wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Hurdegaryp, Rijksstraatweg 165 (uitbreiding bouwvlak)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0737.13BPIIWP06-vg01 |
| Plantype: | wijzigingsplan |
Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Hurdegaryp, Rijksstraatweg 165 (vergroten bouwvlak)
2020
NL.IMRO.0737.13BPIIWP06
Inhoudsopgave
Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Hurdegaryp, Rijksstraatweg 165 (vergroten bouwvlak)
2.2 Provinciaal beleid- en regelgeving
4.2 Straat- en bebouwingsbeeld
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Er is medewerking gevraagd aan een uitbreiding van het bouwvlak. De uitbreiding betreft appartementen voor intramurale verpleeghuiscapaciteit. De uitbreiding past binnen de capaciteit-berekening van Noorderbreedte met name ook vanuit verzoek Zorgkantoor extra intramurale capaciteit/productie te realiseren en het feit dat er wachtlijsten zijn maakt de keuze om acht appartementen toe te voegen. In de basis zijn deze te vergelijken met de kleinere appartementen die al op locatie Bennema State zitten.
1.2 Situatie
De huidige planologische situatie is hieronder weergegeven.
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is aandacht besteed aan het voor dit wijzigingsplan relevante beleid. In hoofdstuk 3 vindt een beoordeling van het project plaats. In hoofdstuk 4 is vervolgens aandacht besteed aan de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komen de juridisch-bestuurlijke aspecten aan bod. In hoofdstuk 6 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 2 Beleidskader
2.1 Inleiding
Het bestemmingsplan Hurdegaryp ligt ten grondslag aan voorliggend wijzigingsplan. In dit bestemmingsplan is aandacht besteed aan het relevante beleid.
2.2 Provinciaal beleid- en regelgeving
In het Streekplan Fryslân blijft de provincie inzetten op een concentratie van woningbouw in de stedelijke centra Leeuwarden, Drachten, Heerenveen, Sneek, Harlingen en Dokkum. Die stedelijke bundelingsgebieden moeten hun aandeel in de Friese woningtoename vergroten. Zowel kwantitatief als kwalitatief moet de grootste woningbouwinspanning in de stedelijke centra liggen. Hurdegaryp ligt in het bundelingsgebied Leeuwarden. In het bundelingsgebied wordt ontwikkelingsruimte geboden om de opgaven voor wonen, werken en voorzieningen te kunnen realiseren. De invulling van het bundelingsgebied is van provinciaal belang. In overleg met de verschillende gemeenten heeft de provincie in het Streekplan een aantal voorkeursrichtingen aangegeven. In grote lijnen is het beleid voor het bundelingsgebied Leeuwarden gericht op het verder benutten van de combinatie van de dynamiek van een grote stad en de kwaliteiten van het omringende landelijk gebied centraal. Hurdegaryp heeft binnen het bundelingsgebied de functie van ‘treinkern’. Daarmee blijft de functie van Hurdegaryp ten opzichte van het beleid zoals dat in het vorige Streekplan was geformuleerd gehandhaafd.
2.3 Gemeentelijk beleid
2.3.1 Woonvisie 2019 -2024
Het volgende wordt in de woonvisie ten aanzien van wonen met zorg benoemd.
Onze opgaven
Langer zelfstandig wonen
Vanuit het Rijk is jaren geleden een extramuraliseringsopgave gestart. Mensen met een lichte tot matige zorgvraag (vooral ouderen, maar ook mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek) komen niet meer in aanmerking voor een verpleeg- of verzorgingshuis en dienen langer zelfstandig te blijven wonen. Maar het langer zelfstandig wonen is ook een maatschappelijke trend. Veel ouderen en andere mensen met een zorgvraag willen zo lang mogelijk in hun vertrouwde woonomgeving blijven wonen. Iets wat door verbetering van de thuiszorg en de snelle ontwikkeling van allerlei domotica
in en om de woning ook steeds makkelijker wordt. Daarnaast worden vanaf 2021 de middelen voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang uitgekeerd aan alle gemeenten waardoor er een uitstroom van kwetsbare doelgroepen plaats zal vinden vanuit de intramurale instellingen (Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang) naar veelal (goedkopere) huurwoningen.
De vraag naar levensloopgeschikte woningen zal de komende jaren, als gevolg van de vergrijzing, verder toenemen. Op dit moment is slechts 10% van onze woningvoorraad als levensloopgeschikt te noemen. Wel is in potentie ongeveer een derde van de voorraad met enkele aanpassingen levensloopgeschikt te maken (slaapkamer/badkamer op begane grond realiseren, drempels wegnemen). Tytsjerksteradiel beschikt over relatief ruime woningen waardoor dergelijke aanpassingen ook qua ruimte in de woning mogelijk zijn. Daar staat tegenover dat een ruime woning ook veel onderhoud betekent. Zeker als deze woning ook over een ruime tuin beschikt.
Het is dan belangrijk dat vooral oudere woningbezitters tijdig na gaan denken over hun toekomstige woonsituatie; wil en kan ik in mijn huidige woning blijven wonen, ook als ik te maken krijg met fysieke beperkingen? In de praktijk zien we dat een groot deel van de oudere woningeigenaren hier nog niet mee bezig is. Daarnaast spelen ook financiële mogelijkheden een rol, net als bij het energetisch verbeteren van de woning. Woningbezitters hebben daarbij een afweging te maken tussen de kosten van een
(ingrijpende) verbouwing of een verandering in de maandelijkse woonlasten (bij verhuizing). Op het moment dat oudere woningbezitters de overstap maken van een (bijna afbetaalde) koop- naar een huurwoning kunnen de maandelijkse woonlasten aanzienlijk toenemen.
Het langer thuis wonen geldt ook voor mensen met een middelzware zorgvraag (voorheen ZZP 4). Als gevolg hiervan wordt de verzorgingshuiscapaciteit afgebouwd. Toch betreft het een doelgroep die in de praktijk vaak een te zware zorgvraag heeft om in een reguliere zelfstandige woning te (blijven) wonen. De vraag naar een soort tussenvorm (zelfstandig wonen maar met de beschutting/ondersteuning van een verzorgingshuis) neemt toe. Enige vorm van clustering is zowel voor zorgvragers (gevoel van veiligheid, beschutting) als eventuele zorgaanbieders daarbij wenselijk (ervaringen delen, ontlasting van de
zorgtaak).
Meer vraag intramuraal wonen, maar kortere verblijfsduur
Maar niet iedereen met een zorgvraag zal zelfstandig kunnen wonen. Mensen met een zware zorgindicatie blijven daarom aanspraak maken op een verpleeghuisplaats (bijvoorbeeld als het gaat om mensen met een zware vorm met dementie). Er is weliswaar een tendens dat mensen steeds gezonder gaan leven, maar in hoeverre deze trend de toenemende vergrijzing in evenwicht houdt als het gaat om de vraag naar intensieve zorg is nog afwachten. Maar dat er vraag zal blijven naar intramurale huisvesting staat vast. Wel is de verwachting dat de gemiddelde verblijfsduur in een verpleeghuis zal afnemen. Mensen stromen immers pas in als hun zorgvraag in een vergevorderd stadium zit.
Onze visie
Inzicht in behoefte langer zelfstandig wonen
Door de dubbele vergrijzing en het langer zelfstandig wonen verandert de woningbehoefte. De vraag naar levensloopgeschikte woningen en vormen van zelfstandig wonen met enige vorm van zorg zal toenemen. De exacte omvang van de vraag wordt momenteel in kaart gebracht vanuit de streekagenda Stad & Platteland, waarbij gemeente in de regio Noordwest, Noordoost en Leeuwarden/ stadsregio aangesloten zijn. De resultaten van dit onderzoek vormen voor ons het vertrekpunt voor de toekomstige woningopgave op het vlak van wonen met zorg (zowel voor de zelfstandige- als intramurale woonvormen). De vervolgstap is dat gemeente, corporaties, zorg- en welzijnspartijen intensiever met elkaar gaan samenwerken om de opgave rond het langer zelfstandig wonen (zowel qua huisvesting, ontmoetingsmogelijkheden, woonbegeleiding en het voorkomen van vereenzaming) te realiseren, waarbij gedacht kan worden aan het gezamenlijk creëren van ontmoetingsruimten waarvan uit ook zorg geboden wordt.
Hoofdstuk 3 Beoordeling
3.1 Project
Het wijzigingsplan heeft betrekking op een wijziging (vergroting) van het bouwvlak voor het perceel Rijksstraatweg 165 te Hurdegaryp.
3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid
Het bestemmingsplan Hurdegaryp beschikt over een wijzigingsbevoegdheid in die zin dat de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot, dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. de vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen, met dien verstande dat ten minste 25% van de oppervlakte van het bouwperceel onbebouwd blijft;
2. de afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal bedragen;
3. de geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
Uit een toetsing van het verzoek aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan komt het volgende naar voren.
Ad. 1. De vraag is om het bouwvlak met 550m² uit te breiden. Het bouwvlak is 12523m². 25% van het bouwvlak is 3130,75m². Het bouwperceel is 41772m². 25% van het bouwperceel is 10443m². Op basis van het criterium dient dus 10443m² van het bouwperceel onbebouwd te blijven.
Het bouwvlak wordt 12523m² + de gewenste uitbreiding 550m² =13073m²
Het bouwperceel 41772m² - het bouwvlak en de uitbreiding 13073m² = 28699m². Dit betekent dat er ruim meer dan de vereiste 10443m² van het bouwperceel onbebouwd blijft. Het verzoek past daarmee binnen het gestelde criterium.
Ad. 2. De afstand ten opzichte van de zijdelinkse perceelsgrens komt op ongeveer 5 meter.
Ad.3 Uit akoestisch onderzoek (zie bijlage 1) blijkt dat ten gevolge van het verkeer op de zoneplichtige wegen Rijksstraatweg en de provinciale weg N355 (Noarder-Omwei) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 45 dB. Hierbij wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarde uit artikel 82.1 van de Wgh.
3.3 Functionele inpasbaarheid
Het wijzigingsplan heeft niet betrekking op een functie wijziging maar op het vergroten van het bouwvlak. De vergroting van het bouwvlak is gesitueerd aan de achetrzijde van het pand. Met de uitbreiding komt de functie niet dichter bij andere functies zoals wonen of bedrijven. Gelet op het voorgaande achten wij de uitbreiding ook functioneel acceptabel.
3.4 Conclusie
Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het verzoek past ruimtelijk inpasbaar is.
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
4.1 Inleiding
De toetsingscriteria uit het bestemmingsplan Hurdegaryp schrijven voor dat een wijzigingsplan onderbouwd dient te worden ten aanzien van de omgevingsaspecten. Er dient aangetoond te worden dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden en de natuurwaarden. Verder moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit en de externe veiligheid. Daarnaast is het een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren.
4.2 Straat- en bebouwingsbeeld
De uitbreiding van het bouwvlak is gesitueerd aan de achterzijde van Bennema State en is vanaf de Rijkssraatweg of de Rondweg niet zichtbaar. Er wordt door de uitbreiding van het bouwvlak geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld.
4.6 Milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening en bescherming van de woon- en leefkwaliteit is het van belang om inzicht te krijgen in relevante milieuhinderaspecten. Milieuzonering is hiervoor een geschikt instrument. Het instrument bestaat uit het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende (bijvoorbeeld een agrarisch bedrijf) en milieugevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen). Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld scholen).
In de directe omgeving (minder dan 100 meter) komen geen (agrarische)bedrijven voor. De wijziging die met het voorliggende wijzigingsplan wordt doorgevoerd heeft dan ook geen invloed op de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. Andersom betekent dit ook dat er vanuit milieu oogpunt geen belemmering bestaat voor de uitbreiding van het wooncentrum.
4.11 Woonsituatie
De uitbreiding van het bouwvlak vindt aansluitend op het bestaande wooncentrum plaats. Wij vinden de woonsituatie zeer acceptabel.
4.5 Lanschappelijke waarden
In het Groenstructuurplan 1993 zijn het landschap, het netwerk van recreatieve terreinen (sport- en speelplaatsen) en de bomen beschreven als de bouwstenen van het openbaar groen. Dit betekent, dat waar mogelijk waardevolle landschapselementen (boomwallen, sloten, o.i.d.) worden opgenomen in de openbare ruimte en duurzaam worden behouden. Het landschap dient zoveel mogelijk als recreatieve uitloop van het openbaar groen. Groene routes dienen er naar toe te leiden of uit het landschap in het dorp doorgetrokken te worden. Bomen zijn de meest beeldbepalende groenvoorziening. Ze begeleiden de straten en andere openbare ruimtes. Ze worden zo veel mogelijk duurzaam behouden. Bij een
inbreiding waarbij openbaar groen bebouwd wordt dient als compensatie het omringende openbaar groen kwalitatief verbeterd te worden (besluit bij Evaluatie groenbeleid in 2002).
Met de gewenste uitbreiding hoeft geen groen in de vorm van bomen te worden opgeofferd.
4.4 Archeologie
Op grond van de Wet op Archeologische Monumentenzorg moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Gemeenten hebben sinds de inwerkingtreding van deze wet de verantwoordelijkheid om waardevolle archeologische locaties niet te (laten) verstoren. Belangrijk instrument is het op een juiste wijze opnemen van archeologie in bestemmingsplannen en de vergunningverlening. In de Verordening Romte is de verplichting opgenomen om archeologische waarden af te wegen in ruimtelijke plannen (art. 2.2.1).
Op grond van de Monumentenwet 1988 moeten gemeenten bij de vaststelling van een wijzigingsplan rekening houden met archeologische waarden en verwachtingen (art. 38a). In verband hiermee is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het plangebied is in verband met het voornemen van de bouw van een melkveestal door middel van bureauonderzoek onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden die door de voorgenomen bodemingrepen mogelijk worden bedreigd.
De provincie Fryslân heeft het initiatief genomen om, zoveel mogelijk in samenwerking met het rijk en de gemeenten, het bodemarchief zo goed mogelijk in kaart te brengen. Dit gebeurt op de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provincie dekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.
De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen.
Advies periode steentijd - bronstijd: Onderzoek bij grote ingrepen
Van deze gebieden wordt vermoed, op basis van eerder onderzoek dat eventuele aanwezige archeologische resten uit de steentijd al ernstig verstoord zijn. Voor de meeste kleine ingrepen is hier dan ook geen verder onderzoek noodzakelijk. Diepere sporen en vondsten kunnen evenwel nog intact zijn. Een uitzondering maken wij daarom voor zeer omvangrijke ingrepen van meer dan 2,5 hectare. Voor dergelijke grote ingrepen adviseert de provincie een karterend proefsleuvenonderzoek. Aanbevolen wordt om hiervoor contact op te nemen met de provinciaal archeoloog.
IJzertijd - Middeleeuwen: Karterend onderzoek 3
In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen.
Conclusie
Het bouwvlak wordt uitgebreid met 550m². Gelet op het voorgaande is nader archeologisch onderzoek dan ook niet nodig.
4.5 Natuur
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuw Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het voorziet in duidelijke en eenvouwdige regels ter bescherming van waardevolle natuur en in minder administratieve lasten.
Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet.
Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Dit betekent in de praktijk dat het gaat om het effect van de activiteiten op beschermde soorten. Als het werk zo kan worden ingericht dat er geen schade wordt toegebracht aan beschermde soorten, hoeft er vooraf niets geregeld te worden.
De uitbreiding van het bouwvlak is gesitueerd op een met gras begroeit stuk grond. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de uitbreiding van het wooncentrum op de betreffende locatie schade aan beschermde dieren of planten wordt gedaan, mede omdat er genoeg ruimte in de directe omgeving is voor dieren om te vluchten.
Stikstofdepositie
Uit berekeningen blijkt dat in bepaalde gevallen kan worden aangenomen dat er, op basis van het huidige model, wel of geen sprake zal zijn van meetbare effecten.
Met het berekeningsprogramma Aerius hebben wij een aantal berekeningen gemaakt. Deze berekeningen tonen aan dat het realiseren van 10 woningen op > 2 kilometer afstand er geen sprake is van meetbare effecten. Deze projecten kunnen dan ook worden voorgezet. Er is gerekend met 10 vrijstaande woningen, waarbij zowel de realisatie (plan) als gebruiksfase is meegenomen. Aangezien appartementen, rijwoningen of twee onder een kap een lager depositie veroorzaken is ook voor deze projecten duidelijk dat deze in ieder geval bij eenzelfde aantal (10) en afstand voortgezet kunnen worden. Nu het in dit geval gaat om de realisatie van 4 appartementen is het duidelijk dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
4.8 Luchtkwaliteit
In de Wet luchtkwaliteit (2007) zijn normen opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht. Deze normen hebben betrekking op de concentraties in de buitenlucht van een aantal luchtverontreinigende stoffen. Het betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Deze wetgeving vloeit voort uit normen voor luchtkwaliteit die door de Europese Unie zijn gesteld.
Om aan deze Europese normen te voldoen zijn in Nederland extra maatregelen nodig, met name voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De Nederlandse overheid heeft hiervoor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgesteld. Projecten die van dit NSL deel uit maken hoeven niet afzonderlijk aan de wettelijke normen te worden getoetst. De bouw van een nieuwe woning vormt geen NSL-project, zodat een afzonderlijke toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beginsel vereist is.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet worden aangetoond dat bij de uitvoering van dat plan:
de wettelijke grenswaarden voor de genoemde stoffen niet worden overschreden, dan wel
bij een beperkte toename van de concentratie van één of meer van de genoemde stoffen door een met het project samenhangende maatregel/effect de luchtkwaliteit per saldo verbetert, dan wel
het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.
Het betreft in deze gevallen projecten die geen deel uitmaken van het Nationaal Samenwerkingsprogramma ter bevordering van de luchtkwaliteit in Nederland. Aangetoond zal moeten worden dat de oprichting van de derde stal geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit in en rondom het projectgebied en of als gevolg daarvan een overschrijding van de in de wet opgenomen grenswaarden plaatsvindt. Gezien de actuele situatie in Nederland, is met name de beoordeling van fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) van belang. De overige in de wet genoemde stoffen zijn in verband met aard van de activiteiten niet relevant.
Het betreft hier een uitbreiding met 4 appartementen. De verkeersbewegingen die deze appartementen met zich meebrengt zijn zodanig beperkt dat deze de luchtkwaliteit ter plaatse nagenoeg niet beïnvloeden. Bovendien is de achtergrondsituatie van de luchtkwaliteit in Hurdegaryp en omgeving dusdanig dat deze ver beneden de wettelijke grenswaarden blijft.
4.9 Externe veiligheid
Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen), transportroutes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (thans de circulaire Risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en binnenkort het Besluit externe veiligheid trans-portroutes met bijbehorend Basisnet) en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen). De belangrijkste risicomaten zijn het plaatsgebonden risico (grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten) en het groepsrisico (oriëntatiewaarde, waar aan moet worden getoetst bij ontwikkelingen in het invloedsgebied).
Er zijn in de directe omgeving geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig of transportroutes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Externe veiligheid speelt daarmee, voor het onderhavige plan, geen rol.
4.10 Water
Het aspect water is afgewogen door middel van een watertoets. De watertoets is het proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is het waarborgen en het expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing nemen van alle waterhuishoudkundige doelstellingen. Door middel van de watertoets kunnen de initiatiefnemer en waterbeheerder, al tijdens de planontwikkeling, overeenstemming bereiken over water in het ruimtelijk plan. In de watertoets worden de waterhuishoudkundige consequenties van het ruimtelijk plan beoordeeld en geconcretiseerd in termen van "vasthouden, bergen en afvoeren" en "voorkomen, scheiden en zuiveren".
De watertoets resulteert in een waterparagraaf waarin is aangegeven met welke randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van water rekening dient te worden gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de afwegingen ten aanzien van water transparant.
Wetterskip Fryslân beschikt over de Leidraad Watertoets. Doel van de Leidraad Watertoets is dat in ruimtelijke plannen alle wateraspecten worden meegenomen, waarmee wordt voldaan aan de beleidsdoelstellingen van de thema's veilig, voldoende en schoon. Daarnaast zorgt de Leidraad Watertoets voor draagvlak van het wateradvies bij de gemeenten en voor een betere samenwerking tussen gemeenten en Wetterskip Fryslân tijdens het watertoetsproces. De leidraad geeft duidelijkheid over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van de onderwerpen die vanuit het oogpunt van water van belang zijn bij ruimtelijke plannen.
Voor het plan Rijksstraatweg 165 te Hurdegaryp is een watertoets aangevraagd op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die zijn opgegeven is bepaald dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan.
Toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m² in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. ![i_NL.IMRO.0737.13BPIIWP06-vg01_432002.png [image]](i_NL.IMRO.0737.13BPIIWP06-vg01_432002.png)
Ruimtelijke adaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese klimaatatlas : www.frieseklimaatatlas.nl
Conclusie
Om aan de watertoets te kunnen voldoen is met de aanvrager afgesproken dat er 10% van de uitbreidingsoppervlakte (=55m²) aan extra oppervlaktewater in de vorm van een uitbreiding van de aanwezige vijver of een nieuw te realiseren sloot wordt gerealiseerd.
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving
5.1 Algemeen
Op de locatie waar het nieuwe bouwvlak wordt gesitueerd is het bestemmingsplan Hurdegaryp 2010 van de gemeente Tytsjerksteradiel van kracht. Het plangebied heeft de volgende bestemming:
Wonen - Wooncentrum;
5.2 Verbeelding
Dit wijzigingsplan gaat vergezeld van een verbeelding. Deze verbeelding vervangt de in het vigerend bestemmingsplan Hurdegaryp 2010 opgenomen verbeelding voor deze locatie. Op de verbeelding is het nieuwe bouwperceel aangegeven. Voor de ondergrond van de plankaart is gebruik gemaakt van de meest actuele Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN), waar nodig aangevuld met de kadastrale kaart. Na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan Hurdegaryp 2010 .
5.3 Regels
Op het wijzigingsplan zijn de regels van het moederplan van toepassing. De bestemmingen die op dit wijzigingsplan van toepassing zijn, zijn in de regels opgenomen. Deze bevatten dezelfde bepalingen als de regels van het bestemmingsplan Hurdegaryp 2010.
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.
6.1 Economisch
De benodigde grond is in eigendom van de aanvrager. Tussen de aanvrager en gemeente zal, met inachtneming van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening, een overeenkomst worden gesloten met betrekking tot verhaal van eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en hoeft geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.
6.2 Maatschappelijk
Het wijzigingsplan wordt, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijze ingediend. Het plan is op 14 juni 2020 ongewijzgd vastgesteld.