direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rijksstraatweg 62 Noardburgum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het hoofdgebouw van een monumentale kop-hals-rompboerderij (nummer 62 en 62a) is een keukenshowroom gevestigd, waarbij het voorste gedeelte dienst doet als bedrijfswoning. De bedrijfsactiviteiten worden in de toekomst beëindigd. Het is lastig om een dergelijk pand goed te onderhouden vanwege beperkingen in gebruiksfunctie die een dergelijk monument met zich meebrengt en vanwege de hoge financiële lasten. De eigenaar wil nu investeren in het pand door de boerderij (62 en 62A) te transformeren naar een reguliere woning. Door deze nieuwe invulling blijft het rijksmonument behouden.

Het voornemen is om van de kop-hals-rompboerderij (het hoofdgebouw bestaande uit een bedrijfswoning en de schuur) door middel van een interne verbouwing één woonhuis te maken. Het bijgebouw (nummer 62b) werd gebruikt als zorgwoning en zal eveneens worden gebruikt als reguliere woning. Het gewenste gebruik is in strijd met het nu geldende bestemmingsplan, omdat de woonfunctie binnen de bestemming 'Gemengd - 2'gekoppeld moet zijn aan een bedrijf. Het bedrijf is echter beëindigd.

Op de betreffende kavels is een gemengde bestemming (Gemengd - 2) van toepassing, waarbij de woonfunctie is gekoppeld aan bedrijvigheid. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de planologisch-juridische basis voor de realisatie van de interne verbouwing en het herbestemmen van kavels in kwestie van Gemengd - 2 naar Wonen. Met deze planologisch-juridische basis wordt beter recht gedaan aan het feitelijk gebruik.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft de kadastrale percelen 3123 en 3124 (sectie I van kadastrale gemeente Bergum) aan de Rijksstraatweg 62 te Noardburgum. Het ligt ten zuiden van de Rijksstraatweg en ten oosten van Autobedrijf Theo van der Heide. Aan de oostkant is een woning gesitueerd. Onderstaande figuren geven de ligging en begrenzing van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0001.png"

Figuur 1. Ligging Rijksstraatweg 62 ten opzichte van Noardburgum en omstreken (bron Kadastralekaart.com)

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0002.png"

Figuur 2. Plangebied Rijksstraatweg 62 (bron Kadastralekaart.com)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het 'Bestemmingplan Noardburgum e.o. 2015', dat is vastgesteld op 1 juni 2016. Het plangebied kent in dit plan de Enkelbestemming 'Gemengd - 2' met bouwaanduiding karakteristiek. Het noordelijke deel van het plangebied heeft een dubbelbestemming 'Leiding - Water'. In het zuidelijke deel van het plangebied is er de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0003.png"

Figuur 3. Huidige bestemming (bron ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na deze inleiding is in hoofdstuk twee het planvoornemen beschreven. In hoofdstuk drie geeft een beschrijving van het van toepassing zijnde beleid. In hoofdstuk vier wordt verslag gedaan van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die gelden vanuit de diverse planologische en milieukundige toetsingskaders. Hoofdstuk vijf is de juridische toelichting op het bestemmingsplan en hoofdstuk zes gaat in op zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

2.1 Huidige situatie

Het dorp Noardburgum is van oorsprong een heideontginningsdorp. Door verdichting langs de hoofdassen (Zevenhuisterweg en Rijksstraatweg) werd er langzamerhand een dorpskern gevormd. Langs de Rijksstraatweg is lintbebouwing aanwezig. Ten zuiden van deze weg is het bedrijventerrein “Swarte Mar” waar diverse bedrijven zijn gevestigd. Langs de hoofdassen Zevenhuisterweg en Rijksstraatweg zijn er oudere bebouwing en een beperkt aantal oudere bomen (voornamelijk rode beuken en soms eiken en linden) die in belangrijke mate het ruimtelijk beeld bepalen. De rijksmonumenten in Noardburgum staan aan de Rijksstraatweg, te weten: Rijkstraatweg 13 (pastorie), 15 (kerkgebouw, catechisatielokaal en begraafplaats) en 62 (kop-hals-rompboerderij). Laatstgenoemde betreft het plangebied.

In de huidige situatie is er op kavel 3124 een bedrijfswoning in het voorste gedeelte van de Kop-hals-rompboerderij gesitueerd. In het achterste gedeelte bevindt zich momenteel een keukenbedrijf. Het bijgebouw op kavel 3123 is momenteel een zorgwoning. In de praktijk wordt het plangebied in de huidige situatie dus al gebruikt voor uitsluitend wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0004.png"

Figuur 4. Vooraanzicht kop-hals-rompboerderij (bron Googlemaps.nl)

2.2 Toekomstige situatie

In de nieuwe situatie wordt de kop-hals-rompboerderij zodoende intern verbouwd zodat deze één woning vormt. De bedrijfswoning en het keukenbedrijf verliezen hun functie. Het bijgebouw verandert van zorgwoning naar woning. Zodoende bevinden zich uiteindelijk twee woningen in de bestaande gebouwen in het plangebied.

Het plangebied krijgt de bestemming 'Wonen' en 'Tuin'. De dubbelbestemming 'Leiding - Water' en 'Waarde - Archeologie' worden overgenomen van het moederplan. Daarnaast wordt ook een nieuwe dubbelbestemming toegevoegd: 'Waarde Archeologie 2' (>500 m2).
Tevens wordt het bouwvlak aangepast (verkleind) zodat deze de huidige bebouwing beter weergeeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0005.png" Figuur 5. Toekomstige planologische situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen van Nederland hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed.

Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in juni 2023 in werking treedt. De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied


De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win-situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt de rijksoverheid naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor het bepalen van de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan, nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringseis die in de SVIR is geïntroduceerd. In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het plangebied valt binnen de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven door de provincie Friesland.

Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. In een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1724) wordt de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking uiteengezet (overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking, gepubliceerd op 28 juni 2017).


Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de overzichtsuitspraak wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze op basis van het Bro is gedefinieerd. Dit bestemmingsplan voorziet per saldo in de toevoeging van twee reguliere woningen. Het planvoornemen is daarom niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoeft de laddertoets niet te worden doorlopen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan, moet er wel worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele'

Op 23 september 2020 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie beoogt de provincie richting te geven aan de activiteiten voor de komende jaren, door middel van het bepalen van doelen voor de bestaande kwaliteit van de leefomgeving en doelen voor de aanpak van de opgaven leefbaar, vitaal & bereikbaar, energietransitie, klimaat-adaptatie en het versterken van de biodiversiteit.

Voor het leefbaar en vitaal houden dienen er voldoende woningen, voorzieningen en bedrijvigheid te zijn en blijven. Daarnaast gaat hoofdstuk 5.5 in op het behoud van het Friese erfgoed. Waarbij het hergebruik van bestaande bebouwing en het versterken van omgevingskwaliteiten voorop staan; het toevoegen van enige nieuwe bebouwing is hieraan ondergeschikt. Doel is om vanuit ‘behoud door ontwikkeling’ te motiveren.

Met het onderhavige plan worden op de Rijksstraatweg 62 twee woningen planologisch mogelijk gemaakt. Dit draagt bij aan het leefbaar en vitaal houden van de omgeving. Ook krijgt de monumentale kop-hals-rompboerderij een nieuwe functie. Het behouden van het pand wordt hierdoor eenvoudiger. De functiewijziging draagt op deze wijze dan ook bij aan bij aan het behouden van het Rijksmonument.

Grutsk op 'e Romte (structuurvisie 2014)

Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 de structuurvisie “Grutsk op ‘e Romte” vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provinsje Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie 'Finster op Romte' (2010 - 2020)

In januari 2010 is de Structuurvisie 'Finster op Romte' door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie gaf de toekomstvisie weer van Tytsjerksteradiel tot het jaar 2020. Deze Structuurvisie is nog steeds van kracht, nu de nieuwe visie, te weten de Omgevingsvisie Tytsjerksteradiel 2021-2050, nog niet in werking is getreden.


Woonvisie Gemeente Tytsjerksteradiel 2019-2024 (vastgesteld juli 2019)

De Woonvisie is een visiedocument dat naast de wettelijke basis voor prestatie afspraken ook als basis dient voor o.a. de duurzaamheidsagenda, de woningbouwprogrammering (die separaat wordt vastgesteld door het college) en de Omgevingsvisie. Daarnaast ligt de Woonvisie ten grondslag aan het afwegingskader waarmee ruimtelijke initiatieven getoetst worden op behoefte en kwaliteit.

De Woonvisie geeft vijf speerpunten voor de komende jaren, te weten;

  • 1. Investeren in onze bestaande voorraad
  • 2. Zorgvuldige inzet op nieuwbouw
  • 3. Voldoende betaalbare en beschikbare sociale huurwoningen
  • 4. Wonen met zorg
  • 5. Streven naar leefbare dorpen

De functiewijziging van de boerderij en het bijgebouw naar wonen draagt bij aan punt één van de vijf speerpunten; investeren de bestaande voorraad woningen. Zodoende sluit deze ontwikkeling aan op de woonvisie. In de gemeentelijke woonvisie is opgenomen dat er ruimte moet zijn voor een transformatie opgave, het omzetten van panden met een andere functie naar wonen. Hierdoor kan leegstand of rotte kiezen binnen de kernen worden voorkomen. Inzet is ook om woningbouw te realiseren binnen de kernen of waar dit niet mogelijk is, aansluitend aan de kernen. Voorgenomen initiatief voldoet aan zowel deze transformatieopgave als het invullen van de kernen in tegenstelling tot uitbreiding van kernen.

Welstandsnota Tytsjerksteradiel
De gemeente legt de eisen van welstand vast. Deze eisen gaan over:

  • de eigenschappen van de bestaande bebouwing;
  • de openbare ruimte;
  • het landschap;
  • de stedenbouwkundige situatie;
  • massa, structuur, maat en schaal.


Over het plangebied meldt de Welstandsnota het volgende:

Hurdegaryp en Noardburgum

Kenmerkend voor de lintbebouwing langs de Rijksstraatweg is de zeer grote afwisseling in de bebouwing. In Hurdegaryp komen zowel boerderijen, monumentale woonhuizen, statige vooroorlogse villa’s als kleine (arbeiders)woningen voor. In Noardburgum is de bebouwing over het algemeen iets meer bescheiden. Diverse bouwstijlen en bouwperioden komen voor. Veel van de bebouwing heeft een voornaam voorkomen.

Hoofdstuk 4 Omgevingstoets

4.1 Bodem

Wettelijk kader
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval. Voor te ontgraven en eventueel buiten een projectgebied af te voeren gronden kan op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) een milieuhygiënische verklaring van de gronden noodzakelijk zijn (en deze is met bodemonderzoek te verkrijgen). Dit is echter sterk afhankelijk van de toepassingslocatie.

Toetsing

Voorliggend bestemmingsplan voorziet het plangebied in een functiewijziging van 'Gemengd - 2' naar 'Wonen'. 'Wonen' is een gevoelige functie. Op grond van de huidige bestemming is er al een (bedrijfs-)woning en een woon-zorgfunctie toegestaan. Feitelijk kan er dus al gewoond worden. Er is geen sprake van verandering van gebruik in de toekomst ten opzichte van de huidige situatie, behalve dat de bedrijfsactiviteiten van het zullen bedrijf in de toekomst worden gestaakt. Indien er geen grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden kan bodemonderzoek achterwege blijven. De ontwikkeling betreft een interne verbouwing. Er vinden geen nieuwe graafwerkzaamheden plaats.

Het zogeheten Bodemloket van Rijkswaterstaat biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die zijn uitgevoerd en over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Uit raadpleging van het Bodemloket blijkt het niet aannemelijk is dat de gronden door het huidige gebruik verontreinigd zijn. Er is geen sprake van een verdachte locatie.

Conclusie

Met het beoogde toekomstige gebruik worden geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van

het plan met betrekking tot het aspect bodem.

4.2 Ecologie

Wettelijk kader

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Per 01-01-2017 is hiertoe de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht.

Soortenbescherming

Het planvoornemen betreft een functiewijziging gekoppeld aan een interne verbouwing van een rijksmonument. Er worden geen bomen gekapt of struiken gesnoeid. Er zijn geen bouwwerkzaamheden voorzien buiten de gebouwen of aan het het exterieur van de gebouwen. Gezien de aard en omvang van uit te voeren werkzaamheden mag worden aangenomen dat er geen verstoring van beschermde soorten zal plaatsvinden.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een in het kader van de Wnb beschermd gebied en heeft geen ecologische relatie met beschermde gebieden. Gezien de aard van de ontwikkeling, de terreinomstandigheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, kunnen negatieve effecten op in het kader van de Wnb beschermde natuurgebieden op voorhand worden uitgesloten. De ontwikkeling betreft een interne verbouwing en vindt plaats op ruime afstand van het NNN en weidevogelgebieden, waardoor hierop eveneens geen negatieve effecten te verwachten zijn. Een AERIUS-berekening voor het bepalen van stikstofdepositie is niet noodzakelijk, omdat de interne verbouwing nauwelijks gepaard zal gaan met extra emissie van stikstofverbindingen (NOX en NH3) en het plangebied op ruime afstand van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied ligt. Daarbij wordt er geen verkeerstoename verwacht. Een extern effect als gevolg van stikstof kan worden uitgesloten.

Een vergunning van de Wnb op grond van de Wnb voor gebieden is niet nodig voor de beoogde activiteiten.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.3 Erfgoed

Wettelijk kader archeologie

Op grond van de Wet op Archeologische Monumentenzorg moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Gemeenten hebben sinds de inwerkingtreding van deze wet de verantwoordelijkheid om waardevolle archeologische locaties niet te (laten) verstoren. Belangrijk instrument is het op een juiste wijze opnemen van archeologie in bestemmingsplannen en de vergunningverlening. In de Verordening Romte is de verplichting opgenomen om archeologische waarden af te wegen in ruimtelijke plannen (art. 2.2.1).

Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en het Bro moeten gemeenten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met archeologische waarden en verwachtingen. De provincie Fryslân heeft het initiatief genomen om, zoveel mogelijk in samenwerking met het rijk en de gemeenten, het bodemarchief zo goed mogelijk in kaart te brengen. Dit gebeurt op de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra.

De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provinciedekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.

De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen. In de volgende paragrafen volgt een beschrijving van de adviezen van de FAMKE voor het plangebied.

Advies IJzertijd - Middeleeuwen: Karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen.

Advies periode steentijd - bronstijd: voor deze periode worden voor het plangebied drie verschillende adviezen gegeven: Karterend onderzoek 3 steentijd (geel), Waarderend onderzoek dobbe (blauw) en Waarderend onderzoek vuursteenvindplaats (lila). Zie figuur 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0006.png"

Figuur 6 Archeologische Kaart - Steentijd-bronstijd (bron: FAMKE)

In gebieden met het advies karterend onderzoek 3 (geel in figuur 6) kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. Voor de gebieden met het advies 'onderzoek bij grote ingrepen' wordt, op basis van eerder onderzoek, vermoed dat eventuele aanwezige archeologische resten uit de steentijd al ernstig verstoord zijn. Voor de meeste kleine ingrepen is hier dan ook geen verder onderzoek noodzakelijk. Diepere sporen en vondsten kunnen evenwel nog intact zijn. Voor zeer omvangrijke ingrepen van meer dan 2,5 hectare dient er dan ook een onderzoek plaats te vinden.

De aanduiding waarderend onderzoek dobbe (blauw in figuur 6) wordt op de steentijdkaart gegeven aan de nu bekende dobben en de directe zone daaromheen. Dobben (pingoruïnes en soms ook vennen) en de directe omgeving daarvan kunnen namelijk belangrijke archeologisch en paleobotanische resten herbergen. Echter, niet alle dobben zijn pingoruïnes of vennen. Daarbij komt dat niet alle pingoruïnes of vennen en/of hun nabije omgeving in vroeger tijden bewoond. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 500m² deze dobben te laten onderzoeken door middel van een archeologisch waarderend onderzoek. Dit waarderend onderzoek kan inzicht geven in de aard van de dobbe en de behoudenswaardigheid van eventueel aangetroffen archeologische resten.

De aanduiding waarderend onderzoek vuursteenvindplaatsen betreft reeds bekende vuursteenvindplaatsen (lila in figuur 6). Een gedeelte hiervan is mogelijk al verstoord. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 50m² deze vindplaatsen middels een waarderend archeologisch onderzoek te onderzoeken. De resultaten van dit onderzoek, dat zich vooral moet richten op de waarde en de begrenzing van de vindplaats, kunnen inzicht geven in de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Tevens kunnen zij inzicht geven in de noodzaak om de vindplaatsen te bestempelen als ‘archeologisch waardevol', door de vindplaatsen op te nemen in het bestemmingsplan als: archeologisch waardevol terrein, waarbij in de doeleindenomschrijving wordt gestreefd naar behoud van archeologische waarden op dat terrein. De resultaten van het onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.


Toetsing

De oppervlakte van de gronden die zullen worden aangewezen voor de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' is groter dan 5.000 m². Echter worden er met de functiewijziging geen graafwerkzaamheden of bouwwerkzaamheden verricht. Het plan maakt een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing mogelijk. Gelet op het voorgaande is nader archeologisch onderzoek dan ook geen vereiste.

Conclusie

Wat betreft het aspect archeologie is er geen belemmering voor het project.

Wettelijk kader cultuurhistorie

Het Rijk beschermt rijksmonumenten met algemene regels die het beschadigen, vernielen en verwaarlozen van rijksmonumenten verbieden. Verder zijn activiteiten met betrekking tot een rijksmonument alleen mogelijk met een omgevingsvergunning. De gemeente en de minister mogen de omgevingsvergunning alleen verlenen als de initiatiefnemer voldoende rekening houdt met het belang van de monumentenzorg. De vergunningverlener moet hierbij rekening houden met de volgende uitgangspunten, die ook in internationale verdragen zijn vastgelegd:

  • Het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten.
  • Het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten.
  • Het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door het wijzigen van die monumenten. Hierbij moet de vergunningverlener rekening houden met de monumentale waarden.
  • Het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
    Dit gebeurt bij voorkeur op dezelfde plek (in situ) en zonder verstoring.

Toetsing

Het pand betreft een rijksmonument. Het gaat om monumentnummer 35656 uit het monumentenregister (zie figuur 7). De boerderij wordt als volgt omschreven: Kop-hals-rompboerderij waarvan het voorhuis (met zesruitsvensters) uit de zestiger jaren van de 19e eeuw bewaard is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0007.png"

Figuur 7 Cultuurhistorische kaart Fryslân.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0008.png"

Figuur 8 vooraanzicht Kop-hals-rompboerderij

De boerderij bestaat tot op heden uit een bedrijfswoning, zorgwoning (bijgebouw) en keukenshowroom (schuurgedeelte). De bedrijfsactiviteiten van de keukenshowroom zullen worden beëindigd. Het planvoornemen is dit gedeelte gezamenlijk met de bedrijfswoning te transformeren naar één reguliere woning. De zorgwoning wordt eveneens tot een reguliere woning getransformeerd. Door deze transformaties behoudt met name het schuurgedeelte van het pand een gebruiksfunctie. Door deze nieuwe invulling blijft het rijksmonument behouden.

Conclusie:

Het project zorgt voor behoud van het rijksmonument, voor het aspect cultuurhistorie is er geen belemmering.

4.4 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan verschillende risico-ontvangers en risicobronnen aangegeven.

Toetsing

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, zie figuur 9.

afbeelding "i_NL.IMRO.0737.01BPXXII-VG01_0009.png"

Figuur 9. Overzichtskaart risicobronnen.

In de omgeving van het projectgebied zijn geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig. De aardgasleiding ten noordoosten van de boerderij bevind zich op dusdanige afstand (1,1 km) dat deze geen invloed op de externe veiligheid in het plangebied heeft. Tevens maakt de voorgenomen ontwikkeling geen risicoveroorzakende inrichtingen mogelijk.

Conclusie

Het project is wat betreft het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

4.5 Wet geluidhinder

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidshinder. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidshinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. De Wgh bepaalt dat de geluidsbelasting op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen. De volgende paragrafen betreffen daarom alleen het wegverkeer- en industrielawaai.

Toetsing wegverkeerslawaai

Op 1 november 2022 is door GeluidMeesters BV akoestisch onderzoek uitgevoerd, kenmerk 0589-R-22-A (bijlage 1). Het project betreft een geluidgevoelige functie. De locatie is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Rijksstraatweg (N355) en de Swarte Mar. Op de parallelwegen van de Rijksstraatweg is uitsluitend sprake van bestemmingsverkeer (aanwonenden). De intensiteit is daardoor veel lager dan de intensiteit op de doorgaande Rijksstraatweg (N355) en daarmee vanuit akoestisch oogpunt niet relevant en niet nader beschouwd.

Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Swarte Mar, op alle beoordelingspunten, voldoet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Voor dit wegvak zijn er dan ook geen akoestische belemmeringen geconstateerd. Op zowel de uitbreiding van de bestaande woning als de extra woning is de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Rijksstraatweg lager dan wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden waardoor er geen akoestische belemmering is. Op de bestaande om te zetten (bedrijfs)woning wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden als gevolg van het verkeer op de Rijksstraatweg wel overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden wordt niet overschreden. Op basis van de volgende argumenten wordt het bevoegd gezag verzocht een hogere waarde van 55 dB Lden vast te stellen:

- Bronmaatregelen.

Het toepassen van een type asfalt met een hogere geluidreducerende werking zal onvoldoende effect sorteren om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren. Tevens is een dergelijk maatregel voor één woning vanuit financieel oogpunt niet doelmatig. Het beperken van de rijsnelheid of het terugdringen van de verkeersintensiteiten zal vanuit het oogpunt van het functioneren van het wegennet niet wenselijk zijn.

- Overdrachtsmaatregelen.

Een geluidscherm/grondwal om de geluidbelasting te reduceren is, gelet op de ligging, niet wenselijk. Omdat het een bestaande woning betreft is het verschuiven, en daarmee vergroten van de afstand tussen de weg (geluidbron) en de woning, geen optie.

- Cumulatie.

Er is geen sprake van andere relevante geluidbronnen waardoor cumulatie niet aan de orde is.

Een hogere waarde kan op basis van het voorgaande worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Een ontwerpbeschikking voor dit besluit hogere waarde Wet geluidhinder is als bijlage bij de toelichting opgenomen (Bijlage 3).

Toetsing industrielawaai

Door de ruimtelijke wijziging mag het naastgelegen bedrijfsperceel aan de Swarte Mar, waar momenteel het garagebedrijf Theo van de Heide is gevestigd, niet worden beperkt in haar akoestische mogelijkheden. Bovendien dient ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake te zijn van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.


Uit de resultaten blijkt dat op de richtafstand van 30 meter, behorende bij de maximaal toelaatbare milieucategorie 2, exact aan de richtwaarden wordt voldaan. Daarmee is met de ingevoerde geluidbronnen de maximaal planologisch ruimte volledig benut en wordt het naastgelegen bedrijfsperceel aan de Swarte Mar niet beperkt. Op de nieuwe woonbestemmingen wordt, met de maximaal planologische ruimte, voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Daarmee kan worden gesteld dat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen, ten aanzien van het nabijgelegen bedrijfsperceel, sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.

Conclusie

Op de bestaande om te zetten (bedrijfs)woning wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden als gevolg van het verkeer op de Rijksstraatweg overschreden. Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Het bevoegd gezag wordt dan ook verzocht een hogere waarde van 55 dB Lden vast te stellen. De overige onderzochte wegen zorgen niet voor een belemmering op het gebied van verkeerslawaai.


Betreffende industrielawaai: Op de nieuwe woonbestemming wordt, met de maximale planologische ruimte, voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Daarmee kan worden gesteld dat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.

Ten aanzien van geluidhinder mag het project uitvoerbaar worden geacht, mits het bevoegd gezag een hogere waarde van 55 dB Lden vaststelt.

4.6 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Voor een ruimtelijk project geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een projectvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

Toetsing en conclusie

Op het eigen erf is voldoende gelegenheid om te parkeren. De functiewijziging heeft bovendien geen significante toename van de verkeersgeneratie als gevolg. Daarmee kan in ruime mate worden voldaan aan de parkeernormen en vormt verkeer en parkeren geen belemmering voor de functiewijziging.

4.7 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit bevat landelijke regionale en lokale maatregelen om te kunnen voldoen aan de normen zoals gesteld in de wet.

Wanneer een project 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ug/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.507 auto’s, dan wel 160 vrachtwagens per weekdagetmaal (grenswaarden per 31-08-2020).

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling blijft met twee reguliere woningen ruimschoots onder bovengenoemde grens en is dan ook te beschouwen als nibm-project.

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

4.8 Water

Wettelijk kader

Vanwege het belang van het water in de ruimtelijke ordening, moet bij ruimtelijke plannen worden aangegeven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De verplichting hiertoe vloeit voort uit het bepaalde hieromtrent in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterschappen moeten daarom in een vroeg stadium betrokken worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Toetsing

Op 11 januari 2023 is een digitale watertoets verricht (zie bijlage 1). Daaruit blijkt dat er geen waterschapsbelang is. Omdat er geen verhard oppervlakte bijkomt is er ook geen compensatie voor nieuw oppervlaktewater noodzakelijk.

Conclusie

Er kan worden geconstateerd dat de inhoud van het wateradvies geen aanleiding vormt tot aanpassing van de planregels/ -verbeelding en dat de uitkomst van de watertoets de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.9 Kabels en leidingen

Het is van belang dat de ligging van kabels en leidingen planologisch wordt veiliggesteld. Ook dient het tracé van kabels en leidingen gevrijwaard te blijven van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen en activiteiten die van negatieve invloed kunnen zijn op de functionaliteit van deze kabels en leidingen.

Toetsing

In het noordelijke gedeelte van het plangebied bevindt zich de dubbelbestemming Leiding - Water. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen van het moederplan. Hiermee wordt geborgd dat hier niet zonder meer graaf- en bouwwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd en worden hieraan nadere eisen gesteld.

Conclusie

Het project kan wat betreft het aspect kabels en leidingen uitvoerbaar worden geacht.

4.10 Milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een vorm van m.e.r.-verplichting geldt. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie situaties. Ten eerste zijn activiteiten benoemd waarvoor het maken van een milieueffectrapportage verplicht is en waarvoor altijd een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht). In bijlage C van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-plicht geldt.


Ten tweede zijn activiteiten benoemd waarvoor het bevoegd gezag nader moet beoordelen of een m.e.r.-procedure wel of niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Hierbij zijn per type activiteiten drempelwaarden opgenomen.

Ten derde moet voor ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven zoals genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r, wel beoordeeld worden of de geplande activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben (vormvrije m.e.r.-beoordeling). Voor deze motivering/toets wordt een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling geschreven. Uit de aanmeldnotitie kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Voor activiteiten die niet zijn opgenomen in de bijlagen C en D van het Besluit m.e.r geldt geen vorm van een m.e.r. verplichting.

Onderzoek

De activiteit die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, sluit het beste aan bij onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D 11.2 betreft: 'uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden behorende bij deze categorie worden echter niet overschreden (oppervlakte van 200 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Van belang is echter of het voornemen daadwerkelijk als stedelijk ontwikkelingsproject kan worden aangemerkt. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is niet gedefinieerd in het Besluit m.er. In de toelichting op het Besluit m.e.r zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.

In recente uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1879) overweegt de afdeling dat hetgeen in het plan is voorzien gelet op de aard en de omvang ervan, niet kan worden aangemerkt als stedelijke ontwikkelingsproject. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel. In deze uitspraak ging het om de realisatie van twee woningen.

Met voorliggend voornemen worden twee woningen mogelijk gemaakt. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied van Noardburgum. De kenmerken van de omgeving, de huidige inrichting en gebruik maken dat de bebouwing en het gebruik niet zijn aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde. Vanwege de ligging in de bebouwde kom en de afstand tot natuurgebieden zijn negatieve effecten op het milieu niet te verwachten. Dit blijkt eveneens uit de verantwoording van de omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen.

Conclusie 

Het planvoornemen leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen en is wat betreft het Besluit m.e.r. uitvoerbaar.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.


SVBP2012

De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.


Analoog vs. digitaal bestemmingsplan

De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.

5.2 Toelichting op de regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:


Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.


Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels

In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming.

  • Bouwregels

De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.

  • Afwijken van de bouwregels

Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming.

  • Specifieke gebruiksregels

Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend.

  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Door deze regel is de verplichting opgelegd om bij het uitvoeren van bepaald werk, geen bouwwerk zijnde of bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning aan te vragen. Op deze vergunningplicht kunnen uitzonderingen worden geformuleerd. Daarnaast zijn er toetsingscriteria gesteld dan wel is aangegeven wanneer het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden toelaatbaar zijn.

  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

Met deze regel is verplichting opgelegd om voor het slopen van een bouwwerk een omgevingsvergunning aan te vragen. Op deze vergunningplicht zijn een aantal uitzonderingen geformuleerd en de toetsingscriteria zijn benoemd.


Hoofdstuk 3 - Algemene regels

In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot bouwen en gebuiken uitgewerkt.


Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels

Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.

5.3 Toelichting op de bestemmingen

Tuin

De voortuin en de gronden langs de verkeersbestemming zijn voorzien van de bestemming 'Tuin'. Deze gronden mogen als hoofdfuncties worden gebruikt als tuin en voor erkers en voorportalen. Voor deze erkers en voorportalen en voor de bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals erf- en terreinafscheidingen gelden bouwregels. Er geldt een binnenplanse afwijkmogelijkheid voor het bouwen van een tuinhuisje, prieeltje of een ander vergelijkbaar gebouw.

Wonen

De voormalige boerderij en de huidige zorgwoning zijn beide bestemd als 'Wonen'. De regels behorende bij de bestemming Wonen - A7 uit het geldende bestemmingplan 'Noardburgum e.o. 2015' vormen de richtlijn voor de regels van de bestemming Wonen. Die bestemming heeft namelijk betrekking op boerderijtypen zoals de desbetreffende woningen. Voor beide woningen geldt de aanduiding 'karakteristiek' wat tot gevolg heeft dat de bestaande karakteristieke hoofdvorm is stand moet worden gehouden en dat er alleen mag worden gesloopt mits er een omgevingsvergunning is verleend. Met maximum aantal woningen is 2. Verder gelden er regels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en het herstelen, verbouwen of vervangen van bestaande bijbehorende bouwwerken. Daarnaast zijn er maximale bouwhoogtes opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er gelden twee binnenplanse afwijkmogelijkheden:

  • voor het vergroten van de toegestane maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken; en
  • voor de maximale oppervlakte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk.

Een beroep- of bedrijf aan huis is onder voorwaarden toegestaan.

Dubbelbetemming Leiding - Water

De dubbelbestemming Leiding - Water geldt ter plaatse van de watertransportleiding. Binnen deze bestemming is een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor o.a. graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper (kunnen) wortelen dan 30 cm. Verder mogen binnen deze leidingzone geen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.

Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie

Er gelden twee archeologische dubbelbestemmingen binnen het plangebied. Binnen 'Waarde - Archeologie' gaat het om een vuursteenvindplaats en dient onderzoek plaats te vinden bij ingrepen van 50 m² en groter. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan is 'Waarde - Archeologie 2' toegevoegd. Daar gaat het om een dobbe en dient onderzoek plaats te vinden bij ingrepen van 500 m² en groter. Het behoud van archeologische waarden staat bij deze aangewezen gronden centraal.

5.4 Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:


Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure

Na aankondiging in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.


Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen:

  • tegen gewijzigde vaststelling kan beroep worden ingediend zonder dat een zienswijze is ingediend, als de gewijzigde vaststelling leidt tot een belang van diegene die eerder geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen;
  • als kan worden aangetoond dat er een dringende reden bestond waarom geen zienswijze is ingediend. Deze optie is gebonden aan een strikte uitleg en zal niet snel aan de orde zijn.


Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).


Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Ter inzage en mogelijkheid tot zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan heeft de gemeente een ieder in de gelegenheid gesteld om kennis te kunnen nemen van, alsmede te reageren op de inhoud van het planvoornemen. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen tijdens deze periode. Geacht wordt dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is.

Vaststellingsfase

Het bestemmingsplan is vastgesteld. Het besluit tot vaststelling is gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan. Na deze periode is het bestemmingsplan onherroepelijk.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het plangebied is in eigendom van de aanvrager. Tussen de aanvrager en gemeente zal, met inachtneming van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening, een overeenkomst worden gesloten met betrekking tot verhaal van eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en hoeft geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.