direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bouwlust III, Aagtekerke
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Voorliggend bestemmingsplan Bouwlust III biedt het juridisch-planologisch kader voor de realisatie van 21 woningen in de dorpskern Aagtekerke in de gemeente Veere. Op het perceel (hierna: plangebied), gelegen in het noordwesten van de dorpskern Aagtekerke, vigeert het op 15 december 2011 vastgestelde bestemmingsplan 'Kom Aagtekerke'. Het plangebied maakt deel uit van een agrarische randzone van het kerkdorp en kent in de bestaande situatie de enkelbestemming 'Agrarisch' en 'Recreatie-Dagrecreatie'.

Het woningbouwprogramma Bouwlust draagt bij aan de doelstelling van de gemeente Veere om de kernen vitaal en levendig te houden. Belangrijke voorwaarde hiervoor is de aanwezigheid van voldoende kwalitatieve woningen. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de derde fase van Bouwlust. Voor de derde fase heeft de gemeente gekozen voor een mix aan woningbouw typologieën, geschikt voor verschillende doelgroepen. De toevoeging van deze kwalitatieve en levensloopbestendige woningen draagt bij aan de doelstelling om de kernen levendig en vitaal te houden. De gemeente Veere is zelf initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling die bijdraagt aan het vergroten van het woningbestand van Aagtekerke en de gemeente Veere.

1.1.1 Opzet vast te stellen bestemmingsplan en het woningbouwplan

Voorafgaand aan de totstandkoming van ontwerpbestemmingsplan, welke 6 weken ter inzage heeft gelegen, is door de gemeente een uitgebreid participatietraject gevolgd. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn een aantal zienswijzen binnengekomen welke betrekking hadden op het stedenbouwkundig plan zoals gepresenteerd in het ontwerpbestemmingsplan. In het ontwerpbestemmingsplan was ook opgenomen dat het definitieve stedenbouwkundige plan pas voorafgaand aan de vaststelling definitief vastgesteld zou worden. Op basis van de zienswijzen is het stedenbouwkundig plan gewijzigd met de toevoeging van zes twee-onder-één-kap woningen in plaats van 4 vrijstaande woningen.

Het uiteindelijke stedenbouwkundige plan omvat 21 woningen in plaats 19 woningen. In de uiteindelijke versie van het stedenbouwkundige plan verdwijnt het skatepark op de bestaande locatie. Alle woningen worden ingepast binnen de eerder voorgestelde structuur, derhalve is sprake van een ondergeschikte wijziging binnen de bestaande procedure.

Als gevolg van de aanpassing in het stedenbouwkundig plan zijn de toelichting, regels en verbeelding gewijzigd. Een volledige lijst van aanpassingen is opgenomen in de Nota Zienswijzen welke is toegevoegd als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan (hoofdstuk 7).

1.2 Planopgave: Realisatie van 21 woningen

De opgave van het bestemmingsplan Bouwlust III omvat de realisatie van 21 eengezinswoningen, geschikt voor verschillende doelgroepen. Het voorontwerp van het stedenbouwkundig plan is vastgesteld door de gemeenteraad en in het beeldkwaliteitsplan verder uitgewerkt. Op basis van de zienswijzen is het uiteindelijke stedenbouwkundige plan tot stand gekomen. Onderstaande afbeelding geeft deze uiteindelijke stedenbouwkundige visie weer. De ontwikkeling bestaat uit 21 woningen inclusief bijbehorende voorzieningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0001.png"

Afbeelding 1.1. Stedenbouwkundige visie Bouwlust III

1.3 Plangebied

Het plangebied van het bestemmingsplan Bouwlust III is gelegen aan de noordwestzijde van de dorpskern Aagtekerke in de gemeente Veere. Het grootste gedeelte van het plangebied is momenteel een onbebouwd perceel, kadastraal bekend onder gemeentecode MRK02 sectie I en perceelnummer 746. Perceelnummer 745, het huidige sport- en skatepark, is ook gedeeltelijk onderdeel van het plangebied. Gelegen in het noordwesten van de dorpskern is het in de bestaande situatie onderdeel van de agrarische dorpsrand.

Het plangebied ligt in het verlengde van de Agathastraat en ten noorden van de straat Hekweide. Het plangebied grenst aan noord en westzijde aan het agrarische buitengebied rondom Aagtekerke. Ten zuiden wordt het plangebied begrensd door de Hekweide en aan de oostzijde door het bestaand groene sportpark

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0002.png"

Afbeelding 1.2. Bouwlust III, plangebied rood omlijnd in rechter afbeelding. (bron: openstreetmaps)

1.4 Vigerend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan 'Kom Aagtekerke' is vastgesteld op 15 december 2011. Ter hoogte van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch' met aanvullende functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - randzone. Het plangebied kent tevens de enkelbestemmingen 'Recreatie - Dagrecreatie' en 'Groen'. Het plangebied kent daarnaast de dubbelbestemmingen 'Waarde - archeologie - 1' en ''Waarde - archeologie - 3'. In onderstaande afbeelding is de vigerende planologische situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0003.png"

Afbeelding 1.3: Bestemmingsplan Kom Aagtekerke, Plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijke plannen).

1.5 Leeswijzer

De opbouw van de toelichting van dit bestemmingsplan is afgestemd op het bestemmingsplan 'Kom Aagtekerke'. De informatie over het plangebied en de toelichting worden uitvoerig beschreven, het bestemmingsplan is aanvullend op het vigerende bestemmingsplan 'Kom Aagtekerke'.

In hoofdstuk 2 volgt een uitgebreide analyse van het plangebied en het vigerende provinciale en gemeentelijke beleid met aansluitend de beschrijving van enkele relevante uitgangspunten en voorwaarden, waaraan onderhavig bestemmingsplan voldoet of geen negatieve bijdrage aan levert. Hoofdstuk 3 bevat de beschrijving van enkele voor de bestemmingsregeling relevante milieuaspecten en de waterparagraaf. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de bestemmingsregeling. Eerst wordt een toelichting gegeven op de opzet van de verbeelding en regels. Vervolgens wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de bijbehorende regels. In hoofdstuk 5 wordt beschreven op welke wijze de gemeente de handhaving van het bestemmingsplan nastreeft. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden behandeld in de hoofdstukken 6 en 7.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk is een beknopte analyse van het plangebied gemaakt waarin de bestaande situatie is beschreven (paragraaf 2.1). Vervolgens wordt de ruimtelijke opbouw beschreven in paragraaf 2.2. De toekomstige ontwikkelingen zijn beschreven (paragraaf 2.3). In paragraaf 2.4 wordt het voor het bestemmingsplan relevante vigerende rijksbeleid behandeld en in paragraaf 2.5 het provinciaal beleid. In paragraaf 2.6 wordt ten slotte het gemeentelijk beleid behandeld.

2.1 Bestaande situatie / ontstaansgeschiedenis

Het plangebied is gelegen aan de buitenrand van de dorpskern Aagtekerke. De dorpskern Aagtekerke is gelegen in het oudland, het oudste gedeelte van Walcheren. Dit landschap wordt gekenmerkt door hoger gelegen kreekruggen en lager gelegen poelgebieden. Aagtekerke is een zogenaamd ringdorp dat is gebouwd op een hoger gelegen kreekrug, ter bescherming van overstromingsgevaar die in tijden van de realisatie van de kern reel was. Het belangrijkste kenmerk van een ringdorp is de ring, deze is voornamelijk zichtbaar rond de kerk van Aagtekerke.

De dorpskern Aagtekerke is de afgelopen jaren erg gegroeid, sinds de jaren '50 van de vorige eeuw hebben relatief grootschalige woningbouwuitbreidingen plaatsgevonden buiten de ring. Onderhavige ontwikkeling sluit aan bij een van de meest recente uitbreidingen gelegen ten westen van de dorpskern. Deze zijn gerealiseerd tussen de jaren 1990 en 2010. De ontwikkeling vindt plaats in agrarisch gebied, deze gronden werden lange tijd gebruikt voor akkerbouw en landbouw. In onderstaande afbeeldingen is visueel weergegeven hoe de ontwikkeling van Aagtekerke heeft plaatsgevonden tussen de jaren '50 en het heden. Bezien in de historische context is de keuze voor onderhavig plangebied een logische.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0006.png"

Afbeelding 2.1.Historische ontwikkeling van de kern Aagtekerke (gelezen van boven naar beneden) in 1956, 1990 en 2021. Het huidige plangebied is in elke afbeelding met rode ster weergegeven (bron: topotijdreis).

2.2 Ruimtelijke opbouw van het gebied

Aagtekerke is een kern met een landelijk karakter in het (agrarisch) middengebied van de gemeente Veere. De structuur van de kern wordt gevormd door de Roosjesweg, de Prelaatweg en de Burgemeester Bosselaarstraat (welke overloopt in de Rijsoordeselaan), de grootste doorgaande weg door de dorpskern. De wegen Roosjesweg en Prelaatweg verzorgen vanuit oost westelijke richting de verbinding naar de kustkernen. Tussen deze twee hoofdroutes bevindt zich de Schoolstraat, die vanaf de kerkring een secundaire verbinding vormt tussen de twee belangrijkste noordzuid- en oostwestroutes.

De ruimtelijke opbouw van het gebied rond het plangebied bestaat uit de dorpskern Aagtekerke en het buitengebied van de gemeente Veere. De dorpskern Aagtekerke is opgebouwd rond de ring van het historisch centrum. Rond de ring is sprake van authentieke bebouwing, te midden van de ring is een kerk gelegen. Aagtekerke heeft zich als woondorp steeds verder uitgebreid rondom de oorspronkelijke ring. Waar in het centrum sprake is van een kleinschalige stedenbouwkundige opzet is er nabij het plangebied sprake van een ruimere opzet. De vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen zijn twee laags met kap en zijn gesitueerd aan lange rechte straten. De dwarsprofielen zijn breed, vaak bestaande uit de straat en een voetpad. In het noorden van Aagtekerke is de opbouw van de dorpskern ruim. Aan de grens met het buitengebied is de dorpskern ruimer van opzet. De ruimtelijke opbouw van het buitengebied rond Aagtekerke bestaat uit akkerbouw grond en verschillende minicampings.

De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt sluit qua ruimtelijke opzet aan bij de bestaande stedenbouwkundige structuren. Er zal sprake zijn van een ruime opzet, passend bij een geleidelijk overgang tussen dorp en land. In paragraaf 2.3 wordt de toekomstige situatie binnen het plangebied nader toegelicht.

2.3 Toekomstige ontwikkelingen

De ontwikkeling van het plangebied maakt deel uit van de projecten Bouwlust van de gemeente Veere. De realisatie van 21 woningen in verschillende typologieën is door de gemeenteraad vastgelegd in een stedenbouwkundig visie. Deze vaststelling vond plaats in juli 2021, waarna het stedenbouwkundig plan op basis van de zienswijzen is gewijzigd. De woningen in het plangebied worden gesitueerd aansluitend op het bestaande bebouwingspatroon van de woningen in het noordwesten van de dorpskern.

Er is gekozen voor een stedenbouwkundige plan met in totaal 21 woningen. De woningen vallen binnen de typologieën 'vrijstaand', 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd'. In totaal worden er 10 vrijstaande woningen, 6 twee-aaneen en 5 aaneengebouwde woningen gerealiseerd. Op de verbeelding behorende bij voorliggend bestemmingsplan zullen deze typologieën terugkeren.

Rondom de woningen wordt voorzien in een groenstructuur. Op deze manier wordt een zachte overgang tussen enerzijds het landelijk en anderzijds het stedelijk gebied te realiseren. Tussen het nieuwe plangebied en de bestaande woningen aan de Hekweide blijft de bestaande watergang behouden.

Het stedenbouwkundig plan (weergegeven op afbeelding 1.1) is zo vormgegeven dat ontsluiting één op één aansluit op de bestaande wegen de Agathastraat en Hekweide. De meest nieuwe woningen worden middels één gezamenlijke wijkontsluitingsweg ontsloten, voor 4 vrijstaande woningen direct aan de Hekweide wordt (per 2 woningen) voorzien in een eigen in- en uitrit.

2.3.1 Duurzaamheid woningbouw

Sinds 1 juli 2018 mogen nieuw te bouwen woningen niet meer aangesloten worden op het aardgas. Zij moeten dus gebruik maken van een andere warmtevoorziening dan aardgas. Ook is sinds 1 januari 2021 het Bouwbesluit aangepast en moeten nieuwe woningen minimaal voldoen aan Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Door deze wettelijke verplichting worden nieuwe woningen duurzaam en energiezuinig uitgevoerd. De woningen beschikken allemaal over een duurzame warmtevoorziening, hoge isolatiegraad en zonnepanelen. Deze wettelijke verplichtingen worden getoetst bij een vergunningaanvraag.

2.4 Vigerend Rijksbeleid

2.4.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden en deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed.

Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen maken.

De NOVI wordt opgesteld als voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Doorwerking plangebied

Het rijksbeleid is in veel gevallen te abstract om voor kleine ontwikkelingen daadwerkelijk kaderstellend te zijn. De ontwikkeling van 21 woningen in Aagtekerke draagt niet direct bij aan de rijksdoelstelling, maar vormt ook geen belemmering. De kleinschaligheid van de ontwikkeling leidt er toe dat de NOVI geen invloed heeft op de ontwikkeling en vice versa.

2.4.2 Besluit ruimtelijke ordening (bro)

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in bestaand of nieuwe stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd, waarbij zorgvuldig ruimtegebruik voorop staat

In de praktijk werd de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking als lastig ervaren. Daarom is op 1 juli 2017 het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De derde trede is geschrapt en de eerste twee treden zijn samengevoegd. Hiermee is de 3-trapsstructuur losgelaten. Ook zijn de termen 'actueel' en 'regionaal' geschrapt die waren opgenomen in de voormalige eerste trede. De Ladder voor duurzame verstedelijking bestaat nu uit twee onderdelen. Het tweede lid van artikel 3.1.6. Bro omvat de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014. De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten, die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking. Ook hier is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader gespecificeerd. Indien het om een woningbouwlocatie gaat, geldt het volgende uitgangspunt:

"Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt."

Doorwerking plangebied

De beoogde ontwikkeling bestaat uit 21 woningen binnen bestaand stedelijke gebied. Uit vaste jurisprudentie volgt dat er bij een ontwikkeling vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat indien 12 of meer woningen gerealiseerd worden het plan getoetst moet worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking om de behoefte te onderbouwen. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt dient ook onderbouwd te worden waarom binnen bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie aanwezig is.

De beoogde ontwikkeling dient met 21 woningen aangemerkt worden als stedelijke ontwikkeling, toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking in derhalve noodzakelijk.

Behoefte woningbouw

De behoefte aan woningbouwontwikkeling in Nederland is groot. De komende kabinetsperiode (2022-2025) wordt ingezet op de bouw van circa één miljoen woningen. Het Rijk en de provincies stimuleren gemeenten om de woningbouwopgave versneld op te pakken. De provincies zijn verantwoordelijk voor het opstellen van en begeleiden van regionale woningbouwafspraken. De provincies zijn ook verantwoordelijk voor het aanwijzen van buitenstedelijke locaties voor woningbouw omdat het niet mogelijk is om de woningnood alleen binnen bestaand stedelijk gebied op te lossen. Het bepalen van de exacte behoefte wordt vervolgens vastgelegd in regionaal en gemeentelijk woonbeleid.

De Zeeuwse Woonagenda is de manier waarop in Zeeland samengewerkt wordt tussen de gemeentes en regio's. De provincie monitort de vorderingen en houdt ook het zogenaamd 'Dashboard ladderruimte Zeeuwse woningmarktregio's' bij. De totale ladderruimte binnen de provincie bedraagt (d.d. 21 januari 2022) nog 4.777 woningen, extra woningbouw is derhalve noodzakelijk.

De gemeente Veere hoort bij de regio 'Walcheren'. De Ladderruimte binnen deze regio bedraagt nog 1790 woningen. Wanneer de zachte plancapaciteit (plannen waarvoor nog geen procedure is doorlopen) daarvan afgehaald wordt is er een overschot van 312 woningen. Het woningbouwprogramma Bouwlust III is onderdeel van deze zachte plancapaciteit, gezien de hoge woningnood is het wenselijk zo veel en zo snel mogelijk zachte plancapaciteit om te zetten in harde plancapaciteit.

Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan bijdraagt aan een actuele behoefte en voorziet in gewenste woningbouw.

2.4.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen die genoemd zijn in de conceptversie van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De 14 nationale belangen in het Barro zijn:

  • 1. Rijksvaarwegen
  • 2. Mainportontwikkeling Rotterdam
  • 3. Kustfundament
  • 4. Grote rivieren
  • 5. Waddenzee en waddengebied
  • 6. Defensie
  • 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
  • 8. Elektriciteitsvoorziening
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
  • 10. Natuurnetwerk Nederland
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte)
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
  • 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan


Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het merendeel van de regels in het Barro legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Doorwerking plangebied

De in het Barro juridisch verankerde nationale belangen hebben geen van allen betrekking op het plangebied of de ontwikkelingen die daar zijn gepland. Het Barro vormt ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

2.5 Vigerend provinciaal beleid

2.5.1 Omgevingsvisie Zeeland

De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 11 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn:

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland.
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied.
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie.
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn:

  • 1. Doe meer met minder grond.
  • 2. Werk samen en deel kosten en baten.
  • 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
  • 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.

Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening, welke nog vastgesteld moet worden, is het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd. In de omgevingsvisie wordt gesteld dat de vraag van de Zeeuwen naar woningtype verandert. Door de toename van met name alleenstaande 80+ huishoudens lijkt er een mismatch te ontstaan tussen de huidige woningvoorraad en de woningvoorraad die er op lange termijn zou moeten staan. De behoefte aan nultredenwoningen en beschutte woonzorgwoningen neemt immers fors toe.

In de woningmarkt is er steeds meer vraag naar stedelijk wonen. Door aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied wordt gebouwd waar de markt om vraagt en wordt draagvlak voor voorzieningen in de directe omgeving behouden. Daarnaast hebben woningbouwprojecten een gemeentegrensoverschrijdende impact. Ten aanzien van het thema 'Wonen' is het provinciaal belang dat de regionale woningmarkten goed functioneren. Gestreefd moet worden naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Om die reden is regionale afstemming nodig over woningbouwplannen. Dit is vormgegeven door vaststelling van de regionale woningmarktafspraken.

Doorwerking plangebied

Voorliggend bestemmingsplan maakt de toevoeging van 21 woningen aan de woningvoorraad van de kern Aagtekerke mogelijk. De locatie aan de rand van het dorp biedt een hoogwaardige leefomgeving waar uitstekend gewoond kan worden. De woningen worden gasloos waardoor ze bijdragen aan het verduurzamen van de woningvoorraad van de gemeente Veere. Toekomstige bewoners zullen zelf bepalen om verdere verduurzaming door te voeren aan de te realiseren woningen. Deze woningen zorgen voor doorstroming in de woningmarkt van de dorpskern en voorzien in de behoefte om voor alle doelgroepen voldoende woningaanbod te creëren. De kavels zijn ruim van omvang, daarom worden er in het bestemmingsplan (in aanvulling op het Bouwbesluit) geen extra eisen gesteld aan de levensloopbestendigheid van de woningen. De kavels bieden wel voldoende ruimte om de woningen levensloopbestendig te maken indien dat nog blijkt, waardoor aansluiten bij de provinciale doelen toch mogelijk is.

De provinciale Omgevingsvisie geeft aan dat de woningbehoefte op regionaal niveau moet worden afgestemd, waarbij algemeen gesteld wordt dat de woningbehoefte nabij bestaande kernen in ieder geval toeneemt. Aagtekerke is één van de kernen binnen de provincie Zeeland waar een duidelijke woningbehoefte heerst, voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. De ontwikkeling draagt bij aan de doelen uit de provinciale Omgevingsvisie. Zoals reeds toegelicht in paragraaf 2.4.2 is de woningbouwontwikkeling passend binnen de provinciale en regionale afspraken.

2.5.2 Omgevingsverordening Zeeland

De provincie Zeeland heeft, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 21 september 2018 een nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld. Sinds 21 september 2018 is de omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd, waarbij de laatste versie op 18 december 2020 in werking is getreden.

In de omgevingsverordening zijn onder andere regels voor uitbreiding van bedrijventerreinen en woonwijken, bescherming van natuurgebieden en regionale waterkeringen opgenomen. Centraal staan de Zeeuwse burger en zijn/ haar woonwensen. Gestreefd wordt naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Relevante artikelen uit de omgevingsverordening voor voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende:

Doorwerking plangebied

In de Omgevingsverordening Zeeland is opgenomen dat woningbouwontwikkeling in principe alleen binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is. In hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening wordt op diverse plaatsen het begrip 'bestaand stedelijk gebied' gehanteerd. Voor de begripsbepaling onder k is aangesloten bij de begripsbepaling in artikel 1.1.1 onder h van het Besluit ruimtelijke ordening. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Voor het bepalen van de grens van het bestaand stedelijk gebied moet worden gelet op de feitelijke situatie, de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Gekozen is voor een verbale aanduiding van het bestaand stedelijk gebied en geen op de kaart aangegeven begrenzing. Daarmee wordt ruimte geboden aan lokaal maatwerk en wordt voorkomen dat de provinciale verbeelding slechts een momentopname laat zien die geen recht doet aan wijzigingen die voortdurend optreden in de begrenzing van bestaand stedelijk gebied. Of een plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt is uiteindelijk wel een afweging van de provincie.

De provincie heeft in haar vooroverlegreactie aangegeven het plangebied als een plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied van Aagtekerke te beschouwen. Woningbouw binnen het plangebied is wel voorstelbaar omdat Bouwlust III zorgt voor de afronding van de stedenbouwkundige structuur van Aagtekerke, het sluit direct aan op de reeds bestaande (woon)bebouwing van de kern. Het beoogde woonprogramma is bovendien op geen enkele andere locatie binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Aagtekerke inpasbaar, daarom is bouwen buiten de grenzen van het bestaand stedelijk gebied noodzakelijk en voorstelbaar. De behoefte aan woningbouw wordt in meerdere beleidsdocumenten van de provincie en de gemeente aangetoond, derhalve kan de Ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen worden.

Op basis van deze redenatielijn en de aanvullende onderbouwing is woningbouw binnen het plangebied mogelijk en vormt de Omgevingsverordening geen belemmering.

2.6 Vigerend gemeentelijk beleid

2.6.1 Structuurvisie Veere 2025

De Structuurvisie gemeente Veere 2025 is vastgesteld op 13 september 2012 en geeft richting aan de keuzes die benodigd zijn om de bestaande kwaliteiten van de gemeente nog verder te ontwikkelen en nieuwe potenties te benutten. De gemeente streeft erna dat bewoners, ondernemers en toeristen ook in de toekomst goed wonen, werken en verblijven in Veere. Het waardevolle landschap van de gemeente is hierin allesbepalend en dient derhalve beschermd te worden. Behoud alleen is niet voldoende, ruimtelijke ontwikkelingen en keuzes zijn noodzakelijk om de gemeente Veere en de daarin liggende kernen aantrekkelijk te houden.

Om deze opgaven in goede banen te leiden zijn nieuwe integrale kaders noodzakelijk. Kaders die niet alleen anticiperen op deze ontwikkelingen, maar ook kansen bieden voor nieuwe ideeën en partijen weet te prikkelen en verleiden tot ontwikkeling en uitvoering daarvan. ‘De structuurvisie Veere 2025’ geeft deze kaders.

Doorwerking plangebied

De Structuurvisie gemeente Veere omschrijft Aagtekerke als een kern in het open middengebied. Landschappelijke inpassing van de dorpsranden en zicht op het dorpssilhouet zijn essentieel. De kernen hebben een breed scala aan kwaliteiten en unieke eigenschappen, de kernen in het middengebied hebben landelijke ligging en rust als gemeenschappelijke deler.

Aagtekerke zelf is een gaaf gebleven ringdorp met een landelijk karakter te midden van agrarisch gebied. De invloed van de kust is merkbaar door minicampings en kleinschalige verblijven. Van oudsher is de bevolking georiënteerd op het agrarisch leven. Er is een sterke maatschappelijke samenhang. Mogelijkheden voor nieuwbouw van woningbouw zijn op zijn plaats in Aagtekerke.

Doelstelling van de woonvisie binnen de structuurvisie is om te komen tot een flexibele en vraaggerichte woningmarkt met een kwalitatief en kwantitatief goed woningaanbod. Dit betekent het opvangen van de natuurlijke groei, het binden van starters, het verleiden van nieuwkomers en het behouden van een goede sociale woningvoorraad. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorziet in de noodzakelijke woningbouw om voor alle doelgroepen aantrekkelijk te blijven. Het bestemmingsplan voorziet in een rustige woonwijk aan de rand van het buitengebied van de gemeente Veere. Dit draagt bij aan het verleiden van nieuwkomers, maar creëert ook een natuurlijke doorstroom op de woningmarkt binnen de gemeente.

2.6.2 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Veere

Het GVVP wordt nader besproken in paragraaf 3.3.

Hoofdstuk 3 Toetsen

3.1 Bodem

3.1.1 Beleidskader

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond.

Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.

3.1.2 Doorwerking plangebied

In 2011 heeft de gemeente de bodemgesteldheid in Aagtekerke in beeld gebracht. Dit heeft geleid tot de zogenaamde bodemkwaliteitskaart Aagtekerke 2011. Voor de woningen gerealiseerd in de dorpskern tussen 1985 tot 2002 gold de hypothese dat de gronden hier niet vervuild zijn. Hoewel dit een goed beeld geeft van de bodemgesteldheid is een aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. Het onderzoek is noodzakelijk om met zekerheid te kunnen stellen dat de bodemkwaliteit binnen het plangebied geschikt is voor woningen. Het uitgevoerde onderzoek bestaat uit een vooronderzoek en een verkennend (water)bodemonderzoek. In de toelichting wordt alleen de conclusie van het onderzoek opgenomen, het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 1.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat er een aantal lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. Het betreft een lichte overschrijding van pentachloorfenol in het slibmengmonster en een licht verhoogde concentratie barium in het grondwater. De verhoogde gehalten in de grond zijn dermate gering dat de resultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van nader (water)bodemonderzoek.

De vastgestelde (water)bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan en het beoogde gebruik van de gronden voor woningbouw.

3.2 Archeologie

3.2.1 Beleidskader

Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gedaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. In de toekomst zal de zorgplicht verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Het archeologisch erfgoed in de bodem moet zoveel mogelijk behouden worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Dit moet gedaan worden met archeologisch onderzoek. Het archeologisch belang moet vanaf het begin meewegen in de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.

3.2.2 Doorwerking plangebied

Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Kom Aagtekerke' kent het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 3'. De kleiplaatgronden en kreekruggen hebben middelhoge archeologische waarde en hebben daarom de bestemming 'Waarde – Archeologie 3' gekregen. Binnen het plangebied is sprake van twee archeologische vindplaatsen, deze hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde en hebben daarom de bestemming 'Waarde – Archeologie 1' gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0007.png"

Afbeelding 3.1 Archeologische verwachtingskaart gemeente Veere

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 3' bepalen dat alleen gebouwd mag worden op de gronden wanneer blijkt dat de archeologische waarde niet verloren gaan. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is vanaf het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm. Voor 'Waarde - Archeologie 3' geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is vanaf het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van 500m2 op een grotere diepte dan 40 cm.

De bouw van woningen binnen het plangebied houdt in dat grondbewerkingen plaatsvinden die groter zijn dan de vastgestelde drempelwaarden in de dubbelbestemmingen. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Het uitgevoerde onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een booronderzoek. In de toelichting worden alleen de conclusie van het onderzoek opgenomen, het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 2.

Conclusies van het bureau- en booronderzoek

Het bureauonderzoek en het booronderzoek hebben aangetoond dat binnen het plangebied het bodemprofiel intact is en overeenkomt met de beschrijving van de bodem bij de kartering van Walcheren in 1952. Het bodemprofiel bevat in delen van het plangebied drie verschillende archeologische verwachtingsniveaus:

  • een niveau in de top van het veen met een middelhoge verwachting op archeologie uit de ijzertijd,
  • een niveau in de top van de zavelige afzettingen behorende bij een vroeg Romeinse transgressie met een middelhoge verwachting op archeologie uit de midden Romeinse tijd,
  • een niveau in de top van de afdekkende zware kleiplaat en van de kreekafzettingen beide behorende tot een vroegmiddeleeuwse transgressie. Hier geldt een hoge verwachting op archeologie uit de late middeleeuwen.

Het uitgevoerde booronderzoek geeft een goed beeld van de stratigrafie in het plangebied, maar bleek niet voldoende om de aanwezigheid van archeologische resten in de vorm van grondsporen en vondsten te bevestigen dan wel te weerleggen. Het onderzoek daarom aangevuld met een aanvullend inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. In de toelichting worden alleen de conclusies van het onderzoek opgenomen, het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 3.

Conclusies proefsleuvenonderzoek

Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat er geen archeologische sporen en/of vondsten aanwezig zijn. Om deze reden is het niet noodzakelijk vervolgstappen te zetten in het archeologische onderzoeksproces. Op basis van deze conclusies heeft de gemeente een selectiebesluit genomen en het plangebied volledig vrijgesteld van archeologisch onderzoek en/of bescherming. De dubbelbestemmingen archeologie uit het voorgaande bestemmingsplan (Bestemmingsplan Kom Aagtekerke) zijn dan ook komen te vervallen.

Ondanks het uitgebreide onderzoek zijn toevalsvondsten nooit volledig uit te sluiten. Eventuele archeologische resten in het plangebied worden beschermd door de wettelijke meldingsplicht voor archeologische (toevals)vondsten van art. 5.10 van de Erfgoedwet: degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet of moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, is verplicht deze vondst te melden bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, provincie Zeeland of de gemeente Veere) en gedurende zes maanden ter beschikking te houden voor onderzoek.

3.3 Parkeren en verkeer

3.3.1 Beleidskader

Mobiliteitsplan Zeeland

Het Mobiliteitsplan Zeeland bestaat uit een visie op de toekomst van verkeer en vervoer in Zeeland tot 2028. Daarbij zijn de volgende speerpunten geformuleerd: snelle en veilige hoofdverbindingen over de weg en per openbaar vervoer, een goede bereikbaarheid voor bedrijven, forenzen en de Zeeuwse havens, een netwerk voor toeristen en recreanten dat bijdraagt aan de beleving van Zeeland en het zorgen voor een goede bereikbaarheid van bovenlokale voorzieningen als zorg en onderwijs en de vernieuwde aanpak van verkeersonveiligheid. Daarnaast is met het Mobiliteitsplan Zeeland de wegencategorisering voor Walcheren vastgesteld. Een wegencategoriseringsplan is een plan waarbij alle wegen in het netwerk van wegen, in logische categorieën zijn ingedeeld op basis van drie verkeersfuncties:

  • stromen van locatie A naar locatie B (stroomwegen)
  • gebieden ontsluiten (gebiedsontsluitingswegen)
  • erven toegankelijk maken (erftoegangswegen)


afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0008.png"

Afbeelding 3.2 Wegencategorisering (bron: Mobiliteitsplan Zeeland 2019)

Daarnaast geeft het plan de onderlinge opeenvolgende relaties weer in het netwerk van wegen en de daarbij behorende inrichtingscategorie. In de wegencategorisering is elke wegcategorie even belangrijk. Het gaat niet alleen om hoofdroutes voor autoverkeer te selecteren; het gaat er evenzeer om verblijfsgebieden binnen de kom en buitengebieden te benoemen (en te 'beschermen'). De wegencategorisering wil primair functioneel benodigde verkeersaders aantrekkelijk maken zodat buitengebieden en verblijfsgebieden zo min mogelijk doorgaand verkeer kennen. Voor Walcheren zijn er verschillende netwerkvarianten mogelijk, zoals blijkt uit afbeelding 3.2.

Mobiliteitsvisie Walcheren 2019

Aanvullend op het mobiliteitsplan Zeeland is de mobiliteitsvisie Walcheren in 2019 vastgesteld. De gezamenlijke wegbeheerders op Walcheren - de gemeenten Veere, Vlissingen en Middelburg, het Waterschap, de Provincie en RWS - willen:

  • 1. Een gezamenlijke mobiliteitsvisie vaststellen.

Daarvoor willen ze nauw aansluiten bij bredere doelen dan verkeer: mobiliteit is immers geen doel op zich, maar dient economische, ruimtelijke, landschappelijke, sociale en recreatieve doelen. Ook willen ze het gebruik van duurzame vervoermiddelen stimuleren.

  • 2. Een gezamenlijk eindbeeld voor de wegenstructuur op Walcheren vaststellen.

Daarvoor willen ze nauw aansluiten bij de wegencategorisering die is vastgelegd in het Provinciale Mobiliteitsplan en die voor Walcheren verder is uitgewerkt in het GVVP van Veere. Daarnaast heeft ook het Waterschap (nog) een eigen categoriseringsplan.

  • 3. Een gezamenlijk plan van aanpak voor de realisering van deze wegenstructuur vaststellen.

Daarvoor willen ze een logische prioritering met een logische fasering afspreken van de nodige maatregelen: welke maatregelen pakken ze als eerste aan en welke daarna en welke aanvullende maatregelen treffen ze om de gewenste mobiliteitseffecten te bereiken.

Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan

In april 2017 is het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) door de gemeente Veere vastgesteld. De aanleiding voor het opstellen van het GVVP is omgaan met verschillende vormen van dynamiek door toerisme, veranderende verkeerstromen, politiek, de mondiger wordende burger en groeiend gebruik van de elektrische auto- en fiets.

De verkeersvisie staat beschreven in het GVVP en bestaat uit verschillende beleidsdoelstellingen. De stads en dorpskernen, die veel hinder ervaren van doorgaand auto-, vracht- en landbouwverkeer, dienen verkeersluwer te worden gemaakt door middel van een verkeerscirculatieplan. Daarnaast moeten er veilige kruispunten, voetgangersoversteken en schoolomgevingen worden gerealiseerd. De gemeente stimuleert lopen en fietsen door te zorgen voor goede loop- en fietsroutes en voldoende fietsparkeervoorzieningen. De autoparkeerplaatsen dienen zo veel mogelijk geconcentreerd te worden op parkeerterreinen aan de randen van de steden en kustdorpen.

Parkeerbeleidsplan 2020

Het parkeerbeleidsplan 2020 heeft het voorgaande parkeerbeleidsplan Kust vervangen. Reden voor de actualisatie is onder andere de forse groei van toerisme geweest. Dit zet de leefbaarheid in onze gemeente onder druk. Investeringen zijn nodig om de leefbaarheid in de kernen alsook de kwaliteit van het toeristisch product op peil te houden en verbeteren. Hiervoor zijn investeringen gepland, zowel in de kernen als daarbuiten op de stranden, recreatieve bestemmingen et cetera. Omdat de auto voor Veere een belangrijk vervoermiddel is, is het belang van goede parkeervoorzieningen groot. Parkeren vraagt ruimte. Steeds vaker ervaren we parkeeroverlast als er plaatselijk meer vraag naar parkeerruimte is dan aanbod. Of als ruimte voor parkeren ten koste gaat van de leefbaarheid.

Dat is een van de hoofddoelen van het parkeerbeleid: het vinden van de balans tussen ruimte voor verblijven, recreëren, groen, water en ruimte voor parkeren van auto’s en fietsen. Via parkeerbeleid willen we ook het maken van duurzame mobiliteitskeuzes ondersteunen. Vaak is de auto de eerste keuze om je te verplaatsen, maar er zijn alternatieven. In het parkeerbeleid is nadrukkelijk aandacht voor de fiets. Er komt meer en goede parkeergelegenheid voor de fiets. Het parkeerbeleid helpt om straten autoluw te maken en om ervoor te zorgen dat bewoners en hun visite, of anderen die daar echt moeten zijn, op een acceptabele loopafstand kunnen parkeren.

Parkeerbeleid is gebiedsgericht om recht te doen aan de, soms grote, verschillen tussen kernen onderling. Het toerisme is hierbij de onderscheidende factor: zeer toeristische kernen (hoge parkeerdruk), toeristische kernen (middelhoge parkeerdruk) en overige kernen. Voor ieder type kern formuleren we beleidsuitgangspunten.

Aanvullend op het parkeerbeleidsplan heeft de gemeente een Nota Parkeernormen in voorbereiding. Tijdens de vaststelling van voorliggend plan was deze nota nog niet vastgesteld.

3.3.2 Doorwerking plangebied

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 21 nieuwe woningen.

Verkeersgeneratie

Met voorliggend bestemmingsplan worden in totaal 21 woningen mogelijk gemaakt. In publicatie 381 'Toekomstbesteding parkeren' van het CROW worden per stedelijkheidsgraad en locatie van de ontwikkeling de parkeernorm en de verkeersgeneratie per type woning gegeven. De stedelijkheidsgraad wordt ingedeeld op basis van de omgevingsadressendichtheid. Uit cijfers van het CBS blijkt dat de omgevingsadressendichtheid voor de kern Domburg en omgeving 154 woningen per km2 bedraagt. Hiermee valt het plangebied te typeren als 'niet stedelijk'. Daarnaast is de locatie van het plangebied van belang. Het plangebied is gelegen aan de rand van het bestaand bebouwd gebied. Deze locatie kan in de toekomstige situatie worden aangeduid als de 'rest van de bebouwde kom'.

Voor de woningtypen vrijstaand geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,6 per woning. Met in totaal 10 vrijstaande woningen komt dit neer op 86 verkeersbewegingen. Voor de woningtype twee-aaneen geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,2 per woning. Met in totaal 6 twee-aaneen woningen komt dit neer op 49,2 verkeersbewegingen. Voor de woningtypen aaneengebouwd geldt een maximale verkeersgeneratie van 7,8. Met in totaal 5 aaneengebouwde woningen komt dit neer op 39 verkeersbewegingen.

Op basis van deze maximale inschatting zal de verkeersgeneratie toenemen met (afgerond) 174. Een toename van 174 verkeersbewegingen kan opgevangen worden binnen de bestaande infrastructuur. De nieuwe woonwijk sluit via de Agathastraat en de Schoolstraat aan op de Pekelingseweg. De Pekelingseweg is een gebiedontsluitingsweg binnen de kern.

Parkeren 

Met voorliggend bestemmingsplan worden 21 woningen gerealiseerd. Omdat de Nota Parkeernormen van de gemeente Veere nog in voorbereiding is wordt vooralsnog getoetst aan de geldende CROW-normen (publicatie 381). De CROW-normen kennen een bandbreedte met minimale en maximale normen. De gemeente Veere hanteert de gemiddelde norm. De parkeernorm per woning is inclusief het aandeel voor bezoekers (0,3 per woning).

Voor de woningtypen vrijstaand geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,3. Met in totaal 10 vrijstaande woningen komt dit neer op 23 parkeerplaatsen. Hiervan dienen er per woning 2 op eigen terrein gerealiseerd te worden. De overige 4 plaatsen worden in het openbaar gebied aangelegd.

Voor de woningtype twee-aaneen geldt een gemiddelde parkeernorm 2,2. Met in totaal 6 twee-aaneen woningen komt dit neer op 13,2 parkeerplaatsen. Hiervan dienen er per woning 2 op eigen terrein gerealiseerd te worden. De overige 1,2 plaatsen worden in het openbaar gebied aangelegd.

Voor de woningtypen aaneengebouwd geldt een gemiddelde parkeernorm van 2 die worden opgevangen op eigen terrein. Met in totaal 5 woningen komt dit neer op 10 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden in het openbaar gebied aangelegd.

Met de realisatie van 21 woningen ontstaat een parkeerbehoefte van (afgerond) 46 parkeerplaatsen.

3.4 Flora en Fauna

3.4.1 Beleidskader

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd.

Verantwoording soortenbescherming

De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden.

Verantwoording gebiedsbescherming

Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.

3.4.2 Doorwerking plangebied

Het plangebied wordt momenteel gebruikt als grasland en heeft de bestemming agrarisch. In het meest zuidelijk deel van het plangebied ligt een sloot. De omliggende gronden bestaan in zuidwestelijke tot noordelijke richting uit vergelijkbare gronden. Ten zuiden van het plangebied ligt de bestaande woonwijk. Door de vergelijkbare gronden is het voor aanwezige fauna mogelijk zich in de richting te begeven wanneer de bouw begint. Om de aan- dan wel afwezigheid van beschermde flora en fauna te toetsen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 4.

Soortenbescherming

Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van Bouwlust III aan de Hekweide te Aagtekerke, wordt geconcludeerd dat de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie een positief effect zou kunnen hebben op flora en –fauna. De aanplant van bomen in het plangebied kan een positief effect op vleermuizen en vogels hebben.

Om een negatief effect op broedvogels te minimaliseren dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van weidevogels aan te vangen. Indien deze toch in het broedseizoen aan zullen vangen, dient vooraf een aanvullende schouw plaats te vinden.

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Beschermd Natuurmonument, Natura 2000 gebied of het Natuurwerk Nederland. Het plangebied maakt verder ook geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Zeeland. Het plangebied bevindt zich op circa 1,75 km afstand van het Natura 2000-gebied Manteling van Walcheren en op circa 2 km afstand van het Natura 2000-gebied Voordelta.

Het uitvoeren van een Aerius-berekening om de stikstofdepositie te toetsen is noodzakelijk. Het uitgevoerde onderzoek is toegevoegd als bijlage 5. Het onderzoek is geactualiseerd op basis van het aangepaste stedenbouwkundige plan, dit vanwege een kleine toename in verkeersbewegingen. Uit deze berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen sprake is van depositie op de Natura-2000 gebieden. De berekening is uitgevoerd met de meest actuele Aerius-calculator (versie januari 2022).

Conclusie

Om de uitvoerbaarheid van zowel het bestemmingsplan als het bouwplan te toetsen zijn een quickscan flora & fauna en Aerius-berekening uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect flora & fauna geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.5 Geluid

3.5.1 Beleidskader

Wegverkeer

In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare belasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten, zoals nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB, indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag enkel worden verleend, indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder.

Industrielawaai

Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden.

Luchtverkeerslawaai

Or grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting overdag (Lden) en 's nachts (Lnight)) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.

3.5.2 Doorwerking plangebied

Wegverkeerslawaai

Het plangebied is gelegen ten zuiden van het Bergwegje en aan erftoegangswegen Hekweide en de Agathastraat. Deze wegen kennen een maximale snelheid van 30 km/u en hebben (conform de Wet Geluidshinder) daarom geen geluidscontour. Vanaf een maximale snelheid van 50 km/u hebben wegen wel een geluidscontour. Op basis van bureauonderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen wegen met geluidscontour zijn nabij het plangebied. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Industrielawaai

Er is geen sprake van industrie in en rondom het plangebied. Aanvullend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Luchtverkeerslawaai.

Op een afstand van ongeveer 16 kilometer ligt het vliegveld Midden-Zeeland. Het is onwaarschijnlijk dat de aanwezigheid van dit vliegveld met betrekking tot luchtverkeerslawaai negatieve invloed heeft op het plangebied.

Conclusie

Op basis van de geldende wetgeving kan geconcludeerd worden dat het geluidsniveau ter plaatse van de nieuwe woningen voldoet aan de eisen. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.6 Luchtkwaliteit

3.6.1 Beleidskader

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Deze wet wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
Stikstofdioxide (NO2)     Jaargemiddelde concentratie     40 µg/m³    Vanaf 2015  
Fijn stof (PM10)     Jaargemiddelde concentratie     40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011    
    24-uurgemiddelde concentratie     max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   vanaf 11 juni 2011    

Tabel 1: Grenswaarden NO2 en PM10

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen

Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM)

In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

3.6.2 Doorwerking plangebied

De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt valt binnen één van de categorieën van het besluit Niet in Betekende Mate. Op voorhand kan derhalve geconcludeerd worden dat de ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Dit kan onderzocht worden middels de interactieve kaart van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt op de N57 ten oosten van Serooskerke. De luchtkwaliteit ter plaatse is voldoende op basis van de geldende NO2 en PM10 normen. Algemeen kan aangenomen worden dat de luchtkwaliteit verbeterd naar mate de afstand tot een drukke weg toeneemt. De conclusie luidt dan ook dat de huidige luchtkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de normen voor woningbouw.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling betreft een NIBM project en zal daarom niet negatief bijdragen aan de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Bovendien is de bestaande luchtkwaliteit van voldoende kwaliteit voor de beoogde woonfunctie. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0009.png"

Afbeelding 3.2. Uitsnede NSL-monitoringstool (bron: NSL)

3.7 Geur

3.7.1 Beleidskader

Geur is een ander omgevingsaspect die moet meewegen bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Het is niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Deze verplichting vloeit voort uit de jurisprudentie over een goed woon- en leefklimaat. (ABRvS 24 oktober 2007, nr. 200604926/1).

Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan op geurhinder van bedrijven (en andersom) zijn de volgende vragen relevant:

  • Is ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object)
  • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen bedrijf en omgeving).

Wat precies het belang geurgevoelig object is hangt af van welke definitie van toepassing is. Het Activiteitenbesluit kent twee verschillende definities: geurgevoelig object en gevoelige gebouwen. Binnen de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) worden geurgevoelige objecten, zoals woningen, tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen beschermd. Zowel het belang van de omliggende agrarische bedrijven als de nieuw woonbestemming mag niet onevenredig geschaad worden. Het is in principe niet mogelijk om de realisatie van geurgevoelige objecten in een geurcontour mogelijk te maken. Voor het maken van uitzondering moeten zeer zwaarwegende belangen aan de orde zijn.

3.7.2 Doorwerking plangebied

Het plangebied is gelegen in de agrarische randzone van de dorpskern van Aagtekerke. De gronden kennen de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - randzone'. Op basis van het vigerende bestemmingsplan kan geconcludeerd worden dat er een tweetal boerderijen nabij het plangebied liggen. De boerderij die het dichtste bij het plangebied ligt heeft de gebiedsaanduiding 'besloten, nagenoeg onbebouwd gebied'.

De boerderijen hebben een recreatief karakter en functioneren in de zomer ook als minicamping. Er is geen sprake van geurgevoelige veeteelt rond het plangebied.

Conclusie

Het plangebied bevindt zich in de agrarische randzone van de dorpskern Aagtekerke. Er is geen sprake van bestaande geurhinder in de omgeving van het plangebied. Aan de hand van de bestemmingsregels van het omliggend gebied is geurhinder op het plangebied uit te sluiten. Onderhavige ontwikkeling ondervindt geen negatieve effecten van het omgevingsaspect geur. Bovendien worden bestaande boerenbedrijven ook niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.8 Bedrijven en milieuzonering

3.8.1 Beleidskader

De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de nieuwe bedrijvigheid (het parkeren) problemen oplevert voor de milieugevoelige functies in de omgeving (zoals wonen).

Milieucategorie   Gemengd gebied   Rustige woonwijk  
1   0 meter   10 meter  
2   10 meter   30 meter  
3.1   30 meter   50 meter  
3.2   50 meter   100 meter  
4.1   100 meter   200 meter  
4.2   200 meter   300 meter  

Tabel 2 richtafstandentabel VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering

3.8.2 Doorwerking plangebied

Het zuiden van het plangebied grenst aan de bestaande dorpskern Aagtekerke. In dit gebied is enkel sprake van de toegestane beroepen aan huis, er zijn hier geen bedrijfsactiviteiten boven categorie 1. Ten oosten van het plangebied is sprake van een kavel dat momenteel wordt gebruik ten behoeve dagrecreatie met speelvoorzieningen, deze gebruiksfunctie komt met voorliggend bestemmingsplan grotendeels te vervallen. Verderop ligt een dichte groenstrook met de bestemming groen. Van het noordoosten tot het zuidwesten is het gebied omsloten door de enkelbestemming agrarisch, de betreffende percelen worden uitsluitend gebruikt ten behoeve van akkerbouw en vormen geen belemmering zoals toegelicht in paragraaf 3.7.

De realisatie van woningen in het plangebied heeft geen negatieve invloed op omliggende bedrijvigheid. Er zijn ook geen bestaande bedrijven die invloed hebben op de nieuwe woningen.

Conclusie

Er liggen geen bestaande bedrijven binnen de invloedssfeer van het plangebied. Met de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan zal daarom geen sprake zijn van een ongeoorloofde menging van milieugevoelige (wonen) en milieubelastende (bedrijven) functies. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.9 Kabels en leidingen

3.9.1 Beleidskader

Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten noodzakelijk zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken.

3.9.2 Doorwerking plangebied

Op basis van de geldende bestemmingsplan in en nabij het plangebied kan geconcludeerd worden dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Het uitvoeren van nader onderzoek of overleggen met leidingbeheerders is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.10 Externe veiligheid

3.10.1 Beleidskader

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden:

  • Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)- opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties;
  • Transport van gevaarlijke stoffen over de weg;
  • Transport van gevaarlijke stoffen per spoor;
  • Transport van gevaarlijke stoffen over het water;
  • Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden.

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron.

Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's.

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd.

De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'.

3.10.2 Doorwerking plangebied

Het plangebied is gelegen op een gebied met een laag aantal potentiële risico's. Door de geografische ligging is er geen sprake van nabijgelegen grote wegen, sporen of waterroutes alwaar gevaarlijke stoffen vervoer worden. Op onderhavige afbeelding worden de verschillende risico's aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0010.png"

Afbeelding 3.3 uitsnede risicokaart (bron:risicokaart.nl)

Plaatsgebonden risico

In de nabijheid van het plangebied zijn enkele risicovolle installaties aanwezig. Voor iedere risicovolle installatie geldt een risicocontour 10 -6 die aangeeft hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een betreffende risicobron. De volgende installaties zijn aanwezig:

  • a. Het plangebied.
  • b. Het plangebied ligt op een afstand van 630 meter van een buisleiding van Gasunie.
  • c. Het plangebied ligt op een afstand van 640 meter van het tankstation Agrisneltank.

Er reiken geen veiligheidscontouren tot over of nabij het plangebied.

Groepsrisico

Op basis van de risicokaart, het vigerende bestemmingsplan en de Wet basisnet ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van een transportroute, buisleiding en/of een inrichting. Het groepsrisico vormt dus geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan is uitvoerbaar op het aspect externe veiligheid.

3.11 Water

3.11.1 Beleidskader
3.11.1.1 Nationaal beleid

Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert in het nieuwe NWP het waterbeleid op een aantal terreinen.

  • 1. 1. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015 en opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-2021;
  • 2. 2. Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP en de betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht;
  • 3. 3. Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma's op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM)

Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat.

Waterwet  

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.

3.11.1.2 Provinciaal Beleid

De Provincie heeft het beleid voor (de bescherming van) het grond- en oppervlaktewater opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Daarnaast zijn in de Omgevingsverordening Zeeland regels voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden vastgelegd:

  • Het bereiken van een goede waterkwaliteit. Schoon en ecologische gezond water. Zowel voor oppervlakte als voor grondwater;
  • Zorgdragen voor voldoende beschikbaarheid van (grond)water. Door de veranderingen in de weerspatronen is bescherming nodig tegen zowel een zoet water tekort als een overschot.
  • Waterveiligheid.

Naast provinciale regels gelden er regels van het Waterschap Scheldestromen als beheerder van binnendijkse wateren in Zeeland en het Rijk als beheerder van rijkswateren, zoals vergunning- en meldplichten voor het onttrekken van grondwater en activiteiten die van invloed (kunnen) zijn op het oppervlaktewater. Die strategische doelen zijn in ieder geval gebaseerd op het Gewenste Grond- en Oppervlaktwaterbeheer (GGOR), de Europese kaderrichtlijn water, peilbuisbesluiten en de normering wateroverlast.

Het plan vormt de strategische basis voor het provinciale waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen.

3.11.1.3 Waterschap Scheldestormen

Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Scheldestromen. Het waterbeleid van dit waterschap is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste doelen in het waterbeheerplan zijn:

  • Watersystemen zijn zo ontworpen dat ernstige en langdurige wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen: oppervlaktewater treedt niet vaak buiten zijn oevers.
  • De gehanteerde waterpeilen zijn afgestemd op het grondgebruik oftewel de functies landbouw, natuur en wonen: goed waterpeil onder normale omstandigheden.
  • Zorgen voor waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: gezond oppervlaktewater.
  • Faciliteren van een verantwoord gebruik van het beschikbare zoetwater.

Ook wordt aangegeven dat het waterschap zich vooral richt op het onderhouden, het beheer en het in stand houden van het waterlopenstelsel voor berging, doorvoer en afvoer van overtollig water. Op dit moment wordt er nog gewerkt aan het waterbeheerplan 2022-2027.

Keur

Door waterschap Scheldestromen is een keur opgesteld met daaraan gekoppeld algemene regels. De actuele versie van de keur is op 20 juni 2019 in werking getreden. In de keur zijn in hoofdstuk 4 bepalingen opgenomen met betrekking tot handelingen die (mogelijk) inbreuk maken op door het waterschap beheerde watersystemen.

Tot de handeling waarvoor een verbod kan gelden behoren o.a.:

  • Art 4.1 lid 1a: oppervlaktewaterlichamen te dempen, te graven, van afmetingen te veranderen, hun onderlinge verbinding of scheiding te veranderen danwel iets te doen waardoor de door- en afvoer van water wordt belemmerd of berging wordt verminderd.
  • Art 4.1 lid 1b: werken over, in of onder een leggerwater te hebben, te leggen, aan te brengen, te veranderen of op te ruimen.
  • Art 4.1 lid 2a: het uitvoeren van grondbewerkingen binnen 0,30 m uit de insteek van leggerwateren;
  • Art 4.1 lid 3: het zonder vergunning gebruik maken van een beschermingszone door daarop, daarboven, daarover of daaronder enige vorm van werkzaamheden uit te voeren.

In onderstaande afbeelding is te zien dat ten zuiden van de initiatieflocatie een secundaire waterloop is gelegen die uitmond in een secundaire waterloop. De initiatieflocatie is met rood aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0011.png"

Afbeelding 3.4 Uitsnede legger Waterschap Scheldestromen (Bron: waterschap Scheldestromen).

3.11.1.4 Beleid gemeente Veere

Het waterbeleid van de gemeente Veere is vastgelegd in het vGRP 2020-2023 (verbreed gemeentelijke rioleringsplan). In het vGRP is opgenomen dat:

  • Bij nieuwbouw projecten initiatiefnemers verplicht worden om waterberging op eigen terrein aan te brengen. Hiervoor zal een verordening worden opgesteld door de gemeente Veere.
  • In nieuwbouwsituaties hemelwater altijd gescheiden wordt ingezameld.
  • De bergingsopgave die aan de perceeleigenaar wordt opgelegd is 10 mm/m² perceel oppervlak.

3.11.2 Doorwerking plangebied

Bestaand situatie: In de huidige situatie bestaat het plangebied uit 11.665 m² vrijwel volledig onverhard terrein. Ten zuiden en oosten van de locatie is de sloot zichtbaar die als secundaire waterloop op de waterlegger is aangegeven. Op de waterkansenkaart uit het omgevingsplan is het gebied aangeduid als schorgrond. Volgens het GGOR houdt dit in dat het grondwater op tenminste 120 cm beneden de 10% laagste maaiveld gelegen is.

Toekomstige situatie: Er is sprake van uitbreiding van bebouwing ten behoeve van woningbouw. Hiertoe worden maximaal 21 woningen gerealiseerd met bijbehorende bovenwijkse voorzieningen. Het perceel is 11.665 m2 groot. Ervan uitgaan dat 60% van het perceel van verhard oppervlak wordt voorzien wat rechtstreeks afvoert naar het oppervlaktewater (criteria voor de watercompensatieberekening) betekent dit een compensatie van 1(2000X0.6=7200m2x0.075=) 540m3. Het zomerpeil hier is NAP-1.20 en het T100 peil NAP-0.53m. De nieuwe bebouwing wordt tevens met een gescheiden inzamelingssysteem voor hemelwater en vuilwater aangelegd.

De voorkeur van de gemeente gaat uit naar het bovengronds bergen en afvoeren van hemelwater. Ondergrondse systemen zoals IT-riool worden daarom niet beschouwd. Het aanleggen van bergingsvoorzieningen per woonperceel kan niet afdoende (juridisch) geregeld worden. Bovendien is er dan geen regie mogelijk van de gemeente om het onderhoud van de voorziening te reguleren. Daarbij komt dat er nog geen oplossing is voor de opvang van hemelwater op de overige terreindelen van het plan, zoals de openbare ruimte en de wegen. Omdat het hier grond betreft die in eigendom is van de gemeente en de gemeente zelf de regie voert over de uitvoering, ligt het voor de hand om te kiezen voor een centrale bergingsvoorziening op openbaar terrein.

Concreet betekend dit dat er voldoende waterberging gerealiseerd moet worden conform het waterbergingsfonds. Dit betreft 75 mm per m2 extra verharding. Deze waterbergingsopgave kan ook afgekocht worden middels een afdracht in het waterbergingsfonds. De tegoeden in het waterbergingsfonds geven de gemeente vervolgens de mogelijkheid elders in de gemeente extra water compenserende maatregelen te treffen.

Aangezien op de kleigrond in het gebied sprake is van slechte infiltratiemogelijkheden zal het water vanuit de bergingsvoorziening afgevoerd gaan worden naar een waterloop in het beheer van het waterschap. Zonder afvoer van het water is de bergingsvoorziening niet op tijd weer leeg voor het opvangen van een eventuele volgende bui.

De gemeente geeft de voorkeur aan de realisatie van een WADI aan de noordzijde van het plangebied, hier kunnen de woningen aan de noordzijde hun hemelwater rechtstreeks op lozen. In overleg met het waterschap zou ook gekozen kunnen worden om de bestaande secundaire waterloop te verbreden en daar rechtstreeks op te lozen. Ook een combinatie van water compenserende maatregelen is denkbaar, waarbij ook het waterbergingsfonds betrokken kan worden.

De ruimtelijke mogelijkheden voor watercompensatie (al dan niet buiten het directe plangebied middels afdracht in het waterbergingsfonds) zijn aanwezig waarmee het aspect water geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.12 Niet gesprongen explosieven (NGE)

3.12.1 Beleidskader

In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). De gemeente Veere beschikt hiervoor over een nota "Omgaan met Conventionele Explosieven" uit de Tweede Wereldoorlog (versie 2.0, 16 mei 2012). Daarin is aangegeven dat conventionele explosieven (CE) uit WO II vallen onder verschillende wet- en regelgeving. Op verschillende deelaspecten zijn andere regelingen aanwezig. Ook zijn taken en verantwoordelijkheden vermeld.

Naar aanleiding van verschillende ruimingen en eerdere onderzoeken is in opdracht van de gemeente een explosievenkaart opgesteld. Deze explosievenkaart dient als uitgangspunt voor deze nota. In gebieden die op de explosievenkaart een hoge (rode) of een verhoogde (oranje) kans hebben op het aantreffen van explosieven moet er om advies worden gevraagd bij de beleidsmedewerker veiligheid.

Wanneer er grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd in de gebieden met een hoge kans (rode kleur) dient er altijd een vooronderzoek worden uitgevoerd. Uit het vooronderzoek zal blijken of er verdere detectie en eventueel ruiming nodig zal zijn. In de gebieden met een verhoogde kans (oranjekleur) of verlaagde kans (gele kleur) dient een nadere afweging te worden gemaakt of hier wel of geen vooronderzoek gedaan dient te worden of dat hier gewerkt kan worden met het protocol "Toevalstreffer CE uit de WO II".

Per 1 juli 2012 is voor de borging van de kwaliteit/ veiligheid van het opsporen van conventionele explosieven (CE) het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) van kracht. Dit certificatieschema maakt onderdeel uit van het stelsel van wettelijk verplichte certificatie conform het Arbobesluit en bevat de proceseisen voor vooronderzoek en opsporing van CE.

3.12.2 Doorwerking plangebied

Het plangebied is gelegen in onbekend gebied, zoals zichtbaar op onderstaande afbeelding. Door de ligging van het plangebied op relatief kleine afstand van oude Infanterielocaties is het mogelijk dat er niet gesprongen explosieven aanwezig zijn in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0012.png"

Afbeelding 3.4: Beleid NGE gemeente Veere (bron Totaalkaart Veere - Modelmap 1, 2011.)

Conclusie

Op basis van historisch onderzoek is het aannemelijk dat er geen 'niet gesprongen explosieven' aanwezig zijn binnen het plangebied. Helemaal uitsluiten is niet mogelijk. Op basis van het uitgevoerde onderzoek door de gemeente is er in ieder geval geen concrete aanleiding dat er binnen het plangebied, vergeleken met de rest van Nederland, een verhoogde kans bestaat op de aanwezigheid van 'niet - gesprongen explosieven'. Voor het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden is vooraf dan ook géén vooronderzoek conform de bestaande wet- en regelgeving noodzakelijk.

Zoals gesteld in paragraaf 3.12.1 is het protocol ‘Toevalstreffer CE uit de WOII’ van de gemeente Veere altijd van toepassing. Het protocol houdt in dat in het geval van een toevalstreffer, alle werkzaamheden direct stilgelegd worden, alle mensen meteen afstand nemen en dat de politie en de gemeente gebeld worden.

Het aspect 'niet gesprongen explosieven' vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.13 M.e.r. beoordeling

3.13.1 Beleidskader

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.

De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De realisatie van 21 woningen, alsmede de realisatie van de openbare ruimte is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria:

  • Kenmerken van het project;
  • Plaats van het project;
  • Kenmerken van het potentiële effect.

3.13.2 Doorwerking plangebied

Aangezien de gemeente initiatiefnemer is van onderhavige planontwikkeling hoeft er geen vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie te worden opgesteld. In het kader van de voorliggende herontwikkeling zijn in voorgaande paragrafen uit Hoofdstuk 3 diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de verschillende aspecten een belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de wijziging van het aantal woningen van 19 naar 21 geen invloed heeft gehad op onderstaande conclusies. Onderstaand staan de verschillende aspecten nog kort benoemd.

  • Archeologie: in de proefsleuven zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen in de richting van een behoudenswaardige vindplaats binnen de contouren van het plandeel Zuid. De dubbelbestemming wordt in voorliggend bestemmingsplan dan ook niet gehandhaafd.
  • Cultuurhistorie: vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planinitiatief.
  • Parkeren en verkeer: met onderhavig planinitiatief neemt de verkeergeneratie beperkt toe maar kan dit opgevangen worden binnen de bestaande infrastructuur. Ook worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd waardoor dit aspect geen belemmering vormt.
  • Flora & Fauna: middels een quickscan flora & fauna is aangetoond dat dit aspect geen belemmering vormt.
  • Stikstof: middels een Aerius-berekening is aangetoond dat in de toekomstige situatie geen sprake is van significante stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden.
  • Bodem: middels een bodemonderzoek is aangetoond dat de grond geschikt is voor de functie wonen.
  • Akoestiek: op basis van bureauonderzoek is aangetoond dat akoestiek geen belemmering vormt.
  • Luchtkwaliteit: het planinitiatief valt binnen het besluit NIBM, waardoor het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planinitiatief.
  • Bedrijven en Milieuzonering: de omliggende voorzieningen en bedrijven voldoen aan de gestelde richtafstanden uit de VNG-brochure waardoor dit aspect geen belemmering vormt.
  • Externe veiligheid: In en rondom het plangebied liggen geen inrichtingen of transportroutes gevaarlijke stoffen waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
  • Niet gesprongen explosieven: Het plangebied kent geen verhoogde kans op het aantreffen van CE. De bouw- en aanlegperiode van de bebouwing en infrastructuur volstaat derhalve met het protocol toevalstreffers.
  • Kabels en leidingen: bestaande kabels en leidingen vormen geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
  • Water: in overleg met het waterschap worden de definitieve compenserende maatregelen vastgelegd. In de waterparagraaf is aangetoond dat hier voldoende ruimte en mogelijkheden voor zijn.


Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn, dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Omdat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten, wordt het uitvoeren van MER niet zinvol geacht.

Hoofdstuk 4 Beschrijving juridische regeling

In dit hoofdstuk wordt allereerst aandacht besteed aan de Wet ruimtelijke ordening en de bindende afspraken die dan bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten worden gehanteerd: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (paragraaf 4.1 ). Daarna wordt ingegaan op de opzet van de bestemmingsregeling voor het plan en vervolgens wordt per bestemming een toelichting gegeven (paragraaf 4.2 en 4.3 ). Ten slotte volgt een toelichting op de algemene regels en de overgangs- en slotregels (paragraaf 4.4 en 4.5).

4.1 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het krachtens artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van het overleggen en tot slot doet het verslag van de inspraak bij het plan.

Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

4.2 Opzet van de bestemmingsregels

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (planvorm, verbeelding en regels) is het volgende van belang.

Opzet verbeelding

Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.

Voorts zijn de volgende eisen van toepassing:

  • de ondergrond waarop de bestemmingsverbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie;
  • op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan;
  • op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen;
  • de volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde zoals van de regels (alfabetisch).

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0186BPBlustIIIAag-VG01_0013.png"

Afbeelding 4.1. Bestemmingsmethodiek

De bestemming wordt door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen' en 'G' voor 'Groen'. Verder geldt het volgende:

  • hoofdgebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide 'bouwvlak' worden opgericht;
  • kleine letters tussen haakjes bij de bestemming hebben betrekking op een aanduiding waarmee hetzij ter plaatse van deze aanduiding een specifieke functie wordt aangegeven;
  • maatvoeringsaanduidingen zoals de maximum goothoogte en een bebouwingspercentage worden aangegeven door middel van een matrix bij het bouwvlak;

Opzet regels

De indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, kent de volgende vaste volgorde.

  • In Hoofdstuk 1: Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling, een procedurebepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing is, dan wel bepalingen die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkings- of wijzigingsregels).
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

Op grond van de SVBP moet bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) de volgende vaste volgorde gebruikt worden:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijking van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.


Een bestemmingsregel behoeft niet al deze elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

4.3 Toelichting op de bestemmingen

Groen (artikel 3)

Alle nieuwe structurele groenvoorzieningen zijn bestemd tot Groen. Binnen de bestemming Groen zijn onder andere jongere ontmoetingsplaatsen en fiets- en voetpaden toegestaan. Op de gronden met deze bestemming is bebouwing niet toegestaan.

Verkeer (artikel 4)

De bestemming Verkeer heeft betrekking op wegen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, sloten en watergangen, maar maakt ook afvalverzamelvoorzieningen mogelijk. Hiermee is ondergeschikte herinrichting van de openbare ruimte mogelijk zonder dat, onnodig, gedetailleerde bepalingen van het bestemmingsplan dergelijke ontwikkelingen in de weg staan en planherziening nodig zou zijn.

Binnen deze bestemming zijn nutsgebouwen (bijvoorbeeld transformatorhuisjes) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (bijvoorbeeld speeltoestellen, afvalcontainers) toegestaan. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 15 m2 bedragen en de hoogte 3,5 meter.

Wonen (artikel 5)

De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor de huisvesting van personen en de bijbehorende tuinen en erven. Beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning zijn mogelijk, evenals het gebruik van een aan- of uitbouw of een bijgebouw voor recreatief nachtverblijf. Voor mantelzorg is een bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De woonfunctie van de woning en het woongebied mag evenwel niet worden aangetast en als maximale oppervlaktemaat voor deze activiteiten wordt 40 m² aangehouden.

Situering hoofdgebouwen, aan- of uitbouwen en bijgebouwen

Binnen de bestemming Wonen is door middel van het aanwijzen van bouwvlakken waarbinnen hoofdgebouwen en overkappingen zijn toegestaan en de functieaanduiding erf de indeling van het woonperceel tot uitdrukking gebracht. Woningen behoeven niet geheel binnen bouwvlakken voor hoofdgebouwen te worden gebouwd. Ook op het erfbouwvlak mogen bijgebouwen en aan- of uitbouwen in gebruik worden genomen als woonruimten.

De gronden zonder aanduiding, betreffen de gronden waar geen gebouwen en overkappingen zijn toegestaan. Het gaat hoofdzakelijk om gronden vóór de voorgevel van hoofdgebouwen (woningen).

In gevallen waarbij sprake is van twee voorgevelrooilijnen (hoekpercelen) zijn de gronden zonder aanduiding merendeels aan twee zijden gelegd. Dit is gedaan omdat aan- en uitbouwen en bijgebouwen in de voortuin de kwaliteit van de openbare ruimte onder druk kunnen zetten (achterkantsituaties aan de voorzijde van woningen).

In een aantal situaties wordt in de bouwregels de afstand van hoofdgebouwen geregeld ten opzichte van perceelsgrenzen. Los van specifieke situaties geldt als algemeen uitgangspunt dat deze bouwwerken worden gebouwd op ten minste 3 meter uit de perceelsgrens (voor vrijstaande of twee aaneengebouwde woningen).

Oppervlakte bebouwing

De bouwvlakken waar hoofdgebouwen zijn toegestaan, mogen volledig worden bebouwd met gebouwen. Wel dienen de in de bouwregels opgenomen minimumafstandsmaten tussen gebouwen op hetzelfde bouwperceel en minimumafstandsmaten tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens in acht te worden genomen.

De gronden met de functieaanduiding "erf" mogen voor ten hoogste 50% en 60 m² worden bebouwd met aan- of uitbouwen en bijgebouwen. Indien de toelaatbare te bebouwen oppervlakte minder bedraagt dan 30 m² is een bebouwingspercentage van 75% toegestaan tot een maximum van 30 m².

Bouwwijze van woningen

Met behulp van bouwaanduidingen is het type woning vastgelegd. De volgende bouwaanduidingen zijn gehanteerd:

  • [aeg] voor woningen die met een minimum van drie aaneen moeten worden gebouwd ten behoeve van het behoud van een gesloten bebouwingswand.
  • [tae] voor woningen die met een maximum van twee aaneen mogen worden gebouwd. De tweeonder-één-kapwoningen kunnen (in rijen) worden geschakeld, door aan- en uitbouwen. Om het beeld van aaneengebouwde woningen (rijtjeswoningen) te voorkomen dienen aan- of uitbouwen 3 meter achter de voorgevel te worden gebouwd en dienen deze in verhouding tot de hoofdgebouwen een duidelijk ondergeschikt karakter te krijgen.
  • [vrij] voor woningen die uitsluitend geheel vrijstaand mogen worden gebouwd. Voor het behoud van een open bebouwingsstructuur moet de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 meter bedragen. Er zijn geen afwijkingsbepalingen opgenomen om deze voorgeschreven afstand te verkleinen.

4.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling (artikel 6)

In de regels is een bepaling opgenomen om te voorkomen dat gronden die bij een eerder bouwplan al in aanmerking zijn genomen voor het toestaan van het bouwplan, nogmaals worden meegeteld.

Algemene bouwregels (artikel 7)

Overschrijding bouwgrenzen

Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de kaart aangeduid met een dikke lijn.

Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten

Dit artikel bevat een regeling voor bestaande maten die afwijken van de voorgeschreven maten in deze regels. Het artikel betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen, dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, onder het overgangsrecht komen te vallen.

Algemene afwijkingsregels (artikel 8)

Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen is een algemene afwijkingsregel opgenomen.

Algemene wijzigingsregels (artikel 9)

Voor de overschrijding van bestemmingsgrenzen van ten hoogste 3 meter, en het vergroten van het bestemmingsvlak met maximaal 10% is een algemene wijzigingsregel opgenomen.

Overige regels (artikel 10)

Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

Daarnaast is een regel opgenomen aangaande de uitsluiting aanvullende werking bouwverordening. Deze regel is opgenomen omdat bij de inwerkingtreding van de Wro, de Invoeringswet Wro en het Bro op 1 juli 2008 de intrekking van de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen en de regeling voor het parkeerfonds) in de bouwverordening niet in werking is getreden. De stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening blijven dus vooralsnog bestaan.

Werking wettelijke regeling

In een (toenemend) aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de voorschriften wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

4.5 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat bepalingen inzake strijdig gebruik van bouwen en de straf- en titelbepalingen.

Overgangsrecht (artikel 11)

Op grond van artikel 7.10 Wro is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. In artikel 34 van de regels is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Van de mogelijkheid die artikel 3.2.3 Bro biedt om hieraan een persoonsgebonden overgangsrecht te koppelen, is geen gebruik gemaakt.

Slotregel (artikel 12)

De regels kunnen worden aangehaald als regels van het bestemmingsplan 'Bouwlust III'.

Hoofdstuk 5 Handhaving

5.1 Algemeen

De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan, is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat bij de handhaving van dit plan met name om de regels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

Waar regels zijn, moet gehandhaafd worden. Zo ook bij regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Deze regels zijn erop gericht de kwaliteit van de bebouwde en de onbebouwde omgeving te beschermen en waar mogelijk te verbeteren. Handhaving op dit gebied is de laatste tijd steeds meer in de belangstelling komen te staan. Waar handhaving voorheen een bevoegdheid was waar een bestuursorgaan binnen redelijke grenzen al dan niet gebruik van kon maken, is handhaving inmiddels geworden tot een beginselplicht waarvan slechts deugdelijk gemotiveerd afgeweken kan worden.

Omdat er teveel regels zijn om alles te kunnen handhaven, zal het bestuur onderbouwde keuzes moeten maken. In de uitwerkingsregels van de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor), is de plicht voor bestuursorganen om een handhavingsbeleid vast te stellen wettelijk verankerd. In het Bor wordt onder meer gesteld dat het handhavingsbeleid inzicht dient te geven in de prioriteitstelling, in de wijze waarop toezicht wordt uitgevoerd en de manier waarop sancties worden toegepast.

De gemeente Veere heeft haar handhavingsbeleid vastgelegd in het Handhavingsbeleidsplan 'Integraal toezicht- en handhavingsbeleid' zoals vastgesteld op 10 maart 2015.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Dit onderdeel regelt het verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Het kostenverhaal dient onder andere te worden verzekerd bij een bestemmingsplan wat rechtstreeks bouwplannen mogelijk maakt. Het voorliggende bestemmingsplan "Bouwlust III" maakt een bouwplan met 21 woningen direct mogelijk. De gemeente Veere is zelf initiatiefnemer van de ontwikkeling en heeft daarom een exploitatieplan vastgesteld. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee voldoende verzekerd en er kan worden afgezien van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur van ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met het behartigen van belangen de in het plan in geding zijn.

Het concept ontwerpbestemmingsplan 'Bouwlust III' is aan de volgende vooroverleg partners toegezonden:

  • Provincie Zeeland;
  • Waterschap Scheldestromen;
  • De veiligheidsregio Zeeland.

De binnengekomen vooroverlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, daarmee is voldaan aan het wettelijke vooroverleg conform artikel 3.1.1. Bro.

7.2 Zienswijzen

Op grond van het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht is het college bevoegd om de formele bestemmingsplanprocedure te starten door het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen en éénieder de gelegenheid te geven daarover zienswijzen in te dienen.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn heeft zoals gezegd éénieder een zienswijzen kunnen indienen. Gedurende deze termijn heeft de gemeente 2 zienswijzen ontvangen, welke voornamelijk gericht zijn op het woningbouwprogramma. De ontvangen zienswijzen zijn samen gevat en voorzien van een antwoord in de Nota Zienswijzen. In de Nota Zienswijzen is toegelicht waarom een ingediende zienswijze wel of juist tot aanpassing van het plan heeft geleid. De Nota Zienswijzen is toegevoegd als bijlage 6 aan de toelichting.

7.3 Ambtshalve aanpassingen

Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is het vastgestelde bestemmingsplan ambtshalve op één onderdeel gewijzigd. Na de terinzagelegging is gebleken dat de verkeersbestemming nog niet volledig aansloot op de Hekweide en de Agathastraat. Dit is opgelost door het bestemmingsplangebied op deze locaties ondergeschikt te vergroten. Met deze ambtshalve wijziging is de ontsluiting van het plangebied juridisch-planologisch correct geregeld.