direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijzigingsplan Nimmerdor
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Planbeschrijving

1.1 Aanleiding

Het nieuwbouwplan Nimmerdor aan de noordzijde van de kern Grijpskerke is in ontwikkeling voor woningbouw. De nieuwbouwplannen zijn nu aangekomen bij de laatste ontwikkelingsfase. In het geldende bestemmingsplan is voor de locatie een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders de geldende bestemming 'Agrarisch' kunnen wijzigen in de bestemming 'Wonen' (zie paragraaf 1.3). Om de ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is gekozen voor het toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid. Voorliggend plan bevat het wijzigingsplan.

1.2 Ligging plangebied en beschrijving huidige en toekomstige situatie

Ligging plangebied

De locatie ligt aan de noordzijde van de kern Grijpskerke (zie figuur 1.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (rode contour)

Huidige situatie

In de huidige situatie zijn de gronden braakliggend (vrij van opgaande beplanting en geëgaliseerd). De directe omgeving bestaat uit een woongebied. Ten noorden en oosten grenst het plangebied aan het landelijk gebied van Walcheren. Aan de oostzijde bevindt zich een boomgaard. Aan de zuidkant is een gebouw aanwezig waarin (zorg) appartementen, een multifunctionele accommodatie (MFA) met een buurt-/dorpshuis, een sportzaal en een kapperszaak zijn ondergebracht. Ten westen van het plangebied ligt het al ontwikkelde woningbouwplan Nimmerdor. Voorheen hadden de gronden waarop de woningen wordt gebouwd een agrarische functie. De ligging van het plangebied is globaal weergeven in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0002.png"

Figuur 1.2. Ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)

Toekomstige situatie

De ontwikkeling betreft de laatste fase van het uitbreidingsplan Nimmerdor. In de toekomst wordt het gebied ontsloten door de al aangelegde infrastructuur van de Bakkersland. Voor de locatie is een concept verkaveling uitgewerkt. Deze is weergeven in figuur 1.3. De exacte stedenbouwkundige uitwerking van het gebied dient te voldoen aan de randvoorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid (zie paragraaf 1.3) die voor het plangebied gelden. Op deze manier is sprake van een goede stedenbouwkundige uitwerking van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0003.png"

Figuur 1.3 Concept verkaveling uitwerking laatste fase Nimmerdor

1.3 Bestemmingsplan en wijzigingsvoorwaarden

Het geldende bestemmingsplan is 'Kom Grijpskerke' (verder: basisplan), vastgesteld op 19 april 2012. Zie figuur 1.4 voor een uitsnede van de verbeelding ter plaatse van het plangebied. De huidige bestemming van het plangebied 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming zijn woningen niet toegestaan. Tevens ligt op het oostelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Hiervoor geldt dat bij grondwerkzaamheden met een oppervlak kleiner dan 500 m² in het gebied geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0004.png"

Figuur 1.4 Fragment bestemmingsplan 'Kom Grijpskerke'

Over het bestemmingsvlak ligt ten slotte de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 10' (aangeduid met rode lijn). Op basis van deze bevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders de bestemming wijzigen in 'Wonen'. Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen toepassen zal ten minste aan de wijzigingsvoorwaarden uit het basisplan moeten worden voldaan. De wijzigingsvoorwaarden zijn vastgelegd in artikel 21 lid 12 van de regels. In onderstaande tabel zijn de wijzigingsvoorwaarden vermeld en is het initiatief aan de betreffende bepalingen getoetst.

Tabel 1.1. Toetsing aan wijzigingsvoorwaarden geldend bestemmingsplan

  criterium   toetsing  
a   in het gebied zijn ten hoogste 19 woningen toegestaan   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Er worden 13 woningen gebouwd. Mocht het verkavelingsplan in de toekomst wijzigen is in de regels van dit plan vastgelegd dat ten hoogste 19 woningen mogen worden gebouwd.  
b   in het gebied zijn uitsluitend vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen toegestaan   In de verkavelingsschets wordt ruimte geboden voor 9 vrijstaande woningen en twee twee-aaneengebouwde woningen. Door in de bouwvlakken van de verschillende bouwkavels de aanduiding 'twee-aaneen' op te nemen, is vastgelegd dat uitsluitend vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen gebouwd mogen worden. Aan deze wijzigingsregel wordt voldaan.  
c   de goothoogte van een woning bedraagt ten hoogste 6 m en de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 11 m bedragen   Aan deze randvoorwaarde wordt voldaan. De maximum hoogtes zijn op de verbeelding en in de regels vastgelegd.  
d   de diepte van de voortuin van iedere woning aan de noordrand van de woonbuurt zal minimaal 5 meter bedragen   Dit is geregeld met bouwvlakken waarin de woningen moeten worden gebouwd.  

1.4 Toetsing aan de beleidskaders

1.4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) kiest het Rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Uitwerking vindt veelal plaats in wetgeving zoals Waterwet, Deltawet en de toekomstige Omgevingswet.

Het Barro bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen.

Toetsing

Een van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan.

Daarnaast is aangegeven dat het bij de programmering van onder andere woningen van belang is dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijke regionale behoefte. Hierop wordt in hoofdstuk 1.4 uitvoerig ingegaan.

Voor het overige hebben beide nationale beleidskaders een hoog abstractieniveau en zijn vooral aan de orde bij grootschalige ontwikkelingen waarbij nationale belangen spelen. Voor een relatief kleinschalige ontwikkeling als deze bevatten de SVIR en het Barro geen concreet beleid.

Besluit ruimtelijke ordening en ladder duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen - waaronder het bouwen van woningen - een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is. In de toelichting van een bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, moet een onderbouwing worden opgenomen volgens de 'Ladder voor duurzame verstedelijking', die ook wel 'duurzaamheidsladder' wordt genoemd.

Toetsing

In dit geval is er sprake van een woningbouwmogelijkheid die al in het basisplan is voorzien en gemotiveerd. De mogelijkheid om ten hoogste 19 woningen te bouwen op deze locatie is al aan de relevant beleidskaders getoetst in het geldende plan 'Kom Grijpskerke'. Ook zijn de woningen opgenomen in de gemeentelijke woningbouwplanning. Het doorlopen van de Ladder is om die reden niet noodzakelijk. Toch voorziet het initiatief evengoed in een regionale behoefte, zie hiervoor paragraaf 1.4.2.

1.4.2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (inclusief partiele herziening 2016)

Inzet van beleid

In het Omgevingsplan geeft de provincie haar beleidsvisie op de toekomst van Zeeland. Een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied zijn sleutelbegrippen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.

Kort samengevat wordt ingezet op:

  • bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik (inbreiding, herstructurering, hergebruik);
  • stimuleren integrale woningkwaliteit / verbeteren woningvoorraad (kwaliteit en differentiatie);
  • afstemmen woningvoorraad op woonwensen huidige en toekomstige inwoners en veranderende samenstelling en omvang bevolking;
  • bescherming/waarborging en ontwikkeling van waardevolle landschappen, natuur, cultuurhistorisch erfgoed en van aardkundige en archeologisch waarden in Zeeland.

De voor de provincie relevante beleidskaders uit het Omgevingsplan zijn vertaald in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (zie hierna).

De duurzaamheidsladder

De duurzaamheidsladder is een procesvereiste en houdt in dat bij vaststelling van een ruimtelijk plan wordt gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt over het ruimtegebruik. Deze werkt met de volgende stappen die in de onderbouwing moeten terugkomen (sterk verkorte weergave):

  • De ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag.
  • Realisatie vindt plaats binnen het bestaand bebouwd gebied in de regio, tenzij dat niet mogelijk is.
  • De locatie is of wordt multimodaal ontsloten.

Deze wettelijke procesvereisten kunnen worden ondersteund met de regionale woningmarktafspraken, die ten minste regionale afspraken bevatten over de volgende onderwerpen:

  • Een kwantitatief en kwalitatief woningbouwprogramma voor de komende 10 jaar.
  • De invulling van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik.
  • De aanpak en afspraken over de herstructureringsopgaven in de bestaande woningvoorraad (incl. particuliere sector).
  • Aandacht en prioriteit voor het behoud van cultuurhistorische waardevolle bebouwing.
  • Aanpak en doelstellingen particuliere voorraad.
  • Visie op en afspraken over deeltijd wonen.

In algemene zin past de woningbouw op de beoogde locatie binnen het beleid ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik. De gemeente Veere vormt samen met de gemeenten Middelburg en Veere een woningmarktregio. Voor wat betreft de afstemming op de woningvoorraad en woningbehoefte wordt verwezen naar het kopje " Walcherse woningbouwafspraken'.

Verordening Ruimte Provincie Zeeland (inclusief eerste wijziging 2016)

Een aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (hierna PRV). Voor een belangrijk deel gaat het om regels die betrekking hebben op het buitengebied, zoals:

  • concentratie agrarische bebouwing;
  • bufferzones;
  • glastuinbouw;
  • intensieve veehouderij;
  • agrarische onderzoeksbedrijven;
  • agrarisch gebied van ecologische betekenis;
  • bestaande Natuur, Natuurontwikkelingsgebieden. afwegingszone natuurgebieden en wijziging begrenzing ecologische hoofdstructuur;
  • landschap.

Verder zijn er algemene regels die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied, zoals:

  • regionale waterkeringen;
  • bebouwing in kustfundament;
  • molenbiotoop;
  • opstellingen voor wind- en zonne-energie;
  • erfgoed.

Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies, namelijk:

  • bedrijven en detailhandelsvoorzieningen;
  • wonen.

De eerder vastgestelde algemene regels voor duurzame verstedelijking zijn in 2016 komen te vervallen omdat dit thans is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (zie hiervoor).

Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

De meeste van de hiervoor genoemde onderwerpen zijn niet relevant voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Het aspect wonen heeft betrekking nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied. Dat is niet aan de orde.

Walcherse woningmarktafspraken

Uit de regionale woningmarktverkenning Walcheren (november 2012) blijkt dat de belangrijkste opgaven zijn:

  • vergroting van het aandeel levensloopbestendige woningen ten koste van reguliere grondgebonden woningen;
  • meer driekamerwoningen en minder woningen met vijf of meer kamers;
  • minder woningen tot € 200.000 en meer tussen € 200.000 en € 300.000;
  • minder goedkope huur en meer duurdere huurwoningen;
  • verkleining van het aandeel buiten-centrum en vergroting van het aandeel centrum-dorpse woonmilieus.

Om te bepalen hoe de gemeente in haar woonbeleid en voorzieningenbeleid moet omgaan met de demografische krimp die op termijn wordt verwacht, is in 2009 onderzoek uitgevoerd waarbij demografische en economische toekomstperspectieven zijn uitgewerkt aan de hand van twee scenario's, namelijk autonome ontwikkeling en beperkte groei.1 Op basis van het zogenoemde 'beperkte groei'-scenario is een indicatief woningbouwprogramma voor de gehele gemeente en per kern bepaald.

In 2013 is het scenario herijkt en is het bouwprogramma naar beneden bijgesteld. Voor de periode 2012-2020 is een bouwprogramma vastgesteld van circa 600 woningen. Van dit programma zouden 35 woningen moeten worden gebouwd in Grijpskerke.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0005.png"

Figuur 1.5. Opgave 2012-2020 per kern en per type (Tabel 5-11 uit Eindrapport herijking scenario Veere)

Voor Grijpskerke blijkt vooral een behoefte aan grondgebonden woningen in de koopsector.

Op basis van de verkenningen zijn 'Walcherse woningmarktafspraken', vastgesteld in september 2013. Hieruit blijkt dat de totale plancapaciteit voor de kern Grijpskerke 30 woningen bedraagt. Er is dus sprake van een actuele woningbehoefte. De woningen binnen de locatie Nimmerdor II en III zijn opgenomen in de gemeentelijke woningbouwplanning.

1.5 Toetsing aan de omgevingsaspecten

1.5.1 Inleiding

Aanvullend op de wijzigingsvoorwaarden moet het plan getoetst worden aan wettelijk verplichte aspecten. Een aantal daarvan is in het kader van het basisplan al onderzocht en is relevant voor de ontwikkeling van de voorgenomen woningbouwlocatie. Uit de toetsing is het volgende gebleken:

  • luchtkwaliteit: de ruimtelijk ontwikkelingen waarin het basisplan voorziet (waaronder onderhavige woningbouw) draagt niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. In het plangebied wordt aan de wettelijke grenswaarden voldaan.
  • kabels en leidingen: er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
  • externe veiligheid: dit aspect legt evenmin beperkingen op aan de voorgenomen woningbouw.

De aspecten bodemkwaliteit, water(toets) en ecologie (Natuurbeschermingswet en Flora- en faunawet) en wegverkeerslawaai zijn in het basisplan niet onderzocht voor wat betreft de ontwikkelingslocaties, waaronder de uitbreidingslocatie Nimmerdor. Aangegeven is dat bij de concrete realisering van deze locaties aan deze aspecten aandacht moet worden besteed.

1.5.2 Bodemkwaliteit

De bodemgesteldheid van de locatie dient zodanig te zijn dat er geen gevaar of schade te verwachten mag zijn voor de gebruikers of het milieu.

In 2002 is bodemonderzoek uitgevoerd in geheel het agrarisch gebied Walcheren voor het maken van een bodemkwaliteitskaart. Hierdoor is er grondverzet met eenvoudige meldingen mogelijk gemaakt. De conclusie is dat geheel het agrarisch gebied ongeacht het gebruik van de akkerbouwpercelen/weilanden een diffuse verontreiniging bevat met de bestrijdingsmiddelen DDT/DDE/DDD. In de grondlaag van 0 tot 50 cm min maaiveld zijn gehaltes aangetoond tussen de 0,006 en in enkele boringen tot 1,2 mg/kg. Voor een beoordeling van de risico's voor de volksgezondheid moet getoetst worden aan de gehaltes aan DDT/DDE/DDD van 2 mg/kg.Voor de ecologische toets is dat 4 mg/kg.

In 2004 is bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied (bureau SMA, nummer 840007). Daarin is een lichte verontreiniging aangetoond met DDT/DDE/DD iets boven de streefwaarde. De aangetoonde gehaltes in het plangebied passen in beeld van het onderzoek uit 2002 en dan nog iets beter, de gehaltes gaan richting de richting streefwaarde. Andere bestrijdingsmiddelen zijn niet aangetoond boven de streefwaarde. Geconcludeerd is dat er geen reden is voor vervolgonderzoek of beperking aan het gebruik van de grond.

Op basis van landelijke onderzoeksgegevens is overigens de verwachting dat de nu aangetoonde gehaltes aan bestrijdingsmiddelen binnen een termijn van 30 jaren zullen zijn gehalveerd of geheel zijn verdwenen.

Het bodemonderzoek is relatief oud. Omdat er volgens gemeentelijke informatie in de tussenliggende periode geen sprake is geweest van ander gebruik dat de grond kan hebben verontreinigd, zijn de hiervoor vermeldende resultaten en conclusies uit het onderzoek nog steeds geldig.

1.5.3 Archeologie

In het basisplan heeft de oostrand van het gebied met de wijzigingsbevoegdheid een archeologische dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming staat in dit wijzigingsplan niet ter discussie. De dubbelbestemming is gericht op het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek dient hier plaats te vinden bij ingrepen groter dan 500 m2. De gronden in het plangebied met de archeologische dubbelbestemming zijn kleiner dan 500 m2. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Op de overige delen zijn geen archeologische resten te verwachten.

1.5.4 Watertoets

In een vroeg stadium dient overleg te worden gevoerd met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Bij brief van 22 september 2016 heeft het waterschap aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van onderhavig plan. Dit wateradvies is als bijlage bij het wijzigingsplan opgenomen.

Tabel 1.2 Watertoetstabel

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Waterveiligheid
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszones van een waterkering. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet van invloed op de waterveiligheid in de omgeving.  
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Waterberging voldoet aan capaciteit om 75 liter per m2 verhard oppervlak te kunnen bergen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
Het plangebied heeft een oppervlakte van 7.781 m2. Hierbinnen worden voor de 13 woningen bouwvlakken opgenomen die volledig kunnen worden bebouwd of verhard. De oppervlakte van de bouwvlakken bedraagt 2.655 m2. Het overblijvende deel, 5.126 m2, zal worden gebruikt als voor- en achtertuin. Ervan uitgaande dat deze oppervlakte voor 50% wordt verhard, bedraagt het verhard oppervlak 2.563 m2. De totale toename aan verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling van de uitbreidingslocatie bedraagt daarmee (2.655 m2 + 2.563 m2=) 5.218 m2. Om het hemelwater van het verharde oppervlak op te kunnen vangen is ongeveer (5.218 m2 x 75 liter=) 390 m³ aan extra waterberging nodig. In een deel van het gebied zijn mogelijkheden voor infiltratie, maar voor het grootste deel is dit beperkt. Uit het rioleringsplan Nimmerdor (mei 2005) blijkt dat met waterberging voor de uitbreiding die nu gepland staat al rekening is gehouden. Nog een klein gedeelte van de waterberging wordt aan noordzijde nog gerealiseerd. Hiervoor zal de sloot worden doorgetrokken.
In het gebied zijn geen problemen met wateroverlast bekend. Om wateroverlast vanuit waterlopen te voorkomen, wordt een bouwpeil van 0,65 m boven
het hoogste streefpeil geadviseerd,  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast
en -tekort. Rekening houden met de gevolgen
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratiemogelijkheden.  
De ontwikkeling is dan ook niet van invloed op de grondwaterkwantiteit.  
Hemel- en afvalwater
(inclusief water op straat / overlast)
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
De kern Grijpskerke is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel.
Nieuwe woningen worden voorzien van een aansluiting op een toekomstig gescheiden rioolstelsel.  
Volksgezondheid (water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op de volksgezondheid.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra)
maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Uit informatie van de provincie Zeeland blijkt dat het noordelijk deel van de locatie sterk zettingsgevoelig is (donkergroen gebied in onderstaande afbeelding) en het zuidelijk deel weinig. De woningbouwontwikkeling is echter niet van invloed op eventuele bodemdaling in het gebied. Het peilregime van het plangebied is al afgestemd op
bebouwd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0006.png"
 
Oppervlakte- en grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van goede oppervlakte- en grondwater kwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.  
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase; bij verbouwingen is hiervoor aandacht.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
De beoogde ontwikkeling is niet van invloed op natte natuur.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
In het uitbreidingsgebied is geen open water aanwezig. Aan de rand van het gebied bevinden zich enkele sloten/greppels voor de afvoer van water (zie figuur hieronder). De onderhoudsstroken liggen niet over het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0007.png"
 
Andere belangen waterbeheerder(s)  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
van de waterbeheerder niet belemmeren.  
Er zijn geen eigendommen van de waterbeheerder aanwezig in de directe omgeving van de locatie. Dit aspect is daarom niet relevant.  
Scheepvaart en/of wegbeheer
Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.  
De planlocatie ligt niet aan of in de buurt van een scheepvaartroute of een weg die in beheer en onderhoud is bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.  

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er zal vanwege de toename van het verhard oppervlak extra waterberging worden gerealiseerd aan de noordzijde van het plangebied. Aanvullend kan in een deel van de woningbouwlocatie infiltratie van hemelwater plaatsvinden. Dit is echter afhankelijk van particuliere initiatieven (de toekomstige eigenaren).

1.5.5 Wegverkeerslawaai

Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) verplicht als er een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt binnen de wettelijke geluidzone van een weg. Woningen zijn geluidgevoelige functies. De woningbouwlocatie ligt binnen de geluidzone van de Oostkapelseweg. De geluidbelasting van deze weg op de gevels van de woningen in het uitbreidingsgebied mag ten hoogste 48 dB (voorkeursgrenswaarde) bedragen. Om vast te stellen of aan deze wettelijke bepaling wordt voldaan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Er is gerekend voor het prognosejaar 2026. Basis is de verkeersintensiteit van 2.000 mvt/etmaal uit de Verkeersstromenkaart 2014. Deze is opgehoogd op basis van een autonome groei van 1% per jaar. Voor de voertuig- en etmaalverdeling is aangesloten bij de standaardverdelingen voor een landelijke ontsluitingsweg. Uit het onderzoek (SRM-I berekening, zie bijlage 2) blijkt dat de 48 dB contour (vrije veld) ligt op 32,8 meter uit de as van de weg. Het plangebied ligt op grotere afstand. Daarmee wordt aan de Wgh voldaan.

1.5.6 Ecologie

Beleids-/toetsingskader

Inleiding

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de natuurwetgeving de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en in de bescherming van dier- en plantensoorten. Voor gebiedsbescherming zijn de Natuurbeschermingswet 1998 en de ecologische hoofdstructuur relevant en voor de soortbescherming de Flora- en faunawet (hierna Ffw). Hierna wordt nader ingegaan de aspecten gebieds- en soortbescherming.

Gebiedsbescherming

Natuurbeschermingswet 1998

In de Natuurbeschermingswet 1998 (verder: Nb-wet) is de bescherming van specifieke gebieden geregeld. De bepalingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in de Nb-wet verwerkt.

Voor de Natura 2000-gebieden gelden instandhoudingsdoelen: bepaalde habitattypes die daar voorkomen moeten in stand worden gehouden. Onder andere hiervoor is het een vereiste dat de neerslag van stikstof - de stikstofdepositie - wordt teruggedrongen. Elke toename aan stikstof op Natura 2000-gebieden wordt daarom getoetst in het kader van de Nb-wet.

De Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Ecologische hoofdstructuur

Binnen de door het Rijk gestelde kaders begrenzen, beschermen en onderhouden de provincies een natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water- en milieucondities voor kenmerkende ecosystemen van (inter)nationaal belang. Dit provincie- en landsgrensoverschrijdende netwerk is de (herijkte) nationale Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De begrenzing van de EHS is in Zeeland door Gedeputeerde Staten vastgesteld in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en het Natuurbeheerplan Zeeland. In het Omgevingsplan staan ook de spelregels hoe om te gaan met de EHS. Binnen de EHS liggen onder ander ook de Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming: Flora- en faunawet

De Ffw is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van EZ. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. Het bestemmingsplan is een dergelijk besluit.

Het Ministerie van EZ beperkt de verbodsbepalingen bij vogels tot alleen de plaatsen waar wordt gebroed, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er wordt gebroed. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen.

Toetsing/onderzoek

Huidige situatie

Vrijwel het gehele plangebied is in gebruik als grasland. Langs de oostrand van het gebied is opgaande beplanting aanwezig. Het betreft een windsingel ten behoeve van de aangrenzende boomgaard.

Beoogde werkzaamheden

Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te maken, worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd:

  • het rooien van de opgaande beplanting die zorgt voor afscherming van de boomgaard;
  • graven van open water (doortrekken sloot buiten het plangebied);
  • bouwwerkzaamheden.

Gebiedsbescherming: aangewezen gebieden

Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)

Het plangebied ligt niet binnen de NNZ. De dichtstbijzijnde NNZ-gebieden zijn de duingebieden bij Zoutelande.

Natura 2000-gebieden

De Natura 2000-gebieden die mogelijk relevant zijn voor het onderhavige bestemmingsplan zijn het duingebied Manteling van Walcheren en de Noordzee als onderdeel van het Natura 2000-gebied Westerschelde.

Gebiedsbescherming: toetsing

Ontwikkeling stikstofdepositie

Aangezien het plangebied buiten de Natura 2000-gebieden ligt, zijn areaalverlies, versnippering, verandering van waterhuishouding en verstoring uit te sluiten.

In de Manteling van Walcheren komen stikstofgevoelige habitattypen en -soorten voor, maar het plangebied ligt op te grote afstand en de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is te klein om effecten te hebben op deze gebieden.

Soortenbescherming: huidige ecologische waarden

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl).

Vaatplanten

Er zijn geen beschermde soorten waargenomen. Gezien het huidige gebruik en het beheer van het terrein zijn deze ook niet te verwachten.

Vogels

Door de geringe omvang van het plangebied, de huidige korte vegetatie, de aard van de aangrenzende terreinen (bewoond gebied) is het gebied niet geschikt (te kleinschalig) als nestplaats voor weide- of akkervogels. Naar verwachting is er geen enkele nestplaats aanwezig.

De windsingel langs de boomgaard biedt naar verwachting wel een geschikte nestplaats voor struweelbroeders, zoals: heggemus, fazant en houtduif, maar er zijn geen beschermde soorten te verwachten. Er zijn geen nesten van vogels met een vaste nestplaats vastgesteld.

Zoogdieren

Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol en enige algemene muizensoorten. Het plangebied vervult geen functie voor vleermuizen, anders dan de omliggende akkergebieden en boomgaarden.

Amfibieën

De korte grasvegetatie is ongeschikt als landbiotoop voor algemene amfibieën. Zwaarder beschermde soorten bijvoorbeeld rugstreeppad komen hier naar verwachting ook niet voor. Naast de voor amfibieën ongeschikte sloten komt er in het plangebied ook geen open water (poelen) voor.

Vissen

Deze diersoort is niet van belang omdat er geen open water wordt gedempt of aangetast.

Overige soorten

Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde reptielen/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 1.3 is aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 1.3 Beschermingsregime Flora en faunawet en toetsing mogelijk voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied

  nader onderzoek nodig bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen  
vrijstellings- regeling Ffw   tabel 1     mol en enige algemene muizensoorten.   nee  
ontheffings- regeling Ffw   tabel 2     geen   nee  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen   nee  
    bijlage IV HR   vleermuizen   nee  
  vogels   cat. 1 t/m 4   broedvogels van struweel   nee  

Soortenbescherming: toetsing

Bij de voorgenomen ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).
  • Er komen geen tabel 2 en 3 soorten van de Ffw voor.
  • De Flora- en faunawet staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Conclusie

De Natuurbeschermingswet 1998, het provinciale EHS-beleid en de Flora- en faunawet vormen geen belemmering voor de aanleg van een klein woongebied. Het voorliggende bestemmingsplan is op dit punt uitvoerbaar.

1.5.7 Afstemming op omliggende functies

In ruimtelijke plannen wordt de situering van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies ten opzichte van elkaar geregeld (milieuzonering). Richtinggevend hierbij is de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en de daarop gebaseerde Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' die in het basisplan is opgenomen.

In de VNG-publicatie is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die moeten worden aangehouden tussen de grens van een milieubelastende functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan (of via vergunningvrij bouwen) mogelijk is.

Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, valt het bedrijf in een hogere milieucategorie en wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd.

Van de richtafstanden kan worden afgeweken als door middel van onderzoek is aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt. De richtafstanden gelden voor een omgevingstype 'rustige woonwijk.

Op korte afstand van het plangebied bevindt zich een locatie dat in het geldende bestemmingsplan 'Kom Grijpskerke' de bestemming Maatschappelijk heeft. Planologisch zijn de volgende functies toegestaan:

  • bibliotheken, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven, religie;
  • ten hoogste 37 woningen, al dan niet in combinatie met zorg;
  • ondergeschikte dienstverlenende voorzieningen mede ten behoeve van de bestemming.
  • een gymzaal.

Op deze locatie zijn diverse gebouwen gerealiseerd met daarin woningen, een MFA, met een buurt/dorpshuis, een gymzaal en een kapperszaak.

In de VNG-publicatie zijn voor een aantal van deze functies de volgende richtafstanden per milieuaspect opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0717.0110WPNimmeGrk-VG01_0008.jpg"

Figuur 1.6. Inschaling functies met bijbehorende richtafstanden

Voor de MFA is geen richtafstand opgenomen, maar omdat dit gebouw voor meerdere doeleinden kan worden gebruikt, zijn diverse gebruikelijke functies in de tabel opgenomen. Hieruit blijkt dat rekening moet worden gehouden met richtafstanden van 30 meter. De nieuw te bouwen woningen die vallen binnen de richtafstand voor de gymzaal, vallen ook binnen de richtafstand voor de MFA.

In de hiervoor vermelde Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' geen gebruik gemaakt van richtafstanden. Alle hiervoor genoemde functies met een richtafstand van 30 meter vallen in activiteiten uit categorie B. Voor activiteiten uit deze categorie geldt dat deze in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, waarbij deze bouwkundig afgescheiden dienen te worden van woningen en andere gevoelige functies. De uitbreidingslocatie is echter geen gemengd gebied maar een rustige woonwijk. Dat betekent dat deze Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' niet bruikbaar is en dat daarom een nieuwe afweging moet worden gemaakt.

Van belang is dat boven de MFA nu al woningen aanwezig zijn. In het bouwkundig ontwerp van de MFA van enige jaren geleden is rekening gehouden met deze woningen. De geluiduitstraling van de MFA naar de omgeving is daardoor beperkt, ook richting de nieuwe woningen. Van geluidoverlast is daarom geen sprake. Gelet hierop wordt ervan uitgaan dat bij de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

De verwachting is ook dat er geen extra bouwkundige maatregelen nodig zijn om geluidoverlast op de nieuwe woningen te reduceren. De aanwezige bedrijven/instellingen worden daarmee niet in hun rechten beperkt.

In alle gevallen is het aspect parkeren een aandachtspunt. Tegenover de woningbouwlocatie zijn 20 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de aanwezige functies. Dit aantal is zo gering dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen hier niet onevenredig wordt geschaad.

1.5.8 Afstemming op naastgelegen fruitboomgaard

Aan de oostzijde van de woningbouwlocatie is een fruitboomgaard aanwezig. De perenboomgaard grenst direct tegen de woningbouwlocatie. Op fruitteeltbedrijven wordt gespoten met bestrijdingsmiddelen. Een goed woon- en leefklimaat moeten worden gegarandeerd door het aanhouden van voldoende afstand tussen het spuiten en de woningen, door een aangepaste bedrijfsvoering of door het treffen van driftbeperkende maatregelen.

Op grond van het provinciaal beleid dient tussen fruitteeltpercelen en woongebieden een afstand van minimaal 50 meter te worden aangehouden. Dit is ook zo geregeld in het bestemmingsplan Grijpskerke. In de agrarische bestemming is namelijk bepaald dat fruitteelt ter plaatse van gronden die liggen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) niet is toegestaan. Op dit moment wordt ter plaatse aan deze afstand voldaan.

Wanneer in het plangebied woningbouw wordt ontwikkeld, dan is daar geen sprake meer van en moet volgens het bestemmingsplan het gebruik als fruitboomgaard worden beëindigd. De gemeente is eigenaar van zowel het fruitteeltperceel als de beoogde woningbouwlocatie. De gemeente zal afstand waarborgen door woonpercelen binnen 50 meter vanaf de boomgaard pas uit te geven als de fruitteelt daadwerkelijk is beëindigd.

Overigens is met de pachter een nieuwe pachtovereenkomst gesloten. Daarin is als bijzondere voorwaarde opgenomen dat bij bespuitingen rekening wordt gehouden met de windkracht en de windrichting ten opzichte van de aangrenzende bebouwing. Ook zal een driftreducerende spuittechniek worden toegepast uit driftreductieklasse 75% (er zijn volgens ISO22369 4 driftreductieklassen: 50%, 75%, 90% en 95%).

De pachtovereenkomst wordt aangepast zodra binnen een afstand van 50 meter tot de boomgaard woningbouw zal plaatsvinden. Met deze aanpassing wordt geregeld dat binnen deze afstand geen fruitteelt meer zal plaatsvinden.

1.6 Beschrijving juridische regeling

De gronden binnen het plangebied van dit wijzigingsplan worden gewijzigd van de bestemming 'Agrarisch' in de bestemming 'Wonen'. Voor de regels van 'Wonen' wordt verwezen naar het geldende plan 'Kom Grijpskerke'. Voorliggend wijzigingsplan zal na vaststelling onderdeel gaan uitmaken van dat plan. Voor een beschrijving van de bouw en gebruiksmogelijkheden wordt dan ook verwezen naar paragraaf 6.2 van de toelichting op dat plan.

De verbeelding is afgestemd op de aangrenzende woonbestemmingen in het basisplan. Er zijn drie bouwstroken ('bouwvlakken') opgenomen waarbinnen de hoofdgebouwen moeten/mogen worden gebouwd.

In de bouwvlakken zijn met aanduidingen de maximum goothoogten van de hoofdgebouwen vastgelegd (6 meter). In de regels van het basisplan is bepaald dat de maximum bouwhoogte met ten hoogste 5 meter hiervan mag afwijken. De maximum bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt aldus 11 meter. Met aanduidingen zijn ook het maximum aantal wooneenheden per bouwvlak vastgelegd. In totaal mogen ten hoogste 13 woningen worden gebouwd.

Omdat de overeenkomst tussen de gemeente en de pachter van de aangrenzende fruitboomgaard wordt aangepast zodra binnen een afstand van 50 meter tot de boomgaard woningbouw zal plaatsvinden, is in onderhavig wijzigingsplan geen aanvulling van de regeling nodig

De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 in het basisplan is overgenomen in dit wijzigingsplan. Omgevingsvergunningen zullen hieraan worden getoetst.