Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Ringdijk 1e bedijking 3A - 4A, Amstelhoek
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0736.BPP061Ring1Bed3a4a-va01

Toelichting

 
1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om het perceel gelegen aan de Ringdijk 1e bedijking 3A - 4A in Amstelhoek te herbestemmen naar een woonbestemming. In de huidige situatie heeft het plangebied een bedrijfsbestemming en is er één bedrijfswoning toegestaan. Echter heeft de initiatiefnemer, nadat het bedrijf gestopt was, de uitbreiding van de voormalige bedrijfsbebouwing verbouwd tot tweede woning, waardoor het werkelijke gebruik niet overeenkomt met de bestemming. Er wordt dan ook beoogd het feitelijk gebruik te formaliseren door een herziening van het bestemmingsplan.
 
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied-West', vastgesteld op 21 februari 2019. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied een bedrijfsbestemming. Er is één bedrijfswoning in het plangebied toegestaan. Het planologisch toevoegen van een woning en het wijzigen van het gebruik van het plangebied is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Op 1 februari 2022 heeft de gemeente gereageerd op het verzoek om vooroverleg van de initiatiefnemer (kenmerk: 0054438/RU-PL&VE). Hierin geeft de gemeente aan dat het initiatief onder voorwaarden haalbaar is.
 
Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient, met inachtneming van de door de gemeente gegeven voorwaarden, een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
 
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is gelegen aan de Ringrijk 1e bedijking 3A-4A te Amstelhoek, een woonplaats aan de noordwestzijde van de gemeente De Ronde Venen. Het plangebied beslaat delen van de percelen die kadastraal bekend zijn onder de kadastrale gemeente Mijdrecht, sectie A, perceelnummers 3692 en 3693.
 
Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
       
Globale ligging plangebied, rode omcirkeling (bron: ruimtelijkeplannen.nl)   
Globale begrenzing plangebied, rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied-West', vastgesteld op 21 februari 2019 door de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen. Op 23 februari 2023 is het bestemmingsplan '1e herziening Buitengebied-West' vastgesteld. Hierin is voor enkele plandelen de vernietiging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gerepareerd, maar zijn ook enkele definities gelijk aangepast aan de gemeentelijke standaarden. De navolgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding ter plaatse van het plangebied.
   
Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied-West, plangrenzen binnen rode kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
Binnen het plangebied geldt de enkelbestemming 'Bedrijf'. Voor de bebouwing is een bouwvlak opgenomen en is een maximaal bebouwd oppervlak van 280 m² toegestaan. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven van categorie 1 en 2 zoals genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten.
  
Tevens gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5' en 'Waterstaat - Waterkering'. Verder geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - Landbouwgebied' en de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - stelling van Amsterdam'. Een klein deel in het noorden van het plangebied heeft de gebiedsaanduiding 'Overige zone - Landbouwkerngebied'.
 
Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied-West’ heeft het perceel nog een bedrijfsbestemming. Gezien het feit dat het bedrijf gestopt is en de twee aanwezige woningen daarmee feitelijk als burgerwoning in gebruik zijn, is het geldende bestemmingsplan niet in lijn met het gebruik. Middels voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan wordt het feitelijk gebruik geformaliseerd.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
 
2 Planbeschrijving
 
2.1 Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de Ringdijk 1e Bedijking, in het open landschap van de 'Polder Eerste Bedijking der Mijdrechtse Droogmakerij'. Vanaf de Ringdijk 1e Bedijking is er zicht op het achtergelegen open landschap. Het plangebied is tevens gelegen in het inundatiegebied van het Unesco Werelderfgoed 'Nederlandse waterverdedigingslinie'. Hiervan maken de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam onderdeel uit. Het deel van de Nederlandse waterverdedigingslinie dat in de omgeving van het plangebied ligt betreft de Stelling van Amsterdam. In de omgeving zijn dan ook meerdere forten van de Stelling aanwezig, met in het noorden Fort Waver-Amstel en in het zuidwesten het Fort bij Uithoorn. Ten noorden van het plangebied, achter de Amstel, ligt Uithoorn.
 
De onderstaande afbeelding toont een tekening van de huidige situatie van het plangebied.
 
Situatietekening huidige situatie plangebied (bron: Buro SRO, 22 juni 2022) 
 
De Ringrijk 1e bedijking is ontstaan tijdens de drooglegging van de polder. Het is een dijklichaam met daarop een onverharde weg. Direct ten noordoosten van het plangebied bevinden zich twee woningen.
 
Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de Ringdijk 1e bedijking weer, evenals de zuidelijk gelegen polder.
 
Impressie Ringdijk 1e bedijking (bron: Google Streetview, d.d. augustus 2020)
  
Ringdijk 1e bedijking 3A - 4A
Het plangebied betreft een voormalig bedrijfsperceel met een hoofdgebouw, waarin zich twee woningen bevinden, die ieder over een eigen voordeur beschikken. In 2016 is er een vergunning verleend voor de uitbreiding van het pand ten behoeve van de bedrijfsactiviteit. De bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels gestopt. Hierop volgend heeft er een verbouwing aan het pand plaatsgevonden waarbij de gevel van het pand is verbouwd en waarbij er een tweede woning in het pand mogelijk is gemaakt.
 
De voorzijde van het plangebied is verhard met stelconplaten. Het perceel heeft een oppervlakte van ca. 1.800 m². Op eigen terrein is ruimte om te parkeren.
 
Onderstaande afbeelding toont een impressie van het plangebied gezien vanaf de Ringdijk 1e bedijking.
  
Impressie plangebied (bron: Google Streetview, d.d. augustus 2020)
 
2.2 Toekomstige situatie
Initiatiefnemers zijn voornemens om de gronden van het plangebied te herbestemmen naar een woonbestemming, zodat het feitelijk gebruik als woonperceel met een tweekapper wordt geformaliseerd. Met het initiatief vinden er geen aanpassingen plaats aan het pand; er vindt enkel een herbestemming naar een woonbestemming plaats. Daarbij worden in het bouwvlak twee aaneengebouwde woningen toegestaan. Het aannemersbedrijf van de initiatiefnemer is daarvoor gestopt. Wel is de initiatiefnemer voornemens nog wat kleinschalige klusactiviteiten uit te voeren als een aan huis gebonden bedrijf en beroep.
 
In de brief van de gemeente De Ronde Venen (kenmerk: 0054438/RU-PL&VE) geeft de gemeente aan dat het initiatief aan enkele voorwaarden dient te voldoen. Het plan dient uitgevoerd te worden binnen de bestaande bouwmassa. Er mag dus geen nieuwe bebouwing in de vorm van bijvoorbeeld bijgebouwen op het perceel gebouwd of mogelijk gemaakt worden. Dit wordt op de bij voorliggend bestemmingsplan behorende verbeelding en in de regels vastgelegd. Daarnaast stelt de gemeente de voorwaarde dat er een erfinrichtingsplan opgesteld wordt, dat in het bestemmingsplan geborgd dient te worden. Dit erfinrichtingsplan is opgesteld en komt in het vervolg van deze paragraaf aan bod. Verder stelt de gemeente dat een aan huis gebonden bedrijf/beroep moet passen binnen de regels van het geldende bestemmingingsplan 'Buitengebied-West'. Deze regels zijn in onderhavig bestemmingsplan overgenomen.
 
De navolgende afbeelding toont het erfinrichtingsplan (landschappelijk inpassingsplan) van het plangebied.
 
Landschappelijk inpassing beoogde ontwikkeling (bron: Buro SRO, d.d. 27 maart 2023)
 
In de regels van voorliggend bestemmingsplan is vastgelegd dat de maatregelen van het erfinrichtingsplan binnen twee jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan getroffen zijn. Daarbij is de meest ingrijpende maatregel dat alle stelconplaten worden vervangen door boerengrind en grasbetontegels voor de parkeerplaatsen. Door het toepassen van boerengrind wordt aangesloten op het halfverharde karakter van de Ringdijk Eerste Bedijking. Bovendien wordt al bij diverse percelen in de omgeving grind toegepast. Het perceel wordt door deze maatregel meer herkenbaar als landelijk erf en sluit in verharding beter aan op de omgeving.
Het bestaande witte hekwerk wordt aangepast, zodat het in kleur en vorm overeenkomt met polderhekken, die in de direct omgeving op verschillende plaatsen te vinden zijn. Dit zorgt ervoor dat de erfafscheidingen onopvallender worden en beter aansluiten op de aanwezige landelijke afscheidingen in de omgeving. Het parkeren vindt plaats achter een haag van streekeigen beplanting, wat het zicht op de auto's ontneemt. De parkeerplaatsen worden voorzien van waterdoorlatende grasbetonstenen. De gastank aan de Ringdijk dient behouden te worden, omdat een gasaansluiting op het perceel ontbreekt en de woningen nog niet geschikt zijn voor verwarming met warmtepompen of andersoortige duurzame oplossingen. Echter draagt de aanwezigheid van de gastank bij aan het bedrijfsmatige beeld van het perceel. Om dit weg te nemen wordt het zicht op de gastank beperkt door deze in het groen in te passen. Aan de westzijde van het plangebied wordt een haag geplant van Liguster en gemengde streekeigen heesters, zodat de inkijk in de tuin minder wordt. Aan de waterrand, in het zuidelijke deel van het plangebied, wordt riet aangeheeld, wat de kwaliteit van de oever ten goede komt. De (fruit) bomen worden met de beoogde ontwikkeling behouden. 
 
In de huidige situatie is er aan de noordoostzijde van het perceel een bijgebouw aanwezig, waar onder andere gereedschappen en tuinartikelen worden opgeslagen. Dit bijgebouw staat gedeeltelijk voor de voorgevel van de woningen, wat niet in lijn is met het algemene uitgangspunt dat in het buitengebied bijgebouwen minimaal 3 m achter de voorgevellijn dienen te staan. Echter doet zich op onderhavig perceel het unieke feit voor dat de woningen amper over achtererfgebied beschikken. Wel is er aan beide zijden wat zijerf aanwezig, maar ook dit is krap. De situering van het bijgebouw, op de erfgrens en iets voor de voorgevellijn, zorgt ervoor dat het zijerf bruikbaar blijft voor de woning. Aangezien de bebouwing op het buurperceel verder richting de dijk staat, wordt de situering van dit bijgebouw acceptabel geacht. Hiervoor is een specifieke regeling opgenomen in de regels en op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. 
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
    
Planspecifiek 
De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.4 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling heeft raakvlak met het Barro. Het plangebied raakt aan één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen, namelijk titel 2.13 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Het plangebied  ligt immers in het gebied dat in kaart 7 van het Barro door het Rijk indicatief is aangemerkt als de 'Stelling van Amsterdam'. Toetsing aan deze uitwerking vindt plaats in toelichting paragraaf 3.2.2. De overige belangen van het Barro zijn verder niet specifiek van toepassing, waarmee het geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling.
 
3.1.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB)
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die:
  1. het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid);
  2. zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. 
 
Planspecifiek
Het plangebied bevindt zich binnen het 'beperkingengebied' van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' (LIB). Het plangebied valt echter buiten het gebied waar een beperking voor bebouwing geldt. Voor het plangebied geldt wel een maatgevende toetshoogte van maximaal 141 meter NAP. De toetshoogte wordt met de beoogde ontwikkeling niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling veroorzaakt.
 
3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt.
 
Voorliggend plan heeft betrekking op het omzetten van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, waarbij de bestaande situatie planologisch vastgelegd wordt en er planologisch één extra woning toegevoegd wordt. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst te worden of er behoefte is aan de ontwikkeling. Zoals blijkt uit toelichting paragraaf 3.3.2 bestaat er in de gemeente een behoefte aan woningen.
 
Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht
De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
  • waarin Stad en land gezond zijn;
  • die Klimaatbestendig en waterrobuust is;
  • waarin Duurzame energie een plek heeft;
  • met Vitale steden en dorpen;
  • die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
  • met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. 
Slim combineren
Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
 
Concentreren
Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie.
 
Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie
De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
 
Planspecifiek
Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. In het landelijk gebied wil de provincie in specifieke gevallen wonen als opvolgfunctie toestaan. Aangezien onderhavig plan betrekking heeft op bedrijfsbeëindiging wordt wonen een passende opvolgfunctie geacht. Daarbij dient in ieder geval sprake te zijn van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. In toelichting hoofdstuk 2 is deze kwaliteitsverbetering aan de hand van het landschappelijk inpassingsplan toegelicht.
 
Een belangrijk onderdeel van de duurzame leefomgeving is gezondheid. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht, water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn. Uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving.
 
De provincie wil de fysieke leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust maken. Het is belangrijk dat bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met een robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Onderdeel van een klimaatbestendige leefomgeving is klimaatadaptief bouwen. Om dit te stimuleren heeft de provincie Utrecht het initiatief genomen om met zoveel mogelijk gemeenten, bouwers, ontwikkelaars en waterschappen afspraken te maken over het 'klimaatrobuust' maken van gebouwen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de nota 'Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht'. In de nota is klimaatadaptief bouwen onderverdeeld in de volgende thema's: hitte, droogte, wateroverlast, gevolgbeperking van overstromingen, biodiversiteit & natuurinclusiviteit en bodemdaling.
 
Bij voorliggend plan is aandacht besteed aan klimaatadaptief bouwen. Omdat het gaat om een bestaand gebouw zijn sommige thema's minder aan de orde. Navolgend worden de relevante thema's beschouwd.
 
- Hitte
Overlast van hitte is in het plangebied niet te verwachten. Bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden. Daarnaast worden ook de stelconplaten verwijderd en wordt er groen toegevoegd.
 
- Droogte
Door de stelconplaten te verwijderen treedt er een verbetering van de infiltratie van regenwater in de bodem op
 
- Bodemdaling
Uit de Klimaateffectatlas blijkt dat de verwachting is dat in het plangebied een matige bodemdaling (10-20 cm) tot aan 2050 optreedt. Aangezien de woningen reeds aanwezig zijn is hier bouwkundig geen rekening meer mee te houden. Het betreffende gebouw staat al sinds 1970 in het plangebied, waardoor voorliggend plan geen extra bodemdaling veroorzaakt.
 
In aanvulling op het voorgaande is het plan getoetst aan de kaartlagen van de kaart behorende bij de omgevingsvisie. De relevante kaartlagen worden hieronder behandeld.
 
Cultuurhistorische Hoofdstructuur en landschap
De planlocatie maakt onderdeel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De omgeving van het plangebied is aangemerkt als agrarisch cultuurlandschap. Voor het agrarisch cultuurlandschap is het beleid gericht op dat cultuurhistorische waarden in samenhang met de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart bij de planontwikkeling een rol spelen. De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn de volgende: 
  1. openheid;
  2. (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.);
  3. landschappelijke diversiteit;
  4. rust & stilte. 
Onderhavig plan levert geen bijdrage aan de eerste twee kernkwaliteiten, maar doet hier ook geen afbreuk aan. Wel draagt het bij aan de kwaliteit van het landschap, door het perceel landschappelijk in te passen, zoals reeds beschreven in toelichting paragraaf 2.2. Daarnaast verbetert de rust & stilte door een bedrijfsbestemming weg te nemen. Het plan is in lijn met de ambities van de provincie voor het agrarisch cultuurlandschap en het Groene Hart.
 
Verder ligt het plangebied in het gebied dat is aangemerkt als UNESCO werelderfgoed. Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 3.2.2.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht.
 
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht
Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's:
 
De Omgevingsverordening
In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken.
 
De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.
 
Programma's 
Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsverordening wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.
 
Planspecifiek
Met voorliggend plan wordt een stedelijke functie in het buitengebied vervangen door een andere stedelijke functie. Daarmee is artikel 9.7 van de omgevingsverordening relevant. Dit artikel maakt het mogelijk een stedelijke functie in het buitengebied te vervangen door een andere stedelijke functie, mits voldaan wordt aan enkele voorwaarden. Met voorliggend plan wordt voldaan aan deze voorwaarden, aangezien de functiewijziging niet leidt tot een vergroting van de locatie en tot een toename van de effecten op de omgeving. Bovendien verslechteren de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet en worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Ten slotte is er met de beoogde ontwikkeling geen sprake van een uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, wat geborgd is in de regels van voorliggend bestemmingsplan.
 
Tevens dienen de overige relevante thema’s getoetst te worden. Navolgend komen de relevante thema’s, die middels de bij de omgevingsverordening behorende kaart geïnventariseerd zijn, aan bod.
 
Vrijwaringszone regionale waterkeringen
Conform artikel 2.8 van de Interim Omgevingsverordening dient een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de 'Vrijwaringszone regionale waterkering' bestemmingen en regels te bevatten die de waterkerende functie beschermen en voorzien in een vrijwaringszone aan weerszijden van de waterkering. Er is in voorliggend bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen om in de van toepassing zijnde vrijwaringszone te voorzien.
 
Overstroombaar gebied
Op kaart 3 'Watersysteem kaart 2' staat aangeven dat het plangebied in overstroombaar gebied ligt. Daarbij wordt in artikel 2.10 gesteld dat er rekening gehouden moet worden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks waardoor dit artikel voor onderhavig plan niet van toepassing is.
   
Unesco Werelderfgoed Hollandse Waterlinies
Het plangebied is gelegen in de Stelling van Amsterdam, wat in de omgevingsverordening wordt aangegeven als  (voorlopige lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Het plangebied ligt daarbij zelfs aan de hoofdverdedigingslijn van de Stelling van Amsterdam; de Ringdijk 1e bedijking was aangemerkt als kernelement. Bij een ruimtelijke ontwikkeling in een dergelijk gebied dient er daarom te worden voldaan aan artikel 7.2 van de omgevingsverordening. Een ontwikkeling dient de uitzonderlijke universele waarde van de Stelling van Amsterdam in acht te houden en bevat geen regels die activiteiten mogelijk maakt waarmee de universele waarden van de Stelling worden aangetast. De provincie heeft voor de Stelling van Amsterdam de volgende kernkwaliteiten opgesteld:
  1. samenhangend stelsel van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen;
  2. groen en overwegend rustig karakter, c.q. relatief stille ring rond Amsterdam;
  3. relatief grote openheid.
In de 'Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen - Waterlinies' van de provincie Utrecht wordt dieper op de kernkwaliteiten van Nieuwe Hollandse Waterlinie ingegaan. Een waterlinie heeft een ‘veilig’ binnengebied en een ‘onveilig’ gebied daarbuiten. Het onveilige gebied kon onder water worden gezet. Daartussen ligt een lijn (hoofdweerstandslijn of hoofdverdedigingslijn) die vaak samenvalt met de grens tussen het wel en niet onder water te zetten gebied (inundatiekering). Het plangebied is gelegen in de hoofdverdedigingslijn van de Stelling van Amsterdam. 
 
De beoogde ontwikkeling ziet toe op een bestemmingswijziging en het planologisch vastleggen van een bestaande situatie, waarbij er planologisch één extra woning wordt toegevoegd. Aangezien er geen werkzaamheden aan het plangebied plaatsvinden worden de uitzonderlijke waarden van de Stelling van Amsterdam niet aangetast. Daarbij is in voorliggend bestemmingsplan een regeling opgenomen ter bescherming van de bij de Stelling van Amsterdam behorende uitzonderlijke waarden.
         
Conclusie        
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030
De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. Op 29 september 2021 is een aanvulling op de structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie gaat er vanuit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund.
 
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie, waarbij planologisch een extra woning toegevoegd wordt. Het initiatief heeft daarmee hoofdzakelijk raakvlakken met de structuurvisie op het gebied van wonen en landschappelijke kwaliteit.
 
Wonen
Met de beoogde ontwikkeling komt de bedrijfsbestemming te vervallen en wordt er een woonbestemming opgenomen. De bedrijfswoning wordt met de ontwikkeling bestemd voor twee woningen. Hierdoor  wordt er aangesloten op het beleid van de gemeente om de bestaande woningvoorraad beter te benutten. De gemeente wil dat de woonwensen en woningbehoefte beter op elkaar aansluiten en wil dit doen door de bestaande voorraad beter te benutten doormiddel van renovatie en woningverbetering en andere woonruimteverdeling. Het planologisch toevoegen van een extra woning sluit hierop aan. Daarnaast is er met de herinrichting sprake van een kwaliteitsverbetering waarmee aansluiting wordt gezocht op het karakter van de omgeving van het plangebied.
     
Landschappelijke kwaliteit
De landschappelijke context speelt een belangrijke rol bij ontwikkelingen in het landschap. De openheid dient bewaard te worden en de karakteristieken van dit landschap, de randen en linten, moeten zichtbaar blijven. Een ontwikkeling moet bijdragen aan de kwaliteit van het landschap. Zoals reeds beschreven in toelichting paragraaf 2.2 wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan het behouden en versterken van het landschap. De openheid van het landschap zal met de ontwikkeling niet aangetast worden. Er wordt niet meer bebouwing toegestaan wat in de huidige situatie het geval is. Bij de herinrichting van het erf is rekening gehouden met de karakteristieke van de omgeving van het plangebied. De haag binnen het plangebied wordt vervangen door een streekeigen haag. De bestaande fruitbomen binnen het plangebied wordt gehandhaafd. De waterrand aan de zuidzijde van het plangebied wordt aangeheeld met riet. Bovendien krijgt het perceel een meer landelijke uitstraling door de erfafscheidingen op polderhekken te laten lijken en door het toepassen van boerengrind in plaats van stelconplaten. 
  
Conclusie 
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de ambities van de gemeente zoals beschreven in de Structuurvisie 2030.
 
3.3.2 Woonvisie 2025 De Ronde Venen
Op 29 juni 2017 is de 'Woonvisie 2025' vastgesteld door de raad van gemeente De Ronde Venen. Op 5 maart 2020 is de '1e wijziging Woonvisie 2025' vastgesteld door de gemeenteraad. In deze visie geeft de gemeente aan wat ervoor nodig is om een vitale gemeente te blijven. Een vitale gemeente heeft een bevolking die op peil blijft, met een gezonde samenstelling van jong en oud.
 
De jongere leeftijdsgroepen, zoals alleenstaanden, stellen of een jong gezin, zoeken een betaalbare woning. Om deze groep jong werkenden te behouden en aan te trekken vanuit de regio moeten wonen beschikbaar zijn en passen bij de woonwensen. Ouderen willen en moeten langer thuis wonen dus voorzieningen in huis maar ook nabij huis zijn onontbeerlijk. Gemeente De Ronde Venen wil daarnaast voor haar inwoners een duurzame gemeente zijn, ook op het gebied van wonen. Om deze visie te bereiken is een aantal speerpunten gekozen:
  • betaalbaar wonen;
  • beschikbaarheid en diversiteit;
  • duurzaam wonen;
  • wonen en zorg. 
De woonvoorraad sluit nu onvoldoende aan bij de woonwensen van de inwoners. Mede hierdoor is er een gebrek aan doorstroming. De visie richt zich op het bouwen van nieuwe woonmilieus om daarmee de doorstroming te bevorderen. Het richt zich dan ook op de kwaliteit van wonen in de gemeente.
 
Uit de woonvisie volgt dat tot 2025 sprake zal zijn van een toename van het aantal huishoudens (6%). Tot 2025 is de grootste behoefte aanwezig naar koopwoningen. Er is behoefte aan koopwoningen in alle prijsklassen, waarbij de vraag het grootst is naar duurdere woningen boven de €300.000.
 
Tot slot wordt met de wijzigingen die in 2020 in de woonvisie zijn doorgevoerd ('1e wijziging Woonvisie 2025') bij nieuwe projecten meer gestuurd op het toevoegen van sociale en middeldure huurwoningen.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling plan betreft het planologisch vastleggen van de bestaande situatie, waarbij planologisch een extra woning wordt toegevoegd. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. Het per saldo toevoegen van een woning kan een positief effect hebben op doorstroming in de woningmarkt. Verder heeft de planlocatie betrekking op een aantrekkelijk woonmilieu nabij het open landschap. De woning begeeft zich in de prijsklasse boven € 300.000,-. Aan woningen in deze prijsklasse is behoefte. De ontwikkeling is een voorbeeld van particulier opdrachtgeverschap. De gemeente De Ronde Venen heeft een positieve grondhouding ten aanzien hiervan.
 
Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de gemeentelijke woonvisie.
 
3.3.3 Landschapsnota De Ronde Venen 2030
Het landschap van de Groene Hart gemeente De Ronde Venen wordt gekenmerkt door oude verkavelingspatronen, kleinschalige lintbebouwing en door het landschap lopende rivieren en dijken met in het centrum plassen en legakkers. Daarnaast telt de gemeente zes forten van de Stelling van Amsterdam wat is opgenomen als UNESCO-werelderfgoed. Om de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden te behouden en versterken heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen op 5 juni 2014 de Landschapsnota De Ronde Venen 2030 vastgesteld. In de nota is het beleid omtrent de omgang met landschappelijke waarden beschreven, in de Structuurvisie De Ronde Venen 2030 en de Woonvisie visie zijn de gewenste ontwikkelingen weergegeven (zie voorgaande paragraven van voorliggend hoofdstuk).
 
Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen, de zogenaamde landschapstoets. De Landschapsnota dient primair als uitwerking van het beleid wat is vastgesteld in de Structuurvisie. De Landschapsnota is daarom, net als de Structuurvisie, geldig tot 2030. Elke vijf jaar na de vaststelling van de Landschapsnota vindt een evaluatie plaats.
   
Deelgebiedenkaart en deelgebiedenbeschrijving
Op de deelgebiedenkaart en bijbehorende beschrijvingen is weergegeven welke landschappelijke waarden en kenmerken aanwezig zijn en welk (landschappelijk) beleid uit de Structuurvisie van de Ronde Venen van toepassing is op dit deelgebied. Om de verschillende waarden en visies op het grondgebied van De Ronde Venen te duiden, is het gebied van De Ronde Venen opgedeeld in negen deelgebieden.
   
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in deelgebied 6: Veen: landbouw, natuur (EHS), Mijdrechtse bovenlanden en Blokland.
 
Uitsnede Landschapsbeleidskaart (plangebied is zwart omcirkeld)
 
Het plangebied is aangemerkt met het kenmerk 'openheid', 'verkaveling rationeel' en als onderdeel van de Stelling van Amsterdam met de kenmerken 'Secundaire schootsvelden' en 'Hoofdweerstandslijn'.
 
Openheid
Openheid is het belangrijkste kenmerk van het landschap in De Ronde Venen, vooral dankzij de veeteelt. De landbouw vormt de drager van de kernkwaliteit openheid, die onlosmakelijk verbonden is met het veenweidelandschap en de droogmakerijen. Lijnstructuren zoals dijken en infrastructuur, maar ook lintbebouwing, zorgen langs de randen van deze landschappen voor contrasten in de beleving. Doorzichten op het landschap vanuit de lintbebouwing zijn van groot belang voor de beleving van de openheid. Linten en beplante lijnstructuren zoals kaden en dijken geven letterlijk richting(en) aan de openheid. Tussen lijnelementen zoals water, wegen en dijken moet de bestaande openheid bewaard blijven. Met de beoogde ontwikkeling vindt enkel een functiewijziging en herinrichting van het voormalige bedrijfsperceel plaats. De openheid van het landschap wordt met de beoogde ontwikkeling niet aangetast.
 
Rationele verkaveling
In de droogmakerijen is in de late 19e eeuw en de vroege 20e eeuw gekozen voor een rechte, zogeheten rationale verkaveling. Hier is het moderne verhaal van de drooglegging en de civieltechnische ratio van de inrichtingen nog goed te lezen. De structuur van het landschap wordt bepaald door weg- en erfbeplantingen. De droogmakerijen hebben allemaal hun eigen karakter en verschillen in openheid. Dijken begrenzen de ruimte en zijn de plaatsen waarvan de structuur beleefd kan worden. De bestaande rationale verkaveling dient zoveel mogelijk behouden te blijven. Het dempen, vergraven of aanleggen van watergangen over een lengte van meer dan 10 is vergunningplichtig. Voor het afgraven van veen bestaat geen specifiek landschappelijk beleid. De rationele verkaveling van het plangebied wordt met de beoogde ontwikkeling gehandhaafd.
  
Stelling van Amsterdam
Het plangebied is gelegen in de Stelling van Amsterdam. Het plangebied bevindt zich binnen de schootsvelden van het nabijgelegen 'Fort bij Uithoorn'. Tevens bevindt het plangebied zich binnen de hoofdweerstandslijn. Hieronder is kort op beide aspecten ingegaan.
  
Schootsvelden
Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire schootsvelden. Het plangebied is gelegen in een secundair schootsveld. Hiervoor geldt dat het uitbreiden van bouwvlakken of het oprichten van bouwwerken vergunningplichtig is met een beperkte indieningsvereiste tot een plangebied van 5.000 m². Met de beoogde ontwikkeling wordt geen bouwvlak uitgebreid. De schootsvelden worden met de beoogde ontwikkeling niet aangetast. 
 
Hoofdweerstandslijn        
De hoofdweerstandslijn van de stelling is het cruciale onderdeel van de stelling die maakt wat de stelling is. Om deze lijn zichtbaar in het landschap te laten zijn is in de structuurvisie bepaald (Structuurvisie De Ronde Venen) dat hierlangs een bufferzone in acht moet worden genomen. Mede in navolging van het beleid van de provincie Noord-Holland is gekozen voor een bufferzone van 100 meter aan weerszijden van de weerstandslijn. Het plangebied is gelegen binnen deze zone. Ontwikkelingen kunnen plaatsvinden binnen deze zone mits de openheid niet wordt aangetast en de beleefbaarheid van de stelling gehandhaafd of versterkt wordt. Gezien dat er met de beoogde ontwikkeling geen bouwwerkzaamheden verricht zullen worden wordt de hoofdweerstandslijn van de Stelling van Amsterdam met de beoogde ontwikkeling gehandhaafd.
 
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen afbreuk doet aan de karakteristieken van het gebied, waardoor het plan niet in strijd is met de landschapsnota van de gemeente De Ronde Venen. De kenmerken van het gebied worden in het erfinrichtingsplan, zoals weergegeven in toelichting paragraaf 2.2, gerespecteerd door streekeigen beplanting toe te passen en het zicht op de woning vanaf de dijk te beperken, zodat dit minder afleidt van het zicht op het achterliggende landschap. 
 
4 Milieu- en omgevingsaspecten
In een ruimtelijke onderbouwing moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema's:
  1. Milieueffectenrapportage;
  2. Bodem;
  3. Geluid;
  4. Milieuzonering;
  5. Luchtkwaliteit;
  6. Externe veiligheid;
  7. Ecologie;
  8. Archeologie en cultuurhistorie;
  9. Waterhuishouding;
  10. Verkeer en parkeren.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling heeft immers betrekking op de formalisatie van een bestaande situatie, waarbij planologisch een woning wordt toegevoegd. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen, waaronder de aspecten bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de drie selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht in een aparte aanmeldingsnotitie (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
 
Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldingsnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bodem
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Met voorliggend plan wordt het plangebied herbestemd naar een woonbestemming. Daarmee is er sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Derhalve is er een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 8264, d.d. 22 augustus 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Met dit onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het plangebied vastgesteld. Tevens is de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht.
 
In de bovengrond van de boringen 07, 08 en 09, ter plaatse van de dijk, overschrijdt het gehalte aan barium, cadmium, koper, lood, nikkel en/of zink de interventiewaarde. De gemeten waarden koper, lood en zink komen overeen met de informatie uit de bodemkwaliteitskaart. Op het overige terrein worden in de boven- en ondergrond overwegend lichte tot en met matige verhogingen aan zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB aangetoond. In het grondwater zijn maximaal lichte verhogingen gemeten.
 
De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Plaatselijk is ook fundatiemateriaal van metselpuin aangetroffen. Het metselpuin is indicatief onderzocht op asbest. Analytisch is geen asbest aangetoond.
 
Aangezien de verontreiniging ter plaatse van de dijk zich buiten het plangebied bevindt en daar geen woonactiviteiten en/of graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden, zijn er geen contactrisico’s aanwezig en hoeft er geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
 
Er kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging vormt.
4.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op herbestemming naar een woonbestemming en het planologisch vastleggen van de bestaande situatie, waarbij planologisch een extra woning wordt toegevoegd. Woningen zijn in het kader van de Wgh geluidsgevoelige objecten. 
 
Industrielawaai
Het plangebied is gelegen op korte afstand van het bedrijventerrein Uithoorn. Dit bedrijventerrein is deels geluidgezoneerd. Het plangebied ligt echter buiten deze geluidszone, waardoor onderzoek naar industrielawaai achterwege kan blijven. Desalniettemin is in het kader van het bedrijven en milieuzonering wel gekeken naar het geluid van de omliggende bedrijven. Dit is behandeld in toelichting paragraaf 4.4.
 
Wegverkeerslawaai
Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de N201. Desalniettemin was ten tijde van de omlegging van de N201 de bedrijfswoning reeds aanwezig. In het kader van de omlegging is een akoestisch onderzoek wegverkeer naar voren. Hieruit zijn geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde naar voren gekomen. Akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. 
 
Spoorweglawaai
In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig.
 
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de Wgh geen belemmeringen vormen voor het initiatief.
4.4 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Door de ligging van het plangebied waar (agrarische) bedrijven en woningen direct naast elkaar voorkomen, kan het plangebied beschouwd worden als een gemengd gebied. In de VNG uitgave is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich geen bedrijfsactiviteiten.
 
Er kan gesteld worden dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat wat betreft bedrijven en milieuzonering. Omliggende bedrijven worden daarnaast nu en in de toekomst niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
4.5 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande situatie planologisch vastgelegd, waarbij planologisch een extra woning wordt toegevoegd. Er zal sprake zijn van een minimale toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3% bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De ontwikkeling draagt 'Niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. 
 
Wel is, met behulp van de kaart van NSL monitoring, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,7 μg/m³ PM10, 8,3 μg/m³ PM2,5 en 15,0 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.  
 
Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
4.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
   
Planspecifiek
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Met behulp van de risicokaart is in beeld gebracht of er risicovolle inrichtingen in de buurt aanwezig zijn of dat er gevaarlijke stoffen in de omgeving worden vervoerd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
  
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (zwarte cirkel)
 
Bevi-inrichting
Ten noorden van het plangebied bevinden zich meerdere risicovolle inrichtingen. De risicovolle inrichtingen liggen echter op grote afstand van het plangebied (meer dan 700 meter) en vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Transport gevaarlijke stoffen per buisleiding
Ten noorden van het plangebied bevindt zich ook een buisleiding. De afstand tussen het plangebied en de buisleiding bedraagt ca. 950 meter. Gezien de grote afstand tot het plangebied vormt deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 
 
Transport gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor
In de omgeving van het plangebied is er geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
 
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling betreft het planologisch vastleggen van de bestaande situatie, waarbij planologisch een extra woning wordt toegevoegd. Met de beoogde ontwikkeling vinden geen sloop- en/of bouwwerkzaamheden plaats. Het laten uitvoeren van een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet benodigd geacht. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect ecologie.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Planspecifiek
Archeologie
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de gemeentelijke Archeologische beleidskaart De Ronde Venen (2017), geraadpleegd via het geoportaal van de Omgevingsdienst regio Utrecht.
  
Uitsnede Archeologische beleidskaart de Ronde Venen, plangebied in zwart kader
 
Voor het plangebied geldt dat de gronden zijn gelegen binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Binnen deze categorie dient archeologisch onderzoek plaats te vinden wanneer bodemingrepen groter zijn dan 2.000 m² en dieper dan 30 cm. Met de beoogde ontwikkeling vinden slechts in beperkte mate grondwerkzaamheden plaats. De genoemde grenzen worden niet overschreden. Derhalve hoeft voor de locatie geen onderzoek uitgevoerd te worden.
 
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Voorliggende bestemmingsplanwijziging omvat het vervangen van de bedrijfsbestemming met een woonbestemming, het planologisch vastleggen van de bestaande situatie en het planologisch toevoegen van een extra woning. Zoals reeds bleek uit toelichting paragraaf 3.2.2 heeft het plan daarmee geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de Nederlandse waterverdedigingslinie (Stelling van Amsterdam).
 
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve invloed heeft op archeologische en cultuurhistorische waarden. Het plan is in dit kader uitvoerbaar.
4.9 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Water Programma
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de keur horen keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
 
In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
 
Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg.
 
Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek 
Met voorliggend plan zijn geen ingrepen beoogd die gevolgen hebben voor het watersysteem. Wel zijn onderstaande de verschillende aspecten van het waterhuishouding meegenomen.
 
Watercompensatie
In de bestaande situatie is het erf voor een groot deel verhard met stelconplaten. In de beoogde situatie wordt deze verharding verwijderd en vervangen door halfverharding en groen. Omdat het oppervlak verharding afneemt, treedt er een verbetering van de verhardingsbalans op en is watercompensatie niet vereist.
   
Legger
Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in de kernzone van de waterkering en in de beschermingszone binnenkant, zoals weergegeven op navolgende uitsnede van de leggerkaart.
 
Leggerkaart Amstel, Gooi en Vecht (plangebied zwart omkaderd)
 
Uit de Keur van waterschap Amstel, Gooi en Vecht volgt dat het verboden is  om binnen een waterkerend dijklichaam zonder vergunning bodemroeringen uit te voeren, bodem op te hogen, bekabeling aan te leggen en bouwwerken of andere werken aan te brengen. Aangezien met de beoogde ontwikkeling geen van deze werkzaamheden zal plaatsvinden is dit voor onderliggend initiatief verder niet van toepassing.
 
Waterafvoer/riolering
De vuilwaterafvoer is aangesloten worden op het openbaar riool. Het hemelwater afkomstig vanaf de woningen en het terrein wordt niet geloosd op de riolering maar wordt langzaam geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater.
 
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect waterhuishouding.
4.10 Verkeer en parkeren
 
4.10.1 Verkeer
Volgens CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie van een twee-onder-een-kapwoning in zowel de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'buitengebied' 7,8 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de twee woningen in het plangebied komt dit neer op een verkeersgeneratie van 14,6 verkeersbewegingen per etmaal. De Ringdijk 1e bedijking beschikt over voldoende capaciteit om dit verkeer op te vangen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
 
4.10.2 Parkeren
In het Beleidsplan Verkeer 2017-2021 (vastgesteld op 24 november 2016) zijn de parkeernormen voor de gemeente De Ronde Venen vastgelegd. Een twee-onder-een-kapwoning in de categorie 'buitengebied' kent een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied zal in totaal sprake zijn van een parkeerbehoefte van 2 x 2,2 = 5 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren.
 
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
5.2 Toelichting
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
 
5.3 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
 
5.4 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
 
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
  • bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen. De thematiek van de regels van voorliggend plan sluiten aan op het bestemmingsplan 'Buitengebied West'. Enkele begrippen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Dorpskernen'.
 
Tuin - Landschappelijk
De bestemming ‘Tuin - Landschappelijk’ heeft betrekking op het deel van het plangebied dat het dichtst bij de dijk ligt. Deze gronden dienen immers vrij te blijven van bebouwing om de openheid en het groene karakter van de tuin te waarborgen. In de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' zijn onder andere groenvoorzieningen, gazons, beplantingen, tuinen, waterpartijen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en erfafscheidingen toegestaan.
 
Wonen
Voor de woningen is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Naast het wonen is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan en bijbehorende voorzieningen zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, en toegangswegen.
 
In voorliggend plan wordt, net zoals opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan 'Buitengebied - West', 50 m² aan huis-gebonden-bedrijf en/of -beroep toegestaan.
 
In de huidige situatie zijn er op twee plaatsen op het perceel, iets voor de voorgevel, een pergola (zonder dak en ca. 2,5 m hoog) met een grondoppervlakte van 3,5 x 6,5 m en een bijgebouw van 5,5 x 6,5 m aanwezig. Een pergola is conform de gemeentelijke standaard toegestaan binnen de bestemming 'Wonen', waarmee deze pergola wordt geformaliseerd. Bijgebouwen zijn conform de gemeentelijke standaard niet voor de voorgevel toegestaan. Om het bijgebouw, dat gedeeltelijk iets voor de voorgevel staat, te faciliteren is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen toegestaan', zoals deze ook opgenomen is in bestemmingsplan 'Buitengebied - West', toegekend aan dit gebouw.
 
Verder is in deze bestemming een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierin is bepaald dat het gebruik van de gronden alleen is toegestaan mits binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de landschappelijke inpassing, die in de bijlagen is opgenomen, gerealiseerd is.
 
Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied
Deze bestemming is bedoeld om archeologische waarden in het plangebied te behouden. Binnen het plangebied is sprake van Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5. De hier op betrekking hebbende regels zijn overgenomen uit het geldende plan Buitengebied-West.
    
Waterstaat - Waterkering
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een waterkering. Het bouwen van gebouwen is door middel van een omgevingsvergunning toegestaan, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering.
     
Omdat zo nauwgezet mogelijk is aangesloten op de planregels van het bestemmingsplan 'Buitengebied -  West' en de hierin gemaakte beleidskeuzes kan voor een beter begrip van deze planregels terugverwezen worden naar dit bestemmingsplan.
 
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Omdat een bouwplan geen onderdeel is van het voorgenomen initiatief kan een anterieure overeenkomst of exploitatieplan achterwege blijven. De economische uitvoerbaarheid komt dus volledig voor de rekening van initiatiefnemer en is daarmee verzekerd.
 
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
Participatie
In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn de directe buren van Ringdijk Eerste Bedijking 4B op de hoogte gesteld van de beoogde formalisatie en erfinrichting. Hierbij hebben de buren geen bezwaren geuit en hebben schriftelijk akkoord gegeven op het plan.
7.1 Vooroverleg
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is het plan toegestuurd aan de relevante vooroverlegpartners. De vooroverlegpartners hebben hier niet inhoudelijk op gereageerd.
7.2 Zienswijzen
Vanaf 22 april 2023 tot en met 2 juni 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.