaart als uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een dergelijke contour langs de leidingen en geconcludeerd kan worden dat de hogedruk aardgastransportleidingen met betrekking tot deze contour geen belemmering vormen voor onderhavig plan.

 

Belemmeringenstrook

Op grond van het Bevb dient een wijzigingsplan de ligging weer te geven van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Geconcludeerd wordt dat het plangebied buiten de belemmeringenstroken van de leidingen ligt.

 

Verantwoording GR

Naast de numerieke waarde van het GR, zoals de ligging van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde en de toename daarvan ten opzichte van de nulsituatie, dient ter beoordeling van het GR en de verantwoording daarvan ook gekeken te worden naar kwalitatieve aspecten, zoals zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid van het incident, nut en noodzaak, het tijdsaspect en mogelijk risicoreducerende maatregelen.

 

Ligging GR ten opzichte van oriëntatiewaarde

De wetgeving verbindt geen harde normen aan de toelaatbaarheid van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen een invloedsgebied, zoals dat wel het geval is bij een PR-contour. Wel bestaat voor het bevoegd gezag bij het vaststellen van ruimtelijke plannen de wettelijke verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing bij ruimtelijke plannen binnen een invloedsgebied in de gevallen dat het Bevb dat voorschrijft. Hier zijn de hogedruk aardgastransportleidingen de risicobron.

 

Populatie

De bepaling van de aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleidingen is enerzijds gebaseerd op het aantal personen per eenheid genoemd in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico en anderzijds gebaseerd op de aantallen personen per hectare genoemd in dezelfde Handreiking. Uit de resultaten van de berekeningen kan worden geconcludeerd dat voor de leiding A-604 geen GR binnen het invloedsgebied is waar te nemen.

 

Conclusie

Op basis van de adviezen van de Fumo en Brandweer Fryslân in het kader van het bestemmingsplan Jistrum is onze conclusie dat het risico ook voor dit wijzigingsplan aanvaardbaar kan worden geacht en geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.

 

 

4.6 Bodem

 

In het kader van de Wet bodembescherming dient te worden onderzocht of in het plangebied sprake is van bodemverontreiniging. De kwaliteit van de bodem is een belangrijk aspect. Uit de provinciale Signaleringskaart (mogelijke) bodemverontreiniging blijkt dat voor het plangebied geen verdachte (dat wil zeggen mogelijk verontreinigde) locaties te vinden zijn. Ook in de bestaande situatie zijn voldoende maatregelen getroffen om mogelijke bodemverontreiniging te voorkomen. Gezien het historisch agrarische gebruik van de gronden en de toekomstige functie, zijn er geen belemmeringen te verwachten en lijkt de bodem geschikt voor de nieuwe woonfunctie.

 

Uit het bodemonderzoek van 12 maart 2018 blijkt dat vanwege de verhoogde concentratie aan naftaleen in het grondwater de onderzoekshypothese, een onverdachte locatie, formeel gezien dient te worden verworpen. Ten aanzien van het asbestonderzoek geldt dat de gekozen onderzoekshypothese, een verdachte locatie, eveneens verworpen wordt.

 

Geconcludeerd kan worden dat de gemeten gehalten en concentraties geen aanleiding geven voor een aanvullend onderzoek. Tevens zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen voor nieuwbouw op de locatie.

 

 

4.7 Ecologie

 

Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in bescherming van gebieden en van soorten.

 

Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied.

 

Plangebied

Naast de bestaande bedrijvigheid op nr 9 aan de Jisteboerewei wordt in westelijke richting uitgebreid. Het betreft in totaal een wijzigingslocatie van ruim 1 ha die ruimte biedt voor de al inbestemde en nog resterende 3 woonwerkcombinaties. Er liggen concrete verzoeken voor de percelen grenzend aan nr 7. Deze aanvraag wordt planologisch geregeld met het onderhavige wijzigingsplan. In het kader van de natuurwetgeving is het perceel onderzocht.

Het gehele terrein betreft een perceel maïsland in het (elzen)singellandschap. Het perceel wordt aan 3 zijden omgeven door sloten en grenst aan de Jisteboerewei (zuidzijde), een bosachtige tuin (westzijde), weiland (noordzijde) en een bedrijfsloods met woning aan de oostkant. De bodem bestaat grotendeels uit hoge zwarte enkeerdgrond, die vroeger deel was van de esgronden (gemeenschappelijke akkers) rond Jistrum.

 

Gebiedsbescherming

Natura 2000 gebieden liggen op grote afstand (meer dan 10 km) waardoor beïnvloeding door het bedrijventerrein kan worden uitgesloten. De NNN (Natuurnetwerk Nederland, voorheen ecologische hoofdstructuur geheten) ligt dichterbij, maar nog altijd op meer dan een kilometer afstand (oeverlanden van de Burgumer Mar). Door de afstand en het verschil in biotopen kan ook hier beïnvloeding worden uitgesloten. Nog dichterbij (46 m) ligt aan de oostzijde van het bestaande bedrijventerrein een klein natuurgebied. Het betreft een zwaluwwal met nesten en een vijver met riet. De nesten in de wal zijn gericht naar het oosten en de wal vormt zo een afscherming naar het bestaande en nieuwe bedrijventerrein. De oeverzwaluwen foerageren op insecten boven de plas en het omringende schrale grasland. Omdat alleen lichte bedrijven (categorie 2) zijn toegestaan zal er door geluid geen verstoring plaatsvinden.

 

Soortbescherming

De wet natuurbescherming 2017 onderscheidt soorten met een Europese bescherming en nationaal beschermde soorten. De provincie Fryslân heeft een deel van de nationale soorten vrijgesteld van enkele verbodsbepalingen indien het om ruimtelijke ontwikkelingen gaat, zoals (wijziging van) het bestemmingsplan. In het plangebied liggen de biotopen sloot, houtsingel en akkerland, waarin vogels, amfibieën, vissen en zoogdieren (incl. vleermuizen) kunnen voorkomen. Beschermde planten, insecten en reptielen zijn zeker niet aanwezig.

 

Vogels

Nesten van broedende vogels zijn beschermd en ook nesten, die jaarrond door vogels gebruikt worden dan wel nesten waar vogels jaarlijks naar terugkeren (zoals roofvogels, mussen, zwaluwen) zijn beschermd. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen, maar in de broedtijd (ca. 15 maart – 15 juli) zijn nesten in de houtsingel mogelijk wel aanwezig. Snoeien en kappen, maar ook andere werkzaamheden nabij de nesten zijn dan niet toegestaan.

 

Amfibieën en vissen

Amfibieën zijn in of langs de sloten mogelijk aanwezig maar zijn door de provincie vrijgesteld. Hoewel de sloten niet verbonden zijn met ruimer water zouden vissen mogelijk aanwezig kunnen zijn, zodat bij demping van (gedeelten) van de sloten de zorgplicht geldt: de vissen moeten de mogelijkheid krijgen om te overleven.

 

Zoogdieren

Voor vleermuizen zijn geen verblijfsmogelijkheden (holle bomen) en zijn er in het omliggende singellandschap ruime mogelijkheden om zich te verplaatsen en te foerageren. Andere (kleine) zoogdieren vallen onder de provinciale ontheffing.

 

 

4.8 Archeologie

 

Het verdrag van Malta beoogt het cultureel erfgoed in de bodem te beschermen. Eén van de doelstellingen van het Verdrag van Malta is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening.

 

Op grond van de Monumentenwet 1988 moeten gemeenten bij de vaststelling van een wijzigingsplan rekening houden met archeologische waarden en verwachtingen (art. 38a). In verband hiermee is een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. 

 

De conclusie van het onderzoek is dat de waterhoudende dobbe ter plaatse een gegraven poel is. Er is verder geen sprake van een pingoruïne; dit blijkt een ven te zijn. Archeologische waarden zijn niet aangetroffen.

 

 

4.9 Water

 

Vanwege het belang van het water in de ruimtelijke ordening, moet bij nieuwe ruimtelijke plannen worden aangegeven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De verplichting hiertoe vloeit voort uit het bepaalde hieromtrent in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterschappen moeten daarom in een vroeg stadium betrokken worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

 

In het kader van het bestemmingsplan Jistrum 2017 is Wetterskip Fryslân om advies gevraagd via de zogenaamde Watertoets. Onderstaand wordt daar op ingegaan.

 

Watertoets en wateradvies Jisteboerewei

Het Wetterskip Fryslân heeft ons geinformeerd dat het toevoegen van een woonwerklocatie aan de Jisteboerewei een beperkte invloed heeft op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan kan worden opgevangen met standaard maatregelen die vermeld staan in de leidraad watertoets. Er zijn geen aanvullende aandachtspunten.

 

 

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

 

Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m² in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese klimaatatlas : www.frieseklimaatatlas.nl

 

 

4.10 Kabels en leidingen

 

Binnen het plangebied of in de buurt hiervan zijn geen kabels en leidingen aanwezig waar rekening mee gehouden dient te worden.

 

 

4.11 Conclusie

 

Op grond van hetgeen in de voorgaande paragrafen over de diverse omgevingsaspecten aan de orde is gekomen, kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor het wijzigingsplan ten behoeve van de realisatie van 3 nieuwe woon- werklocaties aan de Jisteboerewei te Jistrum.

 

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

 

 

5.1 Toelichting op het juridische systeem

 

Het onderhavige bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. Het gebruik van de gronden wordt vastgelegd in de bestemmingsregels en op een digitale verbeelding. Dit vormt het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt de keuze voor de bestemming gemotiveerd.

 

5.2 Toelichting op de bestemming

 

- Tuin -

 

Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde zijtuinen te beschermen, is daar-voor de afzonderlijke bestemming ‘Tuin’ opgenomen.

Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Bebouwing is binnen deze bestemming niet toegestaan. Dat sluit aan op de gegroeide praktijk. Ter wille van een zekere flexibiliteit mag een woonhuis binnen de bestemming overigens wel met een erker uitgebouwd worden. Bij grote, diepe voortuinen kan afgeweken worden van het bouwverbod. Onder voorwaarden kan worden toegestaan dat een tuinprieel o.i.d. van geringe omvang wordt gebouwd.

Ook de erfafscheidingen zijn binnen de tuinbestemming lager: maximaal 1,00 m voor de voorbouwgrens, en achter die grens maximaal 2,00 m.

Verder wordt de bestemming ‘Tuin’ gelegd op percelen en perceelsgedeelten (met toen nog een agrarische bestemming), die in de loop van de tijd bij woningen zijn getrokken en waar-van het (vrijwel) onbebouwde karakter gewenst is.

Overigens wordt de tuinbestemming alleen in combinatie met woonbestemmingen toegepast.

Bij woningen die op behoorlijke afstand van een (verharde) weg liggen, wordt de voortuin of zijtuin niet als zodanig bestemd. De noodzaak vanuit ruimtelijk oogpunt ontbreekt daartoe.

 

 

- Bedrijf 2 -

 

Om te bepalen welke bedrijven zijn toegestaan wordt verwezen naar de bedrijvenlijst (bijlage 1 van de regels). Deze lijst is gebaseerd op de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de 'Bedrijven en Milieuzoneringsgids' van de VNG. In een enkel geval wordt naast de bestemming ook nog een extra aanduiding bij de bestemming geregeld. Dit is omdat ofwel de specifieke bedrijfsactiviteit niet op de bijlage staat vermeld danwel de bestaande activiteit een zwaardere bedrijfscategorie betreft dan de gegeven bestemming en het wel de intentie is om de bestaande legale bedrijfsactiviteiten te regelen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

 

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

 

 

6.1 Economisch

 

Exploitatieplan

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een grondexploitatieregeling opgenomen. Hiermee beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten voor bijvoorbeeld bouw- en woonrijp maken en hebben zij sturingsmogelijkheden omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden.

 

Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor een exploitatieplan op te stellen, tenzij voornoemde kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten, en het stellen van eisen met betrekking tot kwaliteit en fasering niet noodzakelijk wordt geacht. Een combinatie van exploitatieplan en overeenkomsten is ook mogelijk.

 

Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

 

De betreffende grond is in eigendom van de gemeente en er is dus geen sprake van derden die eisen en regels kunnen stellen. Het kosten verhaal vindt plaats door middel van gronduitgifte, waarbij de opbrengst minimaal gelijk zal zijn aan de kosten van aanleg. Een exploitatieplan is derhalve niet nodig.

 

Op grond van het voorgaande kan worden aangenomen dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is gegarandeerd.

 

 

6.2 Maatschappelijk

Het wijzigingsplan wordt, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Er is geen zienswijze ingediend. Het plan is op 10 augustus 2020 ongewijzigd vastgesteld.