direct naar inhoud van Regels
Plan: Park Fort den Haak
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0717.0096BPForthVrp-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0717.0096BPForthVrp-VG01 met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.2 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.3 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.4 aan- en uitbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.5 aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in een woning of in een bijbehorend bijgebouw door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning en het woonperceel in overwegende mate hun woonfunctie behouden en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.6 achtererf

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

1.7 antennedrager

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.8 antenne-installatie

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.10 bedrijf

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

1.11 bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van de exploitatie en het beheer van een complex.

1.12 bedrijfsvloeroppervlak (bvo)

de totale vloeroppervlakte in gebouwen zijnde kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de verdiepingen en daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.13 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.14 bestaande bouwwerken

bouwwerken die bestaan of kunnen worden gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.

1.15 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.16 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.17 bevoegd gezag

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.18 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.19 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is, met uitsluiting van vertrekken onder de begane grondvloer, zoals een kelder, souterrain en onderbouw.

1.20 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.21 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.22 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

1.23 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.24 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.25 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.26 centrale bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van de exploitatie en het beheer van een complex voor verblijfsrecreatie, gericht op het als onderneming aan meerdere, steeds wisselende, personen per jaar aanbieden van recreatief verblijf.

1.27 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.

1.28 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen.

1.29 dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke nok uitkomt.

1.30 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van goederen, met inbegrip van afhaal, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.31 dienstverlening

het bedrijfsmatig aanbieden, verkopen en/of leveren van diensten aan personen, zoals reisbureaus, kapsalons, wasserettes, autorijscholen en videotheken.

1.32 evenementen

gebeurtenissen, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur, die (inclusief opbouw en afbraak) korter duren dan 10 dagen per evenement.

1.33 extensieve recreatie

recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving, bijvoorbeeld wandelen en fietsen. Er zijn weinig of geen gebouwen nodig en het aantal recreanten is beperkt.

1.34 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.35 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.36 horecabedrijf

een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • a. het verstrekken van dranken en/of etenswaren, teneinde deze ter plaatse te nuttigen, al dan niet in combinatie met:
    • 1. het exploiteren van zaalaccommodatie;
    • 2. het verstrekken van nachtverblijf.
1.37 kantoor/praktijk(ruimte)

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerp-technisch of een hiermee naar aard gelijk te stellen gebied.

1.38 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het in een woning of in een bijbehorend bijgebouw door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt en waarbij de woning en het woonperceel in overwegende mate hun woonfunctie behouden met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

1.39 landschapsdeskundige

een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of onafhankelijke commissie van deskundigen op het gebied van landschap.

1.40 landschapswaarde

De aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van levende en niet-levende natuur.

1.41 natuurwaarde

een aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.

1.42 NEN

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

1.43 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, waterhuishoudkundige voorzieningen, telefooncellen, abri's en apparatuur voor telecommunicatie.

1.44 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

1.45 peil
  • a. de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt;
  • b. bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.46 pension

een gebouw, bestemd om gelijktijdig door meerdere gezinnen of daarmee gelijk te stellen groepen van personen te worden gebruikt voor verblijfsrecreatie.

1.47 trekkershut

een verblijfsrecreatie-eenheid met een oppervlak van ten hoogste 45 m².

1.48 verblijfsrecreatie

recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf zoals een recreatiewoning, hotelkamers, een logeergebouw, een pension of een trekkershut, door personen die elders hun hoofdverblijf hebben.

1.49 voorgevel van een gebouw

het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een gebouw. Indien meerdere delen van het gebouw naar de weg zijn gekeerd (hoekkavel), bepaalt het bevoegd gezag welke zijde als voorgevel moet worden beschouwd.

1.50 voorgevelrooilijn

een denkbeeldige dan wel met de aanduiding 'gevellijn' aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie
  • a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
  • b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
2.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, balustrades, liftinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 breedte, lengte en diepte van een gebouw

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

2.5 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.6 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.7 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9 vloeroppervlakte

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grondgebonden agrarische bedrijven;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen.
3.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

3.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:

3.2.2 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de afstand van bouwwerken, niet zijnde terreinafscheidingen, tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 4 Gemengd

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dienstverlening ten behoeve van de (verblijfs)recreatieve functies in de omgeving;
  • b. uitsluitend op de verdiepingen: verblijfsrecreatie in de vorm van appartementen en hotelkamers;
  • c. ten diensten van de functies zoals genoemd onder sub a en b:
    • 1. horeca-activiteiten tot en met categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten;
    • 2. sport;
    • 3. wellness;
    • 4. detailhandel met een bedrijfsvloeroppervlakte van ten hoogste 200 m²;
    • 5. maatschappelijke voorzieningen;
    • 6. kantoor;
    • 7. cultuur en ontspanning;
  • d. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): sport-, spel- en speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losruimte, erven, tuinen, terrassen, reclame-uitingen, afvalverzamelvoorzieningen, evenementen en nutsvoorzieningen.
4.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

4.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. aan- en uitbouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2.2 Bouwregels voor gebouwen
  • a. gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de totale bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) bedraagt ten hoogste 3.000 m²;
  • c. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • d. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen hoofdgebouwen gestapeld worden gebouwd;
  • f. vanaf de tweede verdieping dient het gebouw ten behoeve van functies als bedoeld onder lid 4.1 onder b te worden gebouwd met een dove gevel aan de noordelijke gevelzijde.

4.2.3 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevel van hoofdgebouwen en de openbare weg bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, voor zover gelegen aan de zijde van de bestemming Sport, ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • e. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
4.3 Specifieke gebruiksregels

Verblijfsrecreatie is uitsluitend toegestaan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie.

Artikel 5 Groen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groen, water en voet- en fietspaden;
  • b. landschappelijke inpassing;
  • c. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen, wandel-, fiets- en ruiterpaden en evenementen.
5.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

5.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:

5.2.2 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwende zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 6 Horeca

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - horeca tot en met categorie 1c': horecabedrijven tot en met categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): laad- en losruimte, parkeren, vergaderruimte, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, erven, tuinen, terrassen, reclame-uitingen, evenementen, sport- en speelvoorzieningen.
6.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

6.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2.2 Bouwregels voor gebouwen
  • a. hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak;
  • c. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • d. de goothoogte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • e. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte;
  • f. indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling, tenzij met een aanduiding anders is aangegeven, ten hoogste 65°;
  • g. de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen mag uitsluitend worden overschreden door dakkapellen en gelijksoortige vormen, niet zijnde een topgevel, mits de breedte niet meer bedraagt dan:
    • 1. 50% van de breedte van de onderliggende gevel in het voorgeveldakvlak;
    • 2. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het achtergeveldakvlak;
    • 3. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het zijgeveldakvlak.

6.2.3 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • d. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 7 Maatschappelijk

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. religie;
  • b. openbare dienstverlening;
  • a. informatievoorziening;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): parkeren, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en evenementen.
7.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

7.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2.2 Bouwregels voor hoofdgebouwen
  • a. hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte;
  • d. indien hoofdgebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling, tenzij met een aanduiding anders is aangegeven, ten hoogste 65°;
  • e. de maximaal toelaatbare goothoogte van hoofdgebouwen mag uitsluitend worden overschreden door dakkapellen en gelijksoortige vormen, niet zijnde een topgevel, mits de breedte niet meer bedraagt dan:
    • 1. 50% van de breedte van de onderliggende gevel in het voorgeveldakvlak;
    • 2. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het achtergeveldakvlak;
    • 3. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het zijgeveldakvlak.

7.2.3 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 8 Natuur

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud en herstel en versterking van actuele en potentiële cultuurhistorische, landschaps- en natuurwaarden.
8.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

8.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:

8.2.2 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
8.3 Omgevingsvergunning voor de activiteit uitvoeren van werken en/of werkzaamheden
8.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Natuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties en apparatuur;
  • c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen of rooien van houtgewas;
  • e. het bebossen of beplanten van gronden;
  • f. het graven of afdammen van sloten of greppels met een bodemdiepte van meer dan 0,5 m beneden het maaiveld en het aanbrengen van drainage dan wel het diepploegen;
  • g. het gebruik van bestrijdings- en/of bemestingsmiddelen;
  • h. het storten en lozen van specie.

8.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 8.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn.

8.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 8.3.1 zijn alleen toegestaan in overeenstemming met lid 8.1 onder voorwaarden dat:

  • a. uit ecologisch onderzoek blijkt dat de natuurwaarden niet significant worden aangetast;
  • b. voorafgaand advies is ingewonnen bij de natuurbeheerder.

Artikel 9 Recreatie

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'manege': een manege;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin': volkstuinen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 1': een outdoorpark bestaande uit:
    • 1. een outdoorpark met sport- en spelvoorzieningen;
    • 2. verblijfsrecreatie in de vorm van ten hoogste 25 trekkershutten;

met dien verstande dat deze functies worden ingebed in een kwalitatief hoogwaardig landschap, dat een aantrekkelijk recreatiemilieu waarborgt en een goede inpassing in de omgeving;

  • d. ter plaatse van de aanduiding 'horeca': één horecabedrijf tot en met categorie 1d van de Staat van Horeca-activiteiten met een bedrijfsvloeroppervlak (bvo) van ten hoogste 400 m²;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': één bedrijfswoning;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': één recreatiewoning;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie': verblijfsrecreatie in de vorm van appartementen;
  • h. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): parkeren, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen, terrassen, elektrische oplaadpunten, uitritten, culturele activiteiten, evenementen en afvalverzamelvoorzieningen.
9.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

9.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.2.2 Bouwregels voor gebouwen
  • a. gebouwen en overkappingen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder b en c bedraagt de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 3 m en de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 7 m;
  • e. indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling, tenzij met een aanduiding anders is aangegeven, ten hoogste 65°;
  • f. de maximaal toelaatbare goothoogte van hoofdgebouwen mag uitsluitend worden overschreden door dakkapellen en gelijksoortige vormen, niet zijnde een topgevel, mits de breedte niet meer bedraagt dan:
    • 1. 50% van de breedte van de onderliggende gevel in het voorgeveldakvlak;
    • 2. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het achtergeveldakvlak;
    • 3. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het zijgeveldakvlak;
  • g. het oppervlak van een trekkershut bedraagt ten hoogste 45 m²;
  • h. de bouwhoogte van een trekkershut bedraagt, in afwijking van het bepaalde onder c, ten hoogste 4 m;
  • i. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding -2' bedraagt het oppervlak van een bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen ten hoogste 360 m² en de inhoud ten hoogste 1.800 m3.

9.2.3 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • d. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 5 m.
9.3 Specifieke gebruiksregels

Verblijfsrecreatie is uitsluitend toegestaan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, egaliseren;
  • b. het aanleggen, verharden of voorzien van halfverharding van wegen, paden en parkeervoorzieningen;
  • c. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting;
  • d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen.

9.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 9.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn.

9.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.4.1. zijn slechts toelaatbaar, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit een inrichtingsplan blijkt dat de inrichting past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 2 en aansluit bij het daarin opgenomen ontwerp en de referentiebeelden. De inrichting verzekert:
    • 1. een aantrekkelijk recreatiemilieu, goed ingepast in de omgeving;
    • 2. een transparant landschap, waarmee landschappelijke en ruimtelijke samenhang wordt gecreëerd;
    • 3. een goede landschappelijke inpassing van gebouwen en terrein in de omgeving met streekeigen beplanting;
    • 4. een gevarieerde terreininrichting, invulling gevend aan de parkzone;
    • 5. een gevarieerd golvend reliëf.
  • b. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de landschapsdeskundige over de vraag of het inrichtingsplan voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in dit sublid onder a.

Artikel 10 Sport

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport -1': tennisbanen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport -2': een schietbaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'pitch & putt':
    • 1. een pitch&putt-golfbaan met ten hoogste 9 holes;
    • 2. ondergeschikte horeca-activiteiten tot en met categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten met een bedrijfsvloeroppervlak (bvo) van ten hoogste 300 m²;
    • 3. visvijvers;

met dien verstande dat deze functies worden ingebed in een kwalitatief hoogwaardig landschap, dat een aantrekkelijk recreatiemilieu waarborgt en een goede inpassing in de omgeving;

  • d. ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen;
  • e. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): sport- en speelvoorzieningen, parkeren, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen, wegen voor bestemmingsverkeer, voetpaden, wandelpaden, ruiterpaden en fietspaden.
10.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

10.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen bouwwerken worden gebouwd, met inachtneming van het volgende:

10.2.2 Bouwregels voor gebouwen
  • a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak;
  • c. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • d. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder c en d bedraagt de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 3 m en de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 7 m;
  • f. indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling ten hoogste 65°;
  • g. de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen mag uitsluitend worden overschreden door dakkapellen en gelijksoortige vormen, niet zijnde een topgevel, mits de breedte niet meer bedraagt dan:
    • 1. 50% van de breedte van de onderliggende gevel in het voorgeveldakvlak;
    • 2. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het achtergeveldakvlak;
    • 3. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het zijgeveldakvlak;
  • h. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - 1' mag één gebouw worden opgericht met een oppervlakte van ten hoogste 300 m² bvo;
  • i. ter plaatse van de aanduidingen 'recreatiewoning' mogen vrijstaande recreatiewoningen worden gebouwd met in achtneming van het volgende:
    • 1. het totaal aantal recreatiewoningen bedraagt ten hoogste 9;
    • 2. het oppervlak van een recreatiewoning bedraagt ten hoogste 90 m²;
    • 3. er zijn geen bijgebouwen toegestaan.

10.2.3 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • d. de bouwhoogte van ballenvangers bedraagt ten hoogste 15 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m;
  • f. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 16 m.
10.3 Specifieke gebruiksregels

Verblijfsrecreatie is uitsluitend toegestaan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie.

10.4 Voorwaardelijke verplichting
10.4.1 Realisatie en in gebruikneming van recreatiewoningen

Realisatie en ingebruikneming van recreatiewoningen ter plaatse van de functieaanduiding 'recreatiewoning' en visvijvers ten zuiden van de 'specifieke bouwaanduiding - 1' is uitsluitend toegestaan indien en voor zover:

  • a. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van Groen - windhaag' een windhaag met dichte opgaande beplanting gerealiseerd en in stand gehouden wordt met een breedte van ten minste 3 m en een hoogte van ten minste 3 m;
  • b. ter plaatse van de functieaanduiding 'pitch&putt' de pitch&putt golfbaan en de visvijvers zijn aangelegd.
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding 'pitch & putt' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, egaliseren
  • b. het aanleggen, verharden of voorzien van halfverharding van wegen, paden en parkeervoorzieningen;
  • c. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting;
  • d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen.

10.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 10.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn.

10.5.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 10.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit een inrichtingsplan blijkt dat de inrichting past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 2 en aansluit bij het daarin opgenomen ontwerp en de referentiebeelden. De inrichting verzekert:
    • 1. een aantrekkelijk vormgegeven recreatiemilieu, goed ingepast in de omgeving;
    • 2. een transparant landschap, waarmee landschappelijke en ruimtelijke samenhang wordt gecreëerd;
    • 3. een goede landschappelijke inpassing van gebouwen en terrein in de omgeving met streekeigen beplanting;
    • 4. een gevarieerde terreininrichting, invulling gevend aan de parkzone voor het noordelijk deel en de polderzone voor het zuidelijk deel;
    • 5. een gevarieerd golvend reliëf in het noordelijk deel (parkzone);
    • 6. behoud van doorzichten vanaf de (parallelweg van de) N57 op de dorpskerk.
  • b. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de landschapsdeskundige over de vraag of het inrichtingsplan voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in dit sublid onder a.

Artikel 11 Tuin

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuin.

11.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

11.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:

11.2.2 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
11.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 11.2.1 voor het bebouwen van gronden met de bestemming 'Tuin' met aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot ten hoogste 40 m² met inachtneming van de volgende regels/voorwaarden:

  • a. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • b. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
  • c. het ontwerp van het bouwplan voldoet aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.

Artikel 12 Verkeer

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen;
  • b. voet-, fiets- en ruiterpaden;
  • c. parkeren;
  • d. verblijfsgebied;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie': een zend-/ontvangstinstallatie;
  • f. bij deze doeleinden behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): pleinen, terrassen, markten, standplaatsen voor ambulante handel, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, sloten, sanitaire voorzieningen, oplaadpunten voor elektrische voertuigen, afvalverzamelvoorzieningen, parkeerbetaalautomaten, slagbomen, geluidswerende voorzieningen, reclame-uitingen en evenementen;

met dien verstande dat de genoemde functies worden ingebed in een kwalitatief hoogwaardige inrichting, die een aantrekkelijk verblijfsklimaat waarborgt en een goede inpassing in de omgeving.

12.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

12.2.1 Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. gebouwen voor nutsvoorzieningen;
  • b. gebouwen voor sanitaire voorzieningen;
  • c. gebouwen voor parkeervoorzieningen, fietsenstallingen en oplaadpunten;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

12.2.2 Bouwregels voor gebouwen

De oppervlakte van gebouwen voor nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 20 m² en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m.

12.2.3 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • c. de bouwhoogte van openbare verlichting bedraagt ten hoogste 4 m;
  • d. de bouwhoogte van overig straatmeubilair bedraagt ten hoogste 6 m;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' bedraagt de bouwhoogte van antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotels, ten hoogste 40 m;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Verkeer' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of voorzien van halfverharding van wegen, paden en parkeervoorzieningen;
  • b. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

12.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 12.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn.

12.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 12.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit een inrichtingsplan blijkt dat de inrichting past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 2 en aansluit bij het daarin opgenomen ontwerp en de referentiebeelden. De inrichting verzekert:
    • 1. een hoogwaardige inrichting van wegprofielen en parkeerterreinen, die bijdraagt aan een aantrekkelijke recreatieomgeving;
    • 2. een groene uitstraling van parkeerterreinen door:
      • geledende streekeigen beplanting;
      • niet-aaneengesloten verharding van parkeerplaatsen, waardoor verharding en vegetatie elkaar afwisselen;
    • 3. een gevarieerde terreininrichting, invulling gevend aan de parkzone.
  • b. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de landschapsdeskundige over de vraag of het inrichtingsplan voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in dit sublid onder a.

Artikel 13 Water

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen.
13.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m.

Artikel 14 Wonen

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen,
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'erf': voor erven bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  • c. bij deze bestemming behorende voorzieningen en functies, zoals (niet uitputtend): erven, tuinen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, water en nutsvoorzieningen.
14.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

14.2.1 Algemene bouwregels
  • a. binnen een bouwvlak mogen hoofdgebouwen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'erf' mogen uitsluitend aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;
  • c. ter plaatse van gronden buiten het bouwvlak en zonder aanduiding 'erf' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • d. gronden met de aanduiding 'erf' mogen voor ten hoogste 50% worden bebouwd, met een maximum van 60 m² per bouwperceel;
  • e. indien gebouwen worden afgedekt door een constructie van één of meer hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling, tenzij met een aanduiding anders is aangegeven, ten hoogste 65°;
  • f. de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen mag uitsluitend worden overschreden door dakkapellen en gelijksoortige vormen, niet zijnde een topgevel, mits de breedte niet meer bedraagt dan:
    • 1. 50% van de breedte van de onderliggende gevel in het voorgeveldakvlak;
    • 2. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het achtergeveldakvlak;
    • 3. 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het zijgeveldakvlak.

14.2.2 Bouwregels voor hoofdgebouwen
  • a. hoofdgebouwen worden gebouwd in het bouwvlak;
  • b. de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b worden ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' hoofdgebouwen aan ten hoogste één zijde gebouwd:
    • 1. tegen de hoofdgebouwen op de aangrenzende bouwpercelen óf;
    • 2. al dan niet door middel van aan- of uitbouwen tegen de hoofdgebouwen of aan- of uitbouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' worden hoofdgebouwen met bijbehorende aan- of uitbouwen niet tegen gebouwen op aangrenzende bouwpercelen gebouwd;
  • e. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • f. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte van hoofdgebouwen.

14.2.3 Bouwregels voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen
  • a. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • b. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' wordt de voorgevel van een aan- en uitbouw en van een bijgebouw ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd.

14.2.4 Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg bedraagt ten hoogste 1 m;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
14.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder artikel 14.2.1 sub d voor het bebouwen van gronden met de aanduiding 'erf' tot ten hoogste 100 m² met inachtneming van de volgende regels/voorwaarden:

  • a. de hoogtematen zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 14.2.3 sub a en b;
  • b. het ontwerp van het bouwplan voldoet aan de nota Ruimtelijke Kwaliteit en leidt niet tot een stedenbouwkundige aantasting van het perceel in relatie tot de omgeving;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.
14.4 Specifieke gebruiksregels
14.4.1 Uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Uitoefening van een beroep-aan-huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is toegestaan in het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en bijgebouwen met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ten hoogste 40 m² mag ten behoeve van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik zijn;
  • b. het gebruik heeft een kleinschalig karakter en zal dit behouden;
  • c. het gebruik is naar aard in overeenstemming met het (woon)karakter van de omgeving;
  • d. het gebruik ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten uitvoert tevens gebruiker en bewoner van de woning is;
  • e. het gebruik leidt niet tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • f. de uitoefening van detailhandel, anders dan als ondergeschikte nevenactiviteit ten behoeve van het desbetreffende beroep of bedrijf is niet toegestaan;
  • g. reclame-uitingen aan de gevel of elders zijn niet toegestaan;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.

14.4.2 Het gebruik van een aan- of uitbouw of een bijgebouw voor recreatief nachtverblijf

Het gebruik van een aan- of uitbouw of een bijgebouw voor recreatief nachtverblijf is toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de oppervlakte bedraagt ten minste 22 m² en ten hoogste 40 m²;
  • b. op het bouwperceel dient een woning aanwezig te zijn, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is;
  • c. per bouwperceel is ten hoogste één aan- of uitbouw of bijgebouw voor recreatief nachtverblijf toegestaan;
  • d. de oppervlakte- en hoogtematen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedragen ten hoogste de maten zoals in lid 14.2.3 is bepaald;
  • e. op eigen terrein dient ten behoeve van het recreatief nachtverblijf te worden voorzien in parkeerruimte voor minimaal één auto;
  • f. de aanvrager dient eigenaar en bewoner van het pand te zijn waarbij een ruimte voor verblijfsrecreatie wordt gerealiseerd;
  • g. verblijfsrecreatie wordt slechts toegestaan bij woningen die permanent door de eigenaar worden bewoond;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.

Artikel 15 Waterstaatswerken

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaatswerken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterstaatkundige voorzieningen, zoals waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, opslag en onderhoud ten behoeve van vaar- en waterwegen, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - beschermde dijk': tevens voor behoud en/of herstel van de daaraan eigen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de dijk;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'natuurwaarden': tevens het behoud, herstel en/of versterking van de aanwezige natuurwetenschappelijke en/of bufferfunctie ten opzichte van een aangrenzende bestemming Natuur;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kreekruggen': het behoud, herstel en/of versterking van de aanwezige kreekruggen.
15.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 15.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3,5 m.
15.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2 onder a met inachtneming van de volgende regels:

  • a. bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
  • b. de waterstaatkundige belangen worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - beschermde dijk', 'natuurwaarden' en 'specifieke vorm van agrarisch - kreekruggen' de gronden niet worden aangetast of niet significant worden, of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind en indien mitigerende en zo nodig compenserende maatregelen worden getroffen;
  • d. alvorens omtrent de bevoegdheid tot afwijken te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

Artikel 16 Waarde - Archeologie 1

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

16.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 16.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
    • 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige;
  • c. het bepaalde in dit lid onder b.2 en b.3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst;
    • 4. een bouwwerk dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen;
  • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • c. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

16.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 16.3.1 is niet van toepassing, indien:

  • a. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 16.2 in acht is genomen;
  • b. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  • c. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²;
  • e. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 16.3.1 nodig is.

16.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 16.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van archeologische resten in de bodem;
    • 2. het doen van opgravingen;
    • 3. de begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
16.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
16.4.1 Sloopverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bouwwerken te slopen.

16.4.2 Uitzonderingen op het sloopverbod

Het verbod als bedoeld in lid 16.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 16.2 in acht is genomen;
  • b. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm bedraagt;
  • d. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 30 m² bedraagt;
  • e. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 16.4.1. nodig is.

16.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning, zoals in lid 16.4.1 bedoeld, kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van archeologische resten in de bodem;
    • 2. de begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
16.5 Wijzigingsbevoegdheid
16.5.1 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak met de in lid 16.1 genoemde bestemming verwijderen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;
  • c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

16.5.2 Wijzigingen vorm bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak met de in lid 16.1 genoemde bestemming veranderen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

Artikel 17 Waarde - Hydrologische bufferzone

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Hydrologische bufferzone' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de hydrologische bufferzone.

17.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
17.2.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Hydrologische bufferzone' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten en vijvers;
  • b. het aanleggen van ondergrondse drainage.

17.2.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod

Het verbod van lid 17.2.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;
  • c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een vergund bouwplan.

17.2.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 17.2.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de vochtgebonden natuurwaarden van de aangrenzende natuurgebieden niet onevenredig worden geschaad en aangetast;
  • b. de waterhuishouding en waterkwaliteit in het plangebied en de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. alvorens omtrent de bevoegdheid tot afwijken te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de waterbeheerder over de vraag of geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan de hydrologische bufferzone.

Artikel 18 Waterstaat - Waterkering

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) – primair bestemd voor waterstaatkundige voorzieningen, zoals waterkering, waterbeheersing, kaden, dijksloten, opslag en onderhoud ten behoeve van vaar- en waterwegen, wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

18.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 18.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3,5 m;
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
18.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2 onder c met inachtneming van de volgende regels:

  • a. bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
  • b. de waterstaatkundige belangen worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad;
  • c. alvorens omtrent de bevoegdheid tot afwijken te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 19 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 20 Algemene bouwregels

20.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt en de breedte ten hoogste 3 m.

20.2 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
  • a. Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande dakhelling, afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt:
    • 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
    • 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
  • b. In geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  • c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

Artikel 21 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

De regels van stedenbouwkundige aard en de bereikbaarheidseisen van paragraaf 2.5 van de bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betreft:

  • a. bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, brandblusvoorzieningen;
  • b. brandweeringang;
  • c. bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
  • d. de ruimte tussen bouwwerken;
  • e. parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen.

Artikel 22 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is – bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
  • b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot;
  • c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 23 Algemene wijzigingsregels

23.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

23.2 Wijzigen
23.2.1 Wijzigingsbevoegdheid - 1
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de gronden met de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 1' de bestemmingen, bouwvlakken en aanduidingen wijzigen ten behoeve van de de realisatie van een aantal nieuwe woningen, de herontwikkeling van de tennisbanen, de realisatie van volkstuinen, de uitbreiding van de schietbaan, aanpassing van de begrenzing van de bestemming 'Verkeer' en/of verplaatsing van een zendmast, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de wijzigingsbevoegdheid dient in één keer voor het hele wijzigingsgebied te worden toegepast;
    • 2. voor de realisatie van nieuwe woningen gelden de volgende regels:
      • het totaal aantal woningen bedraagt ten hoogste 3;
      • de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
      • de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 10 m;
      • artikel 14 (Wonen) van de regels is van overeenkomstige toepassing;
    • 3. voor de herontwikkeling van de tennisbanen gelden de volgende regels:
      • de nieuw aan te leggen tennisbanen bestaan uit ten hoogste uit 2 hoofdbanen, 1 minibaan, 1 clubgebouw en overige bijbehorende voorzieningen;
      • artikel 10 (Sport) van de regels is van overeenkomstige toepassing;
    • 4. voor de verplaatsing van een zendmast gelden de volgende regels:
      • de wijzigingsbevoegdheid mag uitsluitend worden gebruikt voor verplaatsing van de binnen het plangebied aanwezige bestaande zendmast;
      • de oppervlakte van het bij de zendmast behorende perceel bedraagt ten hoogste 100 m²;
      • de bouwhoogte van de zendmast bedraagt ten hoogste 40 m;
    • 5. voor de realisatie van volkstuinen gelden de volgende regels:
      • de besteming wordt gewijzigd in de bestemming Recreatie met de functieaanduiding 'volkstuin';
      • artikel 9 (Recreatie) van de regels is van overeenkomstige toepassing;
    • 6. ten behoeve van de uitbreiding van de schietbaan gelden de volgende regels:
      • het bouwvlak heeft een lengte van ten hoogste 70 m;
      • de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m;
      • de uitbreiding vindt plaats aan de achterzijde van de bestaande schietbaan;
      • artikel 10 (Sport) is van overeenkomstige toepassing;
    • 7. uit een te overleggen inrichtings- en/of bouwplan blijkt dat de inrichting past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 2 bij deze regels en voorziet in:
      • een aantrekkelijk woon- en recreatiemilieu, goed ingepast in de omgeving;
      • een transparant landschap, waarmee landschappelijke en ruimtelijke samenhang wordt gecreëerd;
      • een goede landschappelijke inpassing van gebouwen en terrein in de omgeving met streekeigen beplanting;
      • een gevarieerde terreininrichting, invulling gevend aan de parkzone;
    • 8. er wordt voldaan aan de door CROW geadviseerde norm voor parkeervoorzieningen;
    • 9. via een ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening;
    • 10. de economische en financiële uitvoerbaarheid is aangetoond.
  • b. Alvorens omtrent het omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de landschapsdeskundige over de vraag of het inrichtingsplan voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in dit sublid onder a.8.

23.2.2 Wijzigingsbevoegdheid - 2
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de gronden met de gebiedsaanduiding 'wro - zone - wijzigingsgebied 2' het bouwvlak en het aantal woningen wijzigen, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de wijzigingsbevoegdheid dient in één keer voor het hele wijzigingsgebied te worden toegepast;
    • 2. het totaal aantal woningen bedraagt ten hoogste 2;
    • 3. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
    • 4. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 8 m;
    • 5. de afmeting van het bouwvlak per woning bedraagt ten minste 12 m (diep) x 22 m (breed);
    • 6. indien sprake is van de bouw van 1 nieuwe woning, bedraagt de afmeting van het bouwvlak in afwijking van het bepaalde in het vorige sublid ten minste 14 m (diep) x 22 m (breed);
    • 7. uit een te overleggen landschappelijk inrichtingsplan blijkt dat de inrichting past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 2 en aansluit bij het daarin opgenomen ontwerp en de referentiebeelden en voorziet in:
      • een transparant landschap, waarmee landschappelijke en ruimtelijke samenhang wordt gecreëerd;
      • een goede landschappelijke inpassing van gebouwen en terrein in de omgeving met streekeigen beplanting;
    • 8. er wordt voldaan aan de door CROW geadviseerde norm voor parkeervoorzieningen op eigen terrein;
    • 9. via een ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening;
    • 10. de economische en financiële uitvoerbaarheid is aangetoond;
    • 11. artikel 14 van de bestemmingsregels is van overeenkomstige toepassing.
  • b. Alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de landschapsdeskundige over de vraag of het inrichtingsplan voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in dit sublid onder a.6.

23.2.3 Wijzigingsbevoegdheid - 3
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de gronden met de gebiedsaanduiding 'wro - zone - wijzigingsgebied 3' de bestemming en het bouwvlak wijzigen zodat ter plaatse eveneens verblijfsrecreatie mogelijk wordt, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de wijzigingsbevoegdheid dient in één keer voor het hele wijzigingsgebied te worden toegepast;
    • 2. het ontwerp voldoet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden zoals vastgelegd in het 'Ontwikkelplan Fort den Haakweg Vrouwenpolder';
    • 3. het totaal aantal aan verblijfsrecreatieve eenheden bedraagt ten hoogste 2;
    • 4. de goothoogte van de verblijfsrecreatieve eenheid bedraagt ten hoogste 3 m;
    • 5. de goothoogte van de overige gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
    • 6. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 10 m;
    • 7. uit een te overleggen landschappelijk inrichtingsplan blijkt dat de inrichting past binnen de beoogde kwaliteitsdoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 2 en aansluit bij het daarin opgenomen ontwerp en de referentiebeelden en voorziet in:
      • een aantrekkelijk recreatiemilieu, goed ingepast in de omgeving
      • een transparant landschap, waarmee landschappelijke en ruimtelijke samenhang wordt gecreëerd;
      • een goede landschappelijke inpassing van gebouwen en terrein in de omgeving met streekeigen beplanting;
      • een gevarieerde terreininrichting, invulling gevend aan de polderzone;
    • 8. er wordt voldaan aan de door CROW geadviseerde norm voor parkeervoorzieningen;
    • 9. via een ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening;
    • 10. de economische en financiële uitvoerbaarheid is aangetoond.
  • b. Alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de landschapsdeskundige over de vraag of het inrichtingsplan voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in dit sublid onder a.

Artikel 24 Overige regels

24.1 Werking wettelijke regeling

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 25 Overgangsrecht

25.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
25.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 26 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Park Fort den Haak'.