Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Bestemmingsplan De Hoef Oostzijde 27 te gemeente De Ronde Venen
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0736.BPP024oostzijde27-va01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

plan:
het bestemmingsplan De Hoef Oostzijde 27 van gemeente De Ronde Venen;
 
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.BPP024oostzijde27-va01 met de bijbehorende regels;
 
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten:
bedrijfsactiviteiten, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn dat de activiteiten in de woning met behoud van de woonfunctie ter plaatse kan worden uitgeoefend;
 
agrarisch hobbybedrijf:
agrarische activiteiten waarvan de ondernemer geen of slechts ondergeschikte inkomsten heeft, dat uitgevoerd wordt in combinatie met de woonfunctie met maximaal grootteklasse Standaard Verdien Capaciteit (SVC) 1 (Standaard Opbrengs SO < € 25.000,-.
 
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
bestaand bouwwerk:
een bouwwerk, dat:
  • op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is;
  • na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of melding, waarbij de bouwaanvraag/melding voor dat tijdstip is ingediend;
 
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, ondergeschikt gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
 
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
bouwlaag:
een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met uitzondering van onderbouw en zolder;
 
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
 
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
carport:
een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een ander bouwwerk, bestaande uit een slechts van boven afgesloten c.q. afgedekte ruimte, van lichte constructie, bestemd om te dienen als overdekte stalling voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen en daarvoor ook toegankelijk;
 
consumentenvuurwerk:
vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik;
 
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of
toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
 
nutsvoorziening:
voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en afvalverzameling;
 
ondergeschikt bouwdeel:
een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een gebouw, zoals een
dakvenster, een balkon, een luifel, een galerij en een bloemenvenster, met uitzondering van een erker c.q. een uitgebouwd gedeelte van een gebouw (ter uitbreiding van het oppervlak);
 
ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op ten minste 1,5 meter beneden peil;
 
peil:
  1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
 
plangebied:
het (gehele) bouwperceel waarop het betreffende bouwplan of de betreffende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden betrekking hebben;
 
verblijfsgebied:
gedeelte van de openbare ruimte dat hoofdzakelijk is bestemd en is ingericht voor langzaam verkeer, doch in ondergeschikte mate tevens fungerend als erftoegangsweg;
 
voorgevelrooilijn:
de lijn, welke aansluit aan de ligging van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen en een zo gelijkmatig beloop overeenkomstig de weg heeft;
 
Wabo:
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
 
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit;
 
woning:
een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden;
 

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2.5 afstand van een gebouw tot de bouwperceelgrens
de afstand gemeten vanaf het dichtst bij de bouwperceelgrens gelegen punt van het gebouw tot aan de bouwperceelgrens;
 
2.6 bruto vloeroppervlakte:
het bruto bedrijfsvloeroppervlak wordt gemeten binnenwerks met dien verstande dat de totale
oppervlakte van de bouwlagen ten dienste van kantoren en/of bedrijven, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten, wordt opgeteld.
 

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Verkeer

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wegen;
  2. in- en uitritten ten behoeve van de ontsluiting van de percelen;
  3. verhardingen en bermen;
  4. nutsvoorzieningen, met uitzondering van de opslag en verkoop van motorbrandstoffen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. groenvoorzieningen;
  7. water;
  8. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de verkeersfunctie, waaronder begrepen straatmeubilair.
 

3.2 Bouwregels

Op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:
  1. de bouwhoogte van een gebouw voor nutsvoorzieningen mag ten hoogste 3 meter bedragen;
  2. de oppervlakte van een gebouw voor nutsvoorzieningen mag ten hoogste 20 m² bedragen;
  3. de bouwhoogte van het straatmeubilair mag ten hoogste 10 meter bedragen;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen.
 

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

4.1.1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wonen;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hobbybedrijf -schapenhouderij’: tevens voor een agrarisch hobbybedrijf met een maximum aantal van 49 schapen;
  3. aan huis gebonden beroepen/bedrijven.
 
4.1.2 Op of in de in lid 4.1.1 bedoelde gronden zijn in verband met de bestemming (en overeenkomstig de aanduiding) toegelaten:
  1. één woning, niet zijnde een ondergronds bouwwerk, per bestemmingsvlak;
  2. bij woningen behorende bijgebouwen, niet zijnde ondergrondse bouwwerken;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  4. tuin/erf, verhardingen en andere bij de bestemming passende voorzieningen mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:
 

4.2 Bouwregels

4.2.1 Voor het bouwen van gebouwen (hoofd en bijgebouw) gelden de navolgende bepalingen:
  1. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; er dient een afstand van 2,5 m ten opzichte van de perceelsgrens te worden aangehouden;
  2. bestaande hoofdgebouwen met een inhoud kleiner dan 600 m3 mogen worden uitgebreid tot een maximum van 600m3;
  3. hoofdgebouwen met een inhoud groter dan 600 m3 mogen niet worden uitgebreid; er moet een afstand van 2,5 m ten opzichte van de perceelsgrens worden aangehouden;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangeduid;
  5. het gezamenlijk oppervlak van de bijgebouwen mag maximaal 50 m2 bedragen;
  6. de goothoogte mag maximaal 3 m en de bouwhoogte mag maximaal 4,5 m bedragen;
  7. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand van tenminste 2,5 m van de perceelsgrens.
  8. in afwijking van het bepaalde in lid emag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hobbybedrijf schapenhouderij’, de totale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen ten behoeve van de woonfunctie én bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor een agrarisch hobbybedrijf, 335 m2 bedragen onder voorwaarde dat het agrarisch hobbybedrijf beschikt over ten minste 5.000 m2 grond;
  9. in afwijking van het bepaalde onder f mag de maximale bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor een agrarisch hobbybedrijf zoals bedoeld in lid h,9 meter bedragen.
 
 
4.2.2 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de navolgende bepalingen:
  1. op de gronden gelegen achter de voorgevelrooilijn mag de hoogte maximaal 2 m bedragen;
  2. op de gronden gelegen voor de voorgevelrooilijn mag de hoogte van pergola’s maximaal 2,5 m bedragen en van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 1 m;
  3. bij een woning mogen carports/overkappingen worden gebouwd, waarvan de hoogte niet meer dan 3 m mag bedragen en de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 30m2 mag zijn, met dien verstande dat carports en overkappingen uitsluitend zijn toegestaan op het gedeelte van het bouwvlak dat is gelegen op een afstand van tenminste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning.
 

4.3 Specifieke gebruiksregels

4.3.1 Functionele binding agrarische activiteit (voorwaardelijke verplichting)
De woning behorende bij het adres De Hoef Oostzijde 27 niet mag worden bewoond door iemand die geen functionele binding heeft met de agrarische hobbymatige activiteit.
 
4.3.2 Landschappelijke inrichting (voorwaardelijke verplichting)
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch hobbybedrijf schapenhouderij’ zoals bedoeld in artikel 4.2.1, lid h en i, mogen enkel worden gebruikt indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. ten noorden van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – agrarisch hobbybedrijf schapenhouderij’ en tot aan de openbare weg (De Hoef Oostzijde) het perceel ingericht wordt als hoogstamboomgaard met minimaal 10 fruitbomen;
  2. ten zuiden van het bouwvlak en tot aan de openbare weg (De Hoef Oostzijde) geheel wordt ingericht als open grasweide zonder verharde delen zoals paden en terrassen en de bestaande inrit wordt verwijderd;
  3. er uitvoering wordt gegeven aan de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 opgenomen Landschapsplan, of volgens een inrichtingsschets die vanuit een oogpunt van landschaps- en ervenontwerp een zelfde niveau van ruimtelijke kwaliteit garandeert.
 
De inrichting van gronden zoals bedoeld in dit artikel 4.3.2 moet uiterlijk zijn voltooid 18 maanden nadat dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden.

Artikel 5 Waarde – Archeologie 1

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende andere bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden, waarbij de bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemmingen.
 

5.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
 
5.2.1 Verbod
Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de voor Waarde – Archeologie 1 mede bestemde gronden.
 
5.2.2 Uitzonderingen
Het onder 5.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
  1. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;
  2. een gebouw in een plangebied met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
  3. een gebouw met een grotere oppervlakte dan 100² en dieper dan 30 cm, mits, naar het oordeel van het bevoegd gezag, voldoende kan worden aangetoond dat de ter plaatse aanwezige archeologische waarden niet worden of kunnen worden aangetoond.
  4. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid.
 

5.3 Afwijken van de bouwregels

Voor zover het oprichten van het gebouw kan leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde in lid 5.1 onder b indien één van de volgende gevallen zich voordoet:
  1. de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 m onder het maaiveld geen verstoring;
  2. de bouwwerkzaamheden betreffen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de bestaande fundering;
  3. de bouwwerkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; de bouwwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening;
  4. de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek;
  5. de aanvrager heeft een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige;
  6. het bevoegd gezag heeft een vergunning verleend, waarbij in de regels of voorschriften is vastgelegd dat een archeologisch rapport overgelegd moet worden waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige.
 

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden ter plaatse van de in lid 5.1 genoemde vlakken zonder of
in afwijking van een omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren welke verstoring van mogelijke archeologische resten onder het maaiveld kunnen veroorzaken, waaronder:
  1. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  3. het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
5.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod
Het verbod van lid 6.3.1 is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet:
  1. de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld geen verstoring;
  2. de totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ten hoogste 100 m²;
  3. de werkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  4. de werkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening;
  5. de werkzaamheden behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  6. de werkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek;
  7. (voor waterbodems) de onderhoudsbaggerwerkzaamheden gaan aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
  8. de aanvrager heeft een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige;
  9. het bevoegd gezag heeft een vergunning verleend, waarbij in de regels of voorschriften is vastgelegd dat een archeologisch rapport overgelegd moet worden waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige.
 

5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
 

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering, waterhuishouding en waterstaat, waarbij de bestemming Waterstaat - Waterkering voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
 

6.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd.
 

6.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 6.2 bepaalde, indien de beheerder van de waterkering een positief advies heeft uitgebracht, met dien verstande dat in dat geval de bouwregels van de overige daar voorkomende bestemmingen in acht worden genomen.
 

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op de in lid 6.1 bedoelde gronden uit te voeren:
  • het verlagen dan wel afgraven van de gronden;
  • het planten of verwijderen van diepgewortelde beplanting of bomen;
  • het in de grond indrijven van voorwerpen/objecten.
 
  1. Het in lid 6.4 sub a vervatte verbod geldt niet voor:
  • werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden in verband met de realisatie van de bestemming als bedoeld in lid 6.1;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis binnen het op de bestemming gerichte normale onderhoud en beheer;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn.
 
  1. De omgevingsvergunning voor de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.4 sub a is slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de waterkering ontstaat of kan ontstaan.
  2. Alvorens omgevingsvergunning te verlenen als lid 6.4 sub a bedoeld, wordt bij de beheerder van de betreffende waterkering advies ingewonnen.
  

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Aanvullende werking bouwverordening

De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard (Hoofdstuk 2, paragraaf 5), blijven buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:
  1. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepaling (artikel 2.5.1);
  2. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer (artikel 2.5.3);
  3. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (artikel 2.5.4);
  4. ruimte tussen bouwwerken (artikel 2.5.17);
 

8.2 Dakopbouw schuin dak

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 een omgevingsvergunning verlenen voor het realiseren van een dakopbouw op een schuin dak met inachtneming van de volgende regels:
  1. het hoofdgebouw betreft een aaneengebouwde woning;
  2. de dakhelling van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 40°;
  3. de dakhelling van de dakopbouw is gelijk aan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  4. het verschil tussen de nieuwe goothoogte en de maximaal toegestane goothoogte mag niet meer bedragen dan 2,10 meter;
  5. het verschil tussen de onderkant van de dakopbouw en de oorspronkelijke goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1,50 meter;
  6. de dakopbouw moet passen in het straat- en bebouwingsbeeld.
 

8.3 Dakopbouw plat dak

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 een omgevingsvergunning verlenen voor het realiseren van een dakopbouw op een plat dak met inachtneming van de volgende regels:
  1. het verschil tussen de nieuwe bouwhoogte en de maximaal toegestane bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. de dakopbouw moet passen in het straat- en bebouwingsbeeld.
 

8.4 Bestaande afwijkingen

Bestaande hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en (vrijstaande) bijgebouwen, waarvan de situering, de afmeting, de goothoogte en/of de bouwhoogte niet voldoet aan hetgeen in de bouwregels van de bestemmingsregels is bepaald, zijn wel toegestaan en mogen worden gehandhaafd, maar niet vergroot.
 

8.5 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en kelders buiten beschouwing gelaten, mits de bouw-, c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 2 meter wordt overschreden.
 

8.6 Parkeren

  1. in de parkeerbehoefte behorende bij de functies in het plangebied dient binnen het plangebied te worden voorzien;
  2. de parkeerbehoefte wordt bepaald conform de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317’, CROW, 2012;
  3. indien de onder b bedoelde publicatie wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
 

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Vormen van verboden gebruik (onbebouwd)

Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd een gebruik van gronden en/of water:
  1. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, dan wel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen c.q. onderdelen daarvan, die bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens voor zover het betreft parkeren en overigens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. als opslagplaats van hout en/of aannemersmaterialen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, of ten behoeve van bouw of andere tijdelijke werkzaamheden;
  4. voor het (doen) uitoefenen van straatprostitutie;
  5. als ligplaats voor woonschepen.
 

9.2 Vormen van verboden gebruik (gebouwen)

Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd het gebruik:
  1. van gebouwen voor het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen als detailhandel, met uitzondering van het verkopen of ten verkoop aanbieden van:
    1. goederen, waarvan de verkoop deel uitmaakt van de normale dienstverlening behorende bij het op hetzelfde perceel uitgeoefende bedrijf;
    2. agrarische producten afkomstig van en geteeld op het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf;
  2. van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten, daaronder begrepen kampeermiddelen, of van bijgebouwen, voor permanente bewoning;
  3. van recreatieverblijven voor permanente bewoning;
  4. van gebouwen ten behoeve van het (doen) exploiteren van een seksinrichting, een escortbedrijf of (het laten uitoefenen van) raamprostitutie.
 

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

10.1 Luchtvaartverkeerszone - 20ke

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 20ke' geldt het vrijwaringsbeleid in de 20 KE zone rond Schiphol, en zijn geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen en terreinen toegestaan zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van de woningen die kunnen worden gerealiseerd in het kader van de Ruimte voor ruimte regeling.
 

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan, voor:
  1. het afwijken van de in het plan voorgeschreven bouwvlak-, bouwhoogte-, goothoogte-, breedte-, diepte-, afstands- en bebouwde oppervlaktematen met ten hoogste 10%, indien dit in verband met de realisering van een bouwplan noodzakelijk is;
  2. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in de situering niet meer dan 3 meter bedraagt;
  3. het oprichten van voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van radio- en televisiesignalen, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 meter voor antennes voor privégebruik en maximaal 55 meter voor antennes ten behoeve van telecommunicatieverkeer;
  4. het oprichten van bouwwerken ten algemeen nutte, zoals transformatorhuisjes, bemalingsinrichtingen, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes voor verkeersdiensten, schuilgelegenheden en schaftlokalen, mits de oppervlakte van elk van deze gebouwtjes niet meer zal bedragen dan 20 m² en de bouwhoogte ervan niet meer zal bedragen dan 3 meter.
 

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

12.1 Algemene wijziging

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het wijzigen van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en van aanduidingen op de verbeelding zodanig, dat de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot en de grenzen daarbij met niet meer dan 10 meter worden verschoven.
 

Artikel 13 Algemene procedureregels

13.1 Procedure bij nadere eisen

Een beslissing omtrent het stellen van nadere eisen wordt niet eerder genomen dan het moment nadat belanghebbenden gedurende twee weken, na publicatie van het voornemen tot het stellen van nadere eisen in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk zienswijzen tegen die voorgenomen nadere eisen bij het college van burgemeester en wethouders in te dienen.
 

Artikel 14 Overige regels

14.1 Verwijzing naar andere regelgeving

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wet, een algemene maatregel van bestuur, een verordening, een richtlijn, of een andere (wettelijke) regeling, dan geldt deze wet, algemene maatregel van bestuur, verordening, richtlijn of andere (wettelijke) regeling zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.
 

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  2. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  3. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  4. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 15 a sub 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  5. Lid 15 a sub 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 

15.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 15.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het lid 15.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Lid 15.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 

Artikel 16 Slotregel

16.1 Citeertitel

Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan De Hoef Oostzijde 27 te gemeente De Ronde Venen.