Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: De Hoef Westzijde 41, De Hoef
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0736.BPP024westzijde41-va01

Toelichting

  
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op de locatie aan De Hoef Westzijde 41 is momenteel het agrarische bedrijf van de opdrachtgevers aanwezig. Eén van de agrarische opstallen, de boerderij, is aangemerkt als gemeentelijk monument. De bij de boerderij horende wagenschuur kan gezien worden als onderdeel van dit monumentale ensemble. De familie is gestopt met het bedrijf, waarvoor geen bedrijfsopvolgers bestaan. Daarnaast willen initiatiefnemers op het perceel, ter plaatse van de bestaande bebouwing, een nieuwe woning te bouwen. Een deel van de bestaande bebouwing wordt hiervoor gesloopt.
 
Op 30 mei 2016 heeft de gemeente in reactie op een principeverzoek ten behoeve van het initiatief aangegeven medewerking te willen verlenen. Een van de voorwaarden hierbij was dat de ligging van de tweede burgerwoning moet passen binnen de sloten ten noorden en ten zuiden van de kavel van de bestaande boerderij in de kenmerkende slagenverkaveling.
 
De beoogde ontwikkeling is echter niet toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Om de realisatie van het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is het daardoor nodig een partiële herziening van het bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) op te stellen. Voorliggend ruimtelijk plan vormt dit nieuwe bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan De Hoef Westzijde 41 in De Hoef. De planlocatie ligt aan de rivier de Kromme Mijdrecht, wat het een aantrekkelijke woonlocatie maakt. Het plangebied is onderdeel van perceel 1336 dat kadastraal bekend is onder kadastrale gemeente Mijdrecht, sectie D. De oppervlakte van het plangebied is ongeveer 5.600 m².
 
Op onderstaande afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. 
 
Globale ligging plangebied (bron: Google Earth)
Globale begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied-West', vastgesteld op 21 februari 2019. Door een reactieve aanwijzing van de Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht tegen de uitzonderingsbepaling binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden', zijn de wijzigingsbevoegdheden van artikel 3.7.3 en 4.7.3 geen onderdeel meer van het bestemmingsplan.
 
Het plangebied betreft het gehele agrarische bouwvlak. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.
 
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied-West' (plangebied rood omkaderd)
 
Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'. Daarnaast beschikt een deel van het plangebied over de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b' en 'Waterstaat - Waterkering'. Verder gelden er verschillende gebiedsaanduidingen in het plangebied en omgeving.
 
Het initiatief om bebouwing te saneren, het agrarisch bedrijf te stoppen, het plangebied om te zetten naar een woonbestemming en een extra woning te realiseren, past niet binnen het huidige bestemmingsplan.
 
Aangezien het initiatief ook gepaard gaat met het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning, is er voor gekozen om een partiële herziening van het bestemmingsplan op te stellen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De economische uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 5, waarna de juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 wordt belicht.
 
2 Planbeschrijving
2.1 Context
De middeleeuwse verkaveling die in de omgeving van het plangebied te vinden is, is een kwaliteit die Europees erkend wordt. De radiale ontginningsstructuur en de kronkels in de veenrivieren zijn kenmerkend. Deze kronkels zorgen voor een voortdurend veranderend zicht op de rivier en het Bovenland. De waterstructuur ligt overwegend haaks op de rivier, maar door de bocht in de rivier levert dit ineens spannende vergezichten op het landschap en de waterstructuur. De afwisseling tussen de open stukken en de intieme, groene concentraties maken de landschappelijke beleving.
 
Boerenerven maken met hun erfbeplanting onderdeel uit van het landschap. Een woning met een stedelijk ingerichte tuin heeft veel minder aansluiting met het landschap. Door de bebouwingsconcentraties in het rivierland te verdichten, of historische boerderijen te vervangen door woningen komt de intieme, landschappelijke sfeer van het lint onder druk te staan.
 
Op het boerenerf van het plangebied is jarenlang in oude traditie geboerd. Naast het houden van melkkoeien en jongvee, zijn er ook varkens gehouden in de oude varkensstal. Inmiddels zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd. Het ensemble wordt gevormd door de langhuisboerderij met daarnaast gelegen stal, de hooiberg en de opslagloods. De varkensstal en de verschillende bijgebouwen zijn ondergeschikt. Door de charmante rommelhoekjes, ademt hier een informele boerensfeer van enkele decennia terug. Er bestaan kansen om de sfeer van het plangebied te behouden. Dit wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 2.3.
2.2 Bestaande situatie
Op het perceel De Hoef Westzijde 41 staat de boerderij van de initiatiefnemers. Deze langhuisboerderij is aangewezen als een gemeentelijk monument. Het boerenbedrijf beschikt over circa 30 koeien en 30 schapen. De oppervlakte van de bijgebouwen die gerelateerd zijn aan de agrarische bedrijfsvoering heeft een totaal van 700 m². In totaal is er 993 m² aan bebouwing aanwezig in het plangebied.
   
De navolgende afbeeldingen geven een luchtfoto en een impressie van de bestaande situatie weer.
 
Luchtfoto bestaande situatie
Vooraanzicht plangebied (bron: Google Streetview)
2.3 Toekomstige situatie
Op het perceel De Hoef Westzijde 41 staat de boerderij van de initiatiefnemers. Deze langhuisboerderij is aangewezen als een gemeentelijk monument. De initiatiefnemer heeft het voornemen om een tweede woning op het terrein te realiseren. De beoogde ontwikkeling omvat het stopzetten van de huidige agrarische bedrijfsvoering en onder meer het inleveren van bouwmogelijkheden. In ruil hiervoor wenst initiatiefnemer een extra woning van maximaal 700 m³ te realiseren. Deze woning is ten westen van de bestaande bedrijfswoning beoogd. Er is gekozen voor deze situering om (1) een zekere afstand tot het perceel van de buren in acht te nemen, (2) buiten de beschermingszone van de waterkering te blijven, (3) omdat de bodem ter plaatse grotendeels verstoord is door de funderingen van bestaande bebouwing en (4) zodat er op het bestaande erf zo min mogelijk aanpassingen nodig zijn. In de woning komt de zoon van de initiatiefnemer te wonen, die op het moment van schrijven nog elders in De Hoef woonachtig is.
 
Onderstaande afbeelding geeft een schematische weergave van de beoogde situatie.
 
Beoogde situatie (bron: Stili Architectuur)
 
Om de beoogde situatie mogelijk te maken wordt een deel van de bestaande bebouwing gesloopt. Van de bestaande 993 m² aan bebouwing wordt 513 m² agrarische bebouwing gesloopt. Daarmee blijft 480 m² behouden, bestaande uit het woonhuis met stal, de wagenschuur, de fietsenstalling en de hooiberg. De hooiberg wordt behouden omdat deze bijdraagt aan het monumentale en historische agrarische karakter van het ensemble.
Het overzicht van de bebouwing wordt ook in de bijlagen bij de regels opgenomen als 'te slopen bebouwing', om dit als zodanig vast te leggen. Daarnaast wordt, naast de realisatie van de beoogde woning en de sloop van de bebouwing, extra water aangelegd. Dit komt uit op 647 m² aan extra wateroppervlak. Op navolgende afbeelding is een overzicht van de beoogde ingrepen weergegeven.
 
Overzicht ingrepen; te slopen opstallen groen gemarkeerd (bron: Stili Architectuur)
 
Omdat de oppervlakte van het stalgedeelte van de langhuisboerderij, in combinatie met de hooiberg en de wagenschuur, die intern gesplitst wordt tot twee schuren (voor beide woningen een schuur), al meer dan 300 m² bedraagt is het conform de regels voor vergunningsvrij bouwen niet mogelijk om nog extra bijgebouwen te realiseren. Desalniettemin zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan zodanig opgesteld dat er nog ruimte is op het woonperceel voor een incidenteel bijgebouw, zoals de fietsenstalling.
 
Beeldkwaliteit
Boerenerven maken met hun erfbeplanting onderdeel uit van het landschap. Een woning met een stedelijk ingerichte tuin heeft veel minder aansluiting met het landschap. Doordat onderhavig plan ook de aangetaste waterstructuur herstelt, biedt dit kansen om de bodemdaling te beperken. Daarnaast wordt door het verwijderen van de beplanting op het voorerf het zicht op het bijzondere ensemble van hoofd- en bijgebouwen verbeterd. Ook de waterstructuur, op zowel de linker- als rechterzijde van het perceel, wordt hierdoor beter zichtbaar, wat de landschappelijke beleving ten goede komt. Om toch groene waarde te behouden wordt op overige delen van het perceel streekeigen beplanting aangeplant. Dit zal het erfsilhouet en de zonering (voor-/achtererf) ondersteunen. Door natuurlijke oevers (geen beschoeiingen) wordt de boerenlandsfeer behouden en kan de natuurwaarde van de sloten en slootkanten uitgebreid worden.
 
De bestaande hoofd- en bijgebouwen dienen door de nieuwe architectuur te worden ondersteund. Dat betekent dat de nieuwe woning de aanwezige monumentale bebouwing op het perceel moet versterken. De bijgebouwen worden dusdanig gedetailleerd dat ze ondergeschikt zijn aan het hoofdvolume, door ze te voorzien van minder opvallende kleuren en elementen dan de monumentale woning. De nieuwe woning krijgt het karakter van een stoer, schuurachtig volume. De hoofdvorm is goed herkenbaar vanuit het landschap. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van een dergelijke woning.
 
Impressie nieuwe woning
 
Verder wordt de bestaande wagenschuur intern gesplitst, zodat het als bijgebouw gebruikt kan worden voor beide woningen. Hierdoor blijft het ensemble compact en wordt verrommeling van bijgebouwen voorkomen. Ook wordt verrommeling voorkomen door parkeren achter het bestaande woonhuis mogelijk te maken. Hierdoor zijn er geen voertuigen zichtbaar vanaf de weg.
  
Er is met dit initiatief sprake van een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Zo wordt circa 500 m² aan verouderde agrarische bebouwing gesloopt (zoals te zien is op de afbeelding 'overzicht ingrepen'), waardoor het doorzicht naar achterliggende weilanden wordt vergroot, en er wordt kwaliteit toegevoegd in de vorm van landschapselementen. Verder wordt een bebouwingsopzet voorgesteld met een voor- en een achtererf, waarmee recht wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van dit perceel. Tevens blijft het zuidelijke deel van het huidige agrarische bouwvlak definitief vrij van bebouwing, waarmee een blijvend vrij zicht op het landschap is veiliggesteld. Voorts worden gesloten terreinverhardingen verwijderd en wordt het slotenpatroon hersteld. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede beeldkwaliteit en het plan in lijn is met de welstandseisen van de gemeente.
 
3 Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, in overeenstemming is met het geldende ruimtelijke beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het in dit hoofdstuk samengevatte beleidskader is niet uitputtend. Het geldende beleidskader op bijvoorbeeld het gebied van water en milieu is weergegeven in desbetreffende paragrafen in toelichting hoofdstuk 4.
3.1 Nationaal beleid
 
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.  
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
 
Planspecifiek
Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk het landelijk gebied toekomstbestendig te ontwikkelen door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die per 1 juli 2017 geldt.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van een woning en het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf. Ten opzichte van de huidige planologische situatie (zie toelichting paragraaf 1.3) wordt één woning toegevoegd. Dit betreft geen stedelijke ontwikkeling.
  
Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid
 
3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht
De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
  • waarin Stad en land gezond zijn;
  • die Klimaatbestendig en waterrobuust is;
  • waarin Duurzame energie een plek heeft;
  • met Vitale steden en dorpen;
  • die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
  • met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. 
Slim combineren
Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
 
Concentreren
Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel.
 
Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie
De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
 
Planspecifiek
Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied en is gelegen in de kernrandzone. In het landelijk gebied wil de provincie ruimte bieden om de problematiek van de vele vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen aan te pakken door in enkele gevallen wonen als opvolgfunctie toe te staan. Het voorgenomen plan heeft hier betrekking op. In toelichting hoofdstuk 2 wordt de beoogde kwaliteitsverbetering toegelicht.
 
Verder maakt de planlocatie onderdeel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De omgeving van het plangebied is aangemerkt als agrarisch cultuurlandschap. Voor het agrarisch cultuurlandschap is het beleid gericht op dat cultuurhistorische waarden in samenhang met de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart bij de planontwikkeling een rol spelen. De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn de volgende:
  1. openheid;
  2. (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.);
  3. landschappelijke diversiteit;
  4. rust & stilte. 
Onderhavig plan draagt bij aan de openheid van het landschap doordat er bebouwing verwijderd wordt. Dit komt ook de zichtbaarheid van het gemeentelijk monument ten goede. Daarnaast blijft het weidekarakter behouden. Het plan is in lijn met de ambities van de provincie voor het agrarisch cultuurlandschap en het Groene Hart.
 
Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities van de omgevingsvisie.
 
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's:
 
De Omgevingsverordening
In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken.
 
De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.
 
Programma's 
Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.
 
Planspecifiek
Landelijk gebied
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied volgens de kaart 'landelijk gebied'. In het landelijk gebied is verstedelijking niet toegestaan, tenzij in de verordening anders is bepaald. Van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Woningen en niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen zijn volgens de omgevingsverordening voorbeelden van stedelijke functies. Bij het betreffende initiatief is daarom sprake van verstedelijking.
 
Een uitzondering op het verstedelijkingsverbod is onder andere artikel 9.5. Volgens dit artikel kan in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvinden. Omdat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bebouwingslint aan De Hoef Westzijde wordt aan deze eis voldaan. Desalniettemin dient daarbij tevens aan de volgende voorwaarden voldaan te worden: 
  1. gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd, en
  2. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten, en
  3. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.
Daarbij dient de toelichting een onderbouwing te bevatten waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.
 
In toelichting paragraaf 2.3 is een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen waaruit blijkt dat het plan een goede beeldkwaliteit nastreeft. Navolgend wordt per voorwaarde van artikel 9.5 beschouwd of het planvoornemen eraan voldoet.
 
Ad a)
De karakteristieke bebouwing bestaat uit het ensemble aan de voorzijde (oostzijde) van het perceel.  De langhuisboerderij, een gemeentelijk monument, blijft behouden. Er wordt circa 500 m² aan agrarische bebouwing gesloopt. Hierbij wordt meer ruimtelijke kwaliteit toegevoegd in de vorm van landschapselementen, versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur en cultuurhistorische waarden en verbetering van het woonmilieu voor aangrenzende woningen.
 
Ad b)
De nieuwe woning wordt gesitueerd ter plaatse van de bestaande bedrijfsbebouwing en binnen het voormalige agrarische bouwperceel. Hierbij ontstaat een nieuw ensemble, met een compact cluster met een agrarisch karakter. Dit bevindt zich binnen de bestaande bebouwingsenclave.
   
Ad c)
In de directe omgeving zijn geen (grootschalige) agrarische bedrijven gevestigd. Het is daarmee uitgesloten dat agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Tevens blijkt uit toelichting paragraaf 4.2 dat andere functies niet worden gehinderd.
 
Gezien het voorgaande wordt er voldaan aan het gestelde in de Interim Omgevingsverordening met betrekking tot verstedelijking in het landelijk gebied.
 
Cultuurhistorische hoofdstructuur
Door de ligging in de Cultuurhistorische hoofdstructuur mag de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Daarnaast is de ligging in het agrarisch cultuurlandschap reden om de ontwikkeling toe te staan, omdat het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit bijdraagt aan het zichtbaarder maken van de cultuurhistorische waarde van het plangebied. 
 
Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid
 
3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030
De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. De structuurvisie gaat ervan uit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund.
 
In de gemeente De Ronde Venen zijn de volgende beleidsthema's aangemerkt als belangrijke waarden voor het ruimtelijke beleid:
  • leefbaarheid;
  • landschap;
  • lokale economie;
  • duurzaamheid.
Planspecifiek
Op de visiekaart is aangegeven dat het landschapstype waar het plangebied tot behoort het stroomruggenlandschap is. De stroomruggen ligger hoger in het landschap. Geleidelijk zijn in het verleden stadjes en dorpen, uitlopend in open linten, ontstaan. De dijk is meestal dicht langs de rivier gelegen, met buitenplaatsen en andere woningen, omgeven door bomen.
 
Eén van karakterbepalende linten in de gemeente De Ronde Venen is de rivier de Kromme Mijdrecht met de omliggende dijken, wegen en bebouwing. De Hoef Westzijde en het verlengde daarvan is een rivierlintzone. Beleving van de rivier en het achterliggende landschap vindt hierbij vanaf de dijken plaats. Het initiatief hindert deze beleving niet en heeft een positieve invloed op het achterliggende landschap van het lint.
 
Ten aanzien van agrarische bedrijfsbeëindiging is in de structuurvisie bepaald dat de agrarische functie van de bouwkavel kan worden omgezet in wonen. Eén of enkele extra woningen zijn mogelijk, wanneer daar de sloop van bedrijfsbebouwing tegenover staat. Het provinciaal beleid (zie toelichting paragraaf 3.2) is hierbij het uitgangspunt.
 
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie.
 
3.3.2 Landschapsnota De Ronde Venen 2030
Het landschap van de Groene Hartgemeente De Ronde Venen wordt gekenmerkt door oude verkavelingspatronen, kleinschalige lintbebouwing en door het landschap lopende rivieren en dijken met in het centrum plassen en legakkers. Daarnaast telt de gemeente zes forten van de Stelling van Amsterdam wat is opgenomen als UNESCO-werelderfgoed. Om de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden te behouden en versterken heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen op 5 juni 2014 de Landschapsnota De Ronde Venen 2030 vastgesteld. In de nota is het beleid omtrent de omgang met landschappelijke waarden beschreven, in de Structuurvisie De Ronde Venen 2030, Economische visie en Recreatievisie zijn de gewenste ontwikkelingen weergegeven (zie voorgaande en navolgende paragrafen van voorliggend hoofdstuk).
 
Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen, de zogenaamde landschapstoets. De Landschapsnota dient primair als uitwerking van het beleid wat is vastgesteld in de Structuurvisie. De Landschapsnota is daarom, net als de Structuurvisie, geldig tot 2030. Elke vijf jaar na de vaststelling van de Landschapsnota vindt een evaluatie plaats.
 
Landschapsbeleidskaart
Op de landschapsbeleidskaart is opgenomen met welk landschappelijk beleid als onderdeel van het ruimtelijke toetsingskader rekening moet worden gehouden en wat het gevoerde beleid is ter plaatse. Het plangebied van voorliggende ruimtelijke onderbouwing valt onder de beleidsobjecten 'openheid' en 'rationele verkaveling'.
Openheid is het belangrijkste kenmerk van het landschap in De Ronde Venen, vooral dankzij de veeteelt. De landbouw vormt de drager van de kernkwaliteit openheid, die onlosmakelijk verbonden is met het veenweidelandschap en de droogmakerijen. Tussen lijnelementen, zoals water, wegen en dijken, moet de bestaande openheid bewaard blijven.
De verkaveling is van grote invloed op de structuur van het landschap. In de droogmakerijen is sprake van een 'rationele verkaveling', die dateert uit de late 19e en vroege 20e eeuw. De structuur van het landschap wordt bepaald door weg- en erfbeplantingen. De droogmakerijen hebben hun eigen karakter en verschillen in openheid. Dijken begrenzen de ruimte en zijn de plaatsen waarvan de structuur beleefd kan worden. De bestaande rationele verkaveling heeft cultuurhistorische en landschappelijke waarde en dient zoveel mogelijk behouden blijven.
     
Deelgebiedenkaart en deelgebiedenbeschrijving
Op de deelgebiedenkaart en bijbehorende beschrijvingen is weergegeven welke landschappelijke waarden en kenmerken aanwezig zijn en welk (landschappelijk) beleid uit de Structuurvisie van de Ronde Venen van toepassing is op dit deelgebied. Om de verschillende waarden en visies op het grondgebied van De Ronde Venen te duiden, is het gebied van De Ronde Venen opgedeeld in negen deelgebieden.
 
De Hoef
De kern De Hoef neemt een speciale positie in de Landschapsnota in. Vanuit het kernenbeleid wordt veel waarde gehecht aan de unieke identiteit van de kern. Aan beide zijden van de Kromme Mijdrecht is bebouwing te vinden, voornamelijk woonbebouwing. Nog steeds is de bebouwing gelegen aan de weg op regelmatige afstand van elkaar. Her en der heeft verdichting plaatsgevonden. De Hoef Westzijde en Oostzijde, parallel aan de Kromme Mijdrecht, ontsluiten de hoofdkern van zuid naar noord. Deze wegen komen uit op de Oude Spoorbaan, een hoofdroute in de gemeente. Het bebouwingslint langs de Kromme Mijdrecht is plaatselijk dicht en dan weer meer open, met enige doorzichten naar het achter gelegen gebied.
 
Met de nieuwe indeling worden de doorzichten naar het achterland opengehouden. Vandaar dat verdere verdichting van de linten niet wordt gestimuleerd.
   
Planspecifiek
Het plangebied heeft volgens de landschapsbeleidskaart een middeleeuwse verkaveling en is aangemerkt als een gebied waar openheid van belang is. Bij de middeleeuwse verkaveling dient de bestaande verkaveling en het bestaande slotenpatroon behouden te blijven. Bij het voorgenomen plan is dat het geval. Daarnaast is openheid van belang. Hier draagt onderhavig plan aan bij door de verwijdering van bebouwing.
  
Op de deelgebiedenkaart behoort het plangebied tot het landschapstype en gebruik 'Veen: landbouw, natuur (EHS), Groene contour'. In de toelichting paragraaf 3.3.1 is het initiatief gespiegeld aan het gemeentelijk beleid voor dit landschapstype.
 
Voor De Hoef geldt dat ernaar wordt gestreefd het achterland open te houden. Bij onderhavige planontwikkeling vinden verder geen ingrepen aan het achterland plaats, echter wordt door het wegnemen van bebouwing zicht op het achterland verbeterd. Daarnaast geeft de gemeente aan bouw van woningen en bijgebouwen tegen te gaan. Tevens wordt de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' opgenomen, zodat daar geen (vergunningsvrije) gebouwen meer opgericht kunnen worden. Per saldo wordt er in dit plan meer bebouwing verwijderd dan toegevoegd. Daarmee neemt de ruimtelijke kwaliteit toe.
 
Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de Landschapsnota van de gemeente De Ronde Venen.
 
3.3.3 Woonvisie De Ronde Venen
Op 29 juni 2017 is de 'Woonvisie 2025' vastgesteld door de raad van gemeente De Ronde Venen. Op 5 maart 2020 is de '1e wijziging Woonvisie 2025' vastgesteld door de gemeenteraad. In deze visie geeft de gemeente aan wat ervoor nodig is om een vitale gemeente te blijven. Een vitale gemeente heeft een bevolking die op peil blijft, met een gezonde samenstelling van jong en oud.
 
De jongere leeftijdsgroepen, zoals alleenstaanden, stellen of een jong gezin, zoeken een betaalbare woning. Om deze groep jong werkenden te behouden en aan te trekken vanuit de regio moeten wonen beschikbaar zijn en passen bij de woonwensen. Ouderen willen en moeten langer thuis wonen dus voorzieningen in huis maar ook nabij huis zijn onontbeerlijk. Gemeente De Ronde Venen wil daarnaast voor haar inwoners een duurzame gemeente zijn, ook op het gebied van wonen. Om deze visie te bereiken is een aantal speerpunten gekozen:
  • betaalbaar wonen;
  • beschikbaarheid en diversiteit;
  • duurzaam wonen;
  • wonen en zorg. 
De woonvoorraad sluit nu onvoldoende aan bij de woonwensen van de inwoners. Mede hierdoor is er een gebrek aan doorstroming. De visie richt zich op het bouwen van nieuwe woonmilieus om daarmee de doorstroming te bevorderen. Het richt zich dan ook op de kwaliteit van wonen in de gemeente.
 
Uit de woonvisie volgt dat tot 2025 sprake zal zijn van een toename van het aantal huishoudens (6%). Tot 2025 is de grootste behoefte aanwezig naar grondgebonden koopwoningen. Er is behoefte aan koopwoningen in alle prijsklassen, waarbij de vraag het grootst is naar duurdere woningen boven de €350.000.
 
Tot slot wordt met de wijzigingen die in 2020 in de woonvisie zijn doorgevoerd ('1e wijziging Woonvisie 2025') bij nieuwe projecten meer gestuurd op het toevoegen van sociale en middeldure huurwoningen.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling plan betreft het planologisch mogelijk maken van één extra woning. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. Het per saldo toevoegen van een vrijstaande woning kan een positief effect hebben op doorstroming in de woningmarkt. Verder heeft de planlocatie betrekking op een aantrekkelijk woonmilieu nabij het open landschap. De vrijstaande woning begeeft zich in de prijsklasse boven € 350.000,-. Aan woningen in deze prijsklasse is behoefte. De ontwikkeling is een voorbeeld van particulier opdrachtgeverschap. De gemeente De Ronde Venen heeft een positieve grondhouding ten aanzien hiervan.
 
Voorts heeft het plan betrekking op een woning die conform de geldende wetgeving en BENG-eisen duurzaam wordt gebouwd. Dit is een van de speerpunten uit de woonvisie.
 
Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de gemeentelijke woonvisie.
 
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat immers onder andere de realisatie van een woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de milieugevolgen, waaronder de aspecten bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de drie selectiecriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
 
Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldingsnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r.(-beoordeling) nodig is en publiceert dit in een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd hoeft te worden hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed leefklimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. 
Planspecifiek
Het voorliggende bestemmingsplan maakt een gevoelige bestemming, namelijk (burger-)woningen mogelijk. Daarom is aan de hand van het bestemmingsplan 'Buitengebied-West' (gemeente De Ronde Venen) bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn.
 
In de omgeving zijn veelal woonpercelen aanwezig met aan de achterzijde de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'. De agrarische bestemmingsvlakken beschikken vaak over deze bestemming uit natuuroverwegingen; niet vanwege agrarische activiteiten. Er worden dan ook geen belemmeringen veroorzaakt vanuit agrarische activiteiten voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
 
Aan de overkant van de Kromme Mijdrecht, aan De Hoef Oostzijde 30, is de kaashandel van Gebr. Rademaker B.V. gevestigd. Een groothandel in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren of spijsoliën (4632, 4633) heeft een milieucategorie van 3.1, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 30 m geldt ingevolge de richtafstandenlijst van de VNG. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan.
  
Er dient geconcludeerd te worden er geen belemmeringen zijn voor het aspect bedrijven en milieuzonering en het plan op dit onderdeel uitvoerbaar is.
4.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
Het voorliggende bestemmingsplan maakt een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidbronnen uit de Wet geluidhinder een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. 
 
De woningen in het plangebied bevinden zich niet binnen de onderzoekszone van 250 m van de Oude Spoorbaan. De Hoef Westzijde en De Hoef Oostzijde zijn met een snelheidsregime van 30 km/u niet onderzoeksplichtig. Tevens blijkt uit de kaart met geluidscontouren van de omgevingsdienst regio Utrecht dat het gecumuleerde geluidsniveau van wegverkeer (incl. aftrek art. 110g Wgh) in het plangebied maximaal 48 dB bedraagt en daarmee lager is dan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Dit is te zien op navolgende kaart.
 
Geluidscontour wegverkeer 2018, plangebied zwart omkaderd (bron: ODRU)
 
Uit de afbeelding is op te maken dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat wat betreft wegverkeerslawaai. Geluid van wegverkeer vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Verder bevinden zich in de omgeving geen spoorlijnen of geluidgezoneerde inrichtingen.
 
Geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.4 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van één woning ten opzichte van de huidige planologische situatie. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (2017) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De concentraties over 2017 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bedragen respectievelijk maximaal 16,3 µg/m³ NO2, 17,4 µg/m³ PM10 en 10,4 µg/m³ PM2,5. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 
 
Er zijn gezien het voorgaande geen belemmeringen voor het aspect luchtkwaliteit.
4.5 Bodem en asbest
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Het voorliggende bestemmingsplan maakt een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk. Om aan te kunnen tonen of de kwaliteit van de grond en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) is er een verkennend bodemonderzoek. Omdat er daarnaast meerdere asbestverdachte daken in het plangebied aanwezig zijn is het bodemonderzoek gecombineerd met een verkennend asbestonderzoek (Inventerra, 19-2262-R01AvH, d.d. 21 oktober 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Hieronder zijn de onderzoeksresultaten van het onderzoek weergegeven.
 
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor zware metalen, PAK, minerale olie en asbest.
 
Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd: 
  • De bovengrond en het grondwater ter plaatse van de olieopslag zijn niet verontreinigd met minerale olie.
  • De bovengrond ter plaatse van de dempingen met geringe bijmengingen aan puin is licht verontreinigd met zware metalen en PAK.
  • In de ondergrond zonder bodemvreemde materialen zijn een matige verontreiniging met lood en lichte verontreinigingen met zink en kwik aangetoond.
  • In het grondwater op de onderzoekslocatie is een licht verhoogde concentratie barium vastgesteld.
  • Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is visueel geen asbest aangetoond. Analytisch is geen tot ten hoogste 1,9 mg/kgds aan asbest aangetoond.
De hypothese ‘verdachte locatie’ voor zware metalen en PAK voor de algemene bodemkwaliteit is bevestigd, aangezien in de grond over het algemeen lichte verontreinigingen zijn vastgesteld. In het mengmonster van de ondergrond is een matige loodverontreiniging aangetoond. De aangetoonde mate van verontreiniging komt overeen met hetgeen op basis van de bodemkwaliteitskaart verwacht wordt als gevolg van de aanwezigheid van toemaakdek. De licht verhoogde concentratie barium in het grondwater wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen worden op grond hiervan naar onze mening niet noodzakelijk geacht.
 
De hypothese ‘verdachte locatie’ voor de olieopslag en de dempingen kan verworpen worden omdat geen verontreinigingen zijn aangetoond die specifiek hieraan te relateren zijn.
 
De hypothese ‘verdachte locatie’ voor asbest is formeel bevestigd, aangezien in 2 mengmonsters geringe hoeveelheden asbest zijn aangetoond. De gemeten gehalten liggen juist boven de detectielimiet en daardoor ver onder de waarde van 50 mg/kgds waarboven nader onderzoek nodig is. Op grond hiervan is er geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.
 
Er kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:  
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. 
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen 
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
    
Planspecifiek
Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die in het kader van externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
 
Uitsnede risicokaart (plangebied is zwart omcirkeld)
 
Uit de risicokaart is op te maken dat er verschillende risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Deze liggen echter op een dusdanig grote afstand (minstens 950 m) dat een beschouwing van het risico niet vereist is.
 
Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.7 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord-Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de Keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Er is sinds 1 november 2019 een nieuwe Keur van kracht, die geënt is op de Omgevingswet en ruimte biedt voor maatwerk.  Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veiligstellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
 
In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
 
Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Ook als de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 1.000 m² geldt er altijd nog een zorgplicht. De uitvoerende partij moet voorkomen dat de waterhuishouding er niet op achteruit gaat door de aangebrachte wijzigingen.
 
Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
Met voorliggend plan zijn verschillende ingrepen beoogd die gevolgen hebben voor het watersysteem. Dit is in het kader van de watertoets voorgelegd aan waterschap Amstel, Gooi en Vecht (Waternet). Daaropvolgend heeft het waterschap akkoord gegeven op de beoogde ingrepen. Navolgend worden de ingrepen beschouwd.
 
Verharding
In de bestaande situatie is het agrarische erf, waar de nieuwe woningen zijn beoogd, vrijwel volledig verhard. In de beoogde situatie worden betonverhardingen verwijderd en vervangen door halfverharding en groen. Daarnaast neemt ook het bebouwd oppervlak af door de sloop van de bestaande opstallen. Omdat het oppervlak verharding afneemt, treedt er een verbetering van de verhardingsbalans op en is watercompensatie niet vereist.
 
Waterafvoer 
De hemelwaterafvoer van de nieuwe woning wordt afgekoppeld van het gemeentelijk rioleringsstelsel. Dit leidt per saldo tot minder emissie en zorgt bovendien voor een minder grote belasting van de afvalwaterketen. Doordat daarnaast de traditionele waterstructuur wordt hersteld kan er extra regenwater worden opgevangen bij extreme regenbuien.
  
Legger
Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in de kernzone van de waterkering en in de beschermingszone binnenkant, zoals weergegeven op navolgende uitsnede van de leggerkaart.
 
Leggerkaart Amstel, Gooi en Vecht (plangebied zwart omkaderd)
 
Uit de Keur van waterschap Amstel, Gooi en Vecht volgt dat het verboden is om binnen een waterkerend dijklichaam zonder vergunning bodemroeringen uit te voeren. Er zal voor het verwijderen van de bebouwing, het doortrekken van de sloten tot aan de dijk  en het bouwen van de woning met de daarbij behorende graafwerkzaamheden een vergunning bij het waterschap aangevraagd dienen te worden.
 
Grondwaternorm
In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het gemeentelijk grondwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden de volgende normen gesteld:
  • woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm;
  • woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm.
Bij de verdere uitwerkingen wordt hier rekening mee gehouden. 
4.8 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Er is een ecologische quickscan (Blom Ecologie, BE/2019/501/r, d.d. 23 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. In het vervolg van deze paragraaf worden de belangrijkste onderzoeksresultaten en conclusies hiervan uiteengezet.
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS of de provinciale verordening. Het is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn. Gezien de kleinschaligheid van het project, het stopzetten van agrarische activiteiten en de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden (> 4 km) is het plan niet in strijd met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Er is immers een afname van de hoeveelheid schadelijke stikstofverbindingen die vrijkomt te verwachten. Daarnaast is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Aangezien de depositie in de gebruiksfase niet toeneemt kan het uitvoeren van een AERIUS-berekening achterwege blijven.
 
Soortenbescherming
In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende (potentiële) natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden:
  • nesten van boerenzwaluw;
  • algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd).
Ten aanzien van de boerenzwaluw wordt aanbevolen sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (tussen 1 oktober en ruim voor midden maart). Om de boerenzwaluw extra alternatieven te bieden, wordt aanbevolen onder een overkapping nieuwe kunstmatige nestplekken aan te bieden in de vorm van neststenen. Het aantal neststenen bedraagt minimaal 10 stuks. Door deze maatregelen te treffen kan strijdigheid met de Algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen.
 
Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, wordt aanbevolen de sloop uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.
 
Conclusie
Doordat de werkzaamheden beperkt van aard zijn en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen zijn over het algemeen géén negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten en kan strjidigheid met de Algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen. Vanwege de kleinschaligheid en ligging van het plangebied, en het stoppen van agrarische activiteiten zijn negatieve effecten op omliggende natuurgebieden ook niet te verwachten. Er komen vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voort voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.9 Cultureel erfgoed
4.9.1 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Het cultuurhistorische beleid van de gemeente is vastgelegd in de Kadernota Erfgoed (vastgesteld op 4 juli 2012).
 
Planspecifiek
De langhuisboerderij die in het plangebied gesitueerd is en in de huidige situatie in gebruik als bedrijfswoning met stal is aangemerkt als gemeentelijk monument. Aangezien er geen ingrepen aan het monument plaatsvinden en het monument niet ontsierd of in gevaar gebracht wordt, is er geen vergunning vereist. De aanwezigheid van het monument vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
 
4.9.2 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden.
 
Planspecifiek
Het plangebied wordt in het archeologisch beleid van de gemeente De Ronde Venen aangemerkt als een gebied een archeologische verwachtingswaarde van categorie 2b (hoog). Een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart is op onderstaande afbeelding weergegeven.
 
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart (plangebied zwart omcirkeld)
 
Deze verwachtingswaarde is opgenomen in de voor het plangebied geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b'. In deze bestemming wordt bepaald dat er geen onderzoek nodig is als de verstoring kleiner is dan 100 m² en niet dieper dan 30 cm. Dit plan voorziet in de bouw van een extra burgerwoning. Deze wordt deels gesitueerd ter plaatse van de machine opslagloods en de ten westen gelegen gieropslag. Hierdoor is de bodem reeds verstoord tot de voor de woning beoogde bouwdiepte. Dit is schematisch weergegeven op navolgende afbeelding.
   
Gedeelte bouwvlak buiten bestaande bebouwing
 
Uit de afbeelding blijkt dat het deel van het bouwvlak dat buiten de huidige bebouwing valt kleiner is dan 100 m² (namelijk 66 m²). Daarmee wordt de verstoringsgrens niet overschreden en is archeologisch onderzoek in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet benodigd.
4.10 Luchthavenindelingbesluit
Gemeenten die (deels) liggen binnen het beperkingengebied rondom Schiphol moeten rekening houden met beperkingen die worden gesteld aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen staan in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib). De regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij de totstandkoming van bestemmingsplannen en bij het beoordelen van aanvragen om een omgevingsvergunning.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt in zone 5 van het beperkingengebied, zoals genoemd in het Luchthavenindelingbesluit (Lib). Artikel 2.2.1d van het Lib geeft daarbij aan dat op de gronden die aangewezen zijn met zone 5 (LIB5) geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied.  Het plangebied is echter te klein van schaal om het als een nieuwe woningbouwlocatie aan te duiden. Het is ook niet de bedoeling van de wetgever in zone 5 de ontwikkeling van één of enkele woningen uit te sluiten. Dit blijkt immers uit het feit dat in zone 4 van het beperkingengebied, waar strengere regels gelden dan in zone 5, de realisatie van niet meer dan 3 woningen is toegestaan. In dit kader kan de ontwikkeling van een woning in LIB5 als toegestaan zijnde worden beschouwd.
 
Daarnaast moet op grond van artikel 2.2.1d van het Lib gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Het risico van een vliegtuigongeval neemt toe naarmate de intensiteit van het ruimtegebruik toeneemt. Bij het voorgenomen plan neemt de intensiteit van het ruimtegebruik nauwelijks toe. Van belang hierbij is ook de aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare objecten op de grond, waardoor vervolgschade kan ontstaan. In en nabij het plangebied ontbreken deze objecten. De kans op een vliegtuigongeval nabij het plangebied is zeer klein. Deze kans is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de zone 3 van het beperkingengebied. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar is dusdanig gering dat het risico aanvaardbaar wordt geacht.
 
Om de risico's bij een vliegtuigongeval zo laag mogelijk te houden kunnen maatregelen ten behoeve van de bestrijdbaarheid van de gevolgen, zoals het verbeteren van vlucht- en toegangswegen voor hulpdiensten, en de zelfredzaamheid van personen, zoals voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen, getroffen worden. Het plangebied is goed te ontvluchten en goed bereikbaar voor hulpdiensten. Het uitgangspunt voor de beoogde woningen is dat bewoners zichzelf en anderen goed kunnen redden. Er worden geen functies voorzien voor personen met een minder fysieke gesteldheid, die daardoor een beperkte zelfredzaamheid hebben. Verder is het advies aan personen om bij een vliegtuigongeval niet te gaan kijken, afstand te houden bij brand vanwege hitte, giftige rook en mogelijk vrijkomende gevaarlijke stoffen en 112 te bellen.
 
Niet alleen dient gemotiveerd hoe de ligging in het beperkingengebied zich verhoudt tot de veiligheid van bewoners, maar ook dient ingegaan te worden op de geluidsituatie op de woningbouwlocatie zodat potentiële nieuwe bewoners binnen de LIB5 voldoende geïnformeerd zijn over geluidoverlast. In het geldende bestemmingsplan Buitengebied-West is in artikel 33.3 als voorwaarde opgenomen dat bij het toestaan van extra woningen op basis van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid een onderbouwing van de geluidsituatie moet worden gegeven. De gemeente De Ronde Venen vraagt in het kader van een bestemmingsplan ook om een onderbouwing van de geluidsituatie.
 
De planlocatie bevindt zich in het bebouwingslint van De Hoef Westzijde. In deze omgeving zijn geen transportroutes of inrichtingen aanwezig die leiden tot geluidsoverlast. Vanwege de landelijke aard van de omgeving zijn ontwikkelingen die geluidsoverlast met zich meebrengen niet te verwachten. De initiatiefnemer realiseert zich terdege dat er geluidhinder vanwege luchtverkeer op kan treden. Hij wordt zelf bewoner van de woning en verwacht geen ernstige belemmeringen van geluid van luchtverkeer te ondervinden. Eventuele toekomstige bewoners van de woning worden hierover tijdig en juist geïnformeerd.
4.11 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
4.11.1 Verkeer
Volgens CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning in zowel de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'buitengebied' 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Omdat er met onderhavig plan een woning wordt toegevoegd bedraagt neemt de verkeersgeneratie met circa 9 verkeersbewegingen toe. Daarbij is de beëindiging van de agrarische activiteiten niet meegenomen. De Hoef Westzijde beschikt over voldoende capaciteit om deze geringe toename van verkeer op te vangen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
 
4.11.2 Parkeren
In het Beleidsplan Verkeer 2017-2021 (vastgesteld op 24 november 2016) zijn de parkeernormen voor de gemeente De Ronde Venen vastgelegd. Een vrijstaande koopwoning in de categorie 'buitengebied' kent een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied zal in totaal sprake zijn van een parkeerbehoefte van 2 x 2,4 = 5 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren.
 
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting met als basis bestemmingsplan Buitengebied West. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
 
Tot slot maken de bijlagen een onlosmakelijk onderdeel uit van de toelichting op, alsmede uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2 Plansystematiek
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
 
Regels
Inleidende regels
Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen.
 
Wijze van meten
Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.
 
Bestemmingsregels
Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:
  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de specifieke gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheden.
Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/ gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming en eventueel daaraan verbonden voorwaarden. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Niet hier genoemd gebruik, is strijdig met de bestemming.
 
Bouwregels
In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de (hoofd)gebouwen, de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
Nadere eisen
Het stellen van nadere eisen is alleen mogelijk als het bestemmingsplan zelf al regels stelt (primaire eisen). Omdat in nagenoeg alle bouwregels eisen zijn gesteld aan de plaats en afmetingen van de bebouwing, kunnen daaraan nadere eisen worden gesteld.
 
Met behulp van deze nadere eisen kunnen burgemeester en wethouders extra eisen stellen ten behoeve van bijvoorbeeld de ruimtelijke kwaliteit, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de externe veiligheid.
 
Afwijken van de bouwregels
Bij het afwijken van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken van hetgeen is geregeld, bijvoorbeeld in het toestaan van een grotere hoogte of het uitbreiden van het bouwvlak. Deze voorwaarden dienen helder en toetsbaar te zijn.
 
Specifieke gebruiksregels
In de specifieke gebruiksregels staat, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, expliciet beschreven wat wel of niet wordt toegestaan. Het gaat dan vaak om functies of activiteiten waarover onduidelijkheid kan bestaan.
 
Afwijken van de specifieke gebruiksregels
Van de geformuleerde gebruiksregels kan onder voorwaarden worden afgeweken. Deze voorwaarden dienen helder en toetsbaar te zijn.
 
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
Onder de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden. In het verleden werd wel gesproken van een aanlegvergunning.
5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen en gebiedsaanduidingen:
 
Agrarisch met waarden - Natuurwaarden
Deze bestemming is gehandhaafd om het aanwezige landschap op het zuidelijke deel van het (voormalige) agrarische bouwvlak te handhaven. In dit bestemmingsplan zijn de mogelijkheden op deze gronden een agrarisch bedrijf te vestigen uit deze bestemming gehaald. Het maakt agrarisch gebruik, recreatief medegebruik en versterking van natuur- en landschapswaarden mogelijk.
 
Tuin - Landschappelijk
De bestemming ‘Tuin - Landschappelijk’ heeft betrekking op het westelijk deel van het plangebied en de inrichting van dit gebied. Deze gronden dienen immers vrij te blijven van bebouwing om de openheid van de tuin en doorzichten naar het achterliggende landschap te waarborgen. In de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' zijn onder andere groenvoorzieningen, gazons, beplantingen, tuinen, waterpartijen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en erfafscheidingen toegestaan.
 
Wonen
Het voor wonen in gebruik te nemen deel van het (voormalige) agrarische bouwvlak is voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op de verbeelding zijn voor de beide woningen losse bouwvlakken opgenomen. Voor het bouwen van een woning geldt dat er een inhoudsmaat van 700 m³ toegestaan wordt. Voorwaarde voor ingebruikname van de woning is dat de bestaande agrarische bebouwing gesloopt is, het agrarisch bedrijf gestopt is en dat het perceel wordt ingericht conform het inrichtingsplan. Dit is vastgelegd via een voorwaardelijke verplichting.
 
Verder zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' geen hoofdgebouwen toegestaan. In de lijn van het geldende bestemmingsplan Buitengebied-West, zijn de inhoudsmaat en goot- en bouwhoogten van de hoofdgebouwen in de regels opgenomen. Hierbij is het monumentale hoofdgebouw voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaand hoofdgebouw', waarbij geregeld is dat uitsluitend de bestaande maatvoering van het hoofdgebouw is toegestaan.
Voorts zijn ook de bepalingen ten aanzien van aan- en bijgebouwen, erfafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ontleend aan het geldende bestemmingsplan. Voor wat betreft de bijgebouwen is in aanvulling op de bijgebouwen die behoren tot het monumentale ensemble en voorzien zijn van de aanduiding 'bijgebouw' 50 m² aan bijgebouwen toegestaan.
 
Bij de Overige regels is een bepaling opgenomen die erop toeziet dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldaan moet worden aan de parkeernormen uit het ‘Beleidsplan Verkeer 2017-2021’, een en ander conform de Paraplubeheersverordening Parkeren (2018).
 
Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied
Deze bestemming is bedoeld om archeologische waarden in het plangebied te behouden. Binnen het plangebied is sprake van Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b en categorie 4. De hier op betrekking hebbende regels zijn overgenomen uit het geldende plan Buitengebied-West.
 
Waterstaat - Waterkering
Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van bescherming van waterstaatkundige inrichtingen.
 
Luchtvaartverkeerzone - luchthaven indelingsbesluit 5
Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding stelt regels aan het toestaan van extra woningen op basis van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid.
 
Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie
Deze gebiedsaanduiding is erop gericht om bodembewerkingen in agrarische bestemmingen waarbij veen aan de oppervlakte wordt gebracht, te voorkomen. Dit met uitzondering van bodembewerkingen die plaatsvinden ten behoeve van graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt.
 
Overige zone - cultuurhistorische waarden
Deze gebiedsaanduiding is bedoeld om te voorkomen dat op de dijk of op de helling van de dijk wordt gebouwd of dat de helling van de dijk wordt geëgaliseerd.
 
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er wordt immers een woning toegevoegd.
 
De gemeente De Ronde Venen heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst is de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. In het kader van de haalbaarheid is rekening gehouden met onvoorziene kosten, waaronder bodemsanering.
 
De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
 
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
Participatie
Initiatiefnemer heeft met verscheidene omwonenden gesproken en om hun reactie op het plan gevraagd. Afgezien van de bewoners van de woning direct ten noorden van het plangebied is er door de bewoners geen bezwaar kenbaar gemaakt. De bewoners van de woning die zich direct ten noorden van onderhavig plangebied bevindt, hebben bezwaar tegen de locatie van de woning en hadden liever gezien dat de tweede woning op de locatie in het lint tussen nummer 44 en 45 werd gerealiseerd. Dit is echter in een eerder voorstel afgewezen door de gemeente, omdat "deze plaats afbreuk aan het agrarisch gebied en tevens het doorzicht belemmert naar de achterliggende weilanden". Gezien de afstand van de beoogde woning tot de woning van het ten noorden gelegen perceel, ca. 10 m tot het erf en ca. 45 m tot de woning, levert het geen beperking voor de privacy en het woongenot van de bewoners op. De beoogde locatie van de tweede woning wordt daarom passend geacht.
7.1 Overleg
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is het plan toegestuurd aan de verschillende vooroverlegpartners. Er zijn geen vooroverlegreacties ingediend.
7.2 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan van 8 april 2021 tot en met 18 juni 2021 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend bij de gemeenteraad.