direct naar inhoud van Regels

wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Noardburgum, perceel ten noorden van Rijksstraatweg 41 te Noardburgum (aanbrengen bouwvlak t.b.v. woning)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0737.14BPVIWP05-vg01
Plantype: wijzigingsplan

Toelichting

 

 

Bestemmingsplan Noardburgum, perceel ten noorden van Rijksstraatweg 41 (aanbrengen bouwvlak t.b.v. woning)

 

 

 
Inhoudsopgave

 

Toelichting

Bestemmingsplan Noardburgum, perceel ten noorden van Rijksstraatweg 41 (aanbrengen bouwvlak t.b.v. woning)

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

1.4 Planbeschrijving

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie infrastructuur en Ruimte

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Streekplan Fryslân (2007)

2.2.2 Provinciale verordening Romte Fryslân

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie 'Finster op romte' (2010)

2.3.2 Woonvisie 2019 - 2024

2.3.3 Verkeers- en vervoersplan

2.3.4 Welstandsnota digitaal

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

3.1 (Milieu)hinder van bedrijvigheid

3.2 Externe veiligheid

3.3 Bodem

3.4 Archeologie en cultuurhistorie

3.4.1 Archeologie

3.4.2 Cultuurhistorie

3.5 Ecologie

3.6 Water

3.7 Geluid

3.8 Luchtkwaliteit

3.9 Verkeer en parkeren

3.10 Ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke waarden

3.11 M.e.r.-verantwoording

Hoofdstuk 4 Beoogde ontwikkeling

4.1 Wonen

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Uitgangspunten

5.2 Inleidende regels

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Algemeen

5.3.2 Enkelbestemmingen

5.4 Algemene regels

5.5 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economisch

6.2 Maatschappelijk

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

Op een agrarisch perceel aan het Tsjerkepaed in Noardburgum is er het voornemen om een woning te realiseren. Op basis van het geldende bestemmingsplan is dit niet zonder meer mogelijk op de beoogde locatie.

 

Het voorliggende wijzigingsplan moet de bouw en het gebruik van een woning mogelijk maken op grond die in het geldende bestemmingsplan voor agrarische doeleinden (enkelbestemming 'agrarisch - cultuurgrond') is bestemd. Op deze betreffende locatie is met een gebiedsaanduiding aangegeven dat de geldende bestemming kan worden gewijzigd in een woonbestemming (zie paragraaf 1.3). Het college van Burgemeester en wethouders kan voor dit plan daarom, onder de in paragraaf 1.3 genoemde voorwaarden, de wijzigingsbevoegdheid toepassen.

 

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van het dorp Noardburgum en omvat het gebied met de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 3' zoals dit in bijlage 3 behorende bij de regels van het bestemmingsplan 'Noardburgum e.o. 2015' is verbeeld. Dit is daarmee een locatie die al in beeld is gebracht als nieuwe woningbouwlocatie. Het plangebied omvat een deel van het kadastrale perceel 4969, sectie A, gemeentecode BGM02 en heeft een oppervlak van circa 576 m2.

 

Perceel 4969 ligt tussen Tsjerkepaed 1 in het noorden en Rijksstraatweg 41 in het zuiden. Het gaat om een onbebouwd stuk grond dat momenteel als weiland in gebruik is. Het perceel is gelegen aan de westzijde van het Tsjerkepaed. Aan de westzijde grenst het perceel aan een ander onbebouwd perceel en deze worden van elkaar gescheiden door een bomenrij.

 

Noardburgum is een heideontginningsdorp. Het Tsjerkepaed is het eerste bebouwingslint van waaruit Noardburgum is ontstaan. Het Tsjerkepaed kenmerkt zich door lintbebouwing met voornamelijk woonfuncties. Tussen en achter de woningen is zo nu en dan een agrarisch perceel aanwezig.

 

 

[image] [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plangebied Tsjerkepaed ten noorden van Rijksstraatweg 41 te Noardburgum

 

 

 

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan voor deze locatie is het 'Bestemmingplan Noardburgum e.o. 2015', dat is vastgesteld 1 juni 2016. Het plangebied kent in dit plan de enkelbestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond', waardoor de bouw van een nieuwe woning niet is toegestaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de bestemming op gronden die ter plaatse zijn aangeduid als 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 3' te wijzigen in de bestemming 'Wonen - ANB' en 'Tuin'. Voorwaarden zijn dat de situering van de bestemmingen wordt gewijzigd in de situatie zoals in bijlage 3 is verbeeld en de te bouwen woning in overeenstemming is met het vigerende gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid met inachtneming van de aanwezige, juridisch geregelde woningbouwcapaciteit in Noardburgum.

 

Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de bovenstaande wijzigingsbevoegdheid, mits:

  1. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing en de gronden als één aaneengesloten geheel worden ingericht;

  2. de bestaande verkeersafwikkeling niet onevenredig zal worden belast en het parkeren op het eigen terrein plaatsvindt;

  3. de geluidsbelasting van de geluidgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeurgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

  4. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld;

  2. de milieusituatie;

  3. de woonsituatie;

  4. de landschappelijke waarden;

  5. de cultuurhistorische waarden;

  6. de archeologische waarden;

  7. de natuurwaarden;

  8. de verkeersveiligheid;

  9. de ontsluitingssituatie;

  10. de parkeersituatie

  11. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

1.4 Planbeschrijving

De ontwikkeling bestaat uit de bouw van één vrijstaande woning binnen het bouwvlak. Het bouwvlak meet 10 m bij 7 m (70 m2). De bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' wordt gewijzigd naar 'Wonen - ANB' (vrijstaand) en 'Tuin'. De maatvoering en situering zijn gebaseerd op de bouwregels in het bestemmingsplan 'Noardburgum e.o. 2015'.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2 Beleidskader

 

2.1 Rijksbeleid

 

2.1.1 Structuurvisie infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte” (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland:

 
Het Rijk schenkt vertrouwen in en biedt ruimte aan lagere overheden, burgers en bedrijven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie en natuur. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van het Nederlandse werelderfgoed.

 
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap worden bij de provincies en gemeenten neergelegd. Hiervoor zal de ladder voor duurzame verstedelijking (ook wel SER-ladder) worden gehanteerd. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.

 
Voorliggend bestemmingsplan is niet in strijd met dit beleid.

 

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Overheden dienen op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het is de rijksoverheid te doen om zuinig om te gaan met de beschikbare ruimte en om leegstand te voorkomen. De volgende vragen moeten in dat verband worden beantwoord:

 
Door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking opgesteld ('Handreiking ladder voor duurzame verstedelijking') waarin verder is uitgewerkt hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt kortheidshalve naar die handreiking verwezen. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.

 
Het planvoornemen betreft de bouw van 1 woning die zich voegt in de aanwezige bestaande stedenbouwkundige structuur van Noardburgum. Motivering van het planvoornemen aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking is in het bestemmingsplan 'Noardburgum e.o. 2015' opgenomen. Daarin is de locatie als woningbouwlocatie vastgesteld.

 

Het planvoornemen is in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking en past bij het beginsel dat ten grondslag ligt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking; binnenstedelijke uitbreidingen gaan voor buitenstedelijke uitbreidingen.

 

2.2 Provinciaal beleid

 

 

2.2.1 Streekplan Fryslân (2007)

Het Streekplan Fryslân 2007 (vastgesteld op 13-12-2006) geeft de visie van Provinciale Staten op het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Het streekplan vormt de basis van het provinciale beleid voor de periode tot 2016. Centraal in het streekplan staat het begrip ruimtelijke kwaliteit. Hiermee bedoelt de provincie dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering expliciet gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde worden toegevoegd aan de omgeving. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Het betekent ook een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. De provincie wil deze doelstellingen koppelen aan een krachtige sociaaleconomische ontwikkeling in een leefbare omgeving.

 
Het beleid voor het wonen in kernen is gericht op de eigen behoefte. De verdeling van de mogelijkheden voor het bouwen van woningen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de gemeente.

 

 

2.2.2 Provinciale verordening Romte Fryslân

Op 25-06-2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 door het College van Gedeputeerde Staten van Fryslân vastgesteld. Deze verordening betreft een integrale herziening van de eerdere provinciale verordening uit 2011 en is op 01-08-2014 in werking getreden. Op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' vastgesteld. Deze wijzigingsverordening is op 28 maart 2018 in werking getreden.

 
In de Provinciale verordening Romte Fryslân zijn de provinciale belangen uit het Streekplan Fryslân uitgewerkt in algemene regels. In de Provinciale verordening is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Friesland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van een plangebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing. Het bestaand stedelijk gebied is in het provinciale overheidsbeleid beleidsmatig aangewezen voor verdere verstedelijking.

 
Op het gebied van bestaand stedelijk gebied geeft de provincie veel vrijheid aan gemeenten. Dit betekent dat er in principe nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk zijn in bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied maakt onderdeel uit van de bebouwing in de kern Noardburgum; het wordt omgeven door bebouwing. Op basis van voorgaande beschrijving maakt het dan ook deel uit van het bestaand stedelijk gebied. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door provinciale regelgeving als opgenomen in de Verordening Romte Fryslân.

 

 [image]

 

 

2.3 Gemeentelijk beleid

 

2.3.1 Structuurvisie 'Finster op romte' (2010)

 

Begin 2010 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie “Finster op Romte” vastgesteld met een looptijd tot 2020.

In deze Structuurvisie wordt aangegeven dat Tytsjerksteradiel zich, als het om wonen en werken gaat, vooral richt op de eigen bewoners. De omvang, de kwaliteit en het prijsniveau van de woningvoorraad passen bij de samenstelling en ontwikkeling van de bevolking. Er is een diversiteit aan woonmilieus waar verschillende doelgroepen zich thuis voelen; of het nu om jongeren, gezinnen of senioren gaat. Er is speciale aandacht voor duurzaam bouwen en het realiseren van levensloopbestendige woningen.

Het gemeentebestuur vindt het in het kader van de leefbaarheid belangrijk dat het bestaande voorzieningenniveau in de kernen zoveel mogelijk op peil blijft. De inspanningen richten zich op het combineren en concentreren van maatschappelijke voorzieningen (voor zorg en welzijn), wonen, commerciële voorzieningen en onderwijs.

De krimpende bevolking(sgroei) en de crisis (bezuinigingen) waren de voornaamste redenen waarom is gekozen voor concentratie van woningbouw en voorzieningen. Burgum werd daarbij gekenmerkt als hoofd- en recreatieve kern. Het gebied rond Burgum en de Centrale As wordt in de Structuurvisie getypeerd als ‘dynamisch’.

 

2.3.2 Woonvisie 2019 - 2024

Zorgvuldige inzet op nieuwbouw

 

Onze opgaven

 

Demografische trends in de afgelopen jaren

In de afgelopen tien jaar is het aantal inwoners van de gemeente Tytsjerksteradiel afgenomen. Het aantal huishoudens nam wel toe (als gevolg van de gezinsverdunning). Bovendien is het binnenlandse vertrekoverschot de afgelopen tien jaar sterk afgenomen. Vertrokken in 2009 nog per saldo ruim 300 mensen uit onze gemeente, in 2017 hielden vestigers en vertrekkers elkaar in evenwicht. Daarmee slaagt de gemeente er steeds beter in om inwoners aan zich te binden. Anderzijds is het geboorteoverschot in de afgelopen jaren omgeslagen in een (beperkt) sterfteoverschot. Een teken dat de vergrijzing zich voortzet.

 

Het zijn vooral hoger opgeleide jongeren (tussen de 15 en 25 jaar) die de gemeente verlaten; vaak vanwege werk of studie. De gemeente is juist aantrekkelijk gebleken voor gezinnen met kinderen. De verwachting is dat het aantal huishoudens de komende jaren nog verder zal groeien.

 

De toekomstige woningbehoefte is mede afhankelijk van verhuisbewegingen in de regio. Binnen de regio zien we een verhuisbeweging van noord naar zuid en van west naar oost. Tytsjerksteradiel trekt per saldo vestigers aan uit de noordelijke- en westelijke gemeenten. De vraag naar woningen in de buurt van stedelijke voorzieningen is dermate groot, dat de

nieuwbouwproductie in de stad daar op dit moment niet volledig in kan voorzien.

 

Kansrijke en kwetsbare marktsegmenten

Uit het woningmarktonderzoek dat door de gemeente is uitgevoerd blijkt dat vrijstaande woningen tussen de € 225.000 en € 300.000 het meest gewenst zijn. Traditiegetrouw is er veel vraag naar dit woningtype in Tytsjerksteradiel, terwijl het aanbod als gevolg van het langer thuis wonen door senioren beperkter zal zijn dan in voorgaande jaren (zij wonen nu vaak in dit woningtype).

Op de lange termijn komen deze woningen alsnog beschikbaar, als oudere woningbezitters hun woning verlaten. De vraag is dan of deze ruime woningen uit de bestaande voorraad qua onderhoud en energiezuinigheid voldoende concurrerend zijn met nieuwe woningen. Daarnaast lijkt er ruimte te zijn voor nultredenwoningen. Kwetsbaar zijn met name goedkopere eengezinswoningen en duurdere vrijstaande woningen. Dit geldt vooral voor woningen waarbij de kwaliteit (onderhoud, energiezuinigheid) onder druk staat.

Regionale woningbouwafspraken

Hoewel er op dit moment veel vraag naar woningen is, laten de demografische ontwikkelingen op lange termijn een stagnatie van de groei zien. Daarom is het belangrijk om de ontwikkelingen op de woningmarkt goed te blijven monitoren, zodat we tijdig kunnen inspelen op eventuele veranderingen en bouwen naar behoefte. Bovendien moeten we onze nieuwbouwopgave afstemmen met regiogemeenten en de Provincie. Op grond van artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân 2014 kan de Provincie alleen meewerken aan nieuwe ruimtelijke plannen die woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit

in overeenstemming zijn met een programma waarmee schriftelijk door de Provincie ingestemd is. Om te komen tot een actueel gemeentelijk woningbouwprogramma vormen de regionale woningbouwafspraken de basis. Als gemeente moeten we naast nieuwbouw zeker ook oog houden voor het op peil houden van de kwaliteit van onze bestaande woningvoorraad.

 

Onze visie

 

Kwantitatief: uitgangspunt is bouwen naar behoefte, afstemming met de regio

We vinden het als gemeente belangrijk dat we voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte behoefte. In regioverband is deze behoefte in kaart gebracht en vertaald naar bandbreedte (uitgedrukt in een hoog en laag scenario). De vervolgstap is om samen te komen tot werkbare afspraken met de Provincie over het aantal toe te voegen woningen. Partijen lijken het erover eens dat absolute aantallen niet de graadmeter moeten vormen, maar dat bouwen naar behoefte en kwaliteit het uitgangspunt moet zijn. Door de woningbehoefte in de toekomst goed te blijven monitoren houden we continu zicht of we niet teveel of te weinig woningen bouwen. Gelet op de huidige vraagdruk zetten we als gemeente Tytsjerksteradiel in op realisatie van het hoge scenario. Deze nieuwbouwopgave is deels al ingevuld met harde plannen die de komende jaren in ontwikkeling komen. Niettemin vinden we dat er in elke kern van onze gemeente ruimte moet blijven om woningen te kunnen bouwen. Belangrijke voorwaarde daarbij is dat er sprake moet zijn van een aantoonbare behoefte aan het beoogde initiatief.

 

Kwalitatief: plannen toetsen aan het afwegingskader

Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningbouwinitiatieven aansluiten bij de actuele, kwalitatieve woningbehoefte en volkshuisvestelijke ambities, willen regio en Provincie de komende jaren sturen op basis van een gezamenlijke set van criteria. Hiervoor wordt in regionaal verband een afwegingskader opgesteld waarmee we nieuwe woningbouwinitiatieven op kwaliteit gaan toetsen. Aan de hand van dit afwegingskader wordt gekeken in hoeverre nieuwe plannen inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte. Maar plannen worden ook beoordeeld op hun bijdrage aan andere kwalitatieve ambities, zoals het faciliteren van het langer zelfstandig wonen, het verduurzamen van de woningvoorraad en de mate waaraan een plan een bijdrage levert aan het oplossen van een ruimtelijk knelpunt (bijvoorbeeld transformatie van leegstaand vastgoed). Net als de kwantitatieve opgave, zal ook de kwalitatieve vraag (en de werking van het afwegingskader) periodiek in de regio gemonitord worden en indien nodig worden geactualiseerd.

 

Op dit moment wordt gewerkt aan een woningprogrammering voor de komende jaren. Deze locatie is meegenomen bij de inventarisatie die wordt gebruikt bij de te maken woningbouwprogrammeringsafspraken.

 

2.3.3 Verkeers- en vervoersplan

In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan zijn voor Noardburgum geen plannen of maatregelen opgenomen.

 

2.3.4 Welstandsnota digitaal

Het plangebied is gelegen in het welstandsgebied 'Woongebieden gerealiseerd voor 1950'. Bij verbouwing, vervanging of nieuwbouw van individuele gebouwen in de woongebieden gerealiseerd vóór 1950 dienen de kenmerken zoveel mogelijk te worden gerespecteerd en in stand te worden gehouden.

In Noardburgum wordt een relatief groot gedeelte van het dorp gerekend tot de woongebieden, gerealiseerd voor 1950. Kenmerkend zijn het regelmatige patroon en de rechte rooilijn. Het Tsjerkepaed kent een overwegend individuele verkaveling. Dit dorpsdeel heeft nog de oorspronkelijke kenmerken van een heide-ontginningsdorp. Hoewel een deel van dit gebied de afgelopen jaren is benut voor dorpsuitbreiding (eigenlijk "inbreiding"), is er nog steeds sprake van een karakteristiek gebied. Dit komt door de wijze waarop de nieuwbouw is ingebed in de destijds reeds bestaande structuur en doordat de nieuwbouw beperkt is tot een gedeelte van het gebied. Het groen geeft een sterke verwantschap met het omringende landschap. Er is plaatselijk sprake van de aanwezigheid van elzensingels, met name langs de open veldjes in dit deel van het dorp.

 

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

Naast stedenbouwkundige uitgangspunten en bestaand ruimtelijk beleid dient er ook rekening te worden gehouden met de volgende omgevingsaspecten: ecologie, archeologie, bodemgesteldheid, water, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit. Deze aspecten komen in dit hoofdstuk aan bod.

 

3.1 (Milieu)hinder van bedrijvigheid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zo veel mogelijk voorkomen. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Er dient te worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens dient te worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen functies.

 

Op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.

 

Toetsing:

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe bedrijvigheid in het plangebied toegestaan, waardoor milieuhinder vanuit het plangebied op de omgeving niet aan de orde is. De meest nabije potentieel hinderveroorzakende functie is detailhandel (keukenspeciaalzaak aan de Rijksstraatweg 62) is gelegen op circa 70 m. Detailhandel kan op basis van de VNG-richtafstandenlijst ingedeeld worden in milieucategorie 1, met een grootste minimale richtafstand van 10 m. Hier kan met het voorliggende plan ruim aan worden voldaan.

 

Het bestemmingsplan is voor wat betreft het aspect (milieu)hinder van bedrijvigheid uitvoerbaar.

 

3.2 Externe veiligheid

Wettelijk kader

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).

 

Toetsing

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenaamde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen aangegeven.

 

Voor dit plan is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn. Op basis van deze kaart blijkt dat het plangebied niet binnen de invloedssfeer van risicobronnen ligt. Ook maakt het voorliggende bestemmingsplan geen risicoveroorzakende inrichtingen mogelijk in het plangebied.

 

Het planvoornemen is wat betreft externe veiligheid uitvoerbaar.

 

3.3 Bodem

Wettelijk kader

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer duidelijkheid over de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering moet bestaan. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Daarnaast geldt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de volksgezondheid dat het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming, zoals wonen, in beginsel moet worden voorkomen.

 

Onderzoek

Omdat in het plangebied een woonbestemming mogelijk wordt gemaakt, is ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische kwaliteit vast te stellen en de geschiktheid voor de woonfunctie aan te kunnen tonen. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5740 en NEN 5725 volgens de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. De rapportage van het bodemonderzoek is als bijlage bij de toelichting beschikbaar (Bijlage 1).

 

In de mengmonsters zijn geen verhoogde gehalten gemeten, maar in het grondwater is voor barium een licht verhoogde concentratie gemeten. De gemeten gehalten en concentraties geven echter geen aanleiding voor een aanvullend onderzoek en vormen geen milieuhygiënische belemmering voor het gebruik van het perceel (wonen met tuin). Geacht wordt dan ook dat de bodemkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

 

 

3.4 Archeologie en cultuurhistorie

 

Wettelijk kader

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische restanten rekening wordt gehouden.

 

3.4.1 Archeologie

Om inzicht te krijgen in de bodemgesteldheid en archeologische verwachtingswaarde van het plangebied is de Friese Archeologische Monumentenkaart (FAMKE) geraadpleegd. Op de FAMKE zijn voor het gemeentelijk grondgebied de bekende als wel de te verwachten archeologische waarden aangegeven. Hierbij worden ook onderzoeksperioden aangewezen, de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen.

 

Onderzoek

Steentijd-bronstijd

In het plangebied kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd die door klei of veen zijn afgedekt. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000 m2 een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren (advies: karterend onderzoek 3). Het planvoornemen gaat uit van de bouw van een woning binnen een bouwvlak van circa 70 m2. Archeologisch onderzoek is op basis van dit advies niet aan de orde voor deze onderzoeksperiode.

 

IJzertijd-middeleeuwen

De archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode ijzertijd - middeleeuwen is ter plaatse van het plangebied zodanig laag dat de kans op aantasting bij ingrepen zeer klein is. Voor deze periode wordt door de provincie een archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk geacht.

 

3.4.2 Cultuurhistorie

In het rapport over de cultuurhistorische en morfologische analyse van het dorp Noardburgum, dat in verband met de inbreidingslocaties is opgesteld (bijlage 1 van het moederplan), wordt ruim aandacht besteed aan het cultuurhistorische aspect in het gebied. De voorwaarden genoemd in de wijzigingsbevoegdheid (paragraaf 1.3 Vigerend bestemmingsplan) zijn gebaseerd op de conclusies en aanbevelingen uit de hierboven genoemde cultuurhistorische analyse, te weten:

Aan deze voorwaarden wordt met dit plan voldaan, zoals ook blijkt uit de regels en de verbeelding.

 

Conclusie

Verwacht wordt dat archeologische waarden niet worden aangetast. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Ook worden met het plan geen cultuurhistorische waarden aangetast. Daarmee wordt het plan met betrekking tot deze aspecten uitvoerbaar geacht.

 

3.5 Ecologie

 

Wettelijk kader

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. In deze wet is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, alsook de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). De Wnb vervangt onder andere de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, waarin voorheen respectievelijk de soortenbescherming en de gebiedsbescherming was geregeld.

Naast de Wet natuurbescherming zijn ook de provinciale structuurvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS) geregeld.

Ecologische inventarisatie

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 13 juni 2019 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. Het rapport van deze ecologische inventarisatie is opgenomen als bijlage bij de toelichting in dit bestemmingsplan (Bijlage 2).

Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan.

 

Soortenbescherming

In verband met de soortbescherming van de Wnb is het nodig om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Daarnaast wordt met het oog op vleermuizen geadviseerd om tijdens de aanleg- en gebruiksfase gebruik te maken van verlichting met gerichte lichtarmaturen die zo min mogelijk lichtuitstraling richting de omgeving veroorzaken.

 

Gebiedsbescherming

Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. De ontwikkeling is daarnaast op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân.

 

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Met inachtneming van de genoemde maatregelen worden geen belemmeringen verwacht in het kader van soortenbescherming. Ook ten aanzien van gebiedsbescherming zijn geen belemmeringen te verwachten. Het plan wordt ten aanzien van het aspect ecologie uitvoerbaar geacht.

 

 

3.6 Water

Wettelijk kader

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In deze paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.

 

Toetsing

De waterbeheerder in het plangebied en in de directe omgeving hiervan is Wetterskip Fryslân. Op 29 mei 2019 is de digitale watertoets aangevraagd en uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de korte watertoetsprocedure van toepassing is, omdat het verhard oppervlak toeneemt. Het advies naar aanleiding van de watertoets is als bijlage in dit bestemmingsplan opgenomen (Bijlage 3).

 

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard.

Het bestaande onverharde oppervlak wordt met niet meer dan 200 m2 bebouwd of verhard (stedelijk gebied). Er hoeft dan ook geen watervergunning te worden aangevraagd en watercompensatie is niet aan de orde. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

 

 

3.7 Geluid

 

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone.

 

Akoestisch onderzoek

Uit het onderzoek (bijlage 4) blijkt dat de te realiseren woning voldoet aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai vanwege de N355. De maximale geluidsbelasting vanwege de betreffende weg bedraagt 48 dB.

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder wat betreft wegverkeerslawaai zich niet verzet tegen de komst van de woning en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

 

3.8 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 of PM10) wordt als nibm beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.610 auto's (bij 100% autoverkeer), dan wel 130 vrachtwagens (bij 100% vrachtverkeer) per dag leidt (grenswaarden 2018). Kenniscentrum InfoMil vermeldt op hun website dat als de luchtkwaliteit aan de PM10-normen voldoet, dit ook geldt voor de PM2,5-normen. Op grond hiervan is toetsing aan de grenswaarden voor PM2,5 niet nodig, als aan de PM10 normen wordt voldaan.

 

Toetsing

De realisatie van een woning binnen het plangebied leidt niet tot 1.610 voertuigbewegingen per dag waardoor het planvoornemen kan worden beschouwd als een nibm-plan. Verdere toetsing aan de Wet milieubeheer in het kader van de luchtkwaliteit is niet nodig. Het planvoornemen is voor het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

 

 

3.9 Verkeer en parkeren

Het parkeren dient en kan, gelet op de oppervlakte vanhet bouwperceel, plaatsvinden op eigen terrein.

 

 

3.10 Ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke waarden

In de structuurvisie 2010 van de gemeente is opgenomen dat in geval van woningbouw in de kleinere dorpen niet meer mag worden uitgebreid maar eerst gezocht moet worden naar geschikte inbreidingslocties. Voor Noardburgum heeft dat geresulteerd in een locatieonderzoek (bijlage 4 van het bestemmingsplan Noardburgum) waarin de locatie van dit plan is aangewezen als potentiële woningbouwlocatie.

 

Het belang van de locatie voor de karakteristiek van het dorp wordt in het rapport onderkent, wat blijkt uit de volgende passages uit het rapport: "het Tsjerkepaed, de Zevenhuisterweg en de Veldmansweg (kan beschouwd worden) als het gebied waar Noardburgum zijn karakteristiek aan ontleend." en "In de woonlinten kunnen gaten opgevuld worden om een gelijkmatiger ritme te krijgen. [...] Bij het Tsjerkepaed ligt dit anders. Dit woonlint ligt vrij in het groen. Om doorzichten te houden naar dit groen of om de opstrekken vrij te houden moet hier juist niet overal gebouwd worden."

 

Wanneer de locatie wordt beoordeeld met kennisname van de historische en stedenbouwkundige kwaliteiten van het open perceel, zal de volgende afweging moeten worden gemaakt. De locatie betreft het laatste stuk onbebouwde grond in het bebouwingslint Tsjerkepaed. Het onbebouwde deel ligt tussen de woningen 30 en 34 aan de oostelijke zijde van het Tsjerkepaed. Dit beeld (het onbebouwde perceel) is karakteristiek voor Noardburgum. In de karakteristiek van Noardburgum kan een open perceel drie functies vervullen. Het geeft een landelijke sfeer binnen de dorpskom, de ervaring dat het buitengebied heel dichtbij is. De open percelen geven ook doorzichten binnen de gehele stedenbouwkundige structuur van het dorp, hierdoor lijkt het buitengebied zelfs door te lopen het dorp in. Ten derde bieden de open percelen een vorm van dorpse openheid aan het straatbeeld.

 

Dit specifieke perceel vervult alle drie functies. Het geeft vanuit het Tsjerkepaed direct zicht op het buitengebied. Het biedt vanaf de achtergelegen woning de mogelijkheid om het Tsjerkepaed te zien waardoor vanuit die woning het gevoel in het buitengebied te zijn ontstaat. En ten derde biedt het als groene ruimte openheid in het straatbeeld. Hierdoor is het niet een doorsnee woonlint. Op meerdere schaalniveaus draagt deze open kavel dus bij aan de karakteristiek van deze plaats.

 

De wens c.q. het verzoek om het (laatste) open deel aan de oostzijde te bebouwen is stedenbouwkundig mogelijk. De woning zal zich prima voegen in het stedenbouwkundige weefsel van het dorp. Er ontstaat dan een doorgaand lint van bebouwing aan het Tsjerkepaed. Er kan daarom op een heel natuurlijke manier een woning worden ingepast.

Het bebouwen van de vrije ruimte zal naar verwachting geen dissonant opleveren voor het straatbeeld. Het is daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt prima mogelijk om invulling te geven aan deze locatie. Er blijft sprake van voldoende ruimtelijke kwaliteit.

 

Een woning met een smal voorhuis zou goed passen in het woonlint dat zich kenmerkt door ruime kavels met in verhouding bescheiden woningen. De breedte van het hoofdgebouw door de bouwkavel is beperkt tot zeven meter. De goothoogtes zijn beperkt tot maximaal 3 meter hoogte en de bouwhoogte tot maximaal 8 meter waardoor er een woning gebouwd kan worden van één bouwlaag met kap. Dit sluit aan bij de bebouwing die er al staat. De bijgebouwen moeten ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. In de bestemmingsregels is voor de bijgebouwen een maximale bouwhoogte van 7 meter opgenomen. Met deze voorwaarden wordt aan het vereiste uit locatiestudie voldaan.

 

3.11 M.e.r.-verantwoording

 

De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-verantwoording houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben en die van een zodanige omvang kunnen zijn dat er aanleiding bestaat om de (uitgebreide) m.e.r.-procedure te doorlopen. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken.

 
De drempelwaarden waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op voorliggende ruimtelijke onderbouwing is categorie D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., van toepassing, te weten: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen".

 
De ontwikkeling die met het voorliggende wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft het realiseren van één woning. Hiermee vindt bij lange niet een overschrijding van de drempelwaarde van 2.000 woningen plaats en kan in alle redelijkheid worden aangenomen dat het planvoornemen niet tot onaanvaardbare gevolgen leidt voor het milieu. Een plan-MER of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Relevante omgevingsaspecten zijn daarnaast in voorgaande afdoende aan de orde geweest. Er hoeven geen negatieve milieueffecten als gevolg van het planvoornemen te worden verwacht.

 

Als een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000 gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld

Met het berekeningsprogramma Aerius, versie 16-09-2019, hebben wij een aantal berekeningen gemaakt. Deze berekeningen tonen aan dat er bij het realiseren van 10 woningen op > 2 kilometer afstand van natura 2000 gebieden geen sprake is van meetbare effecten. Deze projecten kunnen dan ook worden voorgezet. Er is gerekend met 10 vrijstaande woningen, waarbij zowel de realisatie (plan) als gebruiksfase is meegenomen. Nu het in dit geval gaat om 1 woning, op een afstand van meer dan 6 km vanaf een natura 2000 gebied is duidelijk er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

 

 

Hoofdstuk 4 Beoogde ontwikkeling

 

4.1 Wonen

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan Noardburgum e.o. 2015 op 21 mei 2015 per amendement besloten om het college de opdracht te geven om een bestemmingsplan op te stellen en in procedure te brengen om een woning toe te staan aan het Tsjerkepaed te Noardburgum tussen nrs. 30 en 34. Hiervoor zijn de volgende redenen aangevoerd:

 

In de Woonvisie is opgenomen dat in de dorpen, uitgezonderd Burgum, na 2015 alleen nog wordt ingebreid. Uitbreiding in deze dorpen kan dan alleen voor zover er geen of onvoldoende alternatieve locaties voor inbreiding zijn. Voor Noardburgum zal de vraag naar nieuwe woningbouwlocaties dus binnen de bebouwde kom moeten worden gezocht. Hiervoor is een locatiestudie uitgevoerd door het stedenbouwkundig bureau KAW waarbij de locaties, die nu onbebouwd zijn, vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn beoordeeld. De identiteit en de kwaliteit van het dorp staan daarbij centraal. Wij kunnen geheel instemmen met de inhoud van deze locatiestudie. De locatiestudie is als bijlage toegevoegd (zie bijlage 4 van het bestemmingsplan Noardburgum). De particuliere inbreidingslocaties zijn tot stand gekomen in samenspraak met de grondeigenaren van de inbreidingslocaties en met dorpsbelangen Noardburgum.

 

Meer binnenstedelijk bouwen is, naast de al aangewezen binnenstedelijke locaties, om de volgende reden niet wenselijk. In de uitkomsten van het stedenbouwkundige onderzoek komt duidelijk naar voren dat Noardburgum een specifieke dorpsopbouw heeft waarbij de huidige linten binnen het dorp door de inbreidingslocaties worden versterkt. Dit is vanuit stedenbouwkundig oogpunt een wenselijke toevoeging. Nog meer inbreiding op "schapenweides" zal de karakteristiek van het dorp te veel aantasten. Dan is het wenselijker om aan de rand van het dorp te bouwen. Het Streekplan van de provincie stelt dat de begrenzing van het stedelijk gebied niet strikt is en meebeweegt met ontwikkelingen.

 

Maatwerk

Voor deze locatie is een ambtelijk voorstel gemaakt over de situering en omvang van het bouwvlak, de maximale oppervlakte bebouwing buiten het bouwvlak en over een aanvulling van de welstandsnota. Daarbij is zoveel mogelijk rekening gehouden met de woon- en leefomgeving in de directe omgeving.

Die voorstellen zijn in gesprekken voorgelegd aan de initiatiefnemers en omwonenden. Daarbij is een toelichting gegeven op de voorstellen en zijn vragen beantwoord. Er is daarbij gelegenheid gegeven om te reageren op de ambtelijke voorstellen.

 

Het maatwerk heeft geresulteerd in een bestemming die is afgestemd op dit perceel. De goot- en bouwhoogte zijn respectievelijk 3 m en 8 m binnen het bouwvlak en de goot- en bouwhoogte buiten het bouwvlak zijn respectievelijk 3 m en 7 m.

Om op het zuidelijk deel van het terrein een doorkijkje mogelijk te maken zijn de bebouwingsmogelijkheden zoveel mogelijk naar het noorden opgeschoven. Hierbij is er wel rekening gehouden met een garage op de noordzijde van de woning welke buiten het bouwvlak gerealiseerd zou kunnen worden. Met garage blijft het mogelijk om op het perceel om de woning heen te lopen. Ook het bouwvlak is smal gehouden (7 m breed) en de welstandsnota schrijft voor dat bijgebouwen achter het hoofdgebouw worden gerealiseerd. Dit alles om de openheid van het straatbeeld te behouden. De gemeenteraad zal een beslissing nemen over de vaststelling van de aanvulling van de welstandsnota tegelijk met zijn besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende bestemmingen die van toepassing zijn op het plangebied. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de planregels en op een digitale en analoge verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen één geheel.

 

De wijze waarop deze regeling juridisch is vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De uitwerking daarvan ligt vast in de de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De SVBP bevat de normen die van toepassing zijn op de vormgeving en inrichting van bestemmingsplannen, met het doel om deze op vergelijkbare wijze op te bouwen en weer te geven en vormt daarmee een belangrijke basis voor de inrichting van dit bestemmingsplan.

 

Het bestemmingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan. Deze digitale versie is bedoeld om de burger online informatie te verschaffen over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. Het vaststellen van een digitale versie van een bestemmingsplan is verplicht. De digitale versie van het plan is leidend in geval van verschil tussen de digitale - en analoge versie.

 

5.1 Uitgangspunten

 

De SVBP 2012 schrijft voor dat de planregels in vier vaste hoofdstukken worden geplaatst, nl. de hoofdstukken 'Inleidende regels', 'Bestemmingsregels', 'Algemene regels' en 'Overgangs- en slotregels'. Hieronder wordt per hoofdstuk ingegaan op de verschillende regels die daarin voorkomen.

 

5.2 Inleidende regels

 

In hoofdstuk 1 van de bestemmingsplanregels worden allereerst de begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en die een nadere beschrijving nodig hebben. Enkele veel voorkomende standaardbegrippen liggen vast in de SVBP 2012 en moeten worden overgenomen. De overige begrippen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.

 

Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen. Enkele veel voorkomende standaardmeetbepalingen zijn op grond van de SVBP 2012 voorgeschreven en moeten worden overgenomen. De overige meetbepalingen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.

 

5.3 Bestemmingsregels

 

5.3.1 Algemeen

 

In hoofdstuk 2 van de bestemmingsplanregels worden de verschillende bestemmingen vastgelegd. In de bestemmingsregel wordt omschreven waarvoor en, zo nodig, hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Bij de bestemmingen moet in de bestemmingsomschrijving aangegeven zijn welke functies toelaatbaar zijn. De bestemmingen kunnen worden onderverdeeld in enkel- en dubbelbestemmingen. De enkelbestemming regelt primair welke functies zijn toegestaan. Een dubbelbestemming kan alleen van toepassing zijn boven op één of meerdere enkelbestemmingen en kan extra functies toestaan danwel uitsluiten.

 

Voor de bestemmingsregels geldt op grond van de SVBP 2012 een vaste indeling. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouw- en gebruiksregels en regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, situering en aantal bouwlagen etc. van (hoofd)gebouwen en (bijbehorende) bouwwerken.

Bij een aantal bestemmingen is de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van bepaalde regels.

De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels).

Tenslotte bevatten de meeste bestemmingen regels om het bestemmingsplan te wijzigen. De wijzigingen kunnen betrekking hebben op een functiewijziging en/of op het veranderen van bouw- en/of gebruiksregels.

 

Voor de indeling van de enkel- en dubbelbestemmingen gelden de bindende hoofdgroepen uit de SVBP 2012. In de subparagrafen hierna wordt per bestemming een toelichting gegeven.

 

 

5.3.2 Enkelbestemmingen

 

- Tuin -

 

Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde zijtuinen te beschermen, is daarvoor de afzonderlijke bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Bebouwing is binnen deze bestemming niet toegestaan. Dat sluit aan de op de gegroeide praktijk. Terwille van een zeker flexibiliteit mag een woning binnen deze bestemming wel uitbreiden met een erker of voorportaal.

 

- Wonen - Vrijstaande woningen ANB

Voor dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van maatwerkregels. De nok- en bouwhoogte zijn afgestemd op de bestaande woningen in de buurt van de te realiseren woning. Er kon daarom niet worden volstaan met een bestemming vanuit de 'basisregels' waarvan de gemeente in principe gebruik maakt.

 

Met een bouwvlak wordt aangegeven waar het hoofdgebouw mag worden gebouwd. Voor het bepalen van de geldende bouwregels is het bouwvlak leidend. Het bestemmingsplan geeft regels voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken binnen een bouwvlak en het bouwen van van bijbehorende bouwwerken buiten een bouwvlak.

 

Bij de situering en de afmetingen van het bouwvlak is rekening gehouden met de plaatstelijke situatie. Het bouwvlak is zo ver mogelijk naar het noorden gesitueerd waarbij er nog ruimte overblijft om er een garage bij te bouwen met ruimte om om het huis heen te lopen. Hierdoor blijft ten zuiden van het bouwvlak/ de woning ruimte over waardoor enige openheid in het woonlint blijft behouden. Het bouwvlak is smaller gemaakt dan de standaard afmeting, namelijk van 10 m naar 7 m. De lengte van het vlak is op 15 m gehouden.

 

Voor het bepalen van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is gekozen voor een berekeningsmethodiek die aansluit bij het Bor. Dit betekent dat hoe groter het erf is, hoe meer bebouwingsmogelijkheden er zijn. Omdat het in dit bestemmingsplan om een specifieke situatie gaat is het maximum bepaald op de oppervlakte die uit het Bor kan worden afgeleid: 110 m2.

 

De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten (zie bijlage 1 van de bestemmingsplanregels Noardburgum). Een vergelijkbare regeling geldt voor bedrijfswoningen.

 

5.4 Algemene regels

 

In hoofdstuk 3 van de bestemmingsplanregels staan de algemene regels.

 

-Anti-dubbeltelregel -

Deze regel vloeit voort uit het Besluit ruimtelijke ordening en moet verplicht worden opgenomen in de bestemmingsplanregels. Het regelt dat grond niet twee keer mag worden meegerekend voor het toetsen van bouwplannen.

 

- Algemene bouwregels -

Hierin wordt geregeld dat via welstand nadere eisen aan de situering en maatvoering van bouwwerken kan worden gesteld. Tevens is hierin het bouwverbod opgenomen van windturbines.

 

- Algemene gebruiksregels -

Dit artikel bepaalt welke activiteiten in ieder geval in strijd met de diverse bestemmingen zijn. Deze algemene gebruiksverboden laten onverlet dat er ook nog specifieke gebruiksverboden in de bestemmingen zijn opgenomen.

 

 

5.5 Overgangs- en slotregels

 

- Overgangsrecht -

Het Bro stelt de verplichting om het overgangsrecht uit het Bro op te nemen in het bestemmingsplan. Het overgangsrecht bestaat uit een specifieke regeling voor zowel het bouwen als het gebruiken.

 

- Slotregel -

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.

 

6.1 Economisch

Met de eigenaren van het perceel is een planschadeovereenkomst overeengekomen. Mogelijke tegemoetkomingen in planschade worden dus verhaald op de grondeigenaren. Daarmee zijn de financiële risico's voor de gemeente gedekt.

 

6.2 Maatschappelijk

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is Afdeling 3.4 Awb van toepassing. Het ontwerp plan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn wel/geen zienswijzen ingediend.