direct naar inhoud van Regels

wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Buitengebied 2017, Aldemiede 16, Tytsjerk (uitbreiding bouwvlak en toevoeging aanduiding 2e bedrijfswoning)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0737.00BPVIWP39-vg01
Plantype: wijzigingsplan

Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan 'Buitengebied 2013, Aldemiede 16, Tytsjerk (uitbreiding bouwvlak en toevoeging aanduiding 2e bedrijswoning)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2019

 
Inhoudsopgave

 

Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan 'Buitengebied 2013, Aldemiede 16, Tytsjerk (uitbreiding bouwvlak en toevoeging aanduiding 2e bedrijfswoning)

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Situatie

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

2.2 Provinciaal beleid- en regelgeving

2.2.1 Streekplan en verordening Romte

2.2.2 Grutsk op 'e Romte

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie 'Finster op Romte' (2010 - 2020)

Hoofdstuk 3 Beoordeling

3.1 Project

3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid

3.3 Functionele inpasbaarheid

3.4 Conclusie

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

4.2 Landschap en Cultuurhistorie en archeologie

4.3 Bodem en water

4.4 Natuur

4.5 Woon- en leefklimaat

4.6 Duurzaamheid en energie

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

5.2 Verbeelding

5.3 Regels

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economisch

6.2 Maatschappelijk

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

 

1.2 Situatie

De beoogde locatie betreft een agrarisch bedrijf in het buitengebied van de gemeente Tytsjerksteradiel. Het bedrijf ligt ten oosten van Leeuwarden en ten zuidwesten van Tytsjerk. Het perceel is gelegen aan de Aldemiede 16. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is aandacht besteed aan het voor dit wijzigingsplan relevante beleid. In hoofdstuk 3 vindt een beoordeling van het project plaats. In hoofdstuk 4 is vervolgens aandacht besteed aan de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komen de juridisch-bestuurlijke aspecten aan bod. In hoofdstuk 6 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

 

Hoofdstuk 2 Beleidskader

 

2.1 Inleiding

Het bestemmingsplan Buitengebied 2013 ligt ten grondslag aan voorliggend wijzigingsplan. In dit bestemmingsplan is aandacht besteed aan het relevante beleid.

 

2.2 Provinciaal beleid- en regelgeving

 

2.2.1 Streekplan en verordening Romte

Op 13 december 2006 hebben Provinciale Staten van Fryslân het Streekplan 'Om de kwaliteit fan de romte' vastgesteld. Hierin staan de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen de komende tien jaar kunnen plaatsvinden. Binnen deze kaders hebben gemeenten en andere initiatiefnemers de mogelijkheid om ontwikkelingen tot stand te brengen. De beleidskaders zijn uitgewerkt in de Verordening Romte (geconsolideerde versie 4 maart 2015). Hierin geeft de provincie aan welke onderwerpen de provincie van provinciaal belang acht en op welke wijze de provinciale belangen moeten worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als daaraan niet wordt voldaan zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen.

 

Ruimtelijke kwaliteit

Volgens het Streekplan wordt in de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor landelijk gebied, een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen. In Verordening Romte artikel 3.1.1, lid 1 is deze procesvereiste opgenomen. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf geeft een verantwoording over de wijze waarop het plan rekening houdt met respectievelijk invulling geeft aan de ruimtelijke kwaliteit. Specifiek wordt hier verwezen naar de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte (zie paragraaf 2.3.2).

Een belangrijk inhoudelijk uitgangspunt van het Streekplan is dat de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in Fryslân herkenbaar blijven. Daarom bepaalt lid 2 van artikel 3.1.1 Verordening Romte dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied, zonodig regels worden opgenomen die ertoe strekken dat de kernkwaliteiten per landschapstype herkenbaar blijven. Het Streekplan hecht tevens specifiek belang aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing van uitbreidingslocaties en agrarische bedrijven. Deze inhoudelijke voorwaarde regelt het derde lid van artikel 3.1.1 Verordening Romte. Het ruimtelijk plan dient een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke kernkwaliteiten te borgen. In paragraaf 4.2 wordt gemotiveerd dat aan deze bepalingen kan worden voldaan.

 

Archeologie

In artikel 3.1.2 van de Verordening Romte is opgenomen dat in de plantoelichting van een ruimtelijk plan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de Famke.

In paragraaf 4.2 wordt gemotiveerd dat aan deze bepaling kan worden voldaan.

 

 

2.2.2 Grutsk op 'e Romte

Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 de structuurvisie “Grutsk op ‘e Romte” vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provinsje Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

In paragraaf 4.2 wordt gemotiveerd op welke wijze aan dit beleid bijgedragen wordt.

 

 

2.3 Gemeentelijk beleid

 

2.3.1 Structuurvisie 'Finster op Romte' (2010 - 2020)

In januari 2010 is de Structuurvisie 'Finster op Romte' door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie geeft de toekomstvisie weer van Tytsjerksteradiel tot het jaar 2020. In de structuurvisie wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen kernen. Naast grote kernen als Burgum en Hurdegaryp en recreatieve kernen als Earnewald bestaat de gemeente uit kleine kernen.

 

Landschap

Het landschap is de toetssteen voor alle ontwikkelingen. Ontwikkelingen zijn vaak nodig en essentieel, maar het landschap dient hieronder niet te lijden. Dit betekent dat bij ruimtelijke ingrepen zorgvuldig wordt omgegaan met de schaal en maat van de te realiseren ontwikkeling in het gebied. Om de mogelijkheden in het landschap aan te geven is de gemeente Tytsjerksteradiel verdeeld:

Deze tweedeling is de basis voor de zonering in dynamiek. Daarbinnen wordt overigens nog wel gedifferentieerd. De stelregel bij beide regimes is gelijk: ontwikkelingen in het landschap kunnen, maar alleen wanneer zij zich voegen naar en passen in maat en schaal van het landschap.

 

In paragraaf 4.2 wordt gemotiveerd op welke wijze aan dit beleid bijgedragen wordt.

 

 

 

Hoofdstuk 3 Beoordeling

 

 

3.1 Project

Het wijzigingsplan heeft betrekking op de uitbreiding van het grondgebonden agrarisch bedrijf op het perceel Aldemiede 16 te Tytsjerk.

 

3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' beschikt over een wijzigingsbevoegdheid (artikel 6.6.1 onder a) waarmee de bestemming 'Agrarisch - cultuurgrond' kan worden gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch  - Bedrijf grondgebonden’, mits:

1. er sprake is van een bestaand volwaardig agrarisch bedrijf in omvang en oppervlakte grond;

2. de aanvrager zijn hoofdberoep heeft in de landbouw;

3. er sprake is van een zodanige bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als volwaardig bedrijf;

4. bij vergroting van het bouwperceel de noodzaak daarvan is aangetoond door middel van een bedrijfsplan, waarin ook het ontwikkelingsperspectief van het agrarisch bedrijf, als bedoeld onder a. 3., voor minimaal 3 jaar is aangegeven;

5. de gezamenlijke oppervlakte van de bouwpercelen ten hoogste:

a. 1,5 hectare per grondgebonden of niet-grondgebonden agrarisch bedrijf zal bedragen indien het bestaande bouwperceel van het onder a. 1. genoemde bedrijf circa 1 hectare groot is;

b. 2 hectare per grondgebonden agrarisch bedrijf zal bedragen indien het bestaande bouwperceel van het onder a. 1. genoemde bedrijf circa 1, 5 hectare groot is;

c. 3 hectare per grondgebonden agrarisch bedrijf zal bedragen indien het bestaande bouwperceel van het onder a.1. genoemde bedrijf meer dan 1,5 ha groot is en mits er sprake is van een grondgebonden melkveehouderijbedrijf;

6. het nieuwe bouwperceel aansluitend op of in de onmiddellijke nabijheid van het bestaande bouwperceel van het onder a. 1. genoemde agrarische bedrijf wordt gesitueerd;

7. de landschappelijke inpassing van het bouwperceel plaatsvindt conform een door het bevoegd gezag geaccordeerd landschappelijk inpassingsplan;

 

Verder beschikt het bestemmingsplan in artikel 4.6.3. onder c. van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" een wijzigingsbevoegdheid om de aanduiding "bedrijfswoning" op de verbeelding aan te brengen, mits:

  1. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de realisering van een 2e bedrijfswoning;

  2. de noodzaak van een 2e bedrijfswoning ten behoeve van de uitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering voor een langere periode wordt aangetoond;

  3. de oppervlakte van de aanduiding ten hoogste 150 m² zal bedragen;

 

Naast voorgaande speciieke criteria dient ook te worden voldaan aan de algemene criteria onder artikel 6.6.4 van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'. Aan deze criteria wordt hierna, in hoofdstuk 4 aandacht besteed.

 

Een toetsing van het verzoek om uitbreiding aan de hiervoor aangegeven voowaarden laten het volgende beeld zien.

 

Ad. 1.

Uit de op 27 maart 2015 verleende vergunning ex. art.19d natuurbeschermingswet 1998 (zie bijlage 1) en de op 29 mei verleende omgevingsvergunning (bijlage 2) blijkt dat hier om een bestaand volwaardig agrarisch bedrijf in omvang en oppervlakte grond gaat.

 

Ad. 2.

De aanvrager exploiteerd het agrarisch bedrijf. De aanvrager heeft daarmee het hoofdberoep in de landbouw.

 

Ad. 3.

Uit bijlage 1 en 2 blijkt dat er sprake is van een zodanige bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als volwaardig bedrijf.

 

Ad. 4.

Ook bij dit punt verwijzen wij naar bijlage 1 en 2.

 

Verder is het zeer aannemelijk dat een dergelijke investering (uitbreiding ligboxstal) een investering voor de langere termijn is en daarmee voldaan wordt aan de gestelde criteria.

 

Ad. 5.

Het huidige bouwvlak is circa 2,7 hectare. Dit betekent dat in alle gevallen de Nije Pleats methode (zie bijlage 3) aan de orde zal zijn. De omvang van het bouwvlak zal na wijziging circa 3 hectare bedragen.

 

Ad. 6.

De uitbreiding is aansluitend op het bestaande bouwvlak gesitueerd.

 

Ad. 7.

Uit het procedé Nije pleats is een geaccodeerd landschappelijk inpassingsplan ontstaan (zie bijlage 4).

 

Een toetsing aan de specifieke criteria voor toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de realisatie van een tweede bedrijfswoning laat het volgende beeld zien.

 

Ad. 1.

Er is reeds een bedrijfswoning op het perceel aanwezig. Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt planologische medewerking verleend aan de realisatie van een tweede bedrijfswoning.

 

Ad. 2.

De aanvrager heeft een melkveehouderij bedrijf, bestaande uit een maatschap tussen de vader en zijn beide zonen. Ze melken op 2 locaties, namelijk op het Alddiel 1a en op de Aldemiede 16 te Tytsjerk.

 

Op het Alddiel worden 120 koeien gemolken en is hiermee nog net een eenmansbedrijf. Op de Aldemiede worden 210 koeien gemolken en zijn er plannen voor uitbreiding. De bouwvergunning voor uitbreiding van de stal is verleend.

 

In de huidige situatie woont de vader alleen op de Aldemiede. Overdag zijn er hier 3 vaste krachten aan het werk. In de avond- en nachtelijke uren is alleen de vader aanwezig. Dit is erg intensief, omdat de zorgplicht voor levend vee niet alleen overdag geld. Dit betekend dat bij ziekte van koeien, afkalvingen, veetransporten en alle andere calamiteiten er maar 1 persoon aanwezig is. Dit is bij een bedrijf van deze omvang te intensief. Vaak zijn bij de werkzaamheden 2 personen nodig (denk bijvoorbeeld aan een koe van 800 kg die vast ligt en verplaatst moet worden). Ook vanuit een sociaal perspectief is het wenselijk om deze nachtelijke diensten af te kunnen wisselen.

 

De aard en omvang van het huidige melkveebedrijf maakt permanent toezicht noodzakelijk.

Gezien de omvang ontstaat een onwerkbare situatie wanneer er slechts één man verantwoordelijk is voor de avond- en nachtelijke uren. Voor een goede dierverzorging is snel en effectief handelen zeer wenselijk. Hiermee is in de situatie van de aanvrager een 2e bedrijfswoning nodig. Bij calamiteiten zijn er dan 2 man aanwezig, en de nachtelijk diensten kunnen worden afgewisseld.

 

Ad. 3.

De oppervlakte van de aanduiding "bedrijfswoning" wordt niet groter dan 150 m².

 

 

3.3 Functionele inpasbaarheid

Het wijzigingsplan heeft betrekking op een uitbreiding van een reeds bestaand en juridisch/planologisch toegestaan grondgebonden agrarisch bedrijf. De gemeente wil de agrarische sector ruimte bieden, ruimte om uit de breiden, maar binnen de stelregel van een zorgvuldige inpassing in het landschap.

 

 

3.4 Conclusie

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het verzoek ruimtelijk inpasbaar is.

 

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

 

 

4.1 Inleiding

De toetsingscriteria uit het bestemmingsplan Buitengebied 2013 schrijven voor dat een wijzigingsplan onderbouwd dient te worden ten aanzien van de omgevingsaspecten. Er dient aangetoond te worden dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, bodem, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de milieuaspecten en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de geluidsaspecten, de luchtkwaliteit en de externe veiligheid. Daarnaast is het een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren.

 

 

4.2 Landschap en Cultuurhistorie en archeologie

 

Toetsingskader en gebruikte bronnen

De voorgenomen ontwikkeling heeft een aantal gevolgen voor de aspecten landschap, cultuurhistorie en archeologie in het gebied. Voor de beoordeling van de

omgevingseffecten op dit gebied wordt rekening gehouden met de volgende omstandigheden uit bijlage III van de Europese richtlijn voor milieueffectbeoordeling:

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de aspecten landschap, cultuurhistorie en archeologie worden de criteria uit

bijlage III van Europese richtlijn voor milieueffectbeoordeling vertaald naar de

volgende toetsingscriteria:

 

Bij de beschrijving van de effecten voor de thema’s landschap, archeologie en cultuurhistorie wordt gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

 

De bijbehorende (wettelijke) toetsingskaders worden onderstaand beschreven.

 

Monumentenwet

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in

2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking treden. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De wet verplicht gemeenten bij projecten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden.

 

Beleid provincie Fryslân

Een betere bescherming van het bodemarchief vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft de provincie Fryslân het initiatief genomen om, zoveel mogelijk in samenwerking met het rijk en de gemeenten, het bodemarchief zo goed mogelijk in kaart te brengen. Dit gebeurt op de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provinciedekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.

 

De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).

 

Bestaande situatie

Landschappelijke patronen en elementen

De locatie is gelegen in een ontgonnen veengebied. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote mate van openheid. Er is sprake van grootschalige opstrekkende verkaveling. De aanwezige erven liggen als punten in de open ruimte en zijn voor een groot deel gesitueerd naast oude wegen en/of dijken. Beplanting komt eigenlijk alleen voor rond de boerderijen en vormt zo ‘groene eilanden’. De beplanting bevindt zich hoofdzakelijk aan drie zijden van het erf. De voorkant is meestal open met een paar vrijstaande (sier)bomen.

 

Archeologische waarden

Om de archeologische waarden voor het plangebied vast te stellen is de FAMKE geraadpleegd. Voor de periode steentijd - bronstijd valt de uitbreiding van het perceel in het gebied waar karterend onderzoek 3 wordt aanbevolen (zie figuur 2). In deze gebieden kunnen op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. De beoogde ontwikkeling voorziet in 4.000 m² nieuwe bebouwing.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2

 

Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen valt de uitbreiding in een zone waar karterend onderzoek 1 wordt aanbevolen (zie figuur 3). In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. De beoogde ontwikkeling voorziet in 4.000 m² nieuwe bebouwing. Een karterend archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 3

 

Verwachte milieueffecten

Landschappelijke patronen en elementen

Uitbreiding van de stal valt buiten het bestaande erf. Om de beoogde situatie van

de gebouwen en het erf landschappelijk in te passen in een erfbeplantingsplan

opgesteld (zie bijlage 4).

 

Aan de noord- en zuidzijde is een royale struikenrand met bomen aangebracht, met op de hoekpunten een verdichting van de bomen om de contouren van de kavel te accentueren. Aan de oostzijde van het nieuwe erf is een bomenrij met haag eronder aangebracht. De afstand van de bomen is groot gehouden en de haag wordt laag gehouden om de ventilatie van de stal te waarborgen. Een struikenrand langs de voeropslag maakt het nieuwe ‘groene eiland’ weer compleet.

 

De beoogde uitbreiding past binnen de bestaande verkavelingsstructuur. Met het beplantingsplan wordt ervoor gezorgd dat de uitbreiding in het landschap wordt ingepast.

 

Archeologische waarden

Op basis van de advieskaarten van de Provincie Fryslân is archeologisch onderzoek

noodzakelijk. Om de archeologische verwachting te toetsen is onderzoek uitgevoerd waarbij zes boringen zijn gedaan (zie bijlage 5). Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat vanaf 300 tot 340 centimeter beneden het maaiveld dekzand aanwezig is. Dit dekzand wordt afgedekt door een 200 tot 290 centimeter dik pakket veen. Hierop ligt een compacte kleilaag. In de klei- en veenlagen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van bewoningsresten uit de late prehistorie en de middeleeuwen.

Het aangetroffen dekzand is duidelijk verspoeld. Er zijn nergens restanten van een podzolbodem waargenomen. In het plangebied zijn geen dekzandkoppen (meer) aanwezig die aantrekkelijk kunnen zijn geweest voor bewoning in de steentijd. In het opgeboorde zand zijn geen archeologische indicatoren ontdekt die zouden kunnen wijzen op menselijke bewoning gedurende de steentijd of latere perioden.

 

Gezien de afwezigheid van een podzolbodem en het ontbreken van archeologische indicatoren (cultuurlagen) in de klei- en veenniveaus, wordt aantasting van archeologische waarden niet verwacht.

 

Conclusie

Door de ontwikkeling wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische patronen van het landschap. Door middel van een beplantingsplan is het bouwplan zo goed mogelijk ingepast in het landschap. De ontwikkeling leidt daarnaast niet tot aantasting van archeologische waarden. Belangrijke nadelige effecten zijn voor dit aspect uitgesloten. Daarnaast wordt in dit wijzigingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap (Open Landschap)' gehandhaafd.

 

 

4.3 Bodem en water

Toetsingskader en gebruikte bronnen

Voor de beoordeling van de milieueffecten op het gebied van bodem en water

wordt gekeken naar de volgende omstandigheden die worden genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn voor milieueffectbeoordeling:

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op het gebied van bodem en water wordt gekeken naar de volgende toetsingscriteria:

 

Bij de beschrijving van de effecten voor de thema’s bodem en water is gebruik

gemaakt van de volgende informatiebronnen:

 

De bijbehorende (wettelijke) toetsingskaders worden onderstaand beschreven.

 

Wet bodembescherming

Op basis van de Wet bodembescherming geldt een saneringsplicht voor gronden die ernstig vervuild zijn. Wanneer sprake is van nieuwe bodemgevoelige functies, moet verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd om te constateren of er bodemverontreiniging aan de orde is.

 

Waterwet

De Waterwet voorziet in de bescherming van primaire waterkeringen en regelt de bevoegdheden van de Provincies, waterschappen en gemeenten op het gebied van waterbeheer. Provincie, waterschap en gemeente werken vervolgens het beleid uit voor de hun toebedeelde watertaken. De Provincie is verantwoordelijk voor het (diepe) grondwater, de gemeente is verantwoordelijk voor de riolering en het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer als geheel.

 

Watertoets

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen worden

afgestemd met de verantwoordelijk waterbeheerder. In dit geval Wetterskip Fryslân.

 

 

Bestaande situatie

Bodemopbouw en geohydrologie

Het plangebied heeft een veenondergrond. Het gebied kent een grondwatertrap II. De gemiddeld hoogste grondwaterstand in het plangebied is minder dan 40 cm onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand ligt tussen de 50-80 cm onder maaiveld. De locatie maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied (zie figuur 4).[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 4 Grondwaterbeschermingsgebieden (blauw) (bron Provincie Fryslân)

 

Bodemkwaliteit

Er komen in het plangebied geen sloten voor die gedempt zijn met bodemvreemd

materiaal (zie figuur 5). De locatie wordt daarom niet verdacht van bodemverontreiniging. Op dit moment staat ter plaatse van de beoogde staluitbreiding geen bebouwing. Hier is sprake van agrarisch gronden, bomen en een sloot.

 

In de huidige situatie wordt mest opgeslagen in een mestkelder onder de ligboxenstal. Daarnaast beschikt het bedrijf over een mestzak en mestsilo. Deze zijn gelegen ten noordoosten van de bestaande ligboxenstal.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 5 Bodemverontreiniging (www. bodemloket.nl)

 

 

 

Verwachte milieueffecten

Bodemopbouw en geohydrologie

In het plangebied zal de bodemopbouw slechts beperkt worden aangetast. De grond zal worden bebouwd, wat slechts leidt tot een plaatselijke verstoring van de bodemopbouw. Het gaat daarbij om landbouwgronden/erf dat door het landbouwkundig gebruik al is verstoord.

 

De grondwaterspiegel zal als gevolg van de ontwikkeling niet relevant wijzigen. De

gewijzigde bouwmogelijkheden en functies leiden op dit punt niet tot andere milieueffecten.

 

Door de realisatie van de stal zal de oppervlakteverharding toenemen waardoor het water versneld wordt afgevoerd. Tevens worden twee sloten aan de oostzijde gedempt. Voorgesteld wordt de toename van de oppervlakteverharding en het dempen van de sloten te compenseren door het verbreden van bestaande sloten. In overleg met het Wetterskip Fryslân wordt de wijze van compensatie bepaald.

 

Bodem- en grondwaterkwaliteit

De locatie wordt niet verdacht van bodemverontreiniging. Er worden ook geen functies mogelijk gemaakt die gevoelig zijn voor bodemverontreiniging of die leiden tot nieuwe verontreiniging van de bodem. Daarnaast voldoet de opslag van mest en andere stoffen worden aan de voorschriften uit de milieuvergunning, waardoor nieuwe bodemverontreiniging niet aan de orde is.

 

Conclusie

De ontwikkeling leidt niet tot belangrijke nadelige milieueffecten voor bodem en water die het doorlopen van een mer noodzakelijk maken.

 

 

4.4 Natuur

Toetsingskader en gebruikte bronnen

Voor de beoordeling van de milieueffecten op het gebied van ecologie wordt gekeken naar de volgende omstandigheden die worden genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn voor milieueffectbeoordeling.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij het aspect ecologie worden de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn

voor milieueffectbeoordeling vertaald naar de volgende toetsingscriteria:

 

Bij de beschrijving van de effecten voor het thema ecologie wordt gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

 

Ten aanzien van deze aspecten zijn de volgende wettelijke regelingen van toepassing:

 

Wet Natuurbescherming

Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het voorziet in duidelijke en eenvouwdige regels ter bescherming van waardevolle natuur en in minder administratieve lasten.

 

Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet.

 

Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Dit betekent in de praktijk dat het gaat om het effect van de activiteiten op beschermde soorten. Als het werk zo kan worden ingericht dat er geen schade wordt toegebracht aan beschermde soorten, hoeft er vooraf niets geregeld te worden.

 

Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen. Het Rijk en de provincies hebben spelregels afgesproken met betrekking tot de planologische en kwalitatieve bescherming de Natuurnetwerk Nederland. Deze zijn gebaseerd op de 'Spelregels EHS’ (LNV, 2007). In het NNN geldt het 'nee, tenzij' principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden significant worden aangetast niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang.

 

Gebiedsbescherming – Wet ammoniak en veehouderij

Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij wijst de provincie gebieden aan die zeer kwetsbaar zijn voor verzuring. Binnen een bufferzone van 250 meter rondom deze gebieden gelden beperkingen voor de uitbreiding van veehouderijen.

 

Directe ammoniakschade

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden gekeken of in de directe omgeving van nieuwe ontwikkelingen gewassen worden verbouwd die schade ondervinden van de directe ammoniakuitstoot. Uit onderzoek van het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek blijkt dat bij meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen een afstand van minimaal 50 meter noodzakelijk is. Bij minder gevoelige planten en bomen is een afstand van 25 meter wenselijk.

 

Gebiedsbescherming - Provinciaal beleid voor weidevogels en ganzen

De provincie Fryslân heeft de Koersnotitie Weidevogels 2013 opgesteld waarin de doelen van het nieuwe weidevogelbeleid staan, evenals de wijzen waarop deze gerealiseerd kunnen worden. De lijnen uit deze koersnotitie zijn uitgewerkt in maatregelen en acties welke zijn beschreven in de Weidevogelnota 2014 – 2020. Dit nieuwe beleid biedt perspectief voor herstel van gezonde en vitale populaties. In en rondom de weidevogelkansgebieden en de parels zijn niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen die openheid en rust voor weidevogels verstoren in principe niet toegestaan. De gemeente kan zo’n ontwikkeling wel toestaan als sprake is van een ‘noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang’. In dat geval

moet het verlies aan geschikt weidevogelareaal gecompenseerd worden. Agrarische ontwikkelingen zijn wel mogelijk. Hiervoor is compensatie niet aan de orde.

In de Fryske Guozzenoanpak 2014 is het nieuwe ganzenbeleid voor de komende jaren vastgesteld. Op grond van het nieuwe beleid zijn op vrijwillige basis nieuwe ganzenfoerageergebieden begrensd.

 

Bestaande situatie

Natura 2000- en EHS-gebieden

Op circa 3,4 km respectievelijk 5,5 km van het plangebied liggen de Natura 2000-

gebieden Groote Wielen en Alde Feanen. Op ruim 2 km afstand vanaf het perceel ligt een EHS-gebied. In onderstaande figuur zijn de gebieden weergegeven.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 6 Natura 2000 en EHS gebieden in de omgeving van het plangebied (bron provincie Fryslân)

 

 

Wet ammoniak en veehouderij

In de directe omgeving van het plangebied komen geen gebieden voor die in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij zijn aangewezen als gebieden die zeer kwetsbaar zijn voor verzuring. Het dichtstbijzijnde gebied betreft het gebied ten zuiden van de Earrebarrepoel tussen Earnewâld en Garyp, op ruim 7 km afstand.

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 7 Zeer kwetsbare natuur (bron provincie Fryslân)

 

 

Directe ammoniakschade

De gronden in de omgeving van het plangebied worden gebruikt als grasland. Er worden geen gewassen verbouwd die schade kunnen ondervinden als gevolg van de directe ammoniakuitstoot uit de nieuw te bouwen stal.

 

Weidevogelleefgebied en ganzenfourageergebieden

Het dichtstbijzijnde ganzenfourageergebied ligt op circa 3,7 km ten noorden van het plangebied. Daarnaast ligt de projectlocatie in een gebied dat in het kader van het Natuurbeheerplan 2016 is aangewezen als weidevogelkansengebied (leefgebied open grasland).

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 8 Ganzenfourangeergebied (bron provincie Fryslân)

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 9 Weidevogelkerngebied (bron provincie Fryslân)

 

Beschermde soorten

Op de projectlocatie is bebouwing, verharding en opgaand groen aanwezig. Aan

de oostzijde van het perceel ligt ook een watergang. De watergang grenzend aan het agrarisch bouwkavel en de weilanden zijn zeer nutriëntrijk. Naar verwachting zijn hier geen matig of zwaar beschermde soorten aanwezig. Vanwege het maaibeheer komen hier geen beschermde planten voor. Het is wel mogelijk dat hier de licht beschermde bruine kikker en gewone pad voorkomen. In het kader van de Natuurbeschermingswet geldt voor deze soorten een vrijstelling.

In de opgaande beplanting kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Gezien de relatief jonge leeftijd van de bomen, ontbreken hier holtes waarin vaste nesten van vogels of vleermuizen aanwezig kunnen zijn.

 

Verwachte milieueffecten

Natura 2000-gebieden

Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden kunnen directe effecten zoals verstoring (door licht of geluid) of verdroging (door het onttrekken van water) worden uitgesloten en is er geen sprake van areaalverlies.

 

Natura 2000-gebieden op grotere afstand kunnen wel een rol spelen wanneer deze gebieden gevoelig zijn voor de neerslag van ammoniak (stikstofdepositie). In de volgende tabel is aangegeven welke Natura 2000-gebieden op welke afstand van het plangebied liggen en in hoeverre deze stikstofgevoelig zijn. Uit de tabel kan worden afgeleid dat de dichtstbijzijnde gevoelige habitat in de Alde Feanen ligt (circa 5,5 km).

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor de uitbreiding van het bedrijf is een Natuurbeschermingswetvergunning verleend door het bevoegd gezag (provincie Fryslân). Deze vergunning wordt alleen afgeven wanneer significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn. Zodoende zijn belangrijke negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Een afschrift van de verleende Natuurbeschermingswetvergunning is opgenomen in bijlage 1.

 

Ecologische hoofdstructuur

Het plangebied ligt op circa 2 km van de ecologische hoofdstructuur. Gezien de afstand zullen er geen negatieve effecten ontstaan voor de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied.

 

Wet ammoniak en veehouderij

In de omgeving van het plangebied komen geen gebieden voor die in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij zijn aangewezen als gebieden die zeer kwetsbaar zijn voor verzuring. Het dichtstbijzijnde gebied betreft het gebied ten zuiden van de Earrebarrepoel tussen Earnewâld en Garyp, op ruim 7 km afstand. Negatieve effecten voor dit gebied worden uitgesloten.

 

Directe ammoniakschade

De gronden in de omgeving van het plangebied worden gebruikt als grasland. Er worden geen gewassen verbouwd die schade kunnen ondervinden als gevolg van de directe ammoniakuitstoot uit de nieuw te bouwen stal.

 

Weidevogelleefgebied en ganzenfourageergebieden

Ganzenfourageergebieden liggen op grote afstand van het plangebied. Effecten voor fouragerende of rustende ganzen zijn niet aan de orde. De omgeving van het plangebied is in principe geschikt voor weidevogels. Omdat er sprake is van een beperkt bouwplan bij een bestaand bedrijf, is er geen sprake van aanvullende verstoring van weidevogels. Effecten op dit gebied zijn verwaarloosbaar.

 

Gevolgen voor beschermde soorten

Ten behoeve van de ontwikkeling worden geen gebouwen gesloopt. Wel wordt de opgaande beplanting verwijderd en sloten gedempt. In de sloten zijn geen matig en zwaar beschermde soorten aanwezig. In de directe omgeving is voldoende geschikt leefgebied voor de licht beschermde amfibieën aanwezig. In de beplanting zijn mogelijk algemene broedvogels aanwezig. Om effecten op broedende vogels helemaal uit te sluiten, dient het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden.

 

Conclusie

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot ruimtebeslag, aantasting, verzuring, vermesting, versnippering of verstoring van beschermde soorten of natuurgebieden.

Het uitvoeren van een milieueffectrapportage is met het oog op de ecologische aspecten daarom niet nodig.

 

 

4.5 Woon- en leefklimaat

Toetsingskader en gebruikte bronnen

Voor de beoordeling van de milieu aspecten op het gebied van woon- en leefklimaat wordt gekeken naar de volgende omstandigheden die worden genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn voor milieueffectbeoordeling:

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op het gebied van woon- en leefmilieu worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd:

 

Bij de beschrijving van de effecten voor het thema woon- en leefklimaat wordt

gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

 

Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen)

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

 

Wet geluidhinder

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ‘‘in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken’’, een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.

 

Lichthinder

De gemeente Tytsjerksteradiel heeft beleid op het gebied van lichthinder. Bij nieuwe open stallen is het opstellen van een lichtplan noodzakelijk wanneer verlichting van meer dan 40 lux wordt toegepast.

 

Geurhinder

Melkveehouderijen met meer dan 200 stuks melkvee, zijn vergunningplichtig.

Voor deze bedrijven zijn de regels uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Ten aanzien van geurgevoelige objecten in het buitengebied wordt rekening gehouden met een afstand van 50 meter ten opzichte van het emissiepunt. Ten opzichte van de bebouwde kom, wordt rekening gehouden met 100 meter.

 

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering.

 

Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10- 6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden.

 

Bestaande situatie

Verkeerhinder

In de bestaande situatie wordt het perceel via de Aldemiede ontsloten. Aan deze weg worden diverse agrarische bedrijven ontsloten. De weg is geschikt voor landbouwverkeer.

 

Luchtkwaliteit

Uit de NSL-monitoringstool 2015 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de N31 en Planetenlaan (als maatgevende wegen in de omgeving van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen maximaal 16,5 µg/m³ voor NO2, 17,7 µg/m³ voor PM10 en 10,2 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7 dagen.

 

Geluid

Wegverkeerslawaai

Het plangebied is gelegen aan de Aldemiede. Deze weg is gelegen buiten de bebouwde kom en op deze weg geldt een maximumsnelheid van 60 km/u. Voor de weg geldt een geluidszone van 250 meter.

 

Geluid van de inrichting

Behalve de verkeersbewegingen van, naar en op het erf, zijn er geen relevante geluidsbronnen op het erf aanwezig.

 

Lichthinder

Lichtuitstraling van met name ligboxenstallen kan overlast voor de omgeving opleveren. De huidige ligboxenstal staat half verdekt opgesteld achter de bestaande jongveestal en schuren en is landschappelijk ingepast met een bomenrij aan de oostzijde. Van veel zijdelingse lichtuitstraling is daardoor geen sprake.

 

Geurhinder

Het bedrijf voldoet in de huidige situatie aan de afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij (50 meter). Binnen 50 m zijn geen woningen van derden aanwezig.

 

 

Externe veiligheid

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, het water, de weg of door buisleidingen.

 

Verwachte milieueffecten

Verkeershinder

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Het aantal verkeersbewegingen zal zeer beperkt toenemen. Vanwege de lage verkeersintensiteit is de Aldemiede geschikt om dit landbouwverkeer te verwerken.

 

Luchtkwaliteit

Het aantal te houden dieren, het soort dieren, de verkeersaantrekkende werking van de beoogde uitbreiding en de verkeerstoename zijn niet dusdanig dat dit in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Uit de onderstaande tabel blijkt dat pas bij 1360 melkkoeien sprake is van een relevante bijdrage (‘in betekenende mate’) fijn stof ontstaatop een afstand van 50 meter.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 10: berekening aantal dieren voor bepaling ‘in betekenende mate’ (bron:

Fijn stof uit stallen Berekeningen in het kader van het NSL, A. Bleeker

E. Gies (Alterra) A. Kraai, rapport: ECN-E--06-045, van Energy research Centre of the Netherlands)

 

Omdat hiervoor al is aangegeven dat de achtergrondconcentraties van de maatgevende stoffen fijn stof en stikstofdioxide betrekkelijk laag zijn, is nader onderzoek op het gebied van de luchtkwaliteit niet aan de orde.

 

 

 

 

Geluid

Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied wordt een nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Gelet op onderstaand figuur 11 ligt locatie voor de nieuwbouw woning buiten de 53 dB lijn. Het is daarom niet nodig dat er een hogere waarde verleend wordt.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

Figuur 11 fragment Akoestisch onderzoek ligging geluidscontouren wegverkeerslawaai t.b.v. actualisatie bestemmingsplan “Buitengebied” gemeente Tytsjerksteradiel

 

Daarnaast zal de ontwikkeling zelf dusdanig weinig verkeer genereren, dat omliggende woningen daarvan geen hinder zullen ondervinden.

 

Geluid van de inrichting

In de toekomstige situatie neemt de geluidsemissie van het erf nauwelijks toe. Bovendien zijn er in de directe omgeving (tot circa 150 m) geen woningen aanwezig. Relevante geluidhinder is niet aan de orde.

 

Lichthinder

Het bouwperceel is gelegen in een open landschapstype. Nieuwe lichtbronnen kunnen daarbij leiden tot hinder.

 

Op basis van het gemeentelijk beleid is er een lichtplan opgesteld (zie bijlage 6). In

dit lichtplan moet worden aangetoond dat er geen sprake is van overmatige lichtuitstraling. Er is berekend of er wordt voldaan aan de maximale normen. Het lichtplan wordt samen met de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend.

 

Voor de uitbreiding van de ligboxenstal wordt gebruik gemaakt van LED lampen. Deze stralen meer licht naar beneden, waardoor de lichtuitstraling naar buiten toe tot een minimum wordt beperkt. LED verlichting geeft ook weinig lichtverstrooiing, het licht schijnt waar het moet en houdt het buiten de stal donker. De onderkant van de armaturen hangen minimaal 1 meter boven de goothoogte. Tevens is gekozen voor een zo donker mogelijke kleur van het stalgordijn. Hierdoor wordt de uitstraling naar buiten ook tot een minimum beperkt.

 

In tabel 6 zijn de resultaten van de lichtberekening weergegeven. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de normen uit het convenant lichthinder melkveehouderij en het beleid van de gemeente Tytsjerksteradiel.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geurhinder

Ook in de toekomstige situatie wordt voldaan aan de afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij (50 meter ten opzichte van woningen van derden).

 

Externe veiligheid

Er liggen geen risicobronnen in de nabijheid van het nieuwe erf. Het plangebied ligt dan ook niet binnen een relevante risicocontour. Van negatieve gevolgen voor de externe veiligheid is zodoende geen sprake.

 

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige effecten ten aanzien van het woon- en leefmilieu. Er worden diverse maatregelen getroffen om de lichtuitstraling naar buiten tot een minimum te beperken. Tevens is een lichtplan opgesteld waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde normen. Van lichthinder is dan ook geen sprake. Deze aspecten maken het doorlopen van een volledige mer-procedure niet noodzakelijk.

 

 

4.6 Duurzaamheid en energie

 

Toetsingskader en gebruikte bronnen

Voor de beoordeling van de omgevings effecten op het gebied van woon- en leefmilieu

wordt gekeken naar de volgende omstandigheden die worden genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn voor milieueffectbeoordeling:[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op het gebied van duurzaamheid en energie worden de volgende toetsingscriteria

gehanteerd:

 

Wet milieubeer / Activiteitenbesluit

In de Wet milieubeheer is uitgewerkt wat er wordt bedoeld met een doelmatig

beheer van afvalstoffen. Daarbij wordt de volgende prioriteitsvolgorde gehanteerd:

1. preventie;

2. voorbereiding voor hergebruik;

3. recycling;

4. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

5. veilige verwijdering.

 

In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de opslag van (gevaarlijke) afvalstoffen. Daarnaast zijn er regels van toepassing op het energieverbruik binnen inrichtingen.

 

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Verbruik van energie en grondstoffen

De verlichting van de ligboxenstallen is een belangrijke kostenpost voor het bedrijf. Grondstoffen (gras en ruwvoer) worden zoveel mogelijk op eigen grond verbouwd en waar nodig aangevuld met krachtvoer. De opbrengsten van eigen grond zijn afhankelijk van de weersomstandigheden en kunnen incidenteel worden aangevuld.

 

Doelmatig beheer van afvalstoffen

Bij een melkveehouderij worden niet op grote schaal afvalstoffen geproduceerd of stoffen vervaardigd die gevaarlijk zijn voor het milieu. Mest wordt in principe niet gezien als een afvalstof; deze stoffen kunnen nuttig worden toegepast. Voor de verwerking van mest op het land gelden de gebruiksnormen uit de Meststoffenwet. Kunstmest wordt alleen toegepast wanneer de gronden niet voldoende worden bemest vanuit de stallen.

 

Verwachte milieueffecten

Verbruik van energie en grondstoffen

Bij de nieuw te bouwen stal wordt optimaal gebruik gemaakt van verlichting. Voor het gebruik van grondstoffen geldt ook in de toekomstige situatie, dat zoveel mogelijk de eigen gronden worden gebruikt voor de productie van veevoer.

 

Doelmatig beheer van afvalstoffen

De mestproductie van het melkveebedrijf zal toenemen, omdat in de toekomst meer koeien worden gehouden. Omdat het bedrijf voldoende landbouwgrond heeft, wordt de mest in principe aangewend op eigen grond. Naar verwachting is daardoor minder kunstmest noodzakelijk.

 

Conclusie

Het bedrijf maakt geen gebruik van gevaarlijke grond- of afvalstoffen. Daarnaast wordt er optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden van eigen grond om veevoer te verbouwen en mest af te zetten. De nutriëntenkringloop van het bedrijf wordt (zoveel mogelijk) gesloten.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

 

 

5.1 Algemeen

Op de locatie waar het nieuwe bouwvlak wordt gesitueerd is het bestemmingsplan Buitengebied 2013 van de gemeente Tytsjerksteradiel van kracht (vastgesteld 27 juni 2013). Het plangebied heeft de volgende bestemmingen:

De dubbelbestemming Waarde - Landschap (Open landschap) blijft gehandhaafd in dit wijzigingsplan. Het voorliggende wijzigingsplan maakt na het onherroepelijk worden deel uit van het moederplan.

 

 

5.2 Verbeelding

Dit wijzigingsplan gaat vergezeld van een verbeelding. Deze verbeelding vervangt de in het vigerend bestemmingsplan Buitengebied 2013 opgenomen verbeelding. Op de verbeelding is het nieuwe bouwperceel aangegeven.

Voor de ondergrond van de plankaart is gebruik gemaakt van de meest actuele Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN), waar nodig aangevuld met de kadastrale kaart. Na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied 2013.

 

 

5.3 Regels

Op het wijzigingsplan zijn de regels van het moederplan van toepassing. De bestemmingen die op dit wijzigingsplan van toepassing zijn, zijn in de regels opgenomen. Deze bevatten dezelfde bepalingen als de regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2013.

 

 

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

 

In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.

 

 

6.1 Economisch

 

De benodigde grond is in eigendom van de aanvrager. Tussen de aanvrager en gemeente zal, met inachtneming van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening, een overeenkomst worden gesloten met betrekking tot verhaal van eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en hoeft geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.

 

 

6.2 Maatschappelijk

 

Het wijzigingsplan wordt, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Er is wel/geen zienswijze ingediend.