Wijzigingsplan bestemmingsplan Oentsjerk 2012, Rengersweg 31
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0737.11BPIIIWP05-vg01 |
| Plantype: | wijzigingsplan |
Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Oentsjerk, Rengersweg 31
2022
IMRO.NL.0737.11BPIIIWP05
Inhoudsopgave
Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Oentsjerk, Rengersweg 31
Deel 5 Toelichting op de regels
18 Toelichting op de bestemmingen
Deel 1 Inleiding
1 Aanleiding
Er is medewerking gevraagd aan een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van het wijzigen van een bouwvlak (deels verplaatsen en vergroten). De eigenaar is van plan om opslagloodsen te realiseren op zijn terrein. Medewerking kan worden verleend via een wijziging ex. artikel 3.6 W.R.O. van het bestemmingsplan.
Daarnaast wordt ter correctie de bestemming van een oppervlak gewijzigd van "bedrijf - 2" naar "wonen - A1" en "Tuin". In het geldende bestemmingsplan heeft per abuis een strook grond van de buren van het aangrenzende perceel een bedrijfsbestemming. Deze grond hoort bij het woonperceel en zal hiermee overeenkomstig worden bestemd.
In hoofdstuk 2 wordt het planologische beleidskader geschetst op gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 3 vindt de beoordeling van het verzoek plaats. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 en 6 komen achtereenvolgens de juridische planopzet en de uitvoerbaarheid aan de orde.
Deel 2 Beleidskader
2 Gemeentelijk beleid
Aan het betreffende perceel is in het bestemmingsplan 'Oentsjerk' de bestemmingen 'Bedrijf - 2' toegekend. Verder rust er een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro op deze bestemming. Door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid kan het bestemmingsplan worden gewijzigd in de zin dat:
a. de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. de vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
h. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen - A1’ en ‘Tuin’, mits:
1. ter plaatse geen bedrijf meer wordt uitgeoefend;
2. ten hoogste 1 woning is toegestaan;
3. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
3 Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 22 november 2011 onder aanvaarding van een aantal moties door de Tweede Kamer aangenomen. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. 7 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 13 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen 2. Mainportontwikkeling Rotterdam 3. Kustfundament 4. Grote rivieren 5. Waddenzee en waddengebied 6. Defensie 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen 8. Elektriciteitsvoorziening 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen 10. Ecologische hoofdstructuur 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Met dit bestemmingsplan zijn geen rijksbelangen gemoeid.
4 Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Fryslân
De provincie Fryslân heeft in 2020 de omgevingsvisie Fryslân (de romte diele) vastgesteld. Met deze omgevingsvisie laat de provincie zien welke accenten zij in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Fryslân wil leggen. Zij wil brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Met de leefomgeving bedoelt de provincie: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er wonen, werken of te gast zijn.
De provincie biedt ontwikkelmogelijkheden voor wonen en werken, die tegelijkertijd bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Fryslân. Gemeenten en anderen krijgen de ruimte om de gewenste kwaliteiten te leveren: er wordt ‘romte foar kwaliteit’ geboden door de provincie.
De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor hoe Fryslân erbij ligt over tien, twintig of dertig jaar. Toch moeten er keuzes worden gemaakt en daarop worden gestuurd. De provincie stuurt op doelen en zo min mogelijk op regels. De provincie onderscheid doelen voor de bestaande kwaliteit van de leefomgeving én doelen voor de aanpak van vier nieuwe, urgente opgaven. Er staan negen principes in voor de manier van werken, principes die richting geven bij het maken van keuzes. Deze principes worden altijd in samenhang toegepast. Ze kunnen in verschillende situaties tot verschillende oplossingen leiden. Zo kan de provincie maatwerk bieden.
Met het wijzigingsplan wordt enkel de situering en grootte van het bouwvlak gewijzigd; de toegestane oppervlakte voor bedrijfsbebouwing neemt toe met 25%. Het hergebruik van de betreffende locatie voor nieuwe bedrijfsbebouwing past binnen het inhoudelijke principe van zuinig ruimtegebruik. Ook vindt er ter correctie een bestemmingsverandering plaats op het aangrenzende perceel van bedrijf - 2 naar Wonen - A1 en Tuin. Dit zijn bestemmingen die op het perceel al aanwezig zijn, er worden geen nieuwe bestemmingen toegevoegd.
Provinciale Verordening
De Verordening Romte Fryslân (2014) stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in nieuwe bestemmingsplannen. Geldend provincaal beleid is omgezet in algemeen geldende regels. Deze verordening is een integrale herziening van de vorige Verordening Romte uit 2011 op grond van nieuw provinciaal beleid inzake (intensieve) vehouderij, landschap en cultuur (Grutsk op 'e Romte) en weidevogels. Daarnaast heeft een tussentijdse evaluatie van het streekplan plaatsgevonden die van invloed is op de verordening. Ook op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) was een aanpassing van de verordening vereist.
Een ruimtelijk plan kan een uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein bevatten, indien dit wat betreft oppervlakte en invulling van bedrijfstypen in overeenstemming is met een bedrijventerreinplan, dat schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. In afwijking hiervan kan een ruimtelijk plan een uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein bevatten voor een of enkele bedrijven, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
er is sprake van een directe, concrete behoefte van bedrijven die naar aard en schaal passen bij aard en schaal van de overige kern, de bedrijfsconcentratiekern, het regionaal centrum of het stedelijk centrum.
aangetoond is dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand bedrijfsterrein of een in ontwikkeling zijnd bedrijfsterrein in de regio.
het totale ruimtebeslag van deze bedrijven in redelijke verhouding staat tot de schaal van de kern;
gewaarborgd is dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap.
Met dit plan wordt enkel de situering van het bestaande bouwvlak gewijzigd waarbij de oppervlakte met 25% toeneemt. Daarnaast is de correctie van bedrijf 2 naar wonen en tuin een bestaande situatie die historisch zo gegroeid is.
Er kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet in strijd is met de op 1 augustus 2014 in werking getreden provinciale “Verordening Romte Fryslân 2014” is opgesteld.
Deel 3 Beoordeling
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Groningen, waar Friesland deel vanuit maakt, is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;
de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
De Omgevingsagenda.
Voor Noord-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Friesland onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
De NOVI-gebieden.
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.
Conclusie
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de
voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
5 Bouwplan
![i_NL.IMRO.0737.11BPIIIWP05-vg01_432000.png [image]](i_NL.IMRO.0737.11BPIIIWP05-vg01_432000.png)
figuur 1 Bouwplan
Het bouwplan heeft betrekking op het vergroten en het verplaatsen van een bouwvlak ten behoeve van het bouwen van negen opslagloodsen. Het huidige bouwvlak bedraagt 420 m2 en zal worden vergroot met 25% naar 525 m2. Het bouwvlak is ten behoeve van de bouw van een opslagloods van 470 m2, welke later kan worden vergroot tot 525 m2.
Vanuit stedebouwkundig oogpunt blijft er sprake van een aanvaardbaar straat- en bebouwingsbeeld. Op de locatie zijn bedrijven tot en met categorie 2 mogelijk. Deze afweging is in het verleden bij het bestemmingsplan al gemaakt. De afstand van de nieuwe loods tot de woningen is voldoende (30 meter bij een rustige woonwijk en tot 10 meter in een gemengd gebied). Aan de woonsituatie in de omgeving wordt geen onevenredige afbreuk gedaan. Er is een milieukundig bodemonderzoek ingeleverd. Het perceel is nu ook al ingericht en heeft de uitstraling van een bedrijfsterrein. Wel zal gekeken worden naar enig begeleidend groen langs de Sanjesreed (bereidheid van de initiatiefnemer). Op het perceel zijn in het verleden geen archeologische waarden of natuurwaarden aangetroffen. Het gebruik van de uitrit op de Sanjesreed wordt iets intensiever maar dit doet geen onevenredige afbreuk aan de verkeersveiligheid. Dit is, na de verkoop van een deel van het perceel dat de ontsluiting op de Rengersweg heeft, ook de enige ontsluiting van dit perceel. Parkeren zal plaatsvinden op eigen erf. Aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden wordt geen onevenredige afbreuk gedaan.
6 Ruimtelijke inpasbaarheid
In het bestemmingsplan zijn de volgende criteria van toepassing bij de wijzigingsbevoegdheid:
1. straat- en bebouwingsbeeld;
2. de milieusituatie;
3. de woonsituatie;
4. de landschappelijke waarden;
5. de cultuurhistorische waarden;
6. de archeologische waarden;
7. de natuurwaarden;
8. de verkeersveiligheid;
9. de ontsluitingssituatie;
10. de parkeersituatie;
11. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Van de wijzigingsbevoegdheid wordt gebruik gemaakt om opslagloodsen mogelijk te maken van in totaal maximaal 525 m2. Het bestaandse bouwvlak wordt verplaatst en vergroot met 105 m2. Gelet op de ligging van het bouwvlak en de invulling van de kavel kan worden geconstateerd dat het plan zowel stedenbouwkundig als ruimtelijk inpasbaar is.
7 Functionele inpasbaarheid
Een loods met opslagunits past binnen het geldende bestemmingsplan en is daarmee op gemeentelijk beleid inpasbaar.
8 Conclusie
Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het verzoek past binnen het gemeentelijk beleid.
Deel 4 Omgevingsaspecten
Naast stedenbouwkundige uitgangspunten en bestaand ruimtelijk beleid dient er ook rekening te worden gehouden met de volgende omgevingsaspecten: ecologie, archeologie, bodemgesteldheid, water, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit. In dit hoofdstuk komen deze aspecten aan bod.
Milieuzonering
Ter bescherming van de leefkwaliteit is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Om die reden moet worden onderzocht of de opslagunits van invloed zijn op de (woon)functies in de directe omgeving. Op basis van de bestemming "Bedrijf - 2" en de functieaanduidingen 'bedrijf tot en met categorie 1' en 'bedrijf tot en met categorie 2' zijn bedrijven van categorie 1 en 2 toegestaan. Een categorie 1 bedrijf heeft een richtafstand van 10 meter en een categorie 2 bedrijf heeft een richtafstand van 30 meter.
Aan de westzijde van het plangebied, op het perceel Sanjesreed 2, is een woning gevestigd. Om deze gevoelige functie te beschermen wordt er een afstand van 30 meter gehanteerd vanaf een categorie 2 bedrijf. Vanaf 30 meter geldt de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'. In dit geval wordt er aan de woonsituatie in de omgeving geen onevenredige afbreuk gedaan, deze situatie is historisch zo gegroeid.
9 Ecologie
De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van wilde dier- en plantensoorten. In deze wet zijn de voormalige Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet opgenomen. De Wet Natuurbescherming staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het voorziet in duidelijke en eenvoudige regels ter bescherming van waardevolle ntuur en in minder administratieve lasten.
Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het insrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevinsgwet.
Het verzoek heeft betrekking op een wijziging van een bestaand bouwvlak. Met het oog hierop is nader ecologisch onderzoek niet nodig.
10 Archeologie
Een van de doelstellingen van het Verdrag van Malta is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Op grond van de Monumentenwet 1988 dient de gemeente bij het vaststellen van bestemmings- en wijzigingsplannen rekening te houden met archeologische waarden en verwachtingen.
Het wijzigingsplan heeft geen betrekking op een uitbreiding van de bouwmogelijkheden. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Voor de volledigheid hebben wij de FAMKE kaart geraadpleegd.
De FAMKE kaart geeft de volgende adviezen. Voor de periode IJzertijd - Middeleeuwen beveelt de provincie aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten. Voor de periode Steentijd - Bronstijd is nader onderzoek nodig bij ingrepen van meer dan 2,5 hectare.
Het oppervlakte van het bouwvlak wordt gewijzigd naar 525 m2. Gelet op de FAMKE kaart kan nader archeologisch onderzoek achterwege blijven.
11 Water
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen waarin wordt aangegeven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
In deze paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is een schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”.
Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.
Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het voorliggende plan via de Digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Verder overleg met Wetterskip Fryslan is niet nodig. Wetterskip Fryslan geeft een positief wateradvies.
De compensatieregeling (9%) is toegepast op de totale ontwikkeling van de bedrijfskavel. In dit plan hoeft er niet specifiek rekening te worden gehouden met de watertoets.
12 Geluid
In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Het voorliggende plan heeft geen betrekking op het realiseren van gevoelige functies. Er hoeft dan ook geen nader geluidsonderzoek plaats te vinden.
13 Externe veiligheid
De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Nieuw aan het veiligheidsbeleid is dat
de afwegingen ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden.
De provincie Fryslân heeft hiertoe een risicokaart vervaardigd, waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn weergegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. De op de risicokaart getoonde kwetsbare objecten zijn woningen, gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).
Kwetsbare objecten staan op de risicokaart omdat ze extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Daarnaast bestaat er een potentieel risico bij brand of instorting.
Vanuit het aspect externe veiligheid verwachten wij geen belemmeringen. In het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Ook valt het gebied niet onder een invloedsgebied van een risicobron. De risicokaart van de provincie Fryslân hebben wij ter onderbouwing van dit standpunt geraadpleegd.
14 Bodem
De beoogde locatie is bodemtechnisch een verdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniding. Op advies is er een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN5740. Het bodemonderzoek is in te zien in bijlage 1.
Uit het onderzoek blijken er geen verontreinigingen aanwezig zijn in de bodem.
15 Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
(NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor Luchtkwaliteit. Het NSL is in werking getreden op 1 augustus 2009. Voor Fryslân is geen regionaal samenwerkingsprogramma afgesproken. Grote projecten moeten dus wel getoetst worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de Regeling NIBM.
De regeling houdt in dat als er een verslechtering van de luchtkwaliteit van ten hoogste 3% of minder van de grenswaarde optreedt, het project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Voor de komende jaren wordt door Milieu en Natuur Planbureau een daling van de relevante achtergrondconcentraties van zowel PM10 als NO2 met circa 0,4 - 0,6 µg/m³ per jaar verwacht als gevolg van (internationaal) bronbeleid.
Indien de toename van het verkeer op de weg groter zou zijn dan ongeveer 700 mvt/etmaal kan de grens van 3% (een toename van 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) worden overschreden. Met het voorliggende plan is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarmee wordt dus aan de 3%-norm voldaan. Het plan kan dan ook worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan, gelet op het voorgaande, achterwege blijven.
16 Conclusie
De diverse omgevingsaspecten staan de gewenste ontwikkeling niet in de weg.
Deel 5 Toelichting op de regels
17 Algemeen
Het wijzigingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. De wijze waarop deze regeling juridisch is vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingen, zoals die in dit wijzigingsplan van toepassing zijn. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de planregels en op een digitale en analoge verbeelding. De analoge verbeelding en de planregels vormen één geheel en zijn niet afzonderlijk leesbaar.
De regels bevatten allereerst een bestemmingsomschrijving.
Per bestemming wordt uitgewerkt voor welke doelen of functies de gronden mogen worden benut. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouw- en gebruiksregels en regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, situering, aantal bouwlagen enzovoorts van gebouwen en bouwwerken.
De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels).
Tenslotte bevatten de meeste bestemmingen regels om het bestemmingsplan te wijzigen. Die wijzigingen kunnen betrekking hebben op een functiewijziging en/of op het veranderen van bouw- en/of gebruiksregels.
18 Toelichting op de bestemmingen
Bedrijf -2
Het perceel valt onder de bestemming 'Bedrijf - 2'. Binnen deze bestemming wordt voorzien in de mogelijkheid voor bedrijvigheid in bedrijfscategorieën tot en met 2.
De beoogde bebouwing is geconcontreerd in een bouwvlak met daarbinnen de functieaanduiding 'detailhandel volumineus' met de volgende maatvoering: maximum bebouwingspercentage van 100%, maximum bouwhoogte van 10 m en de maximum goothoogte van 5 m.
Wonen-A1
Bij de bestemming W-A1 gaat het om vrijstaande woningen. De plankaart vermeldt bouwvlakken, primair afgestemd op de aanwezige situatie, maar met zekere ontwikkelingsmogelijkheden binnen daarvoor aangegeven ruimte op de plankaart. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten (zie bijlage 2 van de voorschriften). Binnen de bestemmingen is een bepaalde mate van flexibiliteit mogelijk. Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kunnen Burgemeester en Wethouders besluiten de bestemming te wijzigingen in een andere bestemming (uit dezelfde lettercategorie). Tevens kunnen onder bepaalde voorwaarden wijzigingen worden uitgevoerd die betrekking hebben op de ligging en de omvang van een bouwvlak. Voor de woongebieden die vallen onder de aanduiding “wro-zone-wijzigingsgebied”, kunnen burgemeester en wethouders besluiten het wonen toe te staan dat de panden worden gebruikt voor bedrijven (categorie 1 en 2, zie bijlage 1 van de regels) of dienstverlenende bedrijven/ instellingen (indien voorzien van de aanduiding “dienstverlening”). Hiervoor gelden wel een aantal voorwaarden die in de regels zijn verwoord.
Tuin
Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde zijtuinen te beschermen, is daarvoor de afzonderlijke bestemming “Tuin “ opgenomen. Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Het oprichten van bebouwing binnen deze bestemming is niet toegestaan. Dit sluit aan op de gegroeide praktijk. Ter wille van een zekere flexibliteit mag een woonhuis binnen deze bestemming wel met een erker uitgebouwd worden. Ook de erfafscheidingen zijn hier lager: maximaal 1,00 m hoog voor de voorbouwgrens en achter die grens maximaal 2,00 m hoog.
Dubbelbestemming Leiding - water
In het plangebied komt een watertransportleiding voor. Deze is onder de dubbelbestemming “Leiding – Water” gebracht. Binnen deze bestemming is een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor o.a. graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper (kunnen) wortelen dan 30 cm. Verder mogen binnen deze leidingzone geen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.
Deel 6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.
19 Economisch
De wijziging wordt op verzoek van een private partij doorgevoerd. Realisatie vindt plaats binnen de randvoorwaarden die de gemeente onder meer met dit wijzigingsplan aangeeft.
Tussen de aanvrager en gemeente is, met inachtneming van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening, een overeenkomst worden gesloten met betrekking tot verhaal van eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en hoeft geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld. Hierbij merken wij nog op dat de kosten voor het voeren van een wijzigingsplanpocedure worden gedekt door de leges die door een wijzigingsplanprocedure door de initiatiefnemer moet worden betaald.
20 Maatschappelijk
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is Afdeling 3.4 Awb van toepassing. Het wijzigingsplan wordt, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, 6 weken ter inzage gelegd.