1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens invulling te geven aan een wijzigingsbevoegdheid, die is opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' (vastgesteld op 9 oktober 2012), om de bestemming van het perceel om te zetten van 'Wonen-1' naar 'Agrarisch'. Tegelijkertijd wordt ook invulling gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid om het (nieuwe) agrarische bouwvlak te vergroten om zo de bouw van een nieuwe schuur mogelijk te maken. Voor deze invulling van de wijzigingsbevoegdheden is het opstellen van een wijzigingsplan noodzakelijk.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied van voorliggend wijzigingsplan bestaat uit een perceel aan de Gasthuisweg 1, circa 3,5 kilometer ten noorden van de kern Herwijnen, gemeente Lingewaal. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Nieuwe Steeg en aan de zuidzijde door de Gasthuisweg. Aan de overige zijden van het plangebied vormen agrarische percelen de begrenzing. De volgende afbeelding toont de begrenzing van het plangebied.
Begrenzing plangebied
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Dit bestemmingsplan is op 9 oktober 2012 vastgesteld door de raad van de gemeente Lingewaal. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' en 'Wonen-1'. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. Hoofdstuk 4 licht de haalbaarheid van het wijzigingsplan toe aan de hand van de wijzigingsbevoegdheid conform de geldende bestemmingsplanregels. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Tot slot bevatten hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
2 Planbeschrijving
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een woonperceel en een (deel van een) agrarisch perceel. Op het woonperceel zijn momenteel een woning en twee schuren van respectievelijk 300 en 350 m2 aanwezig. Op het agrarische perceel is momenteel geen bebouwing aanwezig. De volgende afbeelding toont foto's van de huidige situatie.
Huidige situatie (streetview)
Initiatiefnemer is voornemens om zijn fruitbedrijf, nu gevestigd aan de Mert 12 te Lingewaal, te verplaatsen naar het plangebied. Ten behoeve van het fruitbedrijf wil initiatiefnemer een nieuwe schuur bouwen met daarin onder andere een koeling. Om de nieuwe schuur zo goed mogelijk landschappelijk in te passen wordt rondom het plangebied een bomensingel van knotwilgen en populieren aangeplant. De volgende afbeelding toont de toekomstige situatie van het plangebied. De pijlen op de afbeelding geven de toekomstige aan- en afvoerroute weer.
Toekomstige inrichting plangebied
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de geldende beleidsnota's gedateerd.
De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij...’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:
- een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
- over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
- een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Nederland heeft een goede ruimtelijke economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een uitstekende internationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s en optimale (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.
De groei van mobiliteit over de weg, spoor en vaarwegen zal worden gefaciliteerd. De ambitie is dat gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit via multimodale knooppunten en door goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.
Nederland leefbaar en veilig
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater heeft ruimte nodig en stelt eisen aan de stedelijke ontwikkeling. Nederland behoudt haar unieke cultuurhistorische waarden en heeft een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Het aandeel duurzame energiebronnen moet toenemen.
Planspecifiek
Gezien het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft het plan nauwelijks raakvlak met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.
In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
In het Barro worden, na de aanvulling van 1 oktober 2012, vijftien onderwerpen beschreven: mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, waddenzee en waddengebied, defensie, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, rijksvaarwegen, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 juridisch verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent voor alle ruimtelijke plannen:
- eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling;
- vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
- mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.
De provincie Gelderland heeft in haar Omgevingsvisie Gelderland een vergelijkbare ladder opgenomen. Deze ladder kent de volgende zes treden:
- Voorziet de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling (= initiatief) in een actuele lokale of regionale behoefte en hoe verhoudt het initiatief zich met beleidskaders en -programma's?
- Kan de aangetoonde behoefte in redelijkheid binnen bestaand stedelijk gebied worden opgevangen door hergebruik dan wel transformatie van gebouwen?
- Zo niet, kan de behoefte dan worden opgevangen door benutten van beschikbare gronden binnen het stedelijk gebied, rekening houdend met o.a. stedenbouwkundige, ecologische en sociaal-culturele kwaliteiten?
- Zo niet, kan de behoefte dan worden opgevangen door hergebruik of transformatie van gebouwen buiten het stedelijk gebied en zijn deze locaties passend ontsloten? Houd rekening met de ter plekke geldende gebiedskwaliteiten.
- Zo niet, kunnen passend ontsloten nieuwbouwlocaties die aansluiten op het stedelijk gebied in de behoefte voorzien? Houd rekening met de ter plekke geldende gebiedskwaliteiten.
- Zo niet, kunnen passend ontsloten nieuwbouwlocaties die niet aansluiten op het stedelijk gebied in de behoefte voorzien? Houd rekening met de ter plekke geldende gebiedskwaliteiten.
Planspecifiek
Gelet op de overeenkomsten van de twee ladders voor duurzame verstedelijking is de toetsing gecombineerd.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een herbestemming van een woonperceel en de uitbreiding van een bouwvlak ten behoeve van de realisatie van een schuur. Uit de concrete aankoop van het perceel door initiatiefnemer blijkt dat er vraag is naar de ontwikkeling. Het is echter, gezien de aard en omvang van het bedrijf, niet mogelijk het bedrijf binnenstedelijk te realiseren. Derhalve is gezocht naar een locatie in het buitengebied. Op deze locatie wordt de bestaande bebouwing hergebruikt. De ontwikkeling is daarmee wel in lijn met het gestelde in de ladders voor duurzame verstedelijking. Tevens is het plangebied, gezien de directe ligging aan de Nieuwe Steeg, goed ontsloten.
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland
Op 9 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Gelderland. De Gelderse omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. Om flexibeler in te spelen op de veranderende behoeften en de regionale verschillen is de omgevingsvisie via cocreatie tot stand gekomen.
De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
- een duurzame economische structuur;
- het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
De strategie van de provincie om deze doelen te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat daarom voor:
- sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken;
- een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft een herbestemming van een woonperceel naar een agrarisch perceel. Met deze herbestemming zal er weer geïnvesteerd worden in de locatie en wordt achteruitgang van de locatie tegengegaan. De ontwikkeling sluit daarmee aan op het 'borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving'.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland
Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Gelderland. De omgevingsverordening is een uitwerking van de omgevingsvisie. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen hiervan of gebiedsgerichte thema's. De onderwerpen die in de verordening aan de orde komen en waarvoor regels opgenomen zijn, zijn: wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap, energie, gebruik gesloten stortplaatsen, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning, bodem, geluidhinder, vaarwegen, regionaal waterplan, handelingen in watersystemen, wegen, vervoer gevaarlijke stoffen en luchtvaart.
Planspecifiek
Op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is met name het onderwerp 'natuur en landschap' van belang. Het plangebied ligt namelijk in de gebieden aangeduid als 'groene ontwikkelingszone' en 'nieuwe hollandse waterlinie'. Met betrekking tot de ligging in deze gebieden is het van belang dat geen afbreuk wordt gedaan aan de kernkwaliteiten van het gebied. Gezien de kleine schaal van de ontwikkeling is hiervan geen sprake.
3.3.1 Structuurvisie Plus 2030 - 'Het manifest van Lingewaal'
Op 28 januari 2010 is de Structuurvisie Plus 2030 - 'Het manifest van Lingewaal' vastgesteld door de raad van de gemeente Lingewaal. Doel van de visie is het maken van keuzen op weg naar het Lingewaal van 2030. De visie vormt daarmee het afwegingskader voor het toekomstige beleid ten aanzien van kernen en buitengebied. De belangrijkste lijnen voor de periode tot 2030 zijn:
- Lingewaal blijft een groene en vitale gemeente met een balans tussen ecologie, economie en samenleving.
- Elke kern heeft zijn eigen karakteristiek en identiteit. De kernen vormen samen met het Rivierenland en de open komgebieden een oase van rust en ruimte. Lingewaal kiest ervoor om niet tot de Randstad te behoren, maar tot het Rivierenland.
- Het gemeentebestuur zorgt voor een balans tussen de belangen van de gemeente als geheel en de vijf kernen afzonderlijk. Waar nodig gaat zij samenwerkingsverbanden aan met steden en dorpen in de regio.
- De gemeente stimuleert en faciliteert het zelforganiserend vermogen van haar inwoners. Beleidskeuzes worden grotendeels door en/of met de bewoners, ondernemers en organisaties in de kernen gemaakt.
- De landbouw is in Lingewaal beeldbepalend en een belangrijke economische factor.
- Lingewaal biedt een gastvrij onthaal aan mensen die willen genieten van haar natuur, haar cultuurhistorische waardevolle kernen en landschap, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de rust en stilte.
- De gemeente zorgt voor basisvoorzieningen. Dat zijn: (1) voorzieningen voor de jeugd tot 12 jaar, waar mogelijk in een brede school, (2) een zorgvoorziening passend bij de schaal van de kern en (3) een ontmoetingsruimte. Willen inwoners meer, dan moeten zij zich daar ook zelf voor inzetten. De gemeente zet zich in voor gezamenlijke accommodaties en multifunctionele gebouwen.
- De gemeente biedt ruimte aan goed, inventief en maatschappelijk ondernemerschap want dat vormt de basis voor een gezonde economische ontwikkeling.
De visie heeft een ruimtelijke weerslag die verbeeld wordt op de Structuurvisiekaart. Deze kaart vormt de leidraad voor toekomstige ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen op gemeenteniveau.
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de structuurvisiekaart.
Fragment structuurvisiekaart
Het plangebied ligt in een 'Komgebied primair landbouw' 'met open schootsvelden'. Binnen de open schootsvelden passen geen ontwikkelingen die leiden tot een aantasting van de openheid binnen het gebied. Omdat de voorgenomen ontwikkeling slechts een herbestemming en een beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing betreft tast het de openheid van het gebied niet aan.
4.1 Bestemmingswijziging
In artikel 22 lid 6.3 van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Op grond van deze wijzigingsbevoegdheid zijn burgemeester en wethouders bevoegd gronden met de bestemming 'Wonen-1' te wijzigen ten behoeve van de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden', mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
- de bestaande oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de woning meer bedraagt dan 200 m2;
- uitsluitend een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan;
- omliggende waarden door de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden stedenbouwkundige waarden en landschappelijke waarden;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit;
- de vergroting niet leidt tot nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid en in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
Toetsing aan de voorwaarden
In het kader van het wijzigen van de bestemming van het perceel is getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid:
- In de huidige situatie is circa 650 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij de woning aanwezig. Dit is ruim meer dan de het gestelde minimum van 200 m2.
- Het agrarische bedrijf betreft een fruitteelt bedrijf. Als zodanig valt dit bedrijf onder de definitie van grondgebonden agrarisch bedrijf.
- In toelichting paragraaf 5.3, toelichting paragraaf 5.4, toelichting paragraaf 5.5 wordt ingegaan op de aspecten ecologie, archeologie en cultuurhistorie. Uit de verschillende paragrafen volgt dat door de voorgenomen ontwikkeling de omliggende waarden niet onevenredig worden aangetast.
- In toelichting paragraaf 5.1.4 wordt ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de omgeving als het gaat om milieuhinder. Conclusie van deze paragraaf is dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. Op het aspect luchtkwaliteit wordt in toelichting paragraaf 5.1.2 ingegaan. Ook vanuit dit aspect bestaan er geen belemmering ten opzichte van de voorgenomen ontwikkeling.
- In toelichting paragraaf 5.6 wordt op het aspect verkeer en parkeren ingegaan. Conclusie is dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling en dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
4.2 Vergroten bouwvlak
In artikel 4 lid 7.1 van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Op grond van deze wijzigingsbevoegdheid zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan, ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' te wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
- de oppervlakte van het bouwvlak voor grondgebonden agrarische bedrijven na vergroting niet meer mag bedragen dan 2 ha, met dien verstande dat indien het bouwvlak tevens is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' de oppervlakte van het bouwvlak en de omvang van de intensieve veehouderij niet vergroot mag worden ten behoeve van de intensieve veehouderij;
- de oppervlakte van het bouwvlak van gebruiksgerichte paardenhouderijen ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij', en glastuinbouwbedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' na vergroting niet meer mag bedragen dan 1,5 ha;
- aangetoond is dat de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
- omliggende waarden door de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden stedenbouwkundige waarden en landschappelijke waarden;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit;
- de vergroting niet leidt tot nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid en in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
Toetsing aan de voorwaarden
In het kader van het wijzigen van de bestemming van het perceel is getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid:
- Na vergroten heeft het bouwvlak een oppervlakte van circa 8000 m2. De oppervlakte van het bouwvlak ligt daarmee ruim binnen het maximum van 2 ha.
- Ter plaatse van het plangebied is geen aanduiding 'paardenhouderij' of 'glastuinbouw' aanwezig. Deze voorwaarde is derhalve niet van toepassing.
- Om het agrarisch bedrijf naar behoren te kunnen uitoefenen is een vergroting van het perceel noodzakelijk. Alleen in dat geval kan er een nieuw agrarisch bedrijfsgebouw gerealiseerd worden.
- In toelichting paragraaf 5.3, toelichting paragraaf 5.4, toelichting paragraaf 5.5 wordt ingegaan op de aspecten ecologie, archeologie en cultuurhistorie. Uit de verschillende paragrafen volgt dat door de voorgenomen ontwikkeling de omliggende waarden niet onevenredig worden aangetast.
- In toelichting paragraaf 5.1.4 wordt ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de omgeving als het gaat om milieuhinder. Conclusie van deze paragraaf is dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. Op het aspect luchtkwaliteit wordt in toelichting paragraaf 5.1.2 ingegaan. Ook vanuit dit aspect bestaan er geen belemmering ten opzichte van de voorgenomen ontwikkeling.
- In toelichting paragraaf 5.6 wordt op het aspect verkeer en parkeren ingegaan. Conclusie is dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling en dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
5 Randvoorwaarden
In het kader van een 'goede' ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
5.1.1 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van de bestemming van het perceel van 'wonen' naar 'agrarisch' en de vergroting van het agrarische bouwvlak. Een bestemmingswijziging van 'wonen' naar 'agrarisch' levert een minder streng bodemgebruik op. Daarnaast wordt de nieuw te bouwen schuur enkel gebruikt voor de opslag van fruit. Het sorteren van fruit vindt in een andere schuur plaats. Personen zullen daardoor alleen in de schuur aanwezig zijn om het fruit te brengen en te halen. Dit neemt maximaal tussen een half uur en anderhalf uur per dag in beslag. Zeker is daarmee dat er niet meer dan twee uur per dag mensen zullen verblijven in de nieuwe schuur. Tevens is de locatie niet aangemerkt als verdachte locatie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.1.2 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen of een kantoor van minder dan 100.000 m2 bvo niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
- scholen;
- kinderdagverblijven;
- verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft een herbestemming van 'wonen' naar 'agrarisch' en een beperkte uitbreiding van het bouwvlak. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, kan de ontwikkeling aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk; het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Aan de andere kant wordt 'agrarisch' in het Besluit gevoelige bestemmingen niet gezien als een gevoelige bestemming. Daarmee kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat.
5.1.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
- verzorgingstehuizen;
- psychiatrische inrichtingen;
- medisch centra;
- poliklinieken;
- medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Met de voorgenomen herbestemming van 'wonen' naar 'agrarisch' en de vergroting van het bouwvlak worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.1.4 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
In het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering is het van belang om te bepalen of de toekomstige agrarische activiteiten op het perceel niet voor hinder zorgen richting nabijgelegen milieugevoelige bestemmingen (woningen).
De voorgenomen activiteiten op het perceel worden in het kader van bedrijven en milieuzonering aangemerkt als activiteiten in milieucategorie 2 (akkerbouw en fruitteelt). Dit houdt in dat een afstand van 30 meter moet worden aangehouden tot milieugevoelige bestemmingen. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemming (een woning) ligt op circa 170 m van het toekomstige agrarische bouwvlak. Gezien de afstand zal deze woning geen hinder ondervinden als gevolg van de ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.1.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er verschillende ontwikkelingen gaande. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen en wordt er gewerkt aan een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie wordt de opvolger van het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 en bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat beschreven in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de circulaire Rnvgs is dit beleid nader uitgewerkt. In de nota en circulaire Rnvgs staan normen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor. Deze normen hebben echter geen wettelijke status.
Het voornemen van het kabinet is een aantal categorieën van routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en bijbehorende plafonds aan te wijzen. Dit moet leiden tot een basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit Basisnet geeft de relatie aan tussen de ruimtelijke ordening en de vervoersrisico’s. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in een gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Om het Basisnet wettelijke grondslag te geven zal bestaande wetgeving aangepast en nieuwe wetgeving ontwikkeld moeten worden. Derhalve wordt een nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) opgesteld om de regels voor de ruimtelijke ordening van het Basisnet vast te leggen: het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Vanuit het Btev moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) opgenomen worden en moet een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied mogelijke risico's aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is een fragment van deze kaart weergegeven.
Fragment risicokaart
De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting bedraagt een bovengrondse propaantank op circa 900 meter van het plangebied. Daarnaast ligt op circa 600 meter van het plangebied een aardgasleiding, een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Zowel de propaantank als de aardgasleiding hebben geen plaatsgebonden risicocontour die over het plangebied valt. Tevens valt het plangebied buiten het invloedsgebied groepsrisico van de tank en de leiding. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van de Betuweroute. Omdat het plangebied ruim buiten de 200 meter zone van de Betuweroute ligt (namelijk op circa 1,2 kilometer), hoeft in deze situatie niet te worden ingegaan op andere verantwoordingselementen voor het groepsrisico dan zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid vanwege een zwaar ongeval op de Betuweroute zullen naar verwachting geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.
Het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg en water is niet aan de orde in de omgeving van het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
5.2.1 Rijksbeleid
Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
5.2.2 Beleid Waterschap Rivierenland
Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toe getreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid.
In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen.
Waterbeheerplan 2010-2015
Vanaf 22 december 2009 is het Waterbeheerplan 2010-2015 van kracht. Het beheerplan gaat in op het waterbeheer in het hele plangebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. Het nieuwe plan bouwt voort op het bestaande beleid uit de voorgaande waterbeheerplannen. In het plan worden ook nieuwe onderwerpen aangehaald, te weten:
De nieuwe doelstellingen sluiten aan bij de opgave waar het waterschap de komende planperiode voor staat. Zo wil het waterschap het beheergebied in 2015 klimaatbestendig hebben. Om dit te bereiken moeten de primaire waterkeringen worden aangepakt en het bergend vermogen van het watersysteem van het landelijk gebied worden vergroot. Een andere doelstelling en onderdeel van de opgave, is om in 2027 de KRW-doelstellingen voor waterkwaliteit te halen. Hiertoe zullen er in de planperiode een groot aantal maatregelen worden getroffen om vooral de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Daarnaast zal ook binnen het stedelijk gebied het waterbergend vermogen worden vergroot en de waterkwaliteit worden verbeterd. Als laatste heeft het waterschap de ambitie om de watercondities en de waterkwaliteit voor de natte natuur te verbeteren.
Waterplan Lingewaal 2009 - 2015
Door de gemeente Lingewaal is, in samenwerking met het Waterschap Rivierenland, het waterplan Lingewaal opgesteld en vastgesteld (2009). De visie uit het waterplan is gericht op het oplossen van knelpunten en het verzilveren van kansen die zich voordoen ten aanzien van het waterbeheer. In het waterplan wordt beschreven hoe binnen de gemeentegrenzen moet worden omgegaan met water en wat belanghebbenden mogen verwachten. In het waterplan is aangegeven wat er nodig is om het watersysteem op orde te brengen, denk daarbij aan verbetering van de water aan- en afvoer, maar ook aan het realiseren van voldoende waterberging.
5.2.3 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze
laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
Watercompensatie
Het waterbergend vermogen van de bodem mag bij nieuwe ontwikkelingen niet verloren gaan. In de brochure 'Partners in water' van het waterschap wordt hiervoor een grens gehanteerd. Voor plannen met minder dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en minder 1.500 m2 in landelijk gebied is geen compenserende waterberging vereist. Dergelijke plannen hebben een verwaarloosbaar effect op de waterhuishouding van het gehele systeem.
In de huidige situatie is het plangebied gedeeltelijk verhard. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal deze verharding toenemen met de oppervlakte van de nieuwe schuur, circa 1.125 m2. Gezien de ligging van het plangebied in het landelijk gebied is compenserende waterberging niet vereist omdat de toename van het verhard oppervlak minder is dan 1.500 m2.
Waterafvoer
De vuilwaterafvoer van het plan is reeds aangesloten op het openbaar riool grenzend aan het plangebied. Het hemelwater vanaf de nieuwbouw (daken) zal zoveel als mogelijk afgekoppeld worden van het riool. Het regenwater vanaf de bestrating zal 'gewoon' via de berm/tuin infiltreren in de bodem.
5.3 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage
1. Conclusie van deze quickscan is dat er voor de ingreep zoals hij gepland is geen aanvullende onderzoeken hoeven worden uitgevoerd. Als er buiten het broedseizoen gewerkt wordt gelden er geen beperkingen ten aanzien van broedvogels. Daarnaast is het aanbrengen van verlichting die constant brand af te raden. In plaats daarvan kan er gewerkt worden met verlichting die aangaat via een bewegingsmelder en na verloop van tijd weer automatisch uit gaat. Hierdoor wordt voorkomen dat er langdurig een felle lichtbron in het gebied aanwezig is. Voor de ingreep hoeft geen ontheffing in het kader van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet aangevraagd te worden.
Aanvullend op de quickscan is nog een notitie 'Toetsing ecologische hoofdstructuur' opgesteld, zie bijlage
2. Uit deze toetsing volgt dat het plangebied niet in de eigenlijke ecologische hoofdstructuur ligt, maar wel in de verweven ecologische hoofdstructuur. De 'nee, tenzij'-benadering laat in de verschillende onderdelen van de EHS ontwikkelingen mogelijk, met name in de EHS verweging- en verbindingszone. Deze ontwikkelingen moeten echter wel bijdragen aan de realisering van de EHS. Er mag geen sprake zijn van significante aantasting en derhalve is getoetst of gezien de ruimtelijke plannen aan de Gasthuisweg hier sprake van is.
Geen van de punten die worden gezien als significante aantasting van de ecologische hoofdstructuur wordt middels de geplande ruimtelijke ingrepen noch de daarop volgende werkzaamheden aangetast. Van de genoemde bijdrage aan de realisatie van de EHS is eveneens geen sprake.
5.4 Archeologie
Het archeologisch erfgoed is in Nederland beschermd door de wet- en regelgeving. In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan onderzoek naar mogelijke waarden als voorwaarde worden gesteld zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Planspecifiek
De raad van de gemeente Lingewaal heeft op 12 maart 2012 de herziene beleidsnota Archeologische monumentenzorg vastgesteld. In de beleidsnota is het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie vastgelegd. Om de archeologische waarden inzichtelijk te maken, is een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het grondgebied van de gemeente. Deze kaart is vervolgens vertaald naar een archeologische beleidskaart. De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart.
Fragment archeologische beleidskaart gemeente Lingewaal
Het plangebied ligt in zijn geheel in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting. Voor dergelijke gebieden is het streven naar behoud in huidige staat. Archeologisch inventariserend veldonderzoek is verplicht als de oppervlakte van bodemingrepen groter is dan 500 m
2 én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv. Omdat de nieuw te bouwen schuur een oppervlakte groter dan 500 m
2 heeft, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage
3.
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat de archeologische verwachting met name hoog is voor de periode ijzertijd en Romeinse tijd op de oevers van de Gellicum stroomgordel. Op basis van de verkaveling wordt aangenomen dat het gebied in de late middeleeuwen is ontgonnen. De kans op resten uit de vroege middeleeuwen wordt laag geacht, het gebied was toen nog onontgonnen. De verwachting is dat ook in de late middeleeuwen en nieuwe tijd het plangebied te nat was voor bewoning.
Uit het karterend booronderzoek is gebleken dat het plangebied ligt in een komgebied. Tot 3,0 m-mv zijn komafzettingen aanwezig, die ongeschikt, te nat, zijn geweest voor bewoning. Blijkbaar heeft de Gellicum stroomgordel in het plangebied geen oevers gevormd. De verwachting is dat deze direct ten zuiden van het plangebied liggen. Tot de geboorde diepte van 3,0 m –mv worden geen archeologische resten binnen het plangebied verwacht. Hieronder op de oevers van de Deil stroomgordel kunnen mogelijk nog resten uit het neolithicum verwacht worden. Deze zijn bij dit onderzoek niet aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat binnen het plangebied geen aanwijzingen zijn voor een archeologische vindplaats. Het is derhalve niet noodzakelijk een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Archeologisch gezien zijn er geen belemmeringen voor de bouw van de nieuwe schuur.
Ondanks dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd kan op basis van de aard van de onderzoeksmethode niet worden uitgesloten dat tijdens graafwerkzaamheden alsnog archeologische resten worden aangetroffen. Bij verstorende activiteiten is men in dat kader verplicht om eventuele vondsten en grondsporen te melden bij de Minister van OCW conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988.
5.5 Cultuurhistorie
Door recente wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1 januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Planspecifiek
Op 8 maart 2012 heeft de raad van de gemeente Lingewaal de Cultuurhistorische Waardenkaart vastgesteld. De volgende afbeelding toont een fragment van deze kaart.
Fragment Cultuurhistorische Waardenkaart
Met betrekking tot onderhavig plan zijn met name de ligging in de verboden kring en het inundatiegebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie relevant. Voor beide gebieden is de openheid van het gebied van grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een herbestemming en een beperkte uitbreiding van het bouwvlak. Deze ontwikkeling is dusdanig klein van schaal dat het de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied niet worden aangetast. Met andere woorden het karakter van het voormalige inundatiegebied blijft zeer herkenbaar aanwezig. Voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van de Waterlinie is het wel van belang het erf te voorzien van een passende erfbeplanting.
5.6 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen en kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Het plangebied wordt via de Gasthuisweg ontsloten op de Nieuwe Steeg. De invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeerssituatie op deze weg is beperkt. Het parkeren zal daarnaast plaatsvinden op eigen terrein. Hier is voldoende ruimte voor het parkeren van eigen (vracht)auto's en de (vracht)auto's van bezoekers. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpwijzigingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van Burgemeester en Wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
6.1.1 Verslag zienswijzen
Het ontwerp wijzigingsplan heeft zes weken ter inzake gelegen, tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
6.2 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan het bevoegd gezag bij het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te tellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de wijzigingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Het project wordt op verzoek van en gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten te verhalen. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is met het afsluiten van de anterieure overeenkomst aangetoond.
- 1. Notitie Quickscan Gasthuisweg 1 te Herwijnen, Vos Natuurbeheer, 7 december 2014
- 2. Toetsing ecologische hoofdstructuur Gasthuisweg 1 Herwijnen, Elsken Ecologie, 4 maart 2015
- 3. Bureauonderzoek en karterend booronderzoek - Herwijnen, Gasthuisweg 1; ArGeoBoor; rapport 1338; 2 maart 2015