direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Gein-Zuid 32, Abcoude
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0736.TAM002GeinZuid32-va01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie Gein-Zuid 32 te Abcoude en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22b.’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

1.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Gein-Zuid 32, Abcoude;

1.2.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen;

1.2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.2.5 ander werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid;

1.2.6 archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en te toetsen;

1.2.7 archeologisch onderzoek

onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische resten door een gecertificeerde instantie werkend conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Dit onderzoek kan bestaan uit bureauonderzoek, booronderzoek, begeleiden, proefsleuvenonderzoek, opgravingen of een combinatie daarvan;

1.2.8 archeologisch rapport

rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

1.2.9 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten in dat gebied;

1.2.10 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische resten;

1.2.11 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.2.12 begeleiden

het begeleiden van bodemverstorende ingrepen door een gecertificeerde instantie die de aanwezige archeologische resten documenteert en verzamelt conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen;

1.2.13 bestaand(e)
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;
1.2.14 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

1.2.15 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.2.16 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.2.17 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.2.18 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.2.19 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.2.20 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.2.21 cultuurhistorische waarden

de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met het aanwezige cultuurhistorisch erfgoed;

1.2.22 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.2.23 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.2.24 gecertificeerde instantie

instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in art. 5.1 van de Erfgoedwet;

1.2.25 groen(voorziening)

binnen een gebied of perceel, dan wel op een gedeelte ervan, gelegen grasvelden, beplantingen, begroeiingen en paden, al dan niet gecombineerd voorkomend;

1.2.26 landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens);

1.2.27 natuurwaarden

de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met de aanwezige flora en fauna;

1.2.28 nutsvoorzieningen

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.2.29 opgraving

de ontsluiting van een archeologische vindplaats door een gecertificeerde instantie met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstelling(en);

1.2.30 overkapping

een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren;

1.2.31 peil

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld na gereedkomen bouw;

1.2.32 Programma van Eisen (PvE)

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven of een opgraving staan geformuleerd. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd;

1.2.33 verbeelding

de verbeelding van het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Gein-Zuid 32, Abcoude'.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. de regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 'Gein-Zuid 32', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.TAM002GeinZuid32-va01;
  • 2. de regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in het bestemmingsplan "Abcoude Buitengebied" waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het het GML-bestand NL.IMRO.0736.BP003BuitengebAbc-oh01 en "Parapluplan Parkeren" waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.BP019parkeren-va01 die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet;
  • 3. De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • 4. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.3.

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.2 de lengte, breedte of diepte

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.3 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.4 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het in dit artikel bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Wonen

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.

4.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. het wonen in een woning, niet zijnde een drijvende woning, woonschip of een stacaravan/chalet;

met daarbij behorende:

  • b. erven en tuinen;
  • c. toegangswegen - en paden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Wonen' uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan;
  • c. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • d. het gezamenlijk oppervlak aan hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan het bestaande oppervlak.

4.4 Specifieke functieregels
4.4.1 Aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten

Gebruik van ruimten binnen een woning ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van de gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tot ten hoogste in totaal 50 m2 mag worden gebruikt voor de aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  • b. degene die activiteiten in de woning uitvoert dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  • c. vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving zijn, met uitzondering van tandartsenpraktijken, niet toegestaan;
  • d. bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten;
  • e. het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeers- en parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.
4.4.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze functie wordt begrepen het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders dan aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.

5.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische waarden.

5.3 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

5.4 Omgevingsvergunning bouwen in of op gronden met functieaanduiding Waarde - Archeologie
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op:
    • a. een bouwplan dat gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
    • b. een locatie waarvoor op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • c. een bouwplan dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut alsmede het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 100 m2.
5.5 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen in of gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in lid 5.4, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit betreft een rapport van:
      • een bureauonderzoek;
      • zo nodig een booronderzoek; en
      • zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek;
    • b. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek;
    • c. als sprake is van een proefsleuvenonderzoek of opgraving: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek of de opgraving;
    • d. als sprake is van (te verwachten) archeologische waarden onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  • 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. als sprake is van zichtbare archeologische waarden: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand;
    • b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologischewaarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
5.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie
  • 1. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in lid 5.4, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie wordt alleen verleend als:
    • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige;
    • c. aanvragers naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende kunnen aantonen dat er al werkzaamheden tot de betreffende diepte van het bouwplan hebben plaatsgevonden. In dat geval is er geen archeologisch onderzoek meer nodig.
  • 2. Op of in de gronden zoals benoemd in de lid 5.3 genoemde functie mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • 3. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel bij het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
5.7 Vergunningvoorschriften bouwen in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie

Aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

  • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
  • b. het verrichtten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigirende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemmeester en wathouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • c. Het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • d. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
  • e. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
5.8 Omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie
  • 1. Het is verboden op of in de voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
    • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 5.4 in acht is genomen;
    • b. niet dieper dan 30 cm en over een oppervlak groter dan 100 m2 worden uitgevoerd;
    • c. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van:
      • onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;
    • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
5.9 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      • de omvang in vierkante meters; en
      • de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    • b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    • c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    • d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit betreft een rapport van:
      • een bureauonderzoek;
      • zo nodig een booronderzoek; en
      • zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek;
    • e. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek;
    • f. als sprake is van een proefsleuvenonderzoek of opgraving: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek of de opgraving;
    • g. als sprake is van (te verwachten) archeologische waarden onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  • 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    • b. als sprake is van zichtbare archeologische waarden: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand;
    • c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
5.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie wordt alleen verleend als:
    • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
    • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
    • c. de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.
  • 2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
5.11 Vergunningvoorschriften aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie

Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

  • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
  • b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • d. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
  • e. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
5.12 Omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk in of op gronde met de functieaanduiding Waarde Archeologie

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie een bouwwerk te slopen.

5.13 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning slopen bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, zoals bedoeld in 5.12, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld, Dit betreft een rapport van:
    • 1. een bureauonderzoek;
    • 2. zo nodig een booronderzoek.

b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen.

5.14 Beoordelingsregels omgevingsvergunning slopen bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie wordt alleen verleend als uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat:
    • a. er op de locatie van het te slopen bouwwerk geen archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn; of
    • b. de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig worden geschaad; of
    • c. de archeologische waarden kunnnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  • 2. Bij de beslissing op de aanvraag, zoals bedoeld in 5.12, wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
5.15 Vergunningvoorschriften slopen bouwwerk of in op gronden met de functieaanduiding Waarde Archeologie
  • 1. Aan een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, zoals bedoeld in 5.12, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologie kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
    • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    • b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
    • c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
    • d. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    • e. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
    • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  • 2. De voorschriften als bedoeld in het eerste sublid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
5.16 Advies

Indien sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in leden 5.4, 5.8 en 5.12 is vereist, wint de aanvrager vooraf archeologisch advies in bij de door burgemeester en wethouders aangewezen archeologisch deskundige.

5.17 Beoordeling

Alvorens de omgevingsvergunning zoals bedoeld in leden 5.4, 5.8 en 5.12 te verlenen, vragen burgemeester en wethouders advies aan een archeologisch deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

6.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met alle functies wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, anders dan voor zover noodzakelijk is voor het normale onderhoud van tuinen en andere onbebouwde terreinen en het onderhoud van watergangen;
  • b. het opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan, anders dan voor zover dit het gevolg is van of direct samenhangt met het gebruik van een bedrijfserf, behorende bij een winkel of bedrijf, in overeenstemming met de desbetreffende functie en activiteiten;
  • c. het gebruik van bebouwde dan wel onbebouwde gronden als of ten behoeve van een seksinrichting en/of prostitutie;
  • d. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning.

Artikel 7 Overige regels

7.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' worden, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geen ontheffingen verleend voor een grotere bouwhoogte dan bij de regels is bepaald.

7.2 Parkeren
7.2.1 Parkeernormen
  • a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030' zoals vastgesteld op 19 januari 2024.
  • b. Indien het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030 ' zoals vastgesteld op 19 januari 2024 wordt gewijzigd of herzien, is deze wijziging dan wel herziening van toepassing.
  • c. De onder a bedoelde parkeergelegenheid moet afmetingen hebben die afgestemd zijn op de richtlijnen opgenomen in de ASVV2012 van het CROW.
7.2.2 Laden en lossen

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. In deze behoefte moet voorzien zijn op eigen terrein.

7.2.3 Afwijken

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 7.2.1 en/of lid 7.2.2:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
7.2.4 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan bij de omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 7.2.1 onder c, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.