1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel Herenweg 110 een vrijstaande woning te realiseren. Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' geldt ter plaatse van het perceel aan de Herwenweg 110 reeds een woonbestemming met bijbehorend bouwvlak. Dit bouwvlak is echter te gering van omvang om een woning naar moderne maatstaven te realiseren. Hiertoe is de wens van initiatiefnemer om het huidige bouwvlak te verruimen en beter te positioneren om de kavel.
In haar reactie, d.d. 10 oktober 2016, heeft de gemeente De Ronde Venen aangegeven, onder voorwaarden, medewerking te willen verlenen aan voorliggend initiatief. Hierbij kan gesteld worden dat de verruiming eveneens aansluit op de door de gemeente gehanteerde verkoopvoorwaarden in de koopovereenkomst uit 2011 over de percelen Herenweg 108 en 110. Voorliggend bestemmingsplan vormt het planologisch-juridisch kader van het gewenste initiatief.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern van Vinkeveen, nabij het recreatiegebied Vinkeveense Plassen. De planlocatie ligt, tweedelijns, aan de Herenweg achter Herenweg 98. De locatie is thans onbebouwd en ligt direct aan een watergang die aansluit op het nabij gelegen plassengebied.
De plangrens wordt gevormd door de kadastrale grens en aan de zuidzijde door de grens met het water.
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: maps.google.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen'. De gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen heeft dit bestemmingsplan vastgesteld op 12 februari 2014.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' (plangebied globaal aangegeven met rode omkadering)
Binnen het vigerend bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Wonen'. Voorts is er een bouwvlak opgenomen. De thans beoogde woning valt voor wat betreft de positionering en omvang buiten het aangegeven bouwvlak. Middels de voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan wordt het bouwen van een vrijstaande woning elders op het perceel planologisch toegestaan.
Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Cultuurhistorie' van toepassing op het onderhavige perceel.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldende ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De economische uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 5, waarna de juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 6. De maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt in hoofdstuk 7 belicht.
2.1 Bestaande situatie
Het plangebied betreft een braakliggend terrein. De op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' toegestane woning is reeds gesloopt. Het plangebied betreft een grasveld/gazon, met aan de zijde van de sloot een rij bomen.
Het plangebied ligt niet direct aan de Herenweg, maar 'tweedelijns' achter de Herenweg 98. De ontsluiting van het perceel verloopt via een voetpad vanaf de Herenweg, waarna het een centraal op het eiland gelegen voetpad wordt waarlangs ook de woningen Herenweg 84, 98, 104, 106 en 108 worden ontsloten.
De slagenverkaveling die de omgeving kenmerkt is nog duidelijk te herkennen aan de ruime kavels met sloten. Het plangebied ligt eveneens aan een sloot, met afmeermogelijkheden voor bootjes. Deze sloot staat direct in verbinding met het nabij gelegen plassengebied.
Navolgende afbeelding toont de bestaande situatie van het plangebied:
Plangebied (Bron: Ecologische Quickscan 2 november 2017) met rechts het bestaande centrale ontsluitingspad
2.2 Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel aan de Herenweg 110 een vrijstaande woning te realiseren.
Het huidige bouwvlak voor een woning op dit perceel bevindt zich nabij de noordelijke perceelsgrens. De beoogde woning wordt meer centraal op het perceel gesitueerd. Daarbij wordt de woning ook iets naar achter geschoven ten opzichte van de bestaande woning. Dat zorgt er, samen met de centrale positie, voor dat geen daglicht wordt weggenomen van de zuidgevel van de aangrenzende woning Herenweg 104. Op deze wijze wordt rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Bovendien zorgt deze positionering er voor dat rondom de nieuwe woning bruikbare buitenruimten ontstaan, met op alle tijden gedurende de dag een goede bezonning. De voorgevel bevindt zich aan de zijde van de Herenweg.
Indicatie positionering nieuwbouwwoning op perceel Herenweg 110
In het kader van de koopovereenkomst uit 2011 over de percelen Herenweg 108 en 110 is overeengekomen dat van de totale oppervlakte 2/3e deel onbebouwd moet blijven en dat 1/3e deel bebouwd mag worden. Dat komt voor het voorliggende perceel neer op een toegestane oppervlak van 125 m² voor het hoofdgebouw en 50 m² voor bijgebouwen. Verder is vastgelegd dat de goothoogte ten hoogste 4 meter mag bedragen, met een kap. Deze maten zijn ook gehanteerd bij Herenweg 108 en sluiten aan bij de villa-achtige woningen in de directe omgeviing. Daarmee is sprake van een zorgvuldige inpassing.
Het onderhavige perceel wordt ontsloten via het bestaande pad dat over het hele eiland loopt. Er hebben geen veranderingen plaats aan de watergang of aan de oever van die watergang.
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van Rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Planspecifiek
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien ligt bij 11 woningen.
Onderhavig plan betreft de realisatie van slechts één planologisch reeds bestaande woning en is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Bovendien maken de gronden waarop de ontwikkeling wordt gerealiseerd al onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid
Provinciale Staten hebben in 2013 de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. De PRS en de PRV worden elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast c.q. herijkt. Provinciale Staten hebben de herijking van de PRS en PRV op 12 december 2016 vastgesteld.
3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 (herijking 2016)
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De herijking van de PRS is op 12 december 2016 vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.
In de Provinciale ruimtelijke structuurvisie zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd:
Duurzame leefomgeving
1. ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
2. behoud van de strategische grondwatervoorraden;
3. ruimte voor duurzame energiebronnen;
4. anticiperen op de langetermijngevolgen van klimaatverandering;
5. behouden en versterken van de kernkwaliteiten van het landschap;
6. behouden en ontwikkelen van de kwaliteit van de cultuurhistorische hoofdstructuur en de aardkundige waarden.
Vitale dorpen en steden
1. realiseren van voldoende en op de behoefte aansluitend woningaanbod, met een accent op binnenstedelijke ontwikkeling;
2. een vitale en innovatieve regionale economie, met voldoende en diverse vestigingsmogelijkheden;
3. optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte;
4. een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en vrijetijdsverkeer.
Planspecifiek
In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Onderhavig plangebied valt binnen bestaande stedelijk gebied en de ontwikkeling van een vrijstaande woning sluit daarmee goed aan op de visie van de provincie.
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 - 2028 (herijking 2016)
Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De huidige herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld.
In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.
Planspecifiek
Uit raadpleging van de kaart 'Binnenstedelijke woningbouw' blijkt dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Met betrekking tot dit stedelijk gebied stelt artikel 4.1 lid 2 van de PRV dat verstedelijking, en dus woningbouw, mogelijk is. Hiermee is het initiatief passend binnen de PRV.
Uit raadpleging van de kaart 'Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS)' blijkt dat het plangebied binnen de CHS 'Agrarisch cultuurlandschap' valt. Het plangebied is onderdeel van het Groene Hart, de volgende kernkwaliteiten zijn van belang: Openheid, veenweide karakter (strokenverkaveling), landschappelijke diversiteit en rust en stilte. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en leidt geenszins tot aantasten van bovengenoemde kernkwaliteiten.
Gezien voorgaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de PRV.
3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030
De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. De structuurvisie gaat er vanuit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund.
Bij de locatiekeuze van nieuwbouw is het bouwen binnen de rode contour, dus binnen de grenzen van de kernen het uitgangspunt. Uit woningbehoefteonderzoek (2012) blijkt dat tot en met 2020 750 tot 1.150 woningen nodig zijn. Deze behoefte kan ruimschoots binnen de huidige rode contouren worden opgevangen door het invullen van inbreidingslocaties en herstructurering.
Planspecifiek
Zoals in
toelichting paragraaf 3.2.2 beschreven, valt het plangebied binnen bestaande stedelijk gebied. Voorts is er ter plaatse al een woning toegestaan. Voorliggend initiatief betreft enkel het verplaatsen van het bouwvlak waarmee een woning elders op het perceel wordt toegestaan. Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief in lijn is met de structuurvisie van de gemeente De Ronde Venen.
3.3.2 Woonvisie 2025 De Ronde Venen
De Ronde Venen wil een vitale gemeente blijven: een bevolking die op peil blijft, met een gezonde samenstelling van jong en oud. Hiertoe wil de gemeente de woningen en woonomgeving zo goed mogelijk aan laten sluiten op de woonwensen en woningbehoefte van de inwoners. De woonvoorraad sluit nu onvoldoende aan bij de woonwensen van de inwoners. Mede hierdoor is er een gebrek aan doorstroming. De visie richt zich op het bouwen van nieuwe woonmilieus om daarmee de doorstroming te bevorderen. Het richt zich dan ook op de kwaliteit van wonen in de gemeente. Naast woningen zelf zijn voorzieningen zoals winkels, scholen en zorgvoorzieningen belangrijke voorwaarden voor de kwaliteit van wonen in De Ronde Venen.
Planspecifiek:
De woonvisie is niet van invloed op onderhavig plan. Onderhavig plan betreft immers enkel het verplaatsen van een bestaand woonvlak en gaat niet gepaard met het toevoegen van een woning.
3.3.3 Duurzaam dichtbij
De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de 'Notitie Duurzaamheid Dichtbij' vastgesteld. In de notitie worden de kaders en de doelstellingen beschreven op het gebied van duurzaamheid. Op 26 februari 2013 heeft het college van B en W het 'Programmaplan Duurzaamheid' vastgesteld waarin de doelstellingen zijn uitgewerkt in projecten.
In de notitie heeft de gemeente als doelstelling opgenomen dat de gemeente duurzaamheid integreert in het ruimtelijke beleid en projecten om te komen tot een duurzame en klimaatbestendige gemeente die de kernwaarden van de gemeente behouden en versterken. Op korte termijn houdt dit een checklist bij gemeentelijke en particuliere nieuwbouwprojecten in om duurzame gebiedsmaatregelen te stimuleren. Al eerder, in 2007, heeft het college besloten om te gaan werken met GPR-gebouw. Dit is een prestatiegerichte toetsingswijze van duurzaam bouwen.
Dit is nader uitgewerkt in het programmaplan waarbij de volgende doelstelling is geformuleerd op het gebied van duurzame gebiedsontwikkeling: 'In de ruimtelijke inrichting worden duurzaamheidmaatregelen toegepast bij gemeentelijke projecten en gestimuleerd bij particuliere projecten in woningbouw, utiliteitsbouw en op gebiedsniveau. Daarnaast stimuleert de gemeente duurzame maatregelen in de bestaande koop- en huursector en utiliteitsbouw.'
Planspecifiek:
Voor het betreffende project zal het streven liggen op minimaal een 7 naar de 'GPR Gebouw' norm. Hiermee sluit het project aan op het gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen.
4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, et cetera) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Bodem
In het kader van een bestemmingsplan dient, in verband met de uitvoerbaarheid, aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het deelgebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
Uit verkennend bodemonderzoek van 6 mei 2010 blijkt dat, op basis van de sterk verhoogde gehalten lood en zink in de bovengrond en de sterk verhoogde gehalten koper, lood en zink in de ondergrond, er op het perceel sprake is van een geval van ernstige bodemvervuiling. Verder bleek in 2016 op basis van wetenschappelijke studies dat de gezondheidseffecten van lood in de bodem voor kleine kinderen t/m zes jaar groter waren dan eerder gedacht. Op basis van het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen is in 2012 een sanering uitgevoerd door het aanleggen van een isolerende leeflaag van een halve meter, waarbij geen grond is ontgraven. Dit betekent dat na de sanering ernstig verontreinigde grond is achtergebleven. Daarom moet de eigenaar of gebruiker van het perceel:
- de noodzakelijke maatregelen treffen om de isolatielaag in stand te houden, te onderzoeken en waar nodig te herstellen, verbeteren of vervangen;
- de noodzakelijke beperkingen in het gebruik van de bodem in acht nemen.
Normaal gebruik van de leeflaag is toegestaan. Normaal gebruik is bijvoorbeeld het aanbrengen van beplanting (met maximale worteldiepte gelijk aan de dikte van de leeflaag), gewasteelt, graven, kabels leggen, bestrating, onkruid wieden, zandbak aanleggen, fundering aanleggen en dergelijke. Van belang is daarbij dat de kwaliteit van de leeflaag niet aangetast wordt, het maaiveld niet blijvend omlaag gebracht wordt en dat men niet onder de leeflaag komt.
Geconcludeerd kan worden dat de bestaande bodemverontreiniging geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan, mits de kwaliteit van de isolerende leeflaag niet wordt aangetast.
4.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
Planspecifiek
De onderhavige locatie heeft in het geldende bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' reeds de bestemming 'Wonen', met een bouwvlak voor een woning. Voorliggend bestemmingsplan maakt enkel de verplaatsing van dat bouwvlak binnen de woonbestemming mogelijk, waarbij het bouwvlak enkele meters verder van de weg wordt gepositioneerd.
Voorts is de akoestische situatie in ogenschouw genomen. Het perceel Herenweg 110 bevindt zich binnen de invloedssfeer van de zoneplichtige Herenweg-Kerklaan. De overige wegen in de directe nabijheid (Herenweg ten zuiden van de aansluiting op de Kerklaan, Prins Bernardlaan en Julianalaan) vormen 30 km-wegen en hebben om die reden geen wettelijke geluidszone. Voorts ligt de nieuwe woning net buiten de onderzoekszone (250m) van de provinciale weg N201.
In het kader van het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' is door Royal Haskoning akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij diverse ontwikkellocaties zijn onderzocht. In relatie tot de relevante Herenweg (het 50 km-deel) vormen met name de resultaten van Prins Bernardlaan 1A/1B (locatie 22) een goede referentie, omdat deze woningen zich bevinden op een net iets kortere afstand tot de Herenweg en met een vergelijkbare positionering als de onderhavige woning. De geluidbelasting was daar berekend op 46 dB, beneden de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. De berekeningen zijn representatief voor de onderhavige locatie en er zijn geen redenen aanwezig waardoor de geluidbelasting nu hoger zou zijn.
Derhalve kan gesteld worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoering van het voorliggende plan.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Planspecifiek
Voorliggende bestemmingsplanwijziging voorziet in het verplaatsen en vergroten van een bestaand bouwvlak binnen als 'Wonen' bestemde gronden. Bij de bebouwingsmogelijkheden die het voorliggende bestemmingsplan biedt, is het niet mogelijk een aantal woningen te realiseren dat een van betekenis zijnde invloed op de luchtkwaliteit heeft. De voorgenomen ontwikkeling draagt 'niet in betekenende mate' bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Tevens blijkt uit raadpleging van de Atlas Leefomgeving dat de luchtkwaliteit in en om het plangebied ruimschoots aan de normen van 40 μg/m³ (NO2 en PM10) en 25 μg/m³ (PM2,5) voldoet. Er is binnen het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat wat betreft luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaat er geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Planspecifiek
Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.
Op circa 250 meter ten noorden van het plangebied loopt de N201, een verbindingsweg die wordt gebruikt voor de transport van gevaarlijke stoffen. Er geldt een risicocontour risicoafstand (PR 10-6) van 0 meter.
Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen ten aanzien van externe veiligheid zijn en het plan in dit kader uitvoerbaar is.
4.5 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Planspecifiek
Aan de overzijde van de Herenweg, op circa 110 meter afstand tot het plangebied, is een kerk gelegen. Kerken (SBI 9491) vallen volgens de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG onder milieucategorie 2. Hierbij geldt een richtafstand van 30 meter. De afstand tussen de beoogde woning en de kerk bedraagt meer dan 30 meter. Verder zijn geen bedrijven aanwezig, of toegestaan in een straal van 100 meter rond het plangebied, zodat geconcludeerd kan worden dat het realiseren van een woning een passende ontwikkeling op deze locatie betreft.
4.6 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veiligstellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied 10 % daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg.
Planspecifiek
Onderhavig plangebied beslaat 620 m². Een toename van meer dan 1.000 m² is derhalve niet aan de orde. Voorts betreft het enkel het verplaatsen en vergroten van een bestaand bouwvlak (Wonen). Het plan houdt verder geen veranderingen in van het slotenpatroon of van de oever.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief.
4.7 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de huidige tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Met het oprichten van nieuwe bebouwing en het inrichten van het terrein kunnen wijzigingen voor de aanwezige flora en fauna optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve een ecologische quickscan uitgevoerd (Elsken Ecologie, 2 november 2017, zie bijlage). Uit het onderzoek blijkt dat:
- Er zijn geen middels de Wet natuurbescherming beschermde soorten aangetroffen.
- In een op het perceel aanwezige wilg en paardenkastanje zijn enkele holten aangetroffen. Deze zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Zonder verder onderzoek naar de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze holten is het niet toegestaan deze bomen te kappen.
De beoogde ontwikkeling op het perceel Herenweg 110 zal niet zal leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits aan een aantal maatregelen wordt voldaan. Om het uitvoeren van de maatregelen te waarborgen dienen deze te worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden.
Planspecifiek
Archeologie
Op de archeologische beleidskaart ligt het te bebouwen gebied binnen een archeologisch waardevol gebied. Op uitsnede van navolgend kaartbeeld is te zien dat het plangebied binnen de categorie 2b valt. Dit houdt in dat er bij het eventueel roeren van de grond bij een omvang groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm een onderzoeksplicht geldt.
Uitsnede uit de archeologische beleidskaart 2016 van De Ronde Venen (globaal plangebied in zwarte kader)
In het verleden heeft er bodemsanering plaatsgevonden (zie:
toelichting paragraaf 4.1). In dat verband is er een 'leeflaag' aangebracht. De bodem in het plangebied is daarmee aanzienlijk geroerd. Desalniettemin geldt voor het gebied dat er sprake is van een hoge archeologische verwachting. Bij een toekomstige ontwikkeling zal in het kader van de omgevingsvergunning een afweging worden gemaakt of archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief. In het geldende bestemmingsplan Kom Vinkeveen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Deze is ook in het voorliggende plan opgenomen, om daarmee de belangen vanuit het aspect archeologie veilig te stellen. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zal, indien noodzakelijk, een archeologisch bureauonderzoek worden ingediend.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Voorliggende bestemmingsplanwijziging maakt de bouw van één vrijstaande woning mogelijk. In fysieke zin worden hiermee geen cultuurhistorische kwaliteiten in de omgeving aangetast.
Het geldende bestemmingsplan Kom Vinkeveen bevat ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Met name de strokenverkaveling en de watergangen zijn van cultuurhistorische betekenis. Om bij toekomstige ontwikkelingen deze waarden te waarborgen is in onderhavig plan de dubbelbestemming overgenomen.
4.9 Verkeer en parkeren
Verkeer
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kengetallen uit publicatie 317 van het CROW. De beoogde ontwikkeling van een vrijstaande woning levert een verkeersgeneratie op van 8,2 motorvoertuigen per etmaal.
De Herenweg is te typeren als een buurtontsluitingsweg. Een buurtontsluitingsweg kent, volgens het ASVV, een wegcapaciteit van ongeveer 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De verwachting is dat de Herenweg over voldoende capaciteit beschikt om de verkeersgeneratie van op te vangen.
Parkeren
Voorliggend bestemmingsplan maakt enkel het vergroten en verplaatsen van een binnen het vigerend bestemmingsplan aanwezig bouwvlak mogelijk. Het perceel is uitsluitend te voet bereikbaar en dat geldt ook voor de percelen Herenweg 84, 98, 104, 106 en 108. In de bestaande situatie wordt reeds aan of nabij de Herenweg geparkeerd. De situatie blijft wat dat betreft onveranderd.
5 Economische uitvoerbaarheid
In het kader van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de financieel-economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te worden aangetoond. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorzien. De gemeenteraad, dan wel, indien deze bevoegdheid gedelegeerd is, het college van burgemeester en wethouders, kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen als het verhaal van kosten anderszins verzekerd is.
Planspecifiek
De gemeente De Ronde Venen heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van een Anterieure overeenkomst op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6 Juridische planbeschrijving
6.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
6.2 Plansystematiek
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
Regels
Inleidende regels
Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen.
Wijze van meten
Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.
Bestemmingsregels
Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:
- bestemmingsomschrijving;
- bouwregels;
- nadere eisen;
- afwijken van de bouwregels;
- specifieke gebruiksregels;
- afwijken van de specifieke gebruiksregels;
- omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden;
- wijzigingsbevoegdheden.
In dit bestemmingsplan zijn binnen de bestemming 'Agrarisch' alleen de volgende onderdelen opgenomen:
Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/ gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming en eventueel daaraan verbonden voorwaarden. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Niet hier genoemd gebruik, is strijdig met de bestemming.
Bouwregels
In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de (hoofd)gebouwen, de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Nadere eisen
Het stellen van nadere eisen is alleen mogelijk als het bestemmingsplan zelf al regels stelt (primaire eisen). Omdat in nagenoeg alle bouwregels eisen zijn gesteld aan de plaats en afmetingen van de bebouwing, kunnen daaraan nadere eisen worden gesteld. Met behulp van deze nadere eisen kunnen burgemeester en wethouders extra eisen stellen ten behoeve van bijvoorbeeld de ruimtelijke kwaliteit, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de externe veiligheid.
Afwijken van de bouwregels
Bij het afwijken van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken van hetgeen is geregeld, bijvoorbeeld in het toestaan van een grotere hoogte of het uitbreiden van het bouwvlak. Deze voorwaarden dienen helder en toetsbaar te zijn.
Specifieke gebruiksregels
In de specifieke gebruiksregels staat, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, expliciet beschreven wat wel of niet wordt toegestaan. Het gaat dan vaak om functies of activiteiten waarover onduidelijkheid kan bestaan.
Afwijken van de specifieke gebruiksregels
Van de geformuleerde gebruiksregels kan onder voorwaarden worden afgeweken. Deze voorwaarden dienen helder en toetsbaar te zijn.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
Onder de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden. In het verleden werd wel gesproken van een aanlegvergunning.
6.3 Bestemmingen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming
Bestemming 'Wonen'
Binnen deze bestemming wordt de bouw van een vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Daarbij is in de regels bepaald dat het hoofdgebouw een maximale oppervlakte van 125 m² mag hebben, zoals overeengekomen in de koopovereenkomst uit 2011. Op de verbeelding is, net als bij Herenweg 108, een iets groter bouwblok (van 11 x 15 m) aangegeven, waarmee enige flexibiliteit wordt geboden in de exacte positionering van het hoofdgebouw. Tevens zijn bijgebouwen en overkappingen toegestaan tot een maximale oppervlakte van 50 m².
De regeling is verder afgestemd op de regeling uit het geldende bestemmingsplan Kom Vinkeveen en waar nodig aangepast aan de nieuwe standaardregeling van de gemeente De Ronde Venen. Dat betreft ook de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten of een webshop.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'
Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden binnen het plangebied. Binnen deze bestemming geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden over een gebied groter dan 50 m² en dieper dan 0,30 m. De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Kom Vinkeveen.
Dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'
Het landschap wordt gekenmerkt door de karakteristieke strokenverkaveling. Om deze cultuurhistorisch waardevolle landschappelijke elementen te waarborgen wordt deze dubbelbestemming overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Kom Vinkeveen.
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.1 Participatie
In de loop der jaren is op verschillende momenten overleg gevoerd met omwonenden. Zo is contact geweest met alle vijf op het betreffende eiland wonende gezinnen en met de nieuwe buren; zij zijn persoonlijk op de hoogte gesteld van de beoogde ontwikkeling, waarbij sprake is van een qua maat en volume passende invulling.
Alle omwonenden zijn bekend met het voorliggende plan en zijn ook op de hoogte van het feit dat de gemeente bij verkoop heeft aangegeven dat 1/3 van het perceel mag worden bebouwd.
7.2 Overleg
In het kader van het vooroverleg is op 9 mei 2018 aan verschillende vooroverlegpartners kenbaar gemaakt dat het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt.
De Provincie Utrecht heeft op 15 mei 2018 te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben in het kader van het provinciaal belang.
7.3 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 08 juni 2018 tot en met 20 juli 2018 ter inzage gelegen. Tijdens deze
periode zijn géén zienswijzen ingediend.