Herinrichting stationsgebied Hurdegaryp (realisatie woongebouwen)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting bestemmingsplan Herinrichting stationsgebied Hurdegaryp (realisatie woongebouwen)
Inhoudsopgave
Toelichting bestemmingsplan Herinrichting stationsgebied Hurdegaryp (realisatie woongebouwen)
3.2 Archeologie en cultuurhistorie
Hoofdstuk 4 Toelichting op de regels
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De komst van De Centrale As en de aanleg van de Noarder Omwei heeft als gevolg dat er aanzienlijk minder verkeer door Hurdegaryp rijdt. Met het project Kansen in Kernen (KiK) Hurdegaryp is de omgeving van de Rijksstraatweg opnieuw ingericht en verkeerskundig afgewaardeerd.
Het Stationsgebied maakt onderdeel uit van het Kik Hurdegaryp. Een belangrijk uitgangspunt voor het ontwerp van dit gebied is het bereiken van een duidelijke en overzichtelijke entree van het station, waarbij looplijnen, ligging van voorzieningen en openbaar vervoer helder ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. Het Stationskwartier wordt ingericht als een pleinruimte. Verschillende soorten verkeersdeelnemers maken op dit plein gebruik van deze nieuwe ruimte. Hiermee wordt de verkeersuitstraling minder prominent en de verblijfskwaliteit juist belangrijker. Om het “pleingevoel” te bevorderen is in het ontwerp de realisering van nieuwe (woon-)bebouwing aan de west- en zuidzijde meegenomen.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402000.png)
1.2 Plangebied
Voor het plangebied geldt nu het bestemmingsplan Hurdegaryp 2010. Het grootste deel heeft de enkelbestemming "verkeer-1" en voor een deel de bestemming "groen-groenvoorziening". Voor het oostelijk puntje van het plangebied (zie inzet op de afbeelding) geldt het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Deze gronden zijn bestemd als enkelbestemming "verkeer-2" met een dubbelbestemming "waarde Landschap (Open landschap)" en een gebiedsaanduiding "geluidzone-spoor".
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402001.png)
Ten behoeve van de extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden is op 16 november 2017 een Tracébesluit vastgesteld. Bij tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 februari 2019 is op 7 juni 2019 het Tracébesluit aangepast vastgesteld. Deze laatste aanpassing heeft geen betrekking op het Stationsgebied Hurdegaryp.
Voor zover het Tracébesluit wel betrekking heeft op het plangebied, dan gaat het om die delen die in het Tracébesluit zijn aangewezen als "bouwzone". Op grond van artikel 8 van het Tracébesluit (bepalingen voor aanlegfase) geldt dat de op de detailkaarten aangegeven bouwzones (blauwe vlakken) in de aanlegfase worden gebruikt ten behoeve van de aanleg van het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden. Deze bouwzones krijgen na uitvoering van de werkzaamheden hun oorspronkelijke bestemming weer terug, zoals deze golden voor de datum van het inwerkingtreden van het tracébesluit (artikel 8 Tracébesluit).
De aanliggende compensatieruimte voor groen (groene vlak) kon mede worden gebruikt om de kap van bomen en houtopstand t.b.v. de spooraanpassing te compenseren. Deze compensatie voor het spoorproject is inmiddels uitgevoerd en dit gebied is hiervoor niet meer nodig. Ook het maatregelvlak landschappelijke inpassing aan de zuidzijde (oranje vlak) is ingevuld met incidentele boombeplanting en een bloemenvak. Met de bouw van de onderdoorgang en de inrichting van de omgeving is het Tracébesluit voor de inrichting van het stationsgebied van Hurdegaryp afgerond.
De begrenzing van het plangebied is als volgt:
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402003.png)
1.3 Planinhoud
Er is sprake van een herziening van het geldende bestemmingsplan. Het gebied is nu (tijdelijk) ingericht met parkeren (noordkant) en als plantsoen (zuidkant). Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Hurdegaryp. Het terrein is altijd stedelijk in gebruik geweest. Het noordelijke deel was als parallelweg en bushalte in gebruik en in het zuidelijke deel was een plantsoen met fietspaden. Hieronder staan de luchtfoto's van 2013 en 2021.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402004.png)
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402005.png)
Ten noorden ligt de spoorlijn. Tussen de beide appartementengebouwen ligt de nieuwe tunnel onder het spoor t.b.v. het auto- en fietsverkeer. Deze weg is bedoeld voor het verkeer met de bestemming Hurdegaryp. Het andere verkeer zal de Noarder Omwei (rondweg) volgen.
Het plan is om aan de noord- en zuidkant van de tunnelingang een tweetal appartementengebouwen te bouwen. In elk gebouw komen 16 appartementen. Het gebouw aan de noordzijde wordt huur (woningen met oppervlakte 60-70 m2) en in het gebouw aan de zuidzijde komen koopappartementen (woningen met oppervlakte 80-85 m2). De beide gebouwen bestaan uit 4 bouwlagen en worden ruim 13 meter hoog.
Ten westen van de huurappartementen liggen 13 parkeerplaatsen en hier worden ook de 16 buitenbergingen gebouwd. Ten zuiden van de koopappartementen komen 16 parkeerplaatsen en 16 buitenbergingen. De toegang tot het parkeergebied en de bergingen en de huurappartementen is via het stationsplein (voorkant van gebouw is aan de noordzijde). De toegang tot het parkeergebied en de bergingen en de koopappartementen is via de Reidroas (voorkant van het gebouw is aan de zuidzijde).
De plantoelichting is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de huidige en de toekomstige situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader beschreven. In hoofdstuk 4 worden de plannen getoetst aan de wet- en regel voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting op de planregels gegeven. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan behandeld.
Hierbij merken wij nog op dat de welstandsnota voor het betreffende gebied niet wordt gewijzigd. Het welstandsgebied "lintbebouwing" is van toepassing en dit welstandsgebied met bijbehorende welstandscriteria wordt passend geacht.
Hoofdstuk 2 Beleidskader
Richtinggevend voor de inhoud van het bestemmingsplan is mede wat door hogere overheden als ruimtelijk beleid is afgesproken. Ook de gemeente zelf heeft beleid dat van invloed is op het bestemmingsplan, zowel ruimtelijk als sectoraal.
2.1 Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (Novi) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De Novi geeft de uitdagingen van de toekomst weer, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes nationaal gemaakt worden en welke richting daarbij nationaal wordt meegegeven aan decentrale keuzes. Met de Novi geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Daarbij moet bij het maken van alle plannen gelet worden op de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid.
De belangrijkste keuzes in de Novi zijn:
- klimaatbestendige inrichting van Nederland met oog voor energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van landelijk gebied.
De Novi gebruikt daarbij drie afwegingsprincipes:
1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
3) afwentelen wordt voorkomen.
Bij de Novi hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering wordt gegeven aan de Novi. Nederland is daarbij verdeeld in 5 landsdelen. Voor Friesland is een uitvoeringsagenda voor landsdeel Noord in de maak (contour).
De voorgenomen ontwikkeling om in Hurdegaryp een tweetal woongebouwen te bouwen raakt geen van de in de Novi opgenomen rijksbelangen. In de uitvoeringsagenda is aandacht voor nieuwe woonlocaties (verdere verstedelijking) om de leefbaarheid van de dorpen en de steden te verbeteren.
Ladder duurzame verstedelijking
Op grond van artikel 3.1.6 Bro bevat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De twee woongebouwen komen in bestaand stedelijk gebied. Er is een grote druk op de woningmarkt en er is grote behoefte aan woningbouw in Hurdegaryp. Verwezen wordt naar paragraaf 2.3 (gemeentelijk beleid) dat een verdere onderbouwing van de behoefte bevat.
2.2 Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in de Omgevingsvisie Fryslân (De Romte diele) en in de verordening Romte Fryslân 2014 welke dienen als uitgangspunt voor dit bestemmingsplan.
De provinciale rol in het woonbeleid ligt met name in het maken van afspraken op hoofdlijnen met regio’s en gemeenten over het woningbouwprogramma, naar aantal en kwaliteit. In de Omgevingsvisie staan hiervoor het ruimtelijk kader en de streefdoelen. Deze rol is een autonome, maar ook onderdeel van de afspraken die tussen het rijk en de provincies (IPO) zijn gemaakt. Het rijk trekt zich terug van de programmering en laat de regionale regie over de woningbouw over aan de provincies.
De sturing op de woningbouwverdeling vindt plaats via richtgetallen en via afspraken op regionaal niveau. De afspraken over de woningbouwprogramma’s komen tot stand in een regionaal samenwerkingsproces. Daarin wordt maatwerk toegepast. De afspraken maken deel uit van de met de VFG afgesproken bestuurlijke samenwerkingsagenda. De afspraken worden periodiek herijkt. In 2021 zal op grond van een bredere evaluatie van de afspraken, ontwikkelingen en nieuwe prognoses een herijking plaatsvinden. De Verordening Romte regelt niet zelf de verdelingsprincipes uit het streekplan en bevat geen normen en programmacijfers, maar borgt de gemaakte bestuurlijke afspraken.
Regie op kwaliteit heeft vooral betrekking op zuinig ruimtegebruik (binnenstedelijk bouwen), duurzaamheid en herstructurering woningvoorraad en woonomgeving. De daadwerkelijke uitvoering daarvan ligt op lokaal niveau en is een verantwoordelijkheid van gemeenten, woningcorporaties en andere
bouwende partijen. De sturing op woningtypen en woonmilieus doet de provincie meer terughoudend. Enerzijds omdat het planologisch instrumentarium daar minder in voorziet. Anderzijds omdat kennis van de lokale markt dichter bij gemeenten en corporaties ligt.
De vertaling van het woningbouwprogramma naar kernen en locaties vindt door gemeenten plaats: via woonplannen en/of structuurvisies, binnen het ruimtelijk kader van het streekplan en de Verordening Romte.
Relevant in dit verband is, dat op grond van artikel 3 van de Provinciale verordening Romte Fryslan 2014 een ruimtelijk plan een mogelijkheid voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming is met een woonplan dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. In de Regio Noord-Oost Fryslân zal de komende jaren op een experimentele manier worden gewerkt aan het maken van woningbouwafspraken. De gemeenten in deze regio krijgen meer vrijheid om zelf te bepalen welke woningbouwopgave er voor de komende periode ligt. In het onderdeel gemeentelijk beleid wordt nader ingegaan op de afspraken die hierover met de provincie zijn gemaakt.
2.3 Gemeentelijk beleid
De structuurvisie Finster op romte (2010) geeft de toekomstvisie weer van de gemeente Tytsjerksteradiel tot het jaar 2020. In 2018 is de structuurvisie geëvalueerd. Deze evaluatie was bedoeld om lessen te trekken en deze te vertalen naar concrete aanbevelingen voor een op te stellen omgevingsvisie en om vast te stellen welke ambities uit de structuurvisie op dit moment nog actueel zijn en dit als ruimtelijk beleidskader te blijven hanteren tot het moment van vaststelling van de nieuwe omgevingsvisie.
In de structuurvisie wordt voor Hurdegaryp (als één van de grote kernen) het wonen, werken en voorzieningen geconcentreerd waarbij aanbod en draagvlak aanwezig blijft met een hoog kwaliteitsniveau. In de grote kernen moet voldoende ontwikkelruimte blijven. Voor wonen is de ambitie in de structuurvisie om de omvang, de kwaliteit en het prijsniveau van de woningvoorraad aan te laten sluiten op de samenstelling en ontwikkeling van de bevolking.
Voor het thema wonen heeft de gemeenteraad op 4 juli 2019 de nieuwe Woonvisie 2019-2024 vastgesteld. Deze Woonvisie is een visiedocument dat naast de wettelijke basis voor prestatieafspraken ook als basis dient voor o.a. de duurzaamheidsagenda, de woningbouwprogrammering (die separaat is vastgesteld door het college) en de Omgevingsvisie.
In de Woonvisie worden vijf speerpunten benoemd voor de komende jaren:
- Investeren in de bestaande woningbouwvoorraad
- Zorgvuldige inzet op nieuwbouw
- Voldoende betaalbare en beschikbare sociale huurwoningen
- Wonen met zorg
- Streven naar leefbare dorpen
In de woonvisie 2019-2024 wordt al gesignaleerd dat de woningmarkt flink is veranderd t.o.v. 2010. Waar de woningmarkt destijds in een crisis zat, is er nu de nodige druk ontstaan. De gemeente wil de komende jaren invulling geven aan de woningbehoefte. Daarbij is gesignaleerd dat door de gezinsverdunning en de vergrijzing de vraag naar kleinere wooneenheden zoals bv. appartementen zal toenemen. In de woonvisie van de gemeente staat dat uitgangspunt is dat gebouwd moet worden naar behoefte en dat de kwaliteit belangrijk is. Absolute aantallen vormen daarbij niet de graadmeter. Wel zal de toekomstige woningbehoefte goed gemonitord moeten worden. Gelet op de huidige vraagdruk zal eerst worden ingezet op realisatie van het hoge secenario.
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningbouwinitiatieven aansluiten bij de actuele, kwalitatieve woningbehoefte en volkshuisvestelijke ambitie zullen plannen daarbij worden getoetst aan een hiervoor opgesteld afwegingskader.
Hurdegaryp profiteert daarbij van de gunstige ligging ten opzichte van Leeuwarden. De kern beschikt over een groot aantal (dagelijkse) voorzieningen, maar ligt ook aan een snelle treinverbinding met Leeuwarden en Groningen.
In het kader van Kansen in Kernen is de doorgaande route door Hurdegaryp afgewaardeerd en is het stationsgebied opnieuw ingericht. Onderdeel van deze plannen is altijd geweest om deze entree van Hurdegaryp met twee woongebouwen te accentueren. Op basis van de integrale Visie Stationskwartier Hurdegaryp (september 2015) is door het projectteam KIK Hurdegaryp stationskwartier in samenspraak met de Klankbordgroep een VO (Voorlopig Ontwerp) Kik Hurdegaryp Stationskwartier opgesteld en in oktober 2018 voorgelegd aan de Stuurgroep De Centrale As. De stuurgroep heeft positief geadviseerd en het VO is hierna voorgelegd aan de colleges van B&W en GS en op 20 november 2018 vastgesteld. Op 14 februari 2019 is vervolgens door het college van B&W het DO vastgesteld en op 5 maart 2019 is de raad hierover geïnformeerd. In het DO staat:
Het stationskwartier wordt ingericht als pleinruimte. Verschillende soorten verkeersdeelnemers maken op dit plein gebruik van deze nieuwe ruimte. Hiermee wordt de verkeersuitstraling minder belangrijk en de verblijfskwaliteit juist belangrijker. Om het "pleingevoel" te bevorderen is in het ontwerp de realisering van nieuwe (woon-)bebouwing aan de west- en zuidzijde meegenomen.
Hurdegaryp kent een relatief grote dorpsuitbreiding (It Súd) maar ruimte voor nieuwe appartementengebouwen is er in dit gebied niet. In dit gebied is de woningbouw inmiddels geheel gerealiseerd. Voor het oostelijk deel geldt nog een uitwerkingsbevoegdheid voor maximaal 50 woningen. Wanneer hiervoor een plan wordt uitgewerkt zal dit in verhouding moeten staan met de woonvisie en de woningbouwprogrammering (binnenstedelijk, gebalanceerd).
In de woonvisie is opgemerkt dat bij nieuwbouw moet worden ingespeeld op de demografische trends. Levensloopgeschikt bouwen heeft de voorkeur. Beide appartementengebouwen bevatten gelijkvloerse woningen en krijgen een lift. Verder wordt uiteraard aan de toegankelijkheidseisen uit het Bouwbesluit voldaan.
Het afwegingskader is op dit plan toegepast waarbij achtereenvolgens de volgende aspecten zijn beoordeeld:
Volkshuisvesting
a. voegt het een product toe dat onvoldoende beschikbaar is?
Het initiatief voorziet in een woningvraag die niet via doorstroming of een ander (bouw)plan kan worden bediend. Op basis van de woningmarktanalyse voor Hurdegaryp is er ruimte voor extra woningen in Hurdegaryp en is er behoefte aan koop- en huurappartementen. Omdat hiervoor geen (bestemmings)plannen zijn, kunnen er nieuwe plannen worden gemaakt.
b. leidt het plan tot continuïteit in de vernieuwing van de woningvoorraad?
Ja, het plan kan snel ontwikkeld worden, het is vernieuwend aanbod en zal leiden tot nieuwe instroom en doorstroming op de woningmarkt.
c. Leidt dit product tot versnelling van de doorstroming?
Ja, het betreffen levensloopbestendige woningen. De woningen zijn voor meerdere doelgroepen inzetbaar waaronder o.a. ook de doelgroep aan het "einde van de doorstromingsketen". Dit zal doorgaans leiden tot een trein van "meerdere verhuisstappen".
d. Is er sprake van buitengewone mate van duurzaamheid?
De appartementengebouwen worden gasloos en bijna energieneutraal gebouwd (Beng). Ook moet volgens een milieuprestatieberekening gekenen worden naar de milieu-inpact van de toe te passen materialen. De gebouwen moeten minimaal voldoen aan de vereisten van het Bouwbesluit. De gemeente mag in het kader van de vergunningverlening geen hogere eisen stellen.
e. is er sprake van vernieuwende woonvormen?
Er is geen sprake van vernieuwende woonvormen als bv. tijdelijk vastgoed of tiny houses of een gezamenlijke woonvorm.
Ruimtelijk
f. geeft het een impuls aan de directe woonomgeving
Het plan maakt onderdeel uit van het KIK project kansen in kernen Hurdegaryp waarbij de provincie betrokken is. Vanwege de afwaardering van de doorgaande route in Hurdegaryp is het stationsgebied opnieuw ingericht. In het kader van de ESGL Groningen-Leeuwarden is een spooronderdoorgang voor auto- en fietsverkeer gemaakt.
Stedebouwkundig gezien is het belangrijk dat de entree van het dorp op deze manier met bebouwing wordt geaccentueerd. Ook verkeerstechnisch draagt de bebouwing bij tot de "beleving van de bebouwde kom". Verder maakt de bebouwing het pleingebied "levendig" en zorgt het voor de sociale beleving en controle.
g. sluit het aan op de verordening Romte en de Ser-ladder?
Ja, het betreft een binnenstedelijke locatie en er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
De inbreiding gaat niet ten koste van bijzondere openbare ruimte. Sterker nog, bij het ontwerp van deze ruimte zijn deze gebieden benoemd t.b.v. van een stedelijke invulling. Het doel is geweest om van het Stationskwartier een duidelijke en overzichtelijke entree van het station te maken, waarbij looplijnen, ligging van voorzieningen en openbaar vervoer helder ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. Voor de kwaliteit en sociale veiligheid is het van groot belang (zo staat in het ontwerp KIK Hurdegaryp Stationskwartier) om (woon)gebouwen aan de randen van het plein toe te voegen.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402006.png)
Procedureel en Financieel
h. Zijn er afspraken vastgelegd?
Deze invulling vloeit voort uit de Integrale Visie Stationskwartier die samen met het Projectteam Kik Hurdegaryp en de Klankbordgroep is opgesteld en bestuurlijk door de gemeente en provincie akkoord is bevonden. De gemeente heeft met de projectontwikkelaar een intentieovereenkomst afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de te volgen planologische procedure, de woningbouwprogrammering en de kavelverkoop.
i. Is er actueel draagvlak bij de bevolking en politiek?
Ja, de plannen zijn als onderdeel van het KIK Hurdegaryp goed ontvangen en het college heeft middels het afsluiten van de intentieovereenkomst aangegeven zich in te zullen spannen voor de planologische uitwerking van het project.
Oordeel
Het plan heeft op grond van het afwegingskader een zeer goede score. Het is een toevoeging van woningen die in de bestaande vooraad onvoldoende beschikbaar zijn, het zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, er is draagvlak en het plan is procedureel en financieel uitvoerbaar. Het advies in het afwegingskader is om bij plannen die passen bij de behoefte bij een beoordeling van 65 punten of meer het plan voortvarend te ontwikkelen. Deze score wordt ruimschoots gehaald.
Voor het kwantitatieve deel (de woningbouwprogrammering) is vanuit de provincie ingezet op het maken van regionale woningbouwafspraken. De gemeente is daarbij ingedeeld bij de regio Noord-oost Fryslân. Deze regio heeft met de provincie afgesproken dat zij meer ruimte en vertrouwen krijgen om zelf de woningmarkt in balans te houden. Het doel is om snel en flexibel op lokaal niveau op de vraag en het aanbod in te spelen.
Binnen het experiment kunnen gemeenten woningbouwplannen ontwikkelen die goed aansluiten op de huidige en toekomstige woningbehoefte. De gemeente krijgt daarbij voor projecten binnen de kernen zelf de regie op het aantal woningen. De bandbreedte wordt door de provincie losgelaten en de provincie gaat niet actief sturen. Dit biedt de gemeenten de mogelijkheid om een flexibel woningbouwprogramma op te stellen waarbij rekening wordt gehouden met een onderbouwde en geprognoticeerde woningbehoefte. Gedurende de looptijd van het experiment heeft de regio de vrijheid om zelf invulling te geven hoe om te gaan met de bestaande harde (nog niet ingevulde) buitenstedelijke capaciteit (brief van de provincie van 13 mei 2020).
Vanuit de wettelijke taken, waaronder de ruimtelijk planologische procedures, heeft de provincie dan wel inzicht nodig in het flexibel programma waarbij onder andere wordt toegelicht of het project deel uitmaakt van het (harde) programma, of het project binnen- of buitenstedelijk is, of ook sprake is van deprogrammering of herprogrammering, of er ook herstructurering of sloop mee annex is. Op deze wijze kan worden voldaan aan artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslan 2014 (de doorvertaling van een geaccodeerd woonplan in een ruimtelijk plan).
De 16 koop- en 16 huurappartementen zijn opgenomen in het woningbouwprogramma voor het dorp Hurdegaryp. Het project maakt deel uit van het harde programma (aantallen zijn in het programma toebedeeld). Het project is nog niet planologisch geregeld. Dat wordt met dit bestemmingsplan gedaan.
In het gemeentelijk woningbouwprogramma is rekening gehouden met de toekenning van 32 woningen aan het Stationsgebied.
Om te beoordelen of het project conform de provinciale verordening als binnenstedelijk moet worden aangemerkt moet de bij de verordening horende kaartlaag worden geraadpleegd. Uit het kaartfragment hieronder blijkt dat het om een binnenstedelijke situatie gaat.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402007.png)
Van deprogrammering of herprogrammering is voor dit project in Hurdegaryp geen sprake. De in het woningbouwprogramma opgenomen bestemde maar nog niet gebouwde locaties zijn actueel en zijn of worden binnenkort gebouwd (4 woningen in Hurdegaryp It Súd en veertien woningen op de locatie Wynia aan de Rijksstraatweg). Ook is er geen herstructurerings- of sloopopgave aan dit plan verbonden.
Er is sprake van een ontwikkeling die past binnen zowel het provinciaal als het gemeentelijk woningbouwbeleid en de met de provincie gemaakte woningbouwafspraken voor deze regio.
Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten
3.1 Natuur
Om te beoordelen wat voor effect het voorliggende plan op het milieu heeft is een vormvrij m.e.r. beoordeling opgesteld (zie bijlage 1). Op basis van deze mer beoordeling kan worden afgewogen of er sprake is van "belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu" waardoor het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk/noodzakelijk is.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten m.e.r. plichtig zijn. De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen valt onder categorie D 11.2. De activiteit waarvoor het nieuwe bestemmingsplan wordt gemaakt blijft ruim onderde drempelwaarde (100 hectare of meer/aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen/ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer)
In het Besluit m.e.r. is geregeld dat voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarde blijven, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. Via een vormvrije mer-beoordeling moet worden afgewogen of het plan toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft.
Hieronder zal specifiek op de ecologische effecten worden ingegaan. In de andere paragrafen komen de andere milieu- en omgevingsaspecten aan de orde.
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
In Nederland zijn via de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het beleid voor het NNN is opgenomen in de provinciale verordening.
Binnen het plangebied bevindt zich geen NNN-gebied of Natura 2000-gebied. Binnen de invloedsfeer van het plangebied komt geen NNN-gebied voor. Van zowel direct al indirecte aantasting van NNN-gebieden is dan ook geen sprake. Effecten op NNN-gebieden zijn dan ook uitgesloten.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Groote Wielen" ligt op circa 1,76 kilometer ten westen van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het plangebied.
Vanwege de geringe omvang van de activiteit en de afscherming door omliggende elementen worden effecten zoals versnippering, verdroging, geluid-, optische lichtverstoring op soorten, habitats van soorten of habitattypen op Natura 2000-gebieden in het algemeen en in het bijzonder het Natura 2000 gebied "Groote Wielen" niet verwacht. In dit gebied is ook geen sprake van overbelasting van stikstof. De verderaf gelegen Natura 2000-gebieden waaronder de Alde Feanen zijn wel stikstofgevoelige leefgebieden. Hoewel de afstand tot deze gebieden behoorlijk groot is, is zekerheidshalve voor de ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd. Uit deze berekening volgt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402008.png)
Het plan leidt niet tot significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden waardoor er geen sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook heeft het plan geen effect op NNN-gebieden en het leefgebied voor weidevogels.
Soortenbescherming
Ook de bescherming van soorten is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Vanuit deze wet geldt (o.a artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van deze wet) een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust-, verblijf- of nestplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk.
Het gebied is recent in het kader van de Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden volledig opnieuw ingericht en/of tijdelijk gebruikt als bouwzone en verkeerszone. Op de onderstaande afbeeldingen is de huidige gebiedsinrichting te zien.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402009.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402009.jpg)
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402010.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402010.jpg)
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402011.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402011.jpg)
De soortenbescherming op grond van de Wet natuurbescherming is beoogd om beschermde dieren/en of planten die op het terrein voorkomen te beschermen. Het gaat dan om vaste verblijfplaatsen of leefgebieden. Een enkele passerende beschermde soort is vanuit de wetgeving niet relevant.
Voor de ontwikkeling is het niet nodig dat in het gebied bomen worden gekapt of struiken worden verwijderd. Verder worden er ook geen sloten gedempt. Het binnenstedelijk gebied is op dit moment al dusdanig ingericht dat het gebied geen leefgebied is voor beschermde planten en dieren.
Uit eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek voor de Extra Snelheidstrein Groningen-Leeuwarden blijkt dat in het gebied geen soorten zijn aangetroffen die zijn beschermd via de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is nog voldoende actueel. Vaste verblijfplaatsen of leefgebieden worden door de ontwikkeling niet verstoord en beschermde plantensoorten zijn niet aanwezig.
Uiteraard blijft de in de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplicht gelden. Dat betekent dat broedende vogels niet verstoord mogen worden en dat geen nesten mogen worden vernield. Ten tijde van de uitvoering van het plan zal hier rekening mee worden gehouden. Vanwege het ontbreken van nestgelegenheid op de bouwlocatie zal het dan alleen gaan om mogelijke verstoring van broedende vogels in de omgeving.
3.2 Archeologie en cultuurhistorie
3.2.1 Archeologie
Het belang van de bescherming van de archeologische waarden is in internationaal verband erkend in het 'Verdrag van Valletta' (ook wel 'verdrag van Malta' genoemd). In Nederland zijn de uitgangspunten van dit Verdrag geïmplementeerd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, september 2007). Op grond van de Wamz dient bij de voorbereiding van bestemmingsplannen aandacht te worden besteed aan de (mogeiljke) aanwezigheid van archeologische waarden. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.
De provincie heeft in dit kader de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) opgesteld. Hierop zijn archeologische adviezen voor de provincie Fryslân gegeven. Op deze kaart worden voor zowel de Steentijd - Bronstijd als de IJzertijd - Middeleeuwen, adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken.
Steentijd-bronstijd
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402012.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402012.jpg)
Het grootste deel van het gebied heeft op de Archeologische Famke kaart steentijd-bronstijd de aanduiding “onderzoek bij grote ingrepen” (groene kleur). Dit betekent dat op basis van eerder onderzoek de eventueel aanwezige archeologische resten uit de steentijd al ernstig verstoord zijn. Alleen voor grote ingrepen (meer dan 2,5 hectare) is karterend proefsleuvenonderzoek nodig. Een klein deel van de ontwikkellocatie (zuidkant) heeft de aanduiding “karterend onderzoek 2” (gele kleur). Bij ingrepen van meer dan 2.500 m2 is karterend booronderzoek nodig.
ijzertijd-middeleeuwen
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402013.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402013.jpg)
Het gebied heeft op de Archeologische Famke kaart ijzertijd-middeleeuwen de aanduiding “karterend onderzoek 3”. Dit betekent dat alleen voor ingrepen meer dan 5.000 m2 een historisch en karterend onderzoek moet worden uitgevoerd. In plangebieden binnen de bebouwde kom kunnen zich al recente verstoringen hebben voorgedaan.
Uitgevoerde onderzoeken
Bovenstaande beleidsadviezen vanuit de Famke kaart zijn onvoldoende om het gebied geen archeologische verwachtingswaarde te geven. Hiervoor is specifiek onderzoek nodig. Wel kan gebruik worden gemaakt van reeds eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken voor de realisatie van de Extra Sneltrein Groningen – Leeuwarden (ESGL).
In het kader van de ESGL is in het rapport ADC 2874 op basis van een bureauonderzoek nagegaan of er aanwijzingen zijn voor archeologische waarden, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging aard en datering hiervan. Het onderzoek was afgestemd op het gebied waar de werkzaamheden uitgevoerd gingen worden.
Het rapport Raap 2658 behelst een archeologisch en historisch vooronderzoek voor het maximale ruimtebeslag van de ESGL. In het rapport wordt aandacht besteed aan de archeologische vindplaatsen en via welke methode van vervolgonderzoek uiteindelijk tot een waardestelling kan worden gekomen. Op basis van dit bureauonderzoek moet van alle benodigde aanpassingen binnen het ruimtebeslag kunnen worden vastgesteld of er een noodzaak bestaat tot het uitvoeren van archeologisch veldonderzoek en, zo ja, in welke vorm dit onderzoek dient te worden uitgevoerd.
Het adviesdocument 684 betreft het verkennende booronderzoek in dit onderhavige gebied. Omdat de scope van het project is uitgebreid, wordt in hoofdstuk 5 van dit rapport melding gemaakt van de nieuwe locaties en uitbreidingen waaronder de onderdoorgang Hurdegaryp. Deze zijn o.a. getoetst aan het bureauonderzoek en de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. Dit heeft er toe geleid dat o.a. bij de onderdoorgang Hurdegaryp verkennend onderzoek heeft plaatsgevonden.
Het rapport Raap 4068 betreft een inventariserend veldonderzoek waarbij in “aanvullend onderzoeksgebied 1: stationsgebied” verkennende booronderzoeken zijn uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt, dat zich in het westelijk deel van het onderzoeksgebied vanwege de lage en natte ligging van het dekzand geen podzolbodem in het dekzand heeft gevormd. Vaak is de top van het dekzand hier nog wel intact (soms verspoeld) en afgedekt met een veenlaag. In het oostelijk deel van het plangebied ligt het dekzand vaak direct onder de recent verstoorde of opgebrachte laag grond en is de top van het dekzand meestal verstoord tot in de (B)C-horizont. Alleen in de strook ten zuiden van de Stationsweg en nabij de Reidroas is de (soms nog met een dunne veenlaag afgedekte) top van het dekzand grotendeels intact en is er een podzolbodem aanwezig.
Voor het westelijk deel geldt daarom een lage archeologische verwachtingswaarde. Dat geldt ook voor de delen van het plangebied waar de top van het dekzand is verstoord. Aan de delen in het onderzoeksgebied met een intacte podzolbodem wordt in dit onderzoek een hoge verwachtingswaarde toegekend. Bij ingrepen in de oranje zone (advieszone 10) die dieper reiken dan de bij de boringen genoemde dieptes van de top van het dekzand , wordt geadviseerd om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren door middel van waarderend booronderzoek.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402014.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402014.jpg)
Op basis van dit onderzoek kan niet de conclusie worden getrokken dat de beleidsadviezen uit Famke niet meer gelden. Omdat de ingreep in zijn totaliteit kleiner is dan de onderzoeksgrens van 5.000 m2 is onderzoek op dit moment niet nodig. Op basis van de Erfgoedwet moet alsnog de archeologische verwachtingswaarde in het bestemmingsplan worden opgenomen. Dit moet worden vertaald in de regels in de vorm van een beschermende dubbelbestemming. Alleen als aan de hand van een onderzoek kan worden aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn hoeft geen verwachtingswaarde op de plankaart te worden opgenomen.
Op de plankaart zal voor de in het plangebied gelegen advieszone 10 een dubbelbestemming "waarde archeologie" worden opgenomen waarbij wanneer werkzaamheden dieper dan 1 meter onder NAP worden uitgevoerd een onderzoek naar de archeologische waarden nodig is.
3.2.2 Cultuurhistorie
Bij het opstellen van plannen moet aandacht worden besteed aan cultuurhistorische waarden. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. In de omgevingsvisie ‘de Romte Diele’ van de provinsje Fryslân wordt het belang van ‘Basis op orde’ als volgt beschreven:
"om de ambities te kunnen realiseren moet allereerst de basis op orde zijn. Fryslân heeft veel kwaliteiten die we willen behouden en versterken. Dat moet op een slimme manier gebeuren: niet door veranderingen tegen te houden maar door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten vertrekken vanuit de bestaande omgevingskwaliteiten. Om de bestaande kwaliteit op orde te hebben en te houden, voeren we onze wettelijke taken uit. Daarnaast voeren we taken uit waarvoor we onze verantwoordelijkheid willen nemen. Vaak gaat het om goed onderhoud en beheer. Maar waar verbeteringen gewenst zijn, zullen we ook sturing en uitwerking geven aan verbeteringsplannen."
"Het landschap en z’n cultuurhistorie, archeologie en de stedenbouw vertellen in samenhang het verhaal van Fryslân. Ze vormen een onderdeel van de Friese identiteit en geven de provincie een herkenbaar profiel. Denk aan de terpen en boerderijen op kwelderwallen. Zulke elementen en structuren zijn bepalend voor de bijzondere ruimtelijke kwaliteit van Fryslân. En daarmee zijn ze van grote invloed op de ontwikkelingskansen van onder andere de Friese gastvrijheidseconomie."
"Door de geschiedenis heen verandert het landschap. Dit zal in de toekomst niet anders zijn. Het is een gezamenlijke opdracht om toekomstige ontwikkelingen zodanig een plek te geven, dat de kenmerken van landschap en cultuurhistorie herkenbaar blijven. Bij de klimaatopgave kunnen gebiedskenmerken zoals hoogteligging, waterlopen en dijken het vertrekpunt vormen voor mogelijke oplossingen. Naast nieuwe ontwikkelingen zien we op verschillende plekken in Fryslân het landschap achteruitgaan. Hier streven we naar herstel van landschap en cultuurhistorie en naar het versterken van samenhang."
"Via de principes borgen we dat de omgevingskwaliteiten van landschap en cultuurhistorie, zoals weergegeven in de provinciale nota Grutsk op ‘e Romte, herkenbaar blijven en doorwerken en gebruikt worden in plannen en projecten. In het Bestuursakkoord Natuur en Landschap 2011-2015 is afgesproken dat provincies verantwoordelijk zijn voor de inrichting van het landelijk gebied en voor het regionale beleid voor natuur, recreatie en toerisme, landschap, structuurversterking van de landbouw en leefbaarheid. Ter uitvoering hebben Rijk en provincies in het Onderhandelingsakkoord Natuur afgesproken dat het landschapsbeleid als rijkstaak is vervallen en het een autonome bevoegdheid van de provincies is. Het Rijk houdt wel verantwoordelijkheden voor bijvoorbeeld het beschermen van belangrijke open ruimten zoals het Groene Hart, de Waddenzee en de Veluwe. Daarnaast dienen provincies vanuit de Omgevingswet de belangen van cultureel erfgoed af te wegen in de fysieke leefomgeving; het gaat om gebouwde en aangelegde monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten én cultuurlandschappen."
Bovengenoemd provinciaal beleid is bij de afweging van de cultuurhistorische waarden in dit gebied toegepast. Van een beschermd landschap is in dit geval geen sprake. De locatie behoort bij het stedelijke gebied. Er zijn in de omgeving geen gebouwde of aangelegde monumenten en er is ook geen sprake van een beschermd stads- of dorpsgezicht. De driehoek spoor-Rijksstraatweg is op de oude kaarten als onbebouwd gebied zichtbaar. Op de topografische kaart van 1850 wordt het station al genoemd.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402015.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402015.png)
Hoewel een stationsgebied heel historisch en karakteristiek kan zijn, is het in Hurdegaryp altijd gebleven bij een spoor met perron en een eenvoudig stationsgebouw en een parkeerterrein. De rest van het gebied bestond uit een parallelweg, plantsoen en water.
Bij de aanleg van de onderdoorgang is het stationsgebied opnieuw ingericht en is een stationsplein ontstaan. Dit deel van het gebied is dus nieuw ontwikkeld. In het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. De te bouwen gebouwen worden afgestemd op de kenmerken van de omgeving. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
3.3 Bodem
Voor de realisatie van dit bestemmingsplan worden werkzaamheden in de bodem verricht. Hiervoor is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd dat als bijlage bij dit bestemmingsplan wordt opgenomen. Er is geen aanleiding voor het uitvoeren van een vervolgonderzoek en de milieuhygiënische staat van de bodem maakt deze ontwikkeling mogelijk.
3.4 Water
De watertoets is een verplicht onderdeel bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Via www.dewatertoets.nl is het plan aangemeld bij Wetterskip Fryslân. Hieruit blijkt dat de korte watertoetsprocedure van toepassing is.
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402016.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402016.png)
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402017.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402017.jpg)
Bij demping moet 100% gecompenseerd worden. Bovenstaande betekent dat er (10% van 1.326 m2) + 30 m2 = 166 m2 water gecompenseerd moet worden. Voor deze compensatie zal een deel van de overcompensatie worden gebruikt die in het kader van het KIK-project (kansen in kernen) Hurdegaryp is uitgevoerd in de vorm van een vijver aan de Easteromwei. Hier is bij brief van 7 maart 2019 door Wetterskip Fryslân onder kenmerk WFN.036542 in de vergunning een oppervlakte van 650 m2 voor de vijver aan overcompensatie vastgelegd van welke oppervlakte nog geen gebruik is gemaakt.
De watertoets en de brief van It Wetterskip zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
a. hemelwater vasthouden voor benutting;
b. (in-)filtratie van afstromend hemelwater;
c. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
d. afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Ter voorkoming van diffuse verontreiniging van water en bodem zullen niet-uitloogbare materialen worden gebruikt en er is in dit gebied al rekening gehouden met een klimaat robuuste inrichting.
3.5 Geluid en verkeer
In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn voor de geluidgevoelige bestemmingen geluidsgrenzen opgenomen waaraan een ontwikkeling getoetst moet worden. Conform de Wet geluidhinder dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien de bouw van geluidgevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt binnen de onderzoekszone van zoneplichtige wegen en spoorwegen. Voor wegen met een geluidzone bestaat een inspanningsverplichting tot het verrichten van akoestisch onderzoek.
Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden nagegaan of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wegen waarop de Wet geluidhinder niet van toepassing is (30 km/h). Voor de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de N355, de parallelweg N355 en de Rijksstraatweg en de Westeromwei. Daarnaast ligt het plangebied in de zone van het spoortraject Leeuwarden-Groningen. Daarnaast heeft het niet-gezoneerde deel van de Rijksstraatweg, Westeromwei, Reidroas en de Stationsweg (allen 30 km/h) invloed op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Uit de onderzoeken blijkt dat de geluidsbelasting hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden en voor spoorweglawaai 55 dB Lden maar dat de maximaal toelaatbare ontheffingswaarden niet worden overschreden.
Op de volgende punten worden de voorkeurswaarden m.b.t. de geluidzone Rijksstraatweg en het spoorwegverkeer overschreden:
Hogere waarden appartementencomplex 1 ten gevolge van Rijksstraatweg:
Hogere waarden appartementencomplex 1 ten gevolge van spoor
Er wordt gelijktijdig met dit bestemmingsplan een procedure hogere geluidswaarden gevoerd om op deze punten een hogere gevelbelasting toe te staan.
Omdat het plangebied is gelegen in een zone van meerdere geluidsbronnen en de voorkeurswaarde wordt overschreden, is er ook een cumulatieve geluidsberekening opgesteld. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 65 dB Lden (excl. aftrek). Voor cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke grenswaarden vastgelegd. Ingevolge artikel 110a lid 6 Wgh dient het bevoegd gezag te beoordelen of deze cumulatie leidt tot onaanvaardbare geluidsbelasting.
De relatie tussen de geluidsbelasting en hinder (dosis-effect-relatie) verschilt per geluidsbron. In het algemeen wordt bij gelijke geluidsbelasting industrielawaai hinderlijker ervaren dan wegverkeer. Bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting wordt het geluid van verschillende geluidsbronnen gesommeerd tot een cumulatief Lden niveau. Omdat de Wgh niet van toepassing is, wordt bij de berekening van de geluidsbelasting geen correctie ex. artikel 110g Wgh toegepast.
Wat in deze situatie opvalt is dat er slechts twee geluidsbronnen zijn: het wegverkeer en het spoorwegverkeer. De geluidsbelasting t.g.v. het spoorweglawaai overschrijdt de voorkeurswaarde van 55 dB(A) op twee meetpunten aan de noordzijde van het noordelijke gebouw (bovenste bouwlaag) met slechts 1 dB(A). Met beperkte extra geluidwering kan aan het vereiste binnengeluidsniveau worden voldaan. De hogere geluidbelasting van het wegverkeer zit met name aan de zuidzijde van dit gebouw ten gevolge van het verkeer op de Rijksstraatweg. Op slechts 1 punt vindt "overlap" van de verschillende geluidsbronnen (wegverkeer en spoorwegverkeer) plaats. Feitelijk dient alleen voor dat rekenpunt 08D cumulatie conform artikel 110f inzichtelijk te worden gemaakt. De gecumuleerde waarde bedraagt hier 58 dB(A). Aangezien op dit punt al met een hogere waarde van 56 dB(A) wordt gerekend, blijft hier sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de andere rekenpunten wordt slechts door één geluidsbron de voorkeursgrenswaarde wel of niet overschreden. Cumulatie als bedoeld in artikel 110 f Wgh is voor die rekenpunten dan niet van toepassing.
Toch is het belangrijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening het cumulatieve geluid verder te analyseren. Door met name het geluid van de gezoneerde wegen en de niet gezoneerde wegen te cumuleren wordt op sommige punten een cumulatieve belasting van ten hoogste 65 dB Lden berekend. Het gaat dan om de volgende wegen:
Gezoneerd:
- N355: met max. 43 dB (lager dan de voorkeursgrenswaarde);
- Parallelweg N355: met max. 35 dB (lager dan de voorkeursgrenswaarde);
- Rijksstraatweg: met max. 58 dB op gevel noordelijk gebouw;
- Westeromwei: met max. 42 dB (lager dan de voorkeursgrenswaarde).
Niet gezoneerd (30 km/h)
- deel Rijksstraatweg: met max 59 dB
- deel Westeromwei: met max. 57 dB
- deel Reidroas: met max. 41 dB
- deel Stationsweg: met max. 41 dB
De voorkeursgrenswaarde wordt dus overschreden door de Rijksstraatweg (in- en exclusief het 30 km/uur gedeelte) en de Westeromwei (30 km/uur). Omdat bij cumulatie geen rekening wordt gehouden met de correctie ex. artikel 110g Wgh van 5 dB komen de cumulatieve waarden 5 dB hoger uit. In het kader van de Wet geluidhinder wordt deze aftrek wel toegepast bij het vaststellen van een hogere waarde omdat auto's en autobanden in de toekomst stiller worden.
Appartementencomplex Noordzijde
Feitelijk leidt deze cumulatie dus niet tot geluidswaarden waar nog geen rekening mee is gehouden of waar nog niet mee hoeft te worden gerekend. Voor de Rijksstraatweg diende al een hogere waarde te worden vastgesteld en de reductie op grond van artikel 110g Wgh mag niet worden toegepast voor de bepaling van de vereiste karakteristieke geluidwering en de hieruit volgende akoestische voorzieningen die in het kader van het Bouwbesluit moeten worden genomen.
Het Bouwbesluit verwijst voor de vaststelling van de karakteristieke geluidwering naar de NEN 5077 "geluidwering in gebouwen". Deze schrijft toetsing voor door middel van meting, dus na voltooien van het bouwwerk. Het ontwerp dient echter getoetst te worden bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Bij de berekeningen die hiervoor kunnen worden uitgevoerd kan gebruik worden gemaakt van de NPR 5272 welke rekenmethode aansluit bij de meetmethode NEN 5077.
Wanneer voor de geveldelen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld de bovenstaande reken- en meetmethode wordt toegepast, dan dient van de waarde in de tweede kolom te worden uitgegaan:
Alleen op de punten 5a tot en met 5d onstaat een groot verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en de gecumuleerde waarde. Dat komt doordat de weg hier over gaat van een ongezoneerd naar gezoneerd of andersom. In het kader van de Wet geluidhinder kan voor dit wegvak geen hogere waarde worden vastgesteld maar cumulatief moet hier (in het kader van een goede ruimtelijke ordening) wel rekening mee worden gehouden. De snelheid zal een gering positief effect op het geluid hebben, maar het is logisch dat hetzelfde voertuig dan nog steeds een geluidsbelasting op de gevel oplevert.
Appartementencomplex zuidzijde
Hetzelfde effect heeft dit zonevrij gedeelte van de Rijksstraatweg overigens ook op het noordelijke gevel van het zuidelijk gebouw en door het zonevrij gedeelte van de Westeromwei op de westgevel van het zuidelijk gebouw. De gecumuleerde waarden variëren daar van 58 dB tot 63 dB. Omdat ook dit zonevrije wegen zijn, worden voor deze gevels worden in het kader van de Wet geluidhinder geen hogere waardes vastgesteld. Toch is het gewenst hier ook meer geluidwering toe te passen.
Het treffen van geluidreducerende maatregelen is onvoldoende doeltreffend en niet wenselijk. Zo is de gehele kruising als plein met bestrating ingericht (opneembare elementenverharding) ten behoeve van de dorpse uitstraling en om kabels en andere ondergrondse infrastructuur bereikbaar te houden. Geluidsreducerend asfalt is hierdoor niet wenselijk en deze wegdekverharding is te kwetsbaar voor afremmend, wringend en optrekkend verkeer. Het weren van bepaald verkeer over dit wegvak zal weer tot grotere overlast op andere locaties leiden. Ook zijn geluidsschermen geen optie vanwege de korte afstand tot de weg en de hoogte van de gebouwen.
Conclusie
Nu hogere geluidswaarden worden vastgesteld zal in het kader van het Bouwbesluit vervolgonderzoek naar de gevelwering moeten worden gedaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor dat vervolgonderzoek te worden uitgegaan van de totale geluidsbelasting (exclusief aftrek volgens artikel 110g Wgh) van alle wegen gezamenlijk, waaronder ook de 30 km wegen. Dit betekent dat ook voor de appartementen waarvoor geen hogere waarde wordt vastgesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel dient te worden uitgegaan van een maximaal binnenniveau van 33 dB en de karakteristieke geluidwering te baseren op de totale geluidsbelasting van alle wegen gezamenlijk (bijlage 3.11 uit het akoestisch onderzoek).
3.6 Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die onstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering.
Door Tauw is in het verleden onderzoek gedaan naar de externe veiligheid in dit gebied in verband met de plannen voor woningbouw. Uit dit onderzoek is gebleken dat er een garage in de omgeving is met LPG. Uit de risico-analyse is gebleken dat het groepsrisico een klein beetje verhoogd maar dat het Groepsriscio ruim onder de oriëntatiewaarde (zelfs onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde) blijft. Op het gebied van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de gewenste uitbreiding.
Nieuwe feitelijke omstandigheid is, dat het tankstation geen LPG meer verkoopt. Op dit moment wordt hiervoor de milieu vergunde situatie aangepast. Planologisch heeft het bedrijf ook nog steeds de mogelijkheid om LPG te verkopen en het perceel heeft nog een LPG veiligheidszone. In dit bestemmingsplan is daarom nog steeds rekening gehouden met de milieutechnische en planologische mogelijkheid maar feitelijk doet zich het externe veiligheidsrisico niet meer voor.
3.7 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit vastgesteld. Een bestuursorgaan kan een besluit nemen, dat gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit, wanneer aan één of meer van de grondslagen wordt voldaan genoemd in de artikelen 5.16, lid 1 van de Wm. De concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) zijn maatgevend voor de beoordeling van de luchtkwaliteit.
In het "Besluit niet in betekende mate bijdragen" is bepaald dat een project niet in betekende mate kan bijdragen aan de luchtkwaliteit. Daarbij is de grens gesteld op een toename van de concentratie stikstofdioxide en fijnstof van maximaal 3% als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Het effect van de voorgenomen ontwikkeling van 32 woningen is berekend. Uit die berekening blijkt dat de realisatie van de woningen en de verkeersgeneratie onder de grens voor "Niet in betekende Mate bijdragen" blijft. Voor NO2 is de bijdrage 0,16 µg/m3 en voor PM10 bedraagt dit 0,04 µg/m3.
3.8 Spoortrilling
In het kader van het Tracébesluit Extra sneltrein Groningen-Leeuwarden is onderzoek gedaan naar trillingen ten gevolge van het spoorwegverkeer. Voor hinder in gebouwen is hiervoor de SBR-richtlijn B en de beleidsregel trillinghinder spoor (Bts) toegepast.
Er zijn meetpunten geselecteerd en er zijn metingen verricht en berekeningen uitgevoerd. Voor Hurdegaryp is de woning Reidlanswei 4 representatief. Deze woning bevindt zich op 32 meter afstand uit het spoor.
De afstand van het noordelijke appartementencomplex tot het spoor is gering groter (circa 6 meter) dan de afstand van de referentiewoning tot het spoor. De afstand van het zuidelijk appartementencomplex tot het spoor is aanmerkelijk groter. Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter wordt.
Bij het berekenen van de trilling ten gevolge van het spoor wordt onderscheid gemaakt in de Vmax (maximale trillingsterkte) en de Vper (periodiek trillingsniveau, d.w.z. een energetisch gemiddelde waarde over een beoordelingsperiode). Voor het representatieve meetpunt in Hurdegaryp bedraagt de Vmax na uitvoering van de ESGL 0,16. Vanwege de geringe intensiteit op het spoor is de Vper op basis van een worst case berekend waarbij gebruik is gemaakt van de hoogste Vmax op het gehele tracé van 0,22 voor een reizigerstrein en 0,37 voor een goederentrein. Uit deze berekening volgt een Vper van 0,08. Dat is voor de situatie in Hurdegaryp niet representatief.
Voor nieuwbouw gelden de streefwaarden uit de tabel hieronder:
![i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402024.jpg [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPVI-vg01_402024.jpg)
Op basis van het uitgevoerde trillingsonderzoek kan niet uitgesloten worden dat de Vmax (A1) hoger is dan 0,1 maar de Vmax (A2) zal altijd lager zijn dan 0,2. Omdat de Vper bij een reële input lager zal zijn dan 0,05 is het realistisch om te veronderstellen dat de streefwaarden uit de SBR-richtlijn B niet worden overschreden.
Zekerheidshalve is een voorwaardelijke verplichting tot nader onderzoek in de planregels opgenomen inhoudende dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van het noordelijke appartementencomplex uitsluitend is toegestaan wanneer uit een dynamische berekening van de trillingsterkte blijkt dat de streefwaarden voor Wonen (nieuwe situatie), zoals bedoeld in de Richtlijn deel B van de Stichting Bouwresearch niet zal worden overschreden. Daarnaast is een planregel opgenomen die het mogelijk maakt om in afwijking van deze voorwaardelijke verplichting het bouwen van het noordelijke appartementencomplex ook toe te staan op voorwaarde dat alle doelmatige en kosteneffectieve maatregelen om de trillingsterkte te verminderen worden getroffen en uit een dynamische berekening blijkt dat tenminste de streefwaarden voor Wonen in de bestaande situatie, zoals bedoeld in de Richtlijn deel B van de Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. Voor het zuidelijke appartementencomplex is deze voorwaardelijke bepaling niet nodig.
Hoofdstuk 4 Toelichting op de regels
4.1 Uitgangspunten
De SVBP 2012 schrijft voor dat de planregels in vier vaste hoofdstukken worden geplaatst, nl. de hoofstukken 'Inleidende regels', 'Bestemmingsregels', 'Algemene regels' en 'Overgangs- en slotregels'. Hieronder wordt per hoofdstuk ingegaan op de verschillende regels die daarin (kunnen) voorkomen.
4.2 Inleidende regels
In dit hoofdstuk worden allereerst de begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en die een nadere beschrijving nodig hebben. Enkele veel voorkomende standaardbegrippen liggen vast in de SVBP 2012 en moeten worden overgenomen. De overige begrippen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.
Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen. Enkele veel voorkomende standaardmeetbepalingen zijn op grond van de SVBP 2012 voorgeschreven en moeten worden overgenomen. De overige meetbepalingen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.
4.3 Bestemmingsregels
4.3.1 Algemeen
In dit hoofdstuk worden de verschillende bestemmingen vastgelegd. In de bestemmingsregel wordt omschreven waarvoor en, zo nodig, hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Bij de bestemmingen moet in de bestemmingsomschrijving aangegeven zijn welke functies toelaatbaar zijn. De bestemmingen kunnen worden onderverdeeld in enkel- en dubbelbestemmingen. De enkelbestemming regelt primair welke functies zijn toegestaan. Een dubbelbestemming kan alleen van toepassing zijn boven op één of meerdere enkelbestemmingen en kan extra functies toestaan danwel uitsluiten.
Voor de bestemmingsregels geldt op grond van de SVBP 2012 een vaste indeling. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouw- en gebruiksregels en regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, situering en aantal bouwlagen etc. van (hoofd)gebouwen en (bijbehorende) bouwwerken.
Bij een aantal bestemmingen is de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van bepaalde regels.
De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels).
Tenslotte bevatten de meeste bestemmingen regels om het bestemmingsplan te wijzigen. De wijzigingen kunnen betrekking hebben op een functiewijziging en/of op het veranderen van bouw- en/of gebruiksregels.
Voor de indeling van de enkel- en dubbelbestemmingen gelden de bindende hoofdgroepen uit de SVBP 2012. In de paragraaf hierna wordt per bestemming een toelichtinen.
4.3.2 Enkelbestemmingen
- Wonen - Woongebouw -
De gestapelde woningen c.q. appartementengebouwen zijn bestemd onder de bestemming wonen-woongebouw. De bouwhoogte mag maximaal 14 meter bedragen.
- Verkeer - Verblijf -
De gronden die deze bestemming hebben zijn met name de openbare straten met in hoofdzaak een functie voor bestemmingsverkeer maar hebben ook een verblijfsfunctie. Ondergeschikte groenvoorzieningen (bermen, overhoeken), water en parkeervoorzieningen vallen ook onder deze bestemming, evenals de bijbehorend bouwwerken (bergingen) op die locaties die van een specifieke functieaanduiding zijn voorzien.
-Groen-groenvoorziening -
Deze bestemming is gelegd op structuurbepalende groeneenheden binnen het plangebied. Ook water kan hier onderdeel van uitmaken.
4.3.3 Dubbelbestemmingen
- Waarde - Archeologie -
Deze dubbelbestemming is opgenomen op de locatie die op basis van het inventariserend Raap rapport 4068 is onderzocht en waarbij voor de in dit onderzoek genoemde advieszone 10 een archeologische verwachtingswaarde geldt. Omdat uit dit onderzoek bekend is op welke diepte deze archeologische waarden mogelijk kunnen worden aangetroffen, is voor werkzaamheden en werken die deze diepte overschrijden een vergunning nodig. Deze vergunning kan pas worden verleend wanneer met een vervolgonderzoek de archeologische waarden in kaart zijn gebracht.
4.4 Algemene regels
-Anti-dubbeltelregel -
Deze regel vloeit voort uit het Besluit ruimtelijke ordening en moet verplicht worden opgenomen in de bestemmingsplanregels. Het regelt dat grond niet twee keer mag worden meegerekend voor het toetsen van bouwplannen.
- Algemene bouwregels -
Hierin wordt geregeld dat via welstand nadere eisen aan de situering en maatvoering van bouwwerken kan worden gesteld. Tevens is hierin het bouwverbod opgenomen van windturbines.
- Algemene gebruiksregels -
Dit artikel bepaalt welke activiteiten in ieder geval in strijd met de diverse bestemmingen zijn. Deze algemene gebruiksverboden laten onverlet dat er ook nog specifieke gebruiksverboden in de bestemmingen zijn opgenomen.
-Algemene voorwaardelijke verplichting m.b.t. .parkeren-
Door een wijziging in de wetgeving kan voor bestemmingsplannen geen rekening meer worden gehouden met een gemeentelijke bouwverordening. Dit leidde ertoe dat wanneer het bestemmingsplan zelf geen parkeernormen bevat en het overgangsrecht niet langer van toepassing is, het niet mogelijk is dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan door de raad vastgestelde parkeernormen. Tot 1 juli 2018 was voorzien in een overgangssituatie voor bestemmingsplannen die uiterlijk 29 november 2014 waren vastgesteld. Dit betekent dat na 1 juli 2018 de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening hun (aanvullende) werking verliezen. Deze bepalingen kunnen vanaf dat moment dus niet meer dienen als vangnet om een aanvraag omgevingsvergunning aan te toetsen. Om die reden is het nodig om de parkeernormen op te nemen in bestemmingsplannen. Daartoe is dit artikel opgenomen en is aan de artikelen die algemene criteria bevatten het volgende criterium toevoegd: en mits er sprake is van: voldoende parkeergelegenheid welke in stand wordt gehouden, overeenkomstig de normen in de beleidsregels uit bijlage 2 van het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP). Als deze beleidsregels worden gewijzigd wordt met die wijziging rekening gehouden.
4.5 Overgangs- en slotregels
- Overgangsrecht -
Het Bro stelt de verplichting om het overgangsrecht uit het Bro op te nemen in het bestemmingsplan. Het overgangsrecht bestaat uit een specifieke regeling voor zowel het bouwen als het gebruiken.
- Slotregel -
In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.
5.1 Maatschappelijk
Het project Kansen in Kernen (KiK) gaat over het herinrichten van de voormalige provinciale weg in de bebouwde kom van zes dorpen: Feanwâlden, Burgum, Damwâld, De Falom (N356), Garyp (N913) en Hurdegaryp (N355). Na aanleg van De Centrale As rijdt het doorgaande verkeer niet meer door de kernen van de genoemde dorpen, maar er omheen. Dit biedt kansen. Kansen om de verkeersveiligheid en leefbaarheid van die zes dorpen te vergroten. Kansen om de huidige weg anders in te richten, socialer te maken, groener en stiller. De weg die soms jarenlang als scheidslijn door het dorp liep, kan nu weer een verbinding worden. Om dit soort kansen te kunnen benutten voeren de gemeenten Tytsjerksteradiel, Dantumadiel en de provincie Fryslân het project Kansen in Kernen uit.
Onderdeel van dit project is ook de herinrichting van het stationsgebied in Hurdegaryp geweest. De plannen om daar - als entree van het dorp - twee woongebouwen op te richten zijn aan het dorp gepresenteerd en met het dorp besproken.
Via de vooroverlegprocedure is het plan aan andere partijen waaronder It Wetterskip, de provincie en Prorail voorgelegd. Van dit inspraak- en overlegmoment is een notitie gemaakt welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De reactie van Prorail heeft geleid tot een nadere verdieping van deze toelichting op het onderdeel spoortrilling en er is een voorwaardelijke bepaling in de voorschriften opgenomen. De reactie van de provinicie heeft geleid tot het opnemen van een archeologische dubbelbestemming. Verder is de initiatiefnemer bekend met de reactie en deze zal moeten worden dat de bouw niet tot schade aan de kunstwerken leidt. Voor het overige zijn op het voorontwerp geen reacties ontvangen.
De formele procedure van het bestemmingsplan start met de terinzagelegging van het ontwerpplan, overeenkomstig 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht. Hiertoe wordt het plan gedurende zes weken ter visie gelegd, waarbij een ieder een zienswijze op het plan kan indienen.
Vanaf 24 maart 2022 heeft het ontwerpplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Er is een "voorwaardelijke" zienswijze door de provincie ingediend. De zienswijze heeft betrekking op de constructie van de onderdoorgang. De zienswijze is besproken en vastgesteld is, dat de bouw en de bouwmethode geen invloed heeft op de tunnelconstructie en dat er voldoende ruimte blijft om bij calamiteit werkzaamheden aan de tunnelbak uit te kunnen voeren. De zienswijze kan hiermee als niet geschreven worden beschouwd.
5.2 Economisch
In hoofdstuk 6 van de WRO zijn regels ten behoeve van de grondexploitatie opgenomen. Met de regels voor grondexploitatie heeft de gemeenteraad de regierol op het gebied van grondexploitatie en de mogelijkheden tot maximaal kostenverhaal.
Uitgangspunt is dat de gemeenteraad, voor gebieden waarin zich ontwikkelingen gaan voordoen, gehouden is om een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als het kostenverhaal voor de gemeente op een andere wijze is verzekerd.
dit bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die investeringen van overheidswege vergen. De economische uitvoerbaarheid van het plan is verzekerd omdat de exploitatiekosten van de locatie worden gedekt via de grondverkoop. Er is ook voor het overige geen twijfel aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. De bouw zal binnen de planperiode gerealiseerd worden. Een exploitatieplan is niet nodig omdat het verhaal van de kosten anderszins verzekerd is. De gemeenteraad zal dan ook gelijktijdig met het vaststellen van het bestemmingsplan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen.