direct naar inhoud van Regels

Bestemmingsplan realisatie supermarkt Poiesz aan de Rijksstraatweg te Noardburgum (wijziging bestemming naar detailhandel)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0737.14BPXI-vg01
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting bestemmingsplan realisatie supermarkt Poiesz aan de Rijksstraatweg te Noardburgum (wijziging bestemming naar detailhandel)

 

 
Inhoudsopgave

 

Toelichting bestemmingsplan realisatie supermarkt Poiesz aan de Rijksstraatweg te Noardburgum (wijziging bestemming naar detailhandel)

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

2.3 Stedenbouwkundige inpassing

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie 3.1.1

3.1.2 Ladder duurzame verstedelijking

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Verordening Romte

3.2.2 Friese retailaanpak

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie

Hoofdstuk 4 Milieu en omgevingsaspecten

4.1 M.e.r. beoordeling

4.2 Verkeer en parkeren

4.3 Bedrijven en milieuzonering

4.4 Wegverkeerslawaai

4.5 Water

4.6 Ecologie

4.7 Luchtkwaliteit

4.8 Externe veiligheid

4.9 Bodem

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

4.11 Kabels, leidingen en zonering

Hoofdstuk 5 Juridische beschrijving

5.1 De systematiek

5.2 Inleidende regels

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Enkelbestemmingen

5.3.2 Dubbelbestemmingen

5.4 Algemene regels

5.5 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economisch

6.2 Maatschappelijk

Hoofdstuk 7 Inspraak en overleg

7.1 Inspraak

7.2 Overleg

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

 

1.1 Aanleiding

 

Poiesz Supermarkten BV is voornemens een nieuwe dorpssupermarkt met een verkoopvloeroppervlak van 700 m2, inclusief bijbehorend parkeerterrein aan de Rijksstraatweg te Noardburgum te realiseren. Door de nieuwe inrichting van het terrein wordt de gebiedsontsluiting Rijksstraatweg/Zevenhuisterweg ook gedeeltelijk verlegd naar de westkant.

 

De ontwikkeling van de dorpssupermarkt past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling toch juridisch-planologisch mogelijk te maken, is een nieuw bestemmingsplan nodig. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

 

1.2 Plangebied

Het plangebied is afgestemd op de toekomstige inrichting van de dorpssupermarkt. Hieronder is op de luchtfoto de locatie te zien. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. en 1.2.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1.1 luchtfoto van het gebied

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1.2 ligging plangebied (paars) en het ontwikkelgebied Poiesz (zwart)

 

 

1.3 Geldend bestemmingsplan

 

De gronden van het plangebied zijn geregeld in het bestemmingsplan 'Noardburgum e.o. 2015'. Dit bestemmingsplan is op 1 juni 2016 vastgesteld.

 

De gronden zijn voorzien van de bestemmingen 'Groen - Groenvoorzieningen', 'Verkeer - Verblijf' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Leiding - Water'. Binnen de bestemming 'Groen - Groenvoorzieningen' en 'Verkeer - Verblijf' is geen supermarkt toegestaan. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Meer hierover in paragraaf 4.10. De dubbelbestemming 'Leiding - Water' is opgenomen ter bescherming van de aanwezige waterleiding. Meer hierover in paragraaf 4.11.

 

Een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan is weergeven in figuur 1.3.

 

 

 

 

 

 

 

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1.3 Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron ruimtelijkeplannen.nl)

 

1.4 Leeswijzer

De toelichting op het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

 

In hoofdstuk 2 volgt een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 vindt een toetsing plaats aan de wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling van het plan. In hoofdstuk 6 wordt tot slot de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld.

 

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

 

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en de gewenste situatie in het plangebied. De gewenste situatie is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en de daarin opgenomen regeling. De gewenste situatie moet goed passen in de huidige situatie. Ook dat wordt in dit hoofdstuk gemotiveerd.

 

 

2.1 Huidige situatie

Het plangebied bevindt zich aan de zuidkant van de kern Noardburgum. In de huidige situatie is op deze locatie openbaar groen aanwezig en een doorgaande weg van de Zevenhuisterweg naar de Rijksstraatweg. Er staat ook een gemeentelijk oorlogsmonument en een kunstwerk. Het oorlogsmonument wordt binnen het plangebied verplaatst en het kunstwerk wordt op een andere plek buiten het plangebied geplaatst. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergeven. Figuur 2.2 geeft een vooraanzicht van de huidige situatie weer.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2.1 Ligging plangebied (paars) en het ontwikkelgebied Poiesz (zwart)

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2.2 Huidig aanzicht vanaf de Rijksstraatweg (bron Google Maps)

 

2.2 Toekomstige situatie

 

Het plan is om het plangebied een nieuwe inrichting te geven met daarin één supermarkt met bijbehorend parkeerterrein inclusief groene inrichting. In totaal worden 47 parkeerplaatsen in het gebied voorgesteld. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt de Zevenhuisterweg aan de westelijke kant doorgetrokken en vervolgens weer verbonden met de Rijksstraatweg.

 

In figuur 2.3 is een tekening opgenomen van de gewenste inrichting van het plangebied. De supermarkt krijgt een oppervlakte van 1.070 m2 bruto vloeroppervlakte (BVO) en 700 m² VVO (verkoopvloeroppervlak). De bouwhoogte van het gebouw bedraagt voor het grootste gedeelte 5,5 meter en ter plaatse van de hoofdentree is sprake van een bouwhoogte van 9,5 meter.

 

De opstelplaats voor het laden en lossen van de vrachtwagens (aan de zuidoostzijde van de nieuwbouw) is voorzien in de realisatie van een geluidscherm. Dit scherm komt in het verlengde van de oostgevel van de nieuwe supermarkt te staan, heeft een hoogte van 2,0 meter en een lengte van circa 18 meter. Ter voorkoming van reflecties dient het scherm aan de binnenzijde geluidsabsorberend te worden uitgevoerd.

 

Aan de noordkant van het plangebied, tussen de Marijkepaed en het parkeerterrein, wordt een groene zone ingericht met daarin wadi’s en langs het parkeerterrein een keerwand van 1,20 meter hoog met daartegenaan een talud met een helling 3:1. In de teen van het talud (onderaan het talud) worden diverse bomen geplant. In de regels van dit bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen om deze groene zone conform de inrichtingstekening en het dwarsprofiel te realiseren. Het oostelijke deel van het Marijkepaed wordt transparanter ingericht, in verband met uitzicht van omwonenden, dan het westelijke deel. De groenstrook gaat verder dienen als wadi (waterbuffer) tussen het toekomstige parkeerterrein en de sloot aan de oostzijde van de supermarkt. Een tekening van de groenstrook is opgenomen in figuur 2.4. Een doorsnede hiervan is opgenomen in figuur 2.5.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2.3 Gewenste inrichting plangebied nieuwe locatie (versie 12-7-2021)

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2.4 Groenstrook noordkant plangebied

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2.5 Doorsnede groenstrook noordkant plangebied

 

 

2.3 Stedenbouwkundige inpassing

Het gebied langs de Rijksstraatweg dat wordt beoogd als bouwlocatie voor een Poiesz supermarkt, maakt onderdeel uit van het criterium 'lintbebouwing', zoals deze is opgenomen in de welstandsnota voor Noardburgum.

 

Het architectonisch ontwerp is een bouwmassa dat voornamelijk bestaat uit één bouwlaag met een kapconstructie (pannendak). Het gebouw bestaat uit verschillende geledingen welke in 2 richtingen zal worden gerealiseerd.

 

De locatie waar de dorpssupermarkt wordt gerealiseerd is nabij de rotonde Rijksstraatweg. Hiermee kan de locatie worden geduid als 'gelegen aan de centraal gelegen toegangsweg van het dorp'. Het gebied is thans open van structuur en kent uitsluitend een verkeersstructuur, een kunstwerk en (oorlogs-) herdenkingsplaats. Ten noorden van het beoogde gebied grenzen een aantal woningen aan het plangebied. Enkele woningen zijn pas enkele jaren geleden gerealiseerd (Marijkepaed). Het gebied nabij de centrale entree van het dorp is dusdanig groot dat dit een gebouw met een dergelijke maat en schaal (één laag met kap) prima kan hebben. Het bouwwerk is laag, maar heeft wel een ruime uitstraling op het omliggende gebied vanwege de functionele inrichtingsaspecten die behoren tot de functie van de supermarkt (parkeerplaats en toe-/afritten). De inpassing van de functie is daarom gebaat bij een goede, ruimtelijke inrichting van met name de buitenranden. Er zullen kwalitatief goede, groene, overgangsgebieden aangelegd moeten worden om een zogenaamde 'harde overgang' naar de woonfunctie te voorkomen. Dit geldt eveneens voor de beeldvorming vanaf de provinciale weg, de Rijksstraatweg. De rondom het ontwikkelgebied toegekende bestemming “groen-groenvoorziening” maakt deze inpassing mogelijk.

 

De plaatsing van de dorpssupermarkt is gericht naar de openbare ruimte, waarbij de gevels in een lineaire structuur zijn geplaatst, evenwijdig aan de belendende bouwpercelen. De hoofdvorm kent enige afwisseling in maat en schaal. De basis van het ontwerp, te weten één bouwlaag met kapconstructie voegt zich goed in de bebouwingsstructuur van Noardburgum. De bebouwingskarakteristieken langs de Rijksstraatweg kennen een vergelijkbare maat en schaal. Er is langs de Rijksstraatweg sprake van een ruime afwisseling in de gerichtheid van de kapconstructies. Binnen deze bebouwingskarakteristiek past het architectonisch ontwerp voor een Poiesz supermarkt op de voorgestelde locatie.

 

In de aanzichten en de opmaak van het ontwerp zijn veel kenmerken af te lezen zoals deze in de welstandscriteria 'lintbebouwing' worden genoemd. Het gaat daarbij om een horizontale gerichtheid van de openingen in de gevels. Langs de Rijksstraatweg wordt binnen de welstandscriteria een vrije vormgeving en compositie toegestaan. Het ontwerp dat hier wordt getoetst past daarbinnen. Er is tevens sprake van een materiaalkeuze die traditioneel mag worden genoemd; de gevels zijn van steenachtig materiaal (roodbruin genuanceerd en mat zwart dakpan). De welstandsciteria schrijven hier aardetinten voor. De materiaalkeuze lijkt hier prima aan de criteria te kunnen voldoen.

 

Eindconclusie: De gehele bouwkundige opzet past in de bestaande ruimtelijke context van de bebouwing aan Rijksstraatweg. Zowel qua plaatsing, de hoofdvorm, de aanzichten en de opmaak voldoet het ontwerp aan de criteria. Het gebouw zal zich goed voegen in het stedenbouwkundige weefsel Rijksstraatweg en omgeving.

 

Hoofdstuk 3 Beleidskader

 

De ontwikkeling in het plangebied moet passen binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. Dit beleid kan uitgangspunten geven voor het bestemmingsplan en de daarin mogelijk gemaakte ontwikkelingen. In dit hoofdstuk staat omschreven welk beleid van belang is en welke uitgangspunten dit geeft.

 

3.1 Rijksbeleid

 

 

3.1.1 Nationale omgevingsvisie 3.1.1

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Groningen, waar Friesland deel vanuit maakt, is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

 

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;

  2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;

  3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken;

  4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

 

Realiseren opgaven

In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:

 

  1. De Omgevingsagenda.

Voor Noord-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Friesland onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.

 

  1. De NOVI-gebieden.

Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

 

Conclusie

Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.

 

 

 

3.1.2 Ladder duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

 

De nieuwe dorpssupermarkt heeft een omvang van 1.070 m2 BVO. Met de herontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor een nadere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar bijlage 1 Ladder onderbouwing.

 

 

3.2 Provinciaal beleid

 

3.2.1 Verordening Romte

In de verordening (geconsolideerde versie van 08-08-2018) zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.

 

Bundeling

In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Het plangebied van dit bestemmingsplan behoort tot het Bestaand Stedelijk Gebied. Hier wordt ruimte geboden voor het ontwikkelen van stedelijke functies.

 

Detailhandel

Een ruimtelijk plan kan nieuwe detailhandel toestaan als onderdeel van een buurtwinkelcentrum, mits in de plantoelichting wordt gemotiveerd dat de detailhandel geen afbreuk doet aan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het bestaande kernwinkelgebied.

 

In dit geval wordt een nieuwe, dorpssupermarkt op een nieuwe locatie in de kern Noardburgum gebouwd. Noardburgum heeft geen kernwinkelgebied. De nieuwbouw heeft daarmee geen nadelige effecten op de functionele en ruimtelijke kwaliteit van het bestaande kernwinkelgebied. De supermarkt heeft geen nadelige effecten op het ondernemersklimaat in Noardburgum.

 

Conclusie

De voorgestelde ontwikkeling past binnen de kaders van de verordening Romte.

 

 

3.2.2 Friese retailaanpak

Broekhuis-Rijs heeft in 2017 voor de provincie een koopstromenonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van het koopstromenonderzoek tonen aan dat het veranderde retaillandschap gevolgen heeft voor het functioneren van de Friese winkelgebieden. De conclusies en aanbevelingen van het Friese koopstromenonderzoek, een regionale vertaalslag van de IPO-Retaildeals en de landelijke Retailagenda (2018-2020) waaraan de Provincie Fryslân en (een deel van de) Friese gemeenten zich eveneens verbonden hebben, zijn vervolgens vertaald in De Friese Retailaanpak.

 

De centrale ambitie van de Friese Retailaanpak is de volgende: Goed functionerende, aantrekkelijke en toekomstbestendige winkelgebieden in een veranderend retaillandschap.

 

De ambitie kan vertaald worden naar de volgende doelen, waaraan de activiteiten die vanuit de Friese Retailaanpak worden ondernomen, direct dan wel indirect, een bijdrage zullen leveren:

  1. Gezonde retailmarkt: Terugdringen van overcapaciteit en overbodige plancapaciteit in winkelmeters en leegstand;

  2. Versterking ondernemerschap: Professionalisering van ondernemerschap in de retailsector;

  3. Stimuleren en ondersteunen van startende retail-ondernemers:

  1. Vergroten van de flexibiliteit en het innovatievermogen van de retailsector om in te kunnen spelen op maatschappelijke en economische veranderingen/ontwikkelingen (onder meer in de omgeving, koopgedrag en bestedingspatronen van consumenten, de economische conjunctuur en technologische ontwikkelingen);

  2. (Bij)scholing, opleiding en competentie-ontwikkeling van retail -personeel zodat deze aansluiten bij een veranderende omgeving, en nieuwe ontwikkelingen en trends (kwalitatief);

  3. Optimale aansluiting onderwijs —arbeidsmarkt en beschikbaarheid van voldoende geschoold personeel (kwantitatief);

  4. Kenniscreatie, -overdracht en netwerkontwikkeling;

  1. Ontwikkeling van innovatieve concepten en oplossingen, business modellen of ondernemingsvormen, en product-markt/functie-combinaties.

  2. Creëren van reuring: Versterken van de uitstraling, beleving en aantrekkelijkheid van winkelgebieden;

  3. Professionaliseren en promotie: Profilering en duidelijke positionering van winkelgebieden:

  4. Het promoten van het unieke vestigingsmilieu van de Friese winkelkernen om nieuwe concepten en formules aan te trekken.

 

Prioriteit binnen deze aanpak is het terugdringen van leegstand en aan de andere kant de centrumfunctie goed aansluiten op maatschappelijke behoeften. In Noardburgum en aangrenzende dorpen is de leegstand laag en zal de ontwikkeling van de Poiesz in Noardburgum niet leiden tot meer leegstand. De toevoeging van een supermarkt in Noardburgum zorgt wel voor een positief impuls op het gebied van leefbaarheid en voorzieningenaanbod.

 

 

3.3 Gemeentelijk beleid

 

 

3.3.1 Structuurvisie

De structuurvisie Finster op romte (2010) geeft de toekomstvisie weer van Tytsjerksteradiel tot het jaar 2020. Op 20 september 2018 heeft de raad bij een evaluatie van de structuurvisie geoordeeld dat de houdbaarheidsdatum van de visie nog niet is verstreken en is besloten de structuurvisie te blijven hanteren tot het moment van vaststellen van een nieuwe omgevingsvisie. In de structuurvisie wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen kernen. Naast grote kernen als Burgum en Hurdegaryp en recreatieve kernen als Earnewâld bestaat de gemeente uit kleine kernen, waartoe ook Noardburgum behoort. Voor ontwikkelingen is het uitgangspunt dat deze moeten passen in aard en schaal van het dorp en het landschap. Ontwikkelingsruimte in de kleine kernen is meer beperkt en richt zich vooral op inbreiding en kwaliteitsimpuls. In beginsel wordt alleen gebouwd voor de eigen behoefte (natuurlijke groei). De dorpen gaan echter nadrukkelijk niet op slot. Ontwikkelingen in kleine kernen vragen om een zorgvuldige inpassing en maatwerk. De gemeente streeft naar behoud van voorzieningen in zijn dorpen.

 

Met de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, wordt het voorzieningen niveau van Noardburgum versterkt. Pas wanneer een commerciële voorziening niet meer haalbaar is wordt er gekeken naar concentratie van voorzieningen in de grotere kernen als Hurdegaryp, Gytsjerk/Oentsjerk en Burgum.

 

De gemeente streeft naar concentratie in de grotere kernen. Om de leefbaarheid in de kern Noardburgum echter te behouden en zelfs te versterken is de komst van een supermarkt een gewenste ontwikkeling. Uit de kwantitatieve analyse is gebleken dat de toevoeging van een supermarkt van deze omvang in Noardburgum haalbaar is. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de structuurvisie. Verder is de ontwikkeling passend qua aard en schaal van het dorp.

 

 

 

Hoofdstuk 4 Milieu en omgevingsaspecten

 

4.1 M.e.r. beoordeling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor een supermarkt is een 'stedelijk ontwikkelingsproject' uit onderdeel D van de bijlage relevant. Hierbij is een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig indien het gaat om een ontwikkeling met een oppervlakte van 100 hectare of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De nieuwe supermarkt blijft verreweg onder deze drempelwaarden.

 

In het Besluit m.e.r. is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije mer-beoordeling.

 

In een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie is op basis van de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect geconcludeerd dat belangrijke negatieve milieugevolgen zijn uitgesloten. Voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure besluit het college dat geen MER-procedure nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie is opgenomen als bijlage 2.

 

4.2 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De verkeerskundige gevolgen zijn hieronder beschreven.

 

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie worden kencijfers uit CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig Parkeren' (2018) gebruikt. Hierbij is uitgegaan van een niet-stedelijke omgeving, schil centrum. Er wordt uitgegaan van het gemiddelde kengetal binnen de bandbreedte.

 

Ontsluiting

Het verkeer van en naar het plangebied wikkelt af over de verschillende ontsluitingswegen in het gebied. Het parkeerterrein van de dorpssupermarkt zal bereikbaar zijn middels twee aansluitingen: op de Rijksstraatweg en op de Zevenhuisterweg. Deze wegen liggen binnen de bebouwde kom van Noardburgum. Er geldt op deze wegen een maximum snelheid van 30 km/uur.

 

Parkeren

Parkeerbehoefte

De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is berekend aan de hand van parkeerkencijfers uit CROW publicatie 381. De parkeerbehoefte is opgenomen in tabel 4.1.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.1 Parkeerbehoefte

 

Op basis van tabel 4.1 heeft de ontwikkeling een gemiddelde parkeerbehoefte van 35 parkeerplaatsen. De initiatiefnemer is voornemens om bij de supermarkt een parkeerterrein met 47 parkeerplaatsen te realiseren waarmee wordt voorzien in de berekende parkeerbehoefte.

 

Fietsparkeren

Aan de voorzijde van de supermarkt worden stallingsplaatsen voor fietsen gerealiseerd. Hier kunnen bezoekers en werknemers van de supermarkt hun fiets stallen.

 

Bevoorrading

Bevoorrading vindt op eigen terrein plaats. Vrachtwagens bereiken de laad- en losplaats (gesitueerd aan oostzijde van het pand) door vanaf de Rijksstraatweg achteruit de laad- en losplaats in te draaien. Onderstaande figuur geeft het maken van de manoeuvre weer.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 4.2 bevoorradingsgebied met geluidscherm

 

 

Verkeersgeneratie en -afwikkeling

Tabel 4.3 geeft een overzicht van de huidige en toekomstige verkeersgeneratie van het plangebied.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.3 Verkeersgeneratie

 

In de toekomstige situatie zal de verkeersgeneratie circa 1.442 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag bedragen. Omrekening naar een werkdaggemiddelde gebeurt doorgaans met standaardfactor 1,2 voor supermarkten. Daarmee zorgt de voorgenomen ontwikkeling voor een verkeerstoename van circa 1.730 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag.

 

Verkeersafwikkeling

In het drukste uur van de dag wordt doorgaans niet meer dan 10% van de etmaalwaarde afgewikkeld. Door de ontwikkeling dienen de ontsluitingswegen in het drukste uur circa 173 mvt/uur extra af te wikkelen bovenop de bestaande verkeersintensiteiten. Het verkeer wordt gespreid door het realiseren van twee inritten naar het parkeerterrein (Rijksstraatweg en Zevenhuisterweg). De verkeerstoename kan merkbaar zijn op piekmomenten van de supermarkt (bijvoorbeeld zaterdagmiddag), maar zal geen negatieve gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling.

 

Aan de zuidwest zijde van het plangebied krijgt het parkeerterrein zoals gezegd een aansluiting op de Rijkstraatweg. In de huidige situatie loopt deze weg dwars door het plangebied. Met de komst van het dorpssupermarktterrein wordt deze weg naar de westkant verplaatst. Het parkeerterrein zal direct ontsluiten op de Rijksstraatweg en Zevenhuisterweg. Beide wegen maken deel uit van een 30 km/uur zone. Dit zorgt er voor dat het snelheidsverschil tussen doorgaand verkeer op de beide wegen en verkeer dat gebruik maakt van de toerit van het supermarktterrein klein is. De afstand tussen de rotonde en de toerit van het parkeerterrein is circa 30 meter. Met deze afstand zullen voertuigen die wachten voor de rotonde geen belemmering vormen voor verkeer dat het parkeerterrein in- en uitrijdt. Tevens is er vanaf de aansluiting voldoende overzicht op de Rijksstraatweg en vice versa, waarmee bij de uitrit geen verkeersonveilige situaties worden verwacht.

 

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is goed voor de verschillende vervoerswijzen. De parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van de ontwikkeling zijn berekend aan de hand van gemiddelde CROW kencijfers. Het beoogde parkeeraanbod op eigen terrein voorziet in de berekende parkeerbehoefte. De ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename. De doorstroming en verkeersveiligheid op de verschillende ontsluitingswegen van het plangebied is acceptabel. Ook komt de verkeersveiligheid ten gevolge van de bevoorrading niet in het geding. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling in dat geval niet in de weg.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.

 

Bij het plangebied is vooral sprake van een uitwaartse werking; een supermarkt betreft geen bedrijfshindergevoelig object en dus hoeft geen onderzoek naar mogelijke hinder van omringende bedrijven gedaan te worden.

 

De supermarkt heeft op het gebied van milieu een uitstraling op de omgeving. De richtafstand bepaalt de afstand van deze uitstraling. Voor een supermarkt is dit 10 meter (milieucategorie 1) ten opzichte van de woningen van derden, gebaseerd op het aspect geluid.

 

Geluidsonderzoek

Voor de nieuw te realiseren supermarkt is een akoestisch onderzoek verricht ter beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. De vanwege de nieuwe supermarkt in de omgeving te verwachten langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus zijn getoetst aan de beoordelingscriteria als vastgelegd in de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering”, alsmede de algemene geluidvoorschriften als verbonden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het onderzoek volgt dat aan de beide toetsingskaders kan worden voldaan.

 

In de dagperiode veroorzaakt de achteruitrijdsignalering van de vrachtwagens ter hoogte van de woning aan de Rijksstraatweg 29 (voorhuis) wel geluidpieken van ten hoogste 2 dB meer dan de reguliere grenswaarde van LAmax = 70 dB(A). Op grond van zowel de VNG-systematiek, als de standaard geluidvoorschriften als verbonden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer, kunnen maximale geluidniveaus ten gevolge van bevoorradingsverkeer worden uitgezonderd van toetsing. Vanwege het beperkte voorkomen en de korte tijdsduur (2 maal daags, alleen bij achteruitrijden naar de opstelplaats) is onevenredige hinder ook niet te verwachten.

 

Uit het onderzoek volgt verder dat ter plaatse van een aantal woningen aan de Zevenhuisterweg de voor indirecte hinder geldende voorkeurswaarde van LAeq = 50 dB(A) etmaalwaarde met ten hoogste 3 dB wordt overschreden. Rekening houdend met een minimale gevelgeluidwering GA groter dan 20 dB kan aan de toelaatbare binnenwaarde van ten hoogste 35 dB(A) etmaalwaarde worden voldaan.

 

 

4.4 Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van een weg worden geprojecteerd, moet worden bepaald of ter plaatse van deze functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

 

Met het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Gezien de ligging van het perceel nabij grotere ontsluitingswegen, zal dit geen negatieve effecten hebben.

 

Wel dient in het kader van het verleggen van de Zevenhuisterweg onderzocht worden wat de akoestische consequenties voor de omgeving vanwege de wegreconstructie is. Hiervoor heeft een apart onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is als bijlage 4 toegevoegd. Doel van het onderzoek is het in beeld brengen van de akoestische consequenties voor de omgeving vanwege de wegreconstructie. Uit de resultaten volgt dat bij een bepaalde uitvoeringsvariant van het wegdek (de basisvariant) er sprake is van een toename van de geluidbelasting van (afgerond) 2 dB ter plaatse van de woning Zevenhuisterweg 1. In dat geval is er sprake van een reconstructie. De ter plaatse berekende geluidbelasting bedraagt ten hoogste Lden = 52 dB. Dit is inclusief aftrek conform artikel 110g Wgh. Aan de grenswaarde van 63 dB wordt voldaan.

 

De berekende geluidbelasting is alleen toelaatbaar te achten als het binnenniveau van 33 dB is gegarandeerd. Hierbij dient te worden uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting van de verschillende wegen excl. 5 dB correctie o.b.v. artikel 110g Wgh. Deze cumulatieve geluidbelasting (prognosejaar 2031) bedraagt ten hoogste 57 dB.

 

De (karakteristieke) gevelgeluidwering van de woning dient ten minste 57 – 33 = 24 dB te bedragen om aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. De traditioneel gebouwde woning dateert van 1939. Het is op voorhand niet zonder meer duidelijk in hoeverre aan de vereiste gevelgeluidwering kan worden voldaan.

 

Het verkeersplateau kan worden uitgevoerd in:

  1. basisvariant: gehele wegdek uitgevoerd in klinkerbestrating (in keperverband);

  2. variant 1: wegdek verkeersplateau uitgevoerd in stille elementenverharding, wegdek overige delen Zevenhuisterweg uitgevoerd in klinkerbestrating (in keperverband);

  3. variant 2: wegdek verkeersplateau uitgevoerd in standaard dicht asfaltbeton (referentiewegdek), wegdek overige delen Zevenhuisterweg uitgevoerd in klinkerbestrating (in keperverband).

 

Geconcludeerd wordt dat alleen in de basisvariant, waarbij het verkeersplateau wordt uitgevoerd in een standaard bestrating, er nader onderzocht dient te worden in hoeverre binnen de woning Zevenhuisterweg 1 kan worden voldaan aan het vereiste binnenniveau.

 

Daarom zal het verkeersplateau als integraal onderdeel van het ontwerp worden uitgevoerd met een specifiek ‘stille bestrating’ (Silent Way® of gelijkwaardig) of asfaltverharding (variant 1 of 2) zodat de te verwachten toename ten opzichte van de heersende situatie ter plaatse van de woning Zevenhuisterweg 1 ten hoogste 1 dB. Naar analogie van de Wgh is er in dat geval géén sprake van een reconstructie. Een toename van 1 dB is in akoestische zin als nauwelijks hoorbaar te beoordelen en leidt naar verwachting niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Voor de overige woningen geldt dat de geluidbelasting na reconstructie in alle uitvoeringsvarianten niet meer bedraagt dan de voorkeurswaarde van 48 dB, óf niet meer toeneemt dan 1 dB ten opzichte van de heersende geluidbelasting (= peiljaar 2018).

 

Uit de resultaten volgt dat voor de wegen Rijksstraatweg (parallelweg) en Marijkepaed geldt dat ook na reconstructie ter plaatse van de omliggende woningen aan de voorkeurswaarde van 48 dB wordt voldaan.

 

 

4.5 Water

Watertoets

Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de bestemmingsplanprocedure geworden. In het kader van de watertoets is de ontwikkeling voorgelegd aan Wetterskip Fryslân voor een wateradvies. Via www.dewatertoets.nl is het plan op 25 mei 2021 aangemeld bij het Wetterskip Fryslân (dossiercode 20210525-2-26560 ). Hieruit blijkt dat de korte watertoetsprocedure van toepassing is. De voor dit plan relevante uitgangspunten zijn in deze paragraaf verwerkt.

 

Grondwaterbeschermingsgebied

Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied. Hier gelden de normen uit de Drinkwaterwet. Bepaalde risicovolle activiteiten zijn verboden op grond van de provinciale milieuverordening. De provincie is hier het bevoegd gezag. In de toekomstige situatie vinden er geen risicovolle activiteiten plaats waardoor de normen uit de Drinkwaterwet overschreden worden.

 

Watercompensatie

Door de komst van de supermarkt neemt de hoeveelheid verhard oppervlak met 3.315 m2 toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Een overzicht van de huidige verharding en toekomstige verharding is weergeven in figuur 4.4.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 4.4 Overzicht van huidige en toekomstige verharding

 

Overzicht huidige- en toekomstige verharding

Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater.

 

Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in de onderstaande tabel 4.5. Zie hiervoor de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.5 Watercompensatie

 

Bij de aanleg van dit terrein worden watercompenserende maatregelen genomen in de vorm van wadi's en een aanpassing van het slootprofiel aan de oostkant van het plangebied. Er wordt vanuit de wadi's een verbinding gemaakt met de afwateringssloot aan de oostzijde van het plangebied (achter de toekomstige supermarkt). De dimensionering van de sloot aan de oostzijde zal door Poiesz worden uitgewerkt. Onder de parkeerplaatsen wordt mogelijk een krattensysteem toegepast. Dit betreft een infiltratiesysteem bedoeld om regenwater van verhard oppervlak in de bodem te brengen. Over de exacte uitwerking en omvang hiervan vindt nadere afstemming plaats met het waterschap en gemeente. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de verplichting om te dempen water één op één te compenseren. Uiteindelijk wordt hiervoor een watervergunning aangevraagd bij het waterschap.

 

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  1. hemelwater vasthouden voor benutting;

  2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater;

  3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;

  4. afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

 

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

 

Ruimtelijke adaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Bij de uiteindelijke uitwerking van het bouwplan zal rekening worden gehouden met een klimaat robuuste inrichting.

 

Proces

Het wateradvies zal worden overgenomen door de initiatiefnemer. Het wordt gehanteerd als uitgangspunt voor de verdere planvorming en voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

 

 

4.6 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

 

Gebiedsbescherming

In Nederland zijn via de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het beleid voor het NNN is opgenomen in de provinciale verordening.

 

Het plangebied ligt midden in bebouwd gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is de Alde Feanen. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het plangebied, treden geen nadelige effecten op voor dit natuurgebied. Zekerheidshalve is voor de ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd.

 

Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking getreden. De Wsn en de Bsn regelt een vrijstelling voor de vergunningsplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Dit is de vergunningplicht voor Wnb-projecten. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De Wsn en de Bsn regelt slechts indirect een vrijstelling voor de aanlegfase van Wnb-plannen en dus voor bestemmingsplannen. Omdat de Wsn en Bsn slechts indirect een vrijstelling voor de aanlegfase van Wnb-plannen en bestemmingsplannen regelt, zou indien gewenst de aanlegfase toch in het kader van een goede ruimtelijke ordening kunnen worden meegenomen. In het voorliggende onderzoek is de aanlegfase in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in de berekening.

 

De resultaten van de stikstofberekening zijn als bijlage 6 toegevoegd. Uit beide berekeningen (aanlegfase en gebruiksfase) blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het projectgebied is door de Provincie niet aangewezen als weidevogelleefgebied. Verstoring van weidevogels is daarom niet aan de orde.

 

Soortenbescherming

Ook de bescherming van soorten is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Vanuit deze wet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor sommige soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.

 

Voor de ontwikkeling is een quickscan flora & fauna uitgevoerd. De quickscan is als bijlage toegevoegd. De quickscan is uitgevoerd om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen. Uit de QuickScan is gebleken dat er een mogelijk algemene broedvogels en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen voor deze soortgroepen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Bij de uitvoering van de plannen wordt hier rekening mee gehouden.

 
Lichtverstoring op verblijfplaatsen van vleermuizen dient voorkomen te worden. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien de werkzaamheden starten aan het begin van het broedseizoen dienen broedgevallen preventief voorkomen te worden. Indien de werkzaamheden starten te midden van het vogelbroedseizoen dient het plangebied door een ter zake kundige ecoloog gecontroleerd en vrijgegeven worden.

 

Conclusie

Het aspect ecologie geeft geen belemmeringen en uitgangspunten voor dit bestemmingsplan. Wel wordt ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden met algemene broedvogels en worden mitigerende maatregelen genomen om lichtverstoring op verblijfsplaatsen van vleermuizen te voorkomen.

 

4.7 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.

 

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

 

NIBM

In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

 

Onderzoek Wet Milieubeheer

Op basis van de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) geldt ter plaatse van het plangebied een gemiddelde concentratie van 7 µg/m3 voor stikstofdioxide en 13 µg/m3 voor fijn stof (PM10). De normen voor stikstofdioxide en fijnstof liggen op 40 respectievelijk 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2020). Er is derhalve geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de streefwaarde. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit.

 

Onderzoek NIBM

Deze ontwikkeling is dusdanig van omvang dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een verkeer aantrekkende werking zorgt. Deze verkeer aantrekkende werking is bepaald in de verkeersparagraaf. Het effect op de luchtkwaliteit is vervolgens met de NIBM rekentool bepaald. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing.

 

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een supermarkt. Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 1.145 mvt/etmaal waarvan 1,5% uit vrachtverkeer bestaat (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 27-3-2020) is 2021 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,95 µg/m³ en van fijnstof van 0,19 µg/m³ (figuur 4.2). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4.6 NIBM tool

 

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

 

4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering.

 

Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden.

 

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook worden binnen korte afstand van het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het spoor, het water of door leidingen.

 

Conclusie

Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen en uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

 

4.9 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.

 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de bodemkwaliteit te onderzoeken. Bij functiewijzigingen moet gekeken worden of de bodemkwaliteit voldoende is ten dienste van de beoogde nieuwe functie. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 8 toegevoegd. Geconcludeerd wordt dat er op enkele plekken sprake is van licht verhoogde gehalten in grond en grondwater maar de gehalten zijn niet dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en terreinontwikkeling.

 

Conclusie

Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' zal het verkennend bodemonderzoek bij de aanvraag omgevingsvergunning worden toegevoegd.

 

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.

 

Doelstelling van het Verdrag van Valletta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

 

Archeologie

De provincie heeft in dit kader de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) opgesteld. Hierop zijn archeologische adviezen voor de provincie Fryslân gegeven. Op deze kaart worden voor zowel de Steentijd - Bronstijd als de IJzertijd - Middeleeuwen, adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken.

 

Voor de advieskaart 'Advies steentijd-bronstijd' geldt dat bij ingrepen groter dan 50 m2 archeologisch onderzoek nodig is. Dit is ook als zodanig vastgelegd in het geldende bestemmingsplan. Er is daarom een onderzoek uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 9.

 

Daaruit is naar voren gekomen dat in het plangebied in alle uitgevoerde boringen een verstoord/vergraven en deels opgebracht pakket in de bovengrond aanwezig is, met een gemiddelde dikte van 90 centimeter beneden maaiveld. De bodem in het plangebied is niet meer intact en tot in de natuurlijke afzettingen verstoord geraakt. Waarschijnlijk is dit gebeurd door beakkering en door de aanleg van de rotonde, met wegen en de grondvoorziening.

 

Op basis van de verstoringsgraad in het plangebied en de afwezigheid van archeologische indicatoren, intacte podzol en archeologische cultuurlagen, acht het onderzoeksbureau de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied als nihil. Daarom is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Derhalve wordt met dit bestemmingsplan de dubbelbestemming archeologie niet meer opgenomen.

 

 

Cultuurhistorie

Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt.

In het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Het te bouwen gebouw wordt afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. Zie hiervoor paragraaf 4.10. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

 

Conclusie

Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De cultuurhistorische uitgangspunten worden geborgd in de opgenomen beeldkwaliteitseisen.

 

4.11 Kabels, leidingen en zonering

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

 

Door het plangebied loopt een dubbelbestemming Leiding - Water. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Er mag alleen gebouwd worden als:

  1. vooraf advies is ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder;

  2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding.

 

Derhalve wordt voorafgaand aan de uitvoering van de plannen advies ingewonnen bij de leidingbeheerder. Er wordt hierbij aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding.

 

Conclusie

Het aspect kabels, leidingen en zonering vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

 

 

 

 

Hoofdstuk 5 Juridische beschrijving

 

In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek toegelicht.

 

5.1 De systematiek

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de wetgeving. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld.

 

De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden en voldoen aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

 

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd en in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.

 

 

5.2 Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden allereerst de begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en die een nadere beschrijving nodig hebben. Enkele veel voorkomende standaardbegrippen liggen vast in de SVBP 2012 en moeten worden overgenomen. De overige begrippen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.

 

Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen. Enkele veel voorkomende standaardmeetbepalingen zijn op grond van de SVBP 2012 voorgeschreven en moeten worden overgenomen. De overige meetbepalingen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.

 

5.3 Bestemmingsregels

 

5.3.1 Enkelbestemmingen

Binnen het bestemmingsplan worden de volgende bestemmingen en aanduidingen gehanteerd:

 

- Detailhandel -

Het plangebied krijgt gedeeltelijk de bestemming 'Detailhandel' inclusief de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - voedings- en genotmiddelen'. Binnen deze aanduiding is een dorpssupermarkt toegestaan met een maximaal verkoopvloeroppervlak van 700 m2. Het gebouw dient binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd te worden. De maximale goot- en bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Deze bedraagt respectievelijk 4 m en 6 m voor het lagere deel van het gebouw en 4 en 10 meter voor het deel van het gebouw met zadeldaken langs de Rijksstraatweg.

 

In artikel 3.4 is een specifieke gebruiksregel opgenomen die waarborgt dat de bestemming ‘Groen-groenvoorziening’ wordt gerealiseerd. De gronden met de bestemming ’Detailhandel’ mogen niet eerder in gebruik worden genomen als supermarkt, dan nadat de bestemming 'Groen-groenvoorziening' overeenkomstig deze voorwaardelijke verplichting is gerealiseerd.

 

- Groen - Groenvoorzieningen -

De gronden die niet voor de supermarkt worden ingericht krijgen de bestemming 'Groen - Groenvoorzieningen'. Hier zijn groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen en beplanting en paden en water toegestaan. Gebouwen zijn hier niet toegestaan. Aan de noordkant van het plangebied, tussen de Marijkepaed en het parkeerterrein, wordt een groene zone ingericht met daarin wadi’s en langs het parkeerterrein een keerwand van 1,20 meter hoog met daartegenaan een talud met een helling 3:1. In de teen van het talud (onderaan het talud) worden diverse bomen geplant. In de regels van dit bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen om deze groene zone conform de inrichtingstekening en het dwarsprofiel te realiseren. Het oostelijke deel van het Marijkepaed wordt transparanter ingericht, in verband met uitzicht van omwonenden, dan het westelijke deel. De groenstrook gaat verder dienen als wadi (waterbuffer) tussen het toekomstige parkeerterrein en de (te verbreden) sloot aan de oostzijde van de supermarkt.

 

- Tuin -

Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde zijtuinen te beschermen, is daarvoor een afzonderlijke bestemming "tuin" opgenomen. Dit dient zowel het ruimtelijke beeld als het belang van omwonenden. Het oprichten van bebouwing binnen deze bestemming is niet toegestaan. Ook erfafscheidingen zijn hier lager: maximaal 1,00 m hoog voor de voorbouwgrens en achter die grens maximaal 2,00 m hoog.

 

- Verkeer - Verblijf -

Het parkeerterrein en de ontsluitingswegen krijgen de bestemming Verkeer - Verblijf.

 

5.3.2 Dubbelbestemmingen

- Leiding - Water -

De waterleiding wordt ook in dit bestemmingsplan weer beschermd. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Uitzondering hierop is als:

 

Verder is voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden een vergunningplicht opgenomen ter borging van het doelmatig en veilig functioneren van de leiding.

 

5.4 Algemene regels

-Anti-dubbeltelregel -

Deze regel vloeit voort uit het Besluit ruimtelijke ordening en moet verplicht worden opgenomen in de bestemmingsplanregels. Het regelt dat grond niet twee keer mag worden meegerekend voor het toetsen van bouwplannen.

 

- Algemene bouwregels -

Hierin wordt geregeld dat via welstand nadere eisen aan de situering en maatvoering van bouwwerken kan worden gesteld. Tevens is hierin het bouwverbod opgenomen van windturbines.

 

- Algemene gebruiksregels -

Dit artikel bepaalt welke activiteiten in ieder geval in strijd met de diverse bestemmingen zijn. Deze algemene gebruiksverboden laten onverlet dat er ook nog specifieke gebruiksverboden in de bestemmingen zijn opgenomen.

 

- Algemene voorwaardelijke verplichting met betrekking tot parkeren -

Door een wijziging in de wetgeving kan voor bestemmingsplannen geen rekening meer worden gehouden met een gemeentelijke bouwverordening. Dit leidde ertoe dat wanneer het bestemmingsplan zelf geen parkeernormen bevat en het overgangsrecht niet van toepassing is, het niet mogelijk is dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan door de raad vastgestelde parkeernormen. Tot 1 juli 2018 was voorzien in een overgangssituatie voor bestemmingsplannen die uiterlijk 29 november 2014 waren vastgesteld. Dit betekent dat na 1 juli 2018 de stedenbouwkundige bepalinge in de bouwverordening hun (aanvullende) werking verliezen. Deze bepalingen kunnen vanaf dat moment dus niet meer dienen als vangnet om een aanvraag omgevingsvergunning aan te toetsen. Om die reden is het nodig om de parkeernormen op te nemen in bestemmingsplannen. Daartoe is dit artikel opgenomen en is aan de artikelen die algemene criteria bevatten het volgende criterium toevoegd: en mits er sprake is van:

- voldoende parkeergelegenheid welke in stand wordt gehouden, overeenkomstig de normen in de beleidsregels uit bijlage 2 van het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP). Als deze beleidsregels worden gewijzigd wordt met die wijziging rekening gehouden.

 

- Overige regels -

In dit artikel is de verwijzingsregeling opgenomen. Indien gewijzigd wort naar een bestemming die niet direct in de bestemmingsplanregels is opgenomen dan gelden de regels zoals in de bijlage bij de planregels opgenomen.

 

 

5.5 Overgangs- en slotregels

- Overgangsrecht -

Het Bro stelt de verplichting om het overgangsrecht uit het Bro op te nemen in het bestemmingsplan. Het overgangsrecht bestaat uit een specifieke regeling voor zowel het bouwen als het gebruiken.

 

- Slotregel -

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

 

 

 

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.

 

6.1 Economisch

De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt bepaald door de financiële haalbaarheid ervan en door de wettelijk vastgelegd grondexploitatieregeling (kostenverhaal).

 

Financiële haalbaarheid

De kosten voor de uitvoering van dit bouwplan worden gedragen door de aanvrager. Het plan is door de aanvrager doorgerekend, de haalbaarheid is getoetst en de aanvrager beschikt over de benodigde financiële middelen. Hiermee is de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan in voldoende mate aangetoond.

 

Grondexploitatie

In de Wet ruimtelijk ordening (Wro) is een grondexploitatieregeling opgenomen, met als doel het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

 

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen op welke categorieën bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Onderhavig plan betreft een plan voor een nieuw hoofdgebouw, wat een aangewezen bouwplan betreft waarop de grondexploitatieregeling van toepassing is. Dat houdt in dat een exploitatieplan moet worden opgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Anderszins verzekeren kan bijvoorbeeld door het ondertekenen van een anterieure overeenkomst.

 

In dit geval zijn afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer vastgelegd in een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst worden afspraken vastgelegd over onder andere het verhaal van de kosten, randvoorwaarden voor het voorgenomen bouwplan en de afhandeling van mogelijke planschadeverzoeken.

 

6.2 Maatschappelijk

Vooroverleg

Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient ten aanzien van een bestemmingsplanprocedure vroegtijdig overleg plaats te vinden met de betrokken adviespartners en overheden. Het bestemmingsplan wordt derhalve voorgelegd aan de overlegpartners.

 

Informatieavond

Er is een bewonersavond georganiseerd over de stedenbouwkundige uitgangspunten. Het verslag hiervan is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Op basis van deze avond hebben enkele wijzigingen op het stedenbouwkundig plan plaats gevonden, waarbij rekening is gehouden met de wensen en eisen van de omgeving.

 

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gebracht zienswijzen in te dienen. Er zijn twee zienswijzen ingediend (zie ook hierna). De zienswijzen zijn voorzien van een reactie en de zienswijzennota is als bijlage 11 bij deze toelichting gevoegd.

 

Vastgesteld bestemmingsplan

Het plan is door de gemeenteraad in de raadsvergadering van 16 december 2021 (gewijzigd) vastgesteld. De wijziging heeft betrekking op een deel van de groenbestemming aan de noord-oostkant die alsnog een tuinbestemming krijgt. De plankaart is hierop aangepast en de planregel tuin is (onder vernummering van de andere artikelen) toegevoegd.

 

Tegen de vaststelling is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

 

Hoofdstuk 7 Inspraak en overleg

 

 

7.1 Inspraak

 

Het ontwerpplan heeft van 19 augustus tot en met 29 september 2021 ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat in de zienswijzennota die als bijlage 11 bij de plantoelichting is gevoegd. De zienswijzen zijn ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

 

 

7.2 Overleg

 

Het ontwerpplan is o.a. om overleg voorgelegd aan de Provincie en It Wetterskip. Er zijn geen overlegreacties ingediend.