direct naar inhoud van Regels

Bestemmingsplan Kloosterlaan 12a (tussen de nummers 12 en 14) te Burgum (wijziging bestemming van agrarisch naar wonen

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0737.01BPXIX-vg01
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting bestemmingsplan Kloosterlaan 12a (tussen de percelen 12 en 14) te Burgum (wijziging bestemming van agrarisch naar wonen)

 

 

 
Inhoudsopgave

 

Bestemmingsplan Kloosterlaan 12a (tussen de percelen 12 en 14) te Burgum (wijziging bestemming van agrarisch naar wonen)

Toelichting bestemmingsplan Kloosterlaan 12a (tussen de percelen 12 en 14) te Burgum (wijziging bestemming van agrarisch naar wonen)

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Plangebied

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Ontstaansgeschiedenis

2.2 Huidige situatie

2.3 Beoogde situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân (de romte diele)

3.2.2 Provinciale verordening

3.3 Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Milieuzonering

4.2 Geluid

4.3 Geur

4.4 Luchtkwaliteit

4.5 Externe veiligeheid

4.6 Bodem

4.7 Ecologie

4.8 Archeologie

4.9 Water

4.10 Landschappelijke inpassing

4.11 Kabels en leidingen

4.12 Conclusie

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Uitgangspunten

5.2 Inleidende regels

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Algemeen

5.3.2 Enkelbestemmingen

5.3.3 Dubbelbestemmingen

5.4 Algemene regels

5.5 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economisch

6.2 Maatschappelijk

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

Op het gelegen tussen Kloosterlaan 12 en 14 te Burgum is een agrarisch perceel gelegen te midden van lintbebouwing. Dit perceel vormt als het ware een open gat in deze lintbebouwing. Initiatiefnemer is eigenaar van dit perceel dat al decennia lang in eigendom is bij de familie van initiatiefnemer. Laatstgenoemde is voornemens hierop een woning te bouwen.

 

De voorgenomen bouw van de woning is in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Tytsjerksteradiel. Aan het perceel is een agrarische bestemming toegekend. Realisering

van de beoogde woning is enkel mogelijk na toekenning van een woonbestemming met bouwvlak aan het betreffende perceel door middel van een bestemmingsplanherziening.

 

Bij brief d.d. 13 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel meegedeeld dat de raad op 19 november 2020 een motie heeft aangenomen die pleit voor woningbouw

op de betreffende locatie en het bestemmingsplan ten behoeve daarvan te herzien. Voorts neemt de raad daarbij alvast een voorschot op de vaststelling van het woningbouwprogramma. Het college heeft dit raadsstandpunt overgenomen en heeft initiatiefnemer verzocht een herziening van het bestemmingsplan te initiateren. Het plan beoogt daarin te voorzien.

 

 

1.2 Plangebied

Zoals uit het bovenstaande duidelijk is geworden omvat het plangebied het onderhavige agrarische perceel.

Het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1: globale ligging van het plangebied

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan en tenslotte wordt de uitvoerbaarheid van het plan in hoofdstuk 6 toegelicht.

 

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

 

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Het dorp Burgum is ontstaan op de zuidzijde van een hoge zandrug langs de Ee (nu het P.M. kanaal). De Kruiskerk dateert waarschijnlijk uit de laatste decennia van de 11e eeuw. De kerk, die tussen het oorspronkelijke Burgum en Noardermar in ligt, had waarschijnlijk een functie voor beide dorpjes. Later kreeg de kerk ook een functie voor het Berchkleaster of Barra convent, dat aan het eind van de 12 eeuw nabij de kerk werd gevestigd. Het kerkgebouw werd toen ook fors uitgebreid. De komst van het klooster (Kloosterlaan) heeft ongetwijfeld flink bijgedragen aan de ontwikkeling van het dorp. Ook de ligging aan enkele landverbindingen (noord – zuid en west – oost) en de kruising van de noord – zuid verbinding met de vaarweg via de Ee waren van belang voor Burgum. De Kloosterlaan vormde een dergelijke noord-zuid verbinding

 

 

2.2 Huidige situatie

De Kloosterlaan is ca. 1,5 km lang. Aaneengesloten bebouwing is aanwezig langs de westzijde. De oostzijde laat verspreide woonbebouwing zien. Ter plaatse van het onderhavige perceel is echter sprake van een bebouwingscluster van 5 woningen die aan elkaar grenzen met uitzondering van het onderhavige perceeltje dat zich tussen nr. 12 en 14 bevindt. De bebouwing bevindt zich ingevolge de provinciale omgevingsverordening Romte Fryslan 2014 in stedelijk gebied. Het niet bebouwde perceeltje is daarin aangeduid als buitenstedelijk gebied.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2: Luchtfoto bebouwing Kloosterlaan

 

 

2.3 Beoogde situatie

De beoogde situatie is helder. De niet bebouwde kavel is ca. 30 m. breed en 60 m. diep en de oppervlakte bedraagt ca. 1800 m2. Deze kavel is geschikt om te worden bebouwd met een woning die het lint van het betreffende bebouwingscluster sluitend maakt.

 

 

 [image]

 

 

 

Figuur 3: plattegrondtekening gewenste woning met situering.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Richtinggevend voor de inhoud van het bestemmingsplan is mede wat door hogere overheden als ruimtelijk beleid is afgesproken. Ook de gemeente zelf heeft beleid dat van invloed is op het bestemmingsplan, zowel ruimtelijk als sectoraal. Hieronder volgt een samenvatting.

 

 

3.1 Rijksbeleid

Het beleid van het rijk op de ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit van Nederland tot 2040 is neergelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen acht het Rijk zich verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Buiten deze 13 nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Besluit algemene

regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het juridisch kader om het rijksbeleid te beoordelen.

 

Het rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;

  2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;

  3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

 

De 13 nationale belangen waarvoor het rijk zich verantwoordelijk acht, vloeien voort uit de hier voor genoemde 3 doelen. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In het SVIR is een eerste integrale afweging van deze belangen gemaakt.

De benoemde rijksbelangen hebben geen betrekking op de ontwikkelingen die binnen het onderhavige plangebied zijn voorgenomen.

 

 

3.2 Provinciaal beleid

 

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân (de romte diele)

De provincie Fryslân heeft in 2020 de omgevingsvisie Fryslân (de romte diele) vastgesteld. Met deze omgevingsvisie laat de provincie zien welke accenten zij in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Fryslân wil leggen. Zij wil Brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Met de leefomgeving bedoelt de provincie: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er wonen, werken of te gast zijn.

 

De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor hoe Fryslân erbij ligt over tien, twintig of dertig jaar. Toch moeten er keuzes worden gemaakt en daarop worden gestuurd. De provincie stuurt op doelen en zo min mogelijk op regels. De provincie onderscheid doelen voor de bestaande kwaliteit van de leefomgeving én doelen voor de aanpak van vier nieuwe, urgente opgaven. Er staan negen principes in voor de manier van werken, principes die richting geven bij het maken van keuzes. Deze principes worden altijd in samenhang toegepast. Ze kunnen in verschillende situaties tot verschillende oplossingen leiden. Zo kan de provincie maatwerk bieden.

 

Het gebruik van de betreffende locatie voor woningbouw aansluitend op bestaande lintbebouwing past binnen het inhoudelijke principe van zuinig ruimtegebruik.

 

 

3.2.2 Provinciale verordening

Het onderhavige perceel heeft in het vigerende bestemmingsplan Burgum 2016 (vastgesteld 16 februari 2017) de bestemming “Agrarisch-cultuurgrond” (artikel 4). Voorts is het plangebied ingevolge de provinciale Omgevingsverordening aangeduid als buitenstedelijk gebied (landelijk gebied). De overige woningen in het bebouwingslint bevinden zich wel in stedelijk gebied. In artikel 1.1.1, eerste lid is bepaald dat in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies.

 

In het tweede lid is bepaald dat in afwijking van het eerste lid in een ruimtelijk plan een uitbreidingslocatie aansluitend op bestaand stedelijk gebied kan worden toegestaan.

 

In artikel 1.3.1. is vervolgens opgenomen dat in afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid een nieuwe stedelijke functie in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaand bebouwingscluster kan worden toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. De nieuwe stedelijke functie leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster en doet geen afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

  2. ……

  3. ……

  4. In geval van woningbouw gaat het per lint of cluster om één of enkele woningen, waarvan de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300 m2. Artikel 3.1.1 is mede van toepassing.

 

Artikel 3.1.1. bepaalt dat het uitbreidingsplan in beginsel in overeenstemming dient te zijn met het woonplan maar dat een ruimtelijk plan ook een woningbouwproject kan bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan indien het (bij een buitenstedelijke locatie) niet meer dan 3 woningen bevat.

 

Toetsing

Het plangebied bevindt zich direct aansluitend aan stedelijk gebied en betreft een afronding of verdichting van een bebouwingscluster en bebouwingslint en doet dientengevolge geen afbreuk aan de landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten. Voorts gaat het slechts om één woning waarvan de oppervlakte (inclusief bijgebouwen) niet meer bedraagt dan 300 m2.

 

Aan de hand van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan voldoet aan de relevante regels van de provinciale Omgevingsverordening Romte 2014. In het gemeentelijk woningbouwprogramma is met deze woning rekening gehouden.

 

 

 

 

3.3 Gemeentelijk beleid

Voor het onderhavige perceel geldt het bestemmingsplan “Burgum 2016”. Op grond van dit plan heeft het perceel de bestemming “Agrarisch-Cultuurgrond” (artikel 4) met de dubbelbestemming Waarde-Woudenlandschap. Binnen deze bestemming mogen de gronden niet worden bebouwd en gebruikt voor een woonfunctie. Adequate flexibiliteitsbepalingen zijn niet in het bestemmingsplan opgenomen. Het initiatief is derhalve in

strijd met het bestemmingsplan.

 

Gelet echter op het raadsbesluit van 19 november 2020 en het schrijven van het college van Burgemeester en wethouders d.d. 13 januari 2021 bestaat de bereidheid medewerking te verlenen aan de planologische inpassing van een woning op het perceel tussen Kloosterlaan 12 en 14 te Burgum met name nu daarvoor ruimte is gereserveerd in het gemeentelijk woningbouwprogramma.

 

Daarmee kan het initiatief als overeenkomstig het gemeentelijk beleid worden beschouwd.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 4: fragment bestemmingsplan Burgum 2016 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

 

De voorgenomen bouw van een woning kan mogelijk effecten op de omgeving van het plangebied hebben. In het onderstaande zal nader worden ingegaan op die omgevingsaspecten die relevant kunnen zijn voor het onderhavige plan.

 

4.1 Milieuzonering

Ter bescherming van de leefkwaliteit is in het algemeen het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Het gaat hier echter om toevoeging van een milieugevoelige functie aan een aansluitende omgeving met eveneens milieugevoelige functies. Een ruimtelijke scheiding is gelet daarop niet noodzakelijk

 

 

4.2 Geluid

In het kader van geluid is de Wet geluidhinder (verkeerslawaai) het relevante wettelijke kader. Om te toetsen of wordt voldaan aan de grenswaarden van de Wet Geluidhinder is door Noorman Adviseurs te Groningen een akoestisch onderzoek verricht. Op 17 maart 2021 is daaromtrent een akoestische rapportage verschenen. Daarin wordt het navolgende geconcludeerd:

 

De nieuwbouw is gesitueerd op een braakliggend perceel gelegen tussen de woningen Kloosterlaan 12 en 14. Uit het onderzoek volgt dat de in de Wet geluidhinder opgenomen voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege de Kloosterlaan. Aan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB(A) wordt voldaan. Maatregelen ter beperking van de geluidbelasting invallend op de nieuw te bouwen woning zijn niet kostenefficiënt, vanuit stedenbouwkundige perspectief niet wenselijk en/of stuiten op bezwaren van verkeerskundige aard. Voor de nieuwbouw dient een hogere waarde procedure te worden doorlopen. De aan te vragen hogere waarde, na correctie conform artikel 110g Wgh, bedraagt: Kloosterlaan: Lden = 58 dB

 

Het akoestisch woon- en leefklimaat is als acceptabel is te beoordelen. Voorwaarde is dat het binnenniveau in de te realiseren woning wordt beperkt tot ten hoogste 33 dB (voor verblijfsgebieden).

 

Het volgen van een Hogere Waarde procedure is derhalve noodzakelijk en bij de indiening van de omgevingsvergunningaanvraag zal aangetoond moeten worden dat het binnenwaardeniveau de waarde van 33 dB niet

overschrijdt.

 

 

4.3 Geur

Het omgevingsaspect geur is thans niet relevant

 

 

4.4 Luchtkwaliteit

In de Wet luchtkwaliteit (2007) zijn normen opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht. Deze normen hebben betrekking op de concentraties in de buitenlucht van een aantal luchtverontreinigende stoffen. Het betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, fijn stof (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Deze wetgeving vloeit voort uit normen voor luchtkwaliteit die door de Europese Unie zijn gesteld.

Om aan deze Europese normen te voldoen zijn in Nederland extra maatregelen nodig, met name voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De Nederlandse overheid heeft hiervoor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgesteld. Projecten die van dit NSL deel uit maken hoeven niet afzonderlijk aan de wettelijke normen te worden getoetst. De uitbreiding van agrarische bedrijfsbebouwing vormt geen NSLproject, zodat een afzonderlijke toetsing aan de Wet luchtkwaliteit vereist is.

 

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet worden aangetoond dat bij de uitvoering van dat plan:

 

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor projecten als deze niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van luchtkwaliteit. Een project komt hiervoor in aanmerking als het voor mindert dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een verslechtering van luchtkwaliteit is veelal een gevolg van een toename van het aantal auto’s in een gebied. Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt de NIBM-drempel overschreden. Als gevolg van onderhavige ontwikkeling is er sprake van een zeer beperkte verkeersgeneratie. Een dergelijke ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Bijgevoegde luchtkwaliteitsberekening berekening bevestigt dit.

 

 

4.5 Externe veiligeheid

Ter voorkoming van onveilige situaties is regelgeving vastgelegd met als doel om zowel individuele personen als groepen mensen een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dergelijke ongevallen kunnen ontstaan doordat binnen bedrijven wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, maar ook het transport van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Tenslotte kunnen ook buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen in dit verband risicovol zijn. De risico’s worden bepaald aan de hand van het zogenaamde plaatsgebonden risico (voor individuen) en het groepsrisico (voor groepen mensen). Voor deze drie situaties is verschillende wet- en regelgeving van toepassing, waarop onderstaand zal worden ingegaan.

 

Externe veiligheid inrichtingen

Op grond van het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) moet afstand worden aangehouden tussen risicovolle en risicogevoelige functies. Risicovolle functies betreffen hoofdzakelijk bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, welke veiligheidsrisico’s opleveren voor hun directe omgeving. De voorgestane woning vormt geen inrichting die onder de werkingssfeer van het Bevi valt.

 

In de omgeving van het bedrijf doen zich geen risicovolle inrichtingen voor die van invloed op het plangebied zijn. Bovendien is in het onderhavige plan geen sprake van de oprichting van een nieuw (beperkt) kwetsbaar

object.

 

Weg- en railtransport gevaarlijke stoffen

De huidige regelgeving voor transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water staat beschreven in het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). De woning is geprojecteerd aan de Kloosterlaan. De Kloosterlaan is niet aangewezen als een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. Buiten het plangebied komen geen andere wegen of spoorlijnen voor die in dit opzicht veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Bovendien geldt ook hier dat het onderhavige plan niet voorziet in de oprichting van een

nieuw (beperkt) kwetsbaar object.

 

Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen

Voor transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de nabijheid van het plangebied komen geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen als bedoeld in voornoemd besluit.

 

 

4.6 Bodem

In het kader van de Wet bodembescherming dient te worden onderzocht of in het plangebied sprake is van bodemverontreiniging. De kwaliteit van de bodem is een belangrijk aspect. Uit het bodemloket van Rijkswaterstaat blijkt dat voor het plangebied geen verdachte (dat wil zeggen mogelijk verontreinigde) locaties te vinden zijn. Voorts is gelet op het tot op heden agrarische gebruik geen sprake van een verdachte locatie.

 

Om die reden is thans geen nader onderzoek naar de bodemkwaliteit gedaan. Bij het indienen van de omgevingsvergunningaanvraag zal wel een (verkennend) bodemonderzoeksrapportage worden gevoegd.

 

 

4.7 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin zijn de voormalige Natuurbeschermingswet, de Boswet en de Flora- en faunawet opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in bescherming van gebieden en van soorten. Daarnaast is in verband met gebiedsbescherming het

Natuur Netwerk Nederland (NNN) van belang.

 

Natura 2000

Om de natuur in Europa als geheel te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie samen aan een Europees netwerk van natuurgebieden, het Natura 2000-netwerk. De aanwijzing van Nederlandse natuurgebieden die deel uitmaken van dit netwerk is inmiddels in gang gezet. Natura 2000-gebieden in Nederland worden beschermd door de Wet Natuurbescherming. Om schade aan natuurwaarden binnen Natura 2000-gebieden te voorkomen bepaalt de Natuurbeschermingswet dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de aanwezige soorten niet mogen plaatsvinden zonder vergunning.

 

Het bouwen van een woning is geen project en/of activiteit die een potentieel negatieve invloed op Natura 2000-gebieden zal hebben. Er is enkel sprake van het oprichten van een niet-gasgestookte woning. Dit zal geen effect hebben voor Natura 2000-gebieden. Desalniettemin is een Aeriusberekening uitgevoerd en bijgevoegd waaruit blijkt dat het project geen significant effect heeft voor Natura 2000 gebieden.

 

Ecologische Hoofdstructuur

Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur of in de directe nabijheid daarvan.

 

Flora- en fauna

De Wnb biedt tevens bescherming aan diverse soorten flora en fauna. Op grond van deze wet mogen beschermde planten en dieren (en hun verblijfsplaatsen), die als zodanig in de wet zijn aangewezen, niet verstoord, verontrust of gedood worden.

 

Door Mulder Ecologie te Groningen is ter plaatse ecologisch onderzoek uitgevoerd. In de daaruit voortvloeiende rapportage d.d. 15 maart 2021 wordt de navolgende conclusie getrokken

 

Op basis van de uitkomsten van de uitgevoerde quickscan in het kader van de natuurwetgeving zijn de volgende vervolgstappen (mogelijk) van toepassing:

 

Algemene broedvogels

Het plangebied vormt een geschikt broedgebied voor algemene soorten broedvogels. Voor deze soorten geldt, dat er geen overtreding van de Wet natuurbescherming aan de orde is in het geval de werkzaamheden buiten

het broedseizoen worden uitgevoerd en/of indien er geen sprake is van de aanwezigheid van broedende vogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gedefinieerd. In de praktijk

wordt hiervoor over het algemeen globaal de periode medio maart tot en met medio juli aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van de werkzaamheden. Wanneer het niet mogelijk is om (volledig) buiten het broedseizoen te werken, wordt geadviseerd om het plangebied ruim voor de werkzaamheden ongeschikt te maken (en houden) voor broedvogels.

 

Vleermuizen:

De groenstructuren langs de zuid- en oostzijde van het plangebied worden door vleermuizen mogelijk gebruikt als vliegroute en foerageergebied. Op voorwaarde dat er geen bomen worden gekapt en tijdens de werkzaamheden en na ingebruikname van de woning lichtuitstraling naar deze groenstroken voorkomen wordt, is een nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.

 

Op basis van ecologisch onderzoek is niet uitgesloten (maar ook niet aangetoond) dat de landschapselementen in dit bestemmingsplan worden gebruikt door foeragerende vleermuizen. De provincie geeft daarom in overweging om via planvoorschriften de lichtuitstraling te beperken.

 

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet kan vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat (o.a. Ecli:NL:RVS:2020:135) en of het noodzakelijk is om hiervoor voorschriften op te nemen.

 

In het ecologisch onderzoek van Mulder Ecologie staat dat ten oosten en zuiden van het plangebied een potentiële vliegroute van vleermuizen kan lopen. Als de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten kunnen hebben op deze vliegroute, bijvoorbeeld door lichtuitstraling richting de bomen, raadt het rapport aan om aan de hand van nader onderzoek vast te stellen of de bomen daadwerkelijk als vliegroute worden gebruikt. Als dergelijke negatieve effecten op voorhand kunnen worden voorkomen, is nader onderzoek volgens het rapport niet nodig.

 

Langs de boomsingel oostelijk en zuidelijk van het plangebied kan een potentiële vliegroute voor vleermuizen zijn. Het is van belang dat de vleermuizen niet gehinderd worden door lichtuitstraling van de nieuwe woning. Omdat het woonperceel (en het bouwvlak voor het hoofdgebouw) westelijk op het perceel zijn geprojecteerd (aan de Kloosterlaan) komt de woning ver van de oostelijke boomsingel en is de lichtuitstraling naar een mogelijke vliegroute oostelijk daarmee minimaal en kan hinder voor de vleermuizen worden uitgesloten. Verder zal de woning redelijk centraal op de kavel komen waarbij de garage en de entree van de woning (de functies waar mogelijk buitenverlichting wordt toegepast) aan de noordzijde komen en wordt in de zuidelijke gevel van de woning terughoudend met raampartijen omgegaan. Hiermee is ook de lichtuitstraling naar de mogelijke zuidelijke vliegroute minimaal en kan ook hier hinder voor vleermuizen worden beperkt. Verder geldt dat de zuidelijke bomen via een kapvergunningenstelsel en de oostelijke bomen via een "vergunning uitvoeren van een werk" zijn beschermd en dat natuurwaarden een afwegingsgrond vormen.

 

Met deze aanvulling op de toelichting is door de planwetgever afdoende rekening gehouden met mogelijke vliegroutes van vleermuizen. Dit is voldoende om de betrokken natuurbelangen in dit planstadium toereikend te beschermen en staat het soortenbeschermingsregime in de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. De verantwoordelijkheid om te onderzoeken of voor verdere werkzaamheden alsnog een vrijstelling of ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is, ligt in eerste instantie bij de partij die deze werkzaamheden initieert.

 

 

Zorgplicht:

Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage II voor een nadere toelichting). Deze schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te

laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

 

Bij de realisatie van de betreffende woning zal de aanbeveling met betrekking tot de broedvogels en de zorgplicht in acht worden genomen.

 

 

4.8 Archeologie

Het verdrag van Malta beoogt het cultureel erfgoed in de bodem te beschermen. Eén van de doelstellingen van het Verdrag van Malta is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening.

Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Op grond van de Monumentenwet 1988 moeten gemeenten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met archeologische waarden en verwachtingen (art. 38a).

 

In maart 2021 heeft Laagland Archeologie ter plaatse archeologisch onderzoek verricht. In de bijgevoegde rapportage wordt vervolgens het navolgende geconcludeerd:

 

Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Tytsjerksteradiel en de gemeente heeft dit advies overgenomen.

 

Overige cultuurhistorische waarden

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

 

Het gebied waarin het plangebied ligt is in het geldende bestemmingsplan voorzien van een regeling waarin de kenmerken van het landschap worden beschermd. Het open karakter van het gebied en de kenmerkende verkavelingsstructuur worden als waardevol beschouwd.

 

De ontwikkeling wordt ingepast in de huidige verkavelingsstructuur.

De beschermende regeling van het Woudenlandschap is in dit bestemmingsplan overgenomen, waarmee een blijvende bescherming van de waarden van het landschap is gewaarborgd.

 

 

4.9 Water

Vanwege het belang van het water in de ruimtelijke ordening, moet bij nieuwe ruimtelijke plannen worden aangegeven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De verplichting hiertoe vloeit voort uit het bepaalde hieromtrent in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterschappen moeten daarom in een vroeg stadium betrokken worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

 

Het Wetterskip Fryslan is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van het initiatief van de ondernemer. In verband met de waterhuishoudkundige belangen ter plaatse van en rondom het plangebied, zal rekening worden gehouden met de hierna te noemen aspecten.

 

 

 

 

Toename verhard oppervlak

Door toename van verhard oppervlak stroomt regenwater, zonder extra maatregelen, sneller af richting oppervlaktewater, waardoor piekwaterstanden en afvoeren toenemen. Dit kan leiden tot wateroverlast.

 

Bij een toename van het verhard oppervlak met minder dan 1500 m2 (in landelijke gebied) is compensatie door aanleg van waterberging niet nodig. Kortheidshalve wordt op deze plaats verwezen naar de bijgevoegde watertoets en het wateradvies.

 

Riolering

Bij de aanleg van riolering in een nieuw plan wordt uitgegaan van de aanleg van een gescheiden stelsel.

 

 

4.10 Landschappelijke inpassing

Nieuwe ingrepen in landelijk gebied worden meestal voorzien van een landschappelijke inpassing. In dit geval ligt de nieuwe woonkavel ingeklemd tussen twee andere woonpercelen en een openbare weg. De achterzijde van de nieuw te bouwen woning grenst met de tuin aan agrarisch gebied. De landschappelijke inpassing wordt vormgegeven door middel van de tuin. Een landschappelijk inpassingsplan kan derhalve hier achterwege blijven. De bestaande groensingels rond het betreffende perceel blijven gehandhaafd.

 

Welstand

Op 9 juli 2021 zijn de bouwplannen ter beoordeling aan de welstand voorgelegd en is positief geadviseerd.

 

 

4.11 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied of in de buurt hiervan zijn geen kabels en leidingen aanwezig waar rekening mee gehouden dient te worden.

 

 

4.12 Conclusie

Op grond van hetgeen in de voorgaande paragrafen over de diverse omgevingsaspecten aan de orde is gekomen, kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouw van een

nieuwe woning tussen Kloosterlaan 12 en 14 te Burgum.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

Algemeen

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende bestemmingen die van toepassing zijn op het plangebied. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de planregels en op een digitale en analoge verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen één geheel en zijn niet afzonderlijk leesbaar.

 

De wijze waarop deze regeling juridisch is vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De uitwerking daarvan ligt vast in de de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De SVBP bevat de normen die van toepassing zijn op de vormgeving en inrichting van bestemmingsplannen, met het doel om deze op vergelijkbare wijze op te bouwen en weer te geven en vormt daarmee een belangrijke basis voor de inrichting van dit bestemmingsplan.

 

Daarnaast zijn de bestemmingsplanregels zoveel mogelijk afgestemd op het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor wat betreft de bouw- en afwijkingsregels. Zo zijn bijvoorbeeld de begrippen hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk daar waar mogelijk overgenomen in de bestemmingsplanregels.

 

Het bestemmingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan. Deze digitale versie is bedoeld om de burger online informatie te verschaffen over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. Het vaststellen van een digitale versie van een bestemmingsplan is verplicht. De digitale versie van het plan is leidend in geval van verschil tussen de digitale - en analoge versie.

 

 

5.1 Uitgangspunten

De SVBP 2012 schrijft voor dat de planregels in vier vaste hoofdstukken worden geplaatst, nl. de hoofstukken 'Inleidende regels', 'Bestemmingsregels', 'Algemene regels' en 'Overgangs- en slotregels'. Hieronder wordt per hoofdstuk ingegaan op de verschillende regels die daarin (kunnen) voorkomen.

 

 

5.2 Inleidende regels

In hoofdstuk 1 van de bestemmingsplanregels worden allereerst de begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en die een nadere beschrijving nodig hebben. Enkele veel voorkomende standaardbegrippen

liggen vast in de SVBP 2012 en moeten worden overgenomen. De overige begrippen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.

 

Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen. Enkele veel voorkomende standaardmeetbepalingen zijn op grond van de SVBP 2012

voorgeschreven en moeten worden overgenomen. De overige meetbepalingen zijn lokaal toegevoegd en beschreven.

 

 

5.3 Bestemmingsregels

 

5.3.1 Algemeen

In hoofdstuk 2 van de bestemmingsplanregels worden de verschillende bestemmingen vastgelegd. In de bestemmingsregel wordt omschreven waarvoor en, zo nodig, hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Bij de bestemmingen moet in de bestemmingsomschrijving aangegeven zijn welke functies toelaatbaar zijn. De bestemmingen kunnen worden onderverdeeld in enkel- en dubbelbestemmingen. De enkelbestemming regelt primair welke functies zijn toegestaan. Een dubbelbestemming kan alleen van toepassing zijn boven op één of meerdere enkelbestemmingen en kan extra functies toestaan danwel uitsluiten.

 

Voor de bestemmingsregels geldt op grond van de SVBP 2012 een vaste indeling. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouw- en gebruiksregels en regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, situering en aantal bouwlagen etc. van (hoofd)gebouwen en (bijbehorende) bouwwerken. Bij een aantal bestemmingen is de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van bepaalde regels. De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels). Tenslotte bevatten de meeste bestemmingen regels om het bestemmingsplan te wijzigen. De wijzigingen kunnen betrekking hebben op een functiewijziging en/of op het veranderen van bouw- en/of gebruiksregels.

 

Voor de indeling van de enkel- en dubbelbestemmingen gelden de bindende hoofdgroepen uit de SVBP 2012. In de subparagrafen hierna wordt per bestemming een toelichting gegeven.

 

 

5.3.2 Enkelbestemmingen

- Tuin -

Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde zijtuinen te beschermen, is daarvoor de afzonderlijke bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Bebouwing is binnen deze bestemming niet toegestaan. Dat sluit aan de op de gegroeide

praktijk. Terwille van een zeker flexibiliteit mag een woning binnen deze bestemming wel uitbreiden met een erker of voorportaal. Bij grote, diepe voortuinen kan afgeweken worden van het bouwverbod. Onder voorwaarden kan worden toegestaan dat een tuinprieel of iets dergelijks van geringe omvang wordt gebouwd. Daarnaast is het via afwijking mogelijk om een deel van de woning in de Tuinbestemming te bouwen. Deze afwijkingsbevoegdheid zal dan altijd toegepast moeten worden in combinatie met de afwijkingsbevoegdheid binnen de diverse woonbestemmingen om bouwen van de woning buiten het bouwvlak toe te staan.

 

- Wonen -

Binnen de hoofdgroep 'Wonen' is aan de hand van types woningen en bouw- en goothoogtes een indeling gemaakt in de volgende categoriën:

 

Type woning

Goothoogte

Bouwhoogte

Vrijstaande woningen 1 (W-V1)

4

10

Vrijstaande woningen 2 (W-V2)

8

12

Vrijstaande woningen 3 (W-V3)

4

4

Twee onder één kap 1(W-T1)

4

10

Twee onder één kap 2 (W-T2)

8

12

Rijenbouw 1 (W-R1)

4

10

Rijenbouw 2 (W-R2)

8

12

 

Voor de verschillende categoriën van woningtypes geldt dat de goothoogte in de eerste 3 meter gerekend vanuit de voorgevelrooilijn 4 of 8 meter hoog kan zijn. De bouwhoogtes variëren vervolgens van 4, tot 10 en 12 meter. Mocht sprake zijn van een afwijkende hoogte dan wordt dit met een aanduiding op de verbeelding geregeld.

 

De categorie Rijenbouw wordt gebruikt voor de situaties waarbij er meer dan twee woningen aan elkaar zijn gebouwd.

 

Per bestemming wordt middels een bouwvlak aangegeven waar het hoofdgebouw is gepositioneerd. De bouwvlakken zijn dus hoofdzakelijk afgestemd op de aanwezige situatie maar geven ook enige ontwikkelingsmogelijkheid. Iedere woning wordt beschouwd als hoofdgebouw, dus ook de woningen binnen de twee onder één kap- en de rijenbouw-bestemming.

 

Voor het bepalen van de geldende bouwregels is het bouwvlak leidend. Het bestemmingsplan geeft regels voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken binnen een bouwvlak en het bouwen van van bijbehorende bouwwerken buiten een bouwvlak.

 

Voor het bepalen van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is gekozen voor een berekeningsmethodiek die aansluit bij het Bor. Dit betekent dat hoe groter het erf is, hoe meer bebouwingsmogelijkheden er zijn. In de regels is opgenomen dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken buiten een bouwvlak ten hoogste 30% van het 'hiem' mag zijn. Binnen de woonbestemming geldt het 'hiem' als de oppervlakte woonbestemming + de oppervlakte tuinbestemming - het bouwvlak. Als maximum geldt dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 150 m2 mag bedragen.

Indien sprake is van bestaande bijbehorende bouwwerken met afwijkende bouwhoogtes c.q. oppervlaktes dan geldt een apart regime waarbij het uitgangspunt is dat het bestaande mag worden hersteld, verbouwd of vervangen.

 

Om enige flexibiliteit te creëren is een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Na zorgvuldige afweging kan dan:

- vergunning worden verleend voor het verhogen van de goothoogte met maximaal 2 meter; - vergunning worden verleend voor een groter oppervlakte dan 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken voor woningen met een 'hiem' groter dan 500 m2 (met een maximum van 250 m2).

Daarnaast geldt voor de vrijstaande en de twee onder één kap-woningen nog de mogelijkheid een afwijkingsvergunning te verlenen om het hoofdgebouw voor 20% buiten het bouwvlak te bouwen. Over het algemeen zal deze afwijkingsbevoegdheid toegepast moeten worden in combinatie met de afwijkingsbevoegdheid binnen de tuin-bestemming. het geeft de mogelijkheid om te schuiven met het hoofdgebouw, het is niet bedoeld om extra bouwoppervlakte te creeeren. Als gebruik wordt gemaakt van deze afwijkingsbevoegdheid gelden vervolgens de bouwregels voor het bouwen binnen het bouwvlak.

 

De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten (zie bijlage 1 van de bestemmingsplanregels). Een vergelijkbare regeling geldt voor bedrijfswoningen.

 

Binnen de woonbestemmingen zijn enkele wijzigingsbevoegdheden opgenomen die het mogelijk maakt het bouwvlak te vergroten of te verschuiven. De ruimte voor de vergroting van het bouwvlak hangt af van de type woning en de omvang van het 'hiem'. Daarnaast kan de woonbestemming in een andere woongerelateerde bestemming worden gewijzigd.

 

 

5.3.3 Dubbelbestemmingen

- Waarde – Woudenlandschap -

Voor een aantal onderdelen van het plangebied geldt deze dubbelbestemming die bedoeld is voor de bescherming van de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van het woudenlandschap, en meer specifiek, het singellandschap. Met name het in stand houden van kenmerkende houtsingels is een belangrijk uitgangspunt.

 

Er wordt binnen deze regeling onderscheid gemaakt tussen drie verschillende soorten houtsingels. Deze worden inzichtelijk gemaakt op de landschaps- en natuurwaardenkaart zoals die in bijlage 1 bij de bestemmingsplanregels zit.

 

De houtsingels 1 (rood) en 2 (bruin) zijn indien op de locatie aanwezig op de planverbeelding voorzien van een aanduiding waarbinnen het niet toegestaan is om de verkavelingsstructuur te wijzigen. Onder wijziging van de verkavelingsstructuur moet worden verstaan het geheel of gedeeltelijk verwijderen van houtsingels en het al dan niet in samenhang daarmee dempen, verbreden, verdiepen of aanleggen van watergangen langs houtsingels. Voor houtsingels 1 geldt dat dit niet mag vanwege de landschappelijke waarden die zijn gelegen in de verkavelingsstructuur en

voor houtsingels 2 geldt dat dit niet mag vanwege de cultuurhistorische waarden die deze singels met zich meebrengen. Slechts na verwijdering van de aanduiding door wijziging van het bestemmingsplan kunnen er houtsingels gerooid worden c.q. sloten gedempt worden.

 

Voor houtsingels 3 (groen) geldt een iets lichter beschermingsregime. Deze singels zijn niet voorzien van een specifieke aanduiding. Het is daarom mogelijk om hier de verkavelingsstructuur te wijzigen indien het college van burgemeester en wethouders hiervoor een omgevingsvergunning voor het uitwerken van een werk of werkzaamheden verleend.

 

Indien er sprake is van een houtsingel die niet is opgenomen op de landschaps- en natuurwaardenkaart, dan is op basis van het bestemmingsplan geen toestemming nodig voor het rooien van houtsingels. Wel kan het zijn dat de kapvergunning op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening dan nog nodig is.

 

Overigens is het binnen de dubbelbestemming, zonder nadere vergunningverlening, voor zowel de houtsingelscategoriën 1, 2 en 3, bij recht toegestaan om ontsluiting van bouwpercelen te creëren.

 

 

5.4 Algemene regels

In hoofdstuk 3 van de bestemmingsplanregels staan de algemene regels.

 

- Anti-dubbeltelregel -

Deze regel vloeit voort uit het Besluit ruimtelijke ordening en moet verplicht worden opgenomen in de bestemmingsplanregels. Het regelt dat grond niet twee keer mag worden meegerekend voor het toetsen van bouwplannen.

 

- Algemene bouwregels -

Hierin wordt geregeld dat via welstand nadere eisen aan de situering en maatvoering van bouwwerken kan worden gesteld. Tevens is hierin het bouwverbod opgenomen van windturbines.

 

- Algemene gebruiksregels -

Dit artikel bepaalt welke activiteiten in ieder geval in strijd met de diverse bestemmingen zijn. Deze algemene gebruiksverboden laten onverlet dat er ook nog specifieke gebruiksverboden in de bestemmingen zijn opgenomen.

 

 

5.5 Overgangs- en slotregels

- Overgangsrecht -

Het Bro stelt de verplichting om het overgangsrecht uit het Bro op te nemen in het bestemmingsplan. Het overgangsrecht bestaat uit een specifieke regeling voor zowel het bouwen als het gebruiken.

 

- Slotregel -

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

 

 

6.1 Economisch

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente.

 

Financiële haalbaarheid

De ontwikkeling heeft betrekking op een particulier initiatief. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer, die hiervoor de financiële middelen heeft.

 

Grondexploitatie

Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiele haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van een overeenkomst. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

 

In dit bestemmingsplan worden bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen is de grondexploitatieregeling van toepassing, tenzij het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn, of de aard of omvang van de kosten gering is (bagatelregeling). Dit laatste is hier het geval. De gemeenteraad besluit bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen grondexploitatieplan

vast te stellen.

 

 

6.2 Maatschappelijk

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro opgenomen bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen voor zienswijzen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

 

Na de ter inzage legging heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan op 27 januari 2022 vastgesteld. Van dit besluit wordt kennis gegeven met de mogelijkheid om binnen zes weken na de vaststelling van het plan beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.