direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied - parallelweg N286 Poortvliet
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Nadat de rondweg bij de kern Poortvliet was aangelegd, was het de bedoeling dat het landbouwverkeer de oude route, dus via de dorpskom van Poortvliet, zou blijven volgen. Mede door het groter worden van de landbouwvoertuigen kwamen daar protesten tegen en toen is besloten om landbouwpasseerstroken langs de rondweg aan te leggen en het landbouwverkeer daarna ook toegang te geven tot de rondweg, de provinciale weg N286 (de Postweg).

Vanaf het begin was deze maatregel, dus het toelaten van landbouwverkeer op de rondweg, bedoeld als tijdelijke maatregel. Dat is de reden waarom de landbouwpasseerstroken uitgevoerd zijn in stelconplaten, die weer gemakkelijk zijn te verwijderen.

Rond 2010 is gekeken hoe er langs de provinciale weg bij Poortvliet een parallelweg voor voornamelijk landbouwverkeer kan worden aangelegd. Een dergelijke parallelweg zou een grote verbetering van de verkeersveiligheid betekenen zowel op de rondweg als op het onderliggende wegennet en zal de doorstroming op de provinciale weg verbeteren.

Gebaseerd op het toen opgestelde schetsplan is het project in 2013 opgepakt met het oogmerk een definitief ontwerp te maken en de aanleg voor te bereiden. Hierbij is vertraging opgelopen vanwege de samenhang met andere projecten die op Tholen liepen, dan wel voorgenomen waren, maar nu is de situatie zo dat begonnen kan worden met de planologische inpassing van het ontwerp.

Het tracé past niet geheel binnen het huidige bestemmingsplan. Daarom is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 ligging plangebied

Het plangebied ligt in het landelijk gebied van Tholen, ten zuiden van de kern Poortvliet en de provinciale weg N286. Het plangebied is globaal aangeduid in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0001.jpg"

Figuur 1.1: Globale Ligging tracé (GoogleMaps).

1.3 Leeswijzer

De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt:

  • In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Aansluitend wordt toegelicht op welke wijze het nieuwe ontwerp is vertaald op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het provinciaal verkeers- en mobiliteitsbeleid. Dit beleid ligt aan de basis van het planvoornemen.
  • In hoofdstuk 4 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan diverse omgevingsaspecten (ruimtelijk relevante en milieuaspecten). Deze toetsing heeft te maken met de uitvoerbaarheid van het plan en is verplicht op grond van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en op de regels voor grondexploitatie en kostenverhaal.
  • Hoofdstuk 6 is gereserveerd voor de resultaten uit de overlegprocedure en de maatschappelijke toetsing.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Beschrijving bestaande situatie

Het plangebied is in gebruik voor agrarische doeleinden (akkerbouw en grasland). Aan de noordzijde bevindt zich de provinciale weg N286, een tweezijdig bereden fietspad en een sloot. Het plangebied wordt doorsneden door de Korte Zandweg, de Lange Zandweg en bermsloten.

Aan het einde van de Korte Zandweg staat een agrarische schuur. Aan de Lange Zandweg, op enige afstand van het plangebied, is een agrarisch bedrijf met daarachter een bedrijfswoning aanwezig. Op de koppen van het gebied, nabij de aansluiting van de Geerweg op de rotonde met de provinciale weg en de aansluiting van het fietspad op de Lange Zandweg, zijn waterpartijen aangelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0002.jpg"

Figuur 2.1 Boven: Foto provinciale weg N286 met parallel daaraan tweezijdig bereden fietspad.

Onder: agrarische schuur Korte Zandweg.

2.2 Beschrijving nieuwe situatie

De aanleg van de parallelweg heeft primair tot doel het landbouwverkeer van de provinciale weg af te halen waardoor deze weg verkeersveiliger wordt en waarmee ook de doorstroming wordt bevorderd. Als deze parallelvoorziening is gerealiseerd, dan kunnen de landbouwpasseerstroken die momenteel langs de rondweg liggen, worden verwijderd. Voor een logische ligging van de parallelweg moet de agrarische schuur worden gesloopt.

In bijlage 1 is een gedetailleerde ontwerptekening (inclusief dwarsprofielen) opgenomen. In figuur 2.2. is ingezoomd op de locatie met de Korte Zandweg en de agrarische schuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0003.png"

Figuur 2.2: Fragment ontwerp nieuwe parallelweg.

De nieuwe parallelweg wordt een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. De weg krijgt een rijbaan breedte van 3,6 meter met aan weerszijden grasbetonstenen met een breedte van 1,2 meter. De sloot tussen het fietspad en de nieuwe parallelweg wordt deels opgevuld, zodat hier nog slechts een wadi-achtige structuur resteert.

Het tweezijdig bereden fietspad ten noorden van de nieuwe parallelweg eindigt op de Lange Zandweg. Fietsers moeten vanaf daar richting de Kruytenburgseweg over de Zandweg die langs de provinciale weg N286 ligt. Naar aanleiding van vragen van omwonenden is bekeken of er ook langs dit gedeelte een vrijliggend fietspad kan worden aangelegd. Daarop heeft de provincie besloten om in het kader van de veiligheid en het niet mengen van landbouwverkeer en langzaam verkeer, het vrijliggende fietspad door te trekken tot aan de oostelijk gelegen rotonde. Het fietsverkeer komt dus niet meer op de Lange Zandweg. Om het fietspad te kunnen aanleggen wordt de bestaande geluidwal (zie figuur 2.3) afgegraven en vervangen door een geluidscherm. Voor het fietspad hoeft geen planologische procedure te worden gevoerd. Deze past binnen de bestaande verkeersbestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0004.jpg"

Figuur 2.3: Geluidwal langs zuidzijde provinciale weg (foto: Google).

2.3 Beschrijving juridische regeling

2.3.1 Inleiding

Het onderhavige bestemmingsplan is een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied (verder: basisplan). Het bestaat uit een verbeelding die de verbeelding van het basisplan vervangt en een beperkt aantal regels. De Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) kennen geen bijzondere regels ten aanzien van herzieningen. Het zijn daarmee plannen die moeten voldoen aan de eisen die ook aan (integrale) bestemmingsplannen worden gesteld.

2.3.2 Toelichting op de verbeelding

Het plangebied omvat de nieuwe parallelweg inclusief de nieuw te graven sloot aan de zuidzijde daarvan. Alle gronden zijn bestemd voor Verkeer. De gronden waarvoor nu al een verkeersbestemming geldt, zijn niet meegenomen. De dubbelbestemming Waarde- Archeologie 2 en de gebiedsaanduiding Vrijwaringszone Molenbiotoop zijn overgenomen uit het basisplan.

2.3.3 Toelichting op de regels

Voor de regels van deze herziening wordt eveneens teruggevallen op de regels van het basisplan. Daarom zijn er geen 'eigen' bestemmingen Verkeer en Waarde Archeologie 2 opgenomen. De koppeling met het basisplan is gelegd met een artikel 1 Bestaande regels van toepassing.

Conform de wettelijke verplichte Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012) zijn enkele artikelen in de herziening opgenomen:

  • Een anti-dubbeltelregel. Dit artikel is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Bro. Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Voor onderhavig bestemmingsplan is deze regeling niet relevant.
  • Overgangsbepalingen, zowel ten aanzien van het gebruik en als voor het bouwen

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In diverse provinciale beleidsnota's wordt aandacht geschonken aan het belang van een netwerk van landbouwroutes, zoals in:

  • Op weg naar een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland, Beleidsnota april 2011;
  • Actieprogramma PVVP Zeeland 2015;
  • Beleidsplan Verkeersveiligheid 2010-2020;
  • Mobiliteitsplan 2016 - 2028.

3.1 Op weg naar een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland, Beleidsnota april 2011

De wegbeheerders in Zeeland - Rijkswaterstaat, Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en gemeenten - werken samen met vertegenwoordigers van de landbouwsector aan de realisatie van een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland. Het netwerk omvat de routes in Zeeland die het meest door landbouw gerelateerde verkeer (landbouwtrekkers, zelfrijdende landbouwwerktuigen en vrachtwagens) worden gebruikt.

Het doel van een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer is dat het landbouwverkeer zich over grotere afstanden vlot en veilig kan verplaatsen (economisch belang), zonder dat dit ten koste gaat van - sterker nog: terwijl dit een verbetering biedt voor - de verkeersveiligheid en doorstroming van het overige verkeer en de leefbaarheid in kernen. Dit vergt vooral maatregelen die het landbouwverkeer scheiden van ander gemotoriseerd verkeer (op drukke 80 km wegen) en van het fietsverkeer (op 80 en 60 km wegen buiten de bebouwde kom en op 50 en 30 km wegen binnen de bebouwde kom).

In de beleidsnota die in de aanhef is genoemd, is vastgelegd hoe het Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland tot stand is gekomen, hoe het netwerk er uit ziet, welke probleempunten er zijn, welke als eerste moeten worden opgepakt en welke acties daarvoor uitgevoerd kunnen worden.

De beleidsnota is opgenomen in bijlage 2. Daarin is de aanleg van een parallelweg van de provinciale weg N286 bij Poortvliet vermeld als knelpunt met de hoogste prioriteit (prioriteit 21 Lange Zandweg).

De beleidsnota is op 8 juli 2011 vastgesteld door de Provinciale Staten van Zeeland.

3.2 Beleidsplan Verkeersveiligheid 2010-2020

Vanuit de provinciale ambities is het doel voor de komende 10 jaar halvering van het aantal ernstige verkeersslachtoffers. Hiervoor zijn buiten de bebouwde kom onder andere de volgende opgaven geformuleerd:

  • Geloofwaardige veilige snelheidslimieten op 60 km en 80/100 km wegen: passend bij het beeld van de weg, de wegomgeving en het aanwezige verkeer op de weg.
  • Herkenbare, veilige, vergevingsgezinde inrichting van 80/100 km en 60 km wegen: wegen die uitnodigen om een veilige snelheid te houden met vergevingsgezinde bermen.
  • Zorgen voor verkeersveiliger schoolroutes naar voortgezet onderwijs: waar nodig fietsvoorzieningen langs 60 km wegen met veel fietsers.

Als Zeeuwse accent wordt ingezet op veilige routes voor landbouwverkeer: niet mengen met fietsers.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0005.jpg"

Figuur 3.3. Beleidsplan Verkeersveiligheid 2010-2020

3.3 Mobiliteitsplan 2016 - 2028

Provinciale Staten van Zeeland hebben op 15 juli 2016 een Mobiliteitsplan voor de periode 2016-2028 vastgesteld, bestaande uit de Mobiliteitsvisie 2028, de programma-uitwerking verkeer en vervoer 2016 - 2019 alsmede een bijlagenboek. De programma-uitwerking verkeer en vervoer is nadien geactualiseerd in een voor de periode 2017-2019. In die programma-uitwerking is de ambitie uitgesproken dat de provincie Zeeland In 2028 beschikt over een betrouwbaar netwerk van hoofdwegen dat automobilisten, fietsers en ov-reizigers vlot van A naar B leidt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0006.png"

Figuur 3.4. Mobiliteitsplan 2016 - 2028

Om de ambities voor Sterke Netwerken te realiseren, heeft de provincie een aantal indicatoren opgesteld. Daarmee kan concreet worden gemeten in hoeverre de betreffende doelstellingen worden gehaald. De belangrijkste doelstellingen en indicatoren voor Sterke Netwerken zijn de volgende:

Doelstellingen en indicatoren Sterke Netwerken

Doel: Garanderen van een snel en betrouwbaar hoofdnetwerk over de weg en per openbaar vervoer.

  • Indicator: Percentage van het hoofdnetwerk dat is ingericht volgens de ideale variant van de Basiskenmerken Wegontwerp
  • Indicator: Nog te ontwikkelen bereikbaarheidsnorm voor het hoofdwegennet.
  • Indicator: Gemiddelde snelheid van het busvervoer over het kernnet.

Doel: Een veilige inrichting van de Zeeuwse wegen ('op weg naar nul vermijdbare ernstige verkeersslachtoffers').

  • Indicator: Percentage van de gebiedsontsluitingswegen die zijn ingericht volgens de minimale variant van de Basiskenmerken Wegontwerp.
  • Indicator: Aantal ernstige verkeersslachtoffers (doden en ziekenhuisgewonden).

Doel: Een kernnet OV waar de vraag de basis is voor het aanbod, met snelle, directe en relevante verbindingen die goed toegankelijk en bereikbaar zijn.

  • Indicator: Bezettingsgraad (aantal reizigers).

Wegencategoriseringsplan en kwaliteitsnetten per modaliteit

Voor een optimale bereikbaarheid van Zeeland is het van belang dat een goed hoofdwegennet wordt gedefinieerd en gerealiseerd. In evenwicht met een hoofdwegennet is een wegencategoriseringsplan voorgesteld. Dit is een plan waarbij alle wegen in het netwerk van wegen, in logische categorieën zijn ingedeeld op basis van drie verkeersfuncties:

  • stromen van locatie A naar locatie B (stroomwegen)
  • gebieden ontsluiten (gebiedsontsluitingswegen)
  • erven toegankelijk maken (erftoegangswegen

Daarnaast zijn er in Zeeland per modaliteit ook kwaliteitsnetten met ieder hun eigen kwaliteitsnormen voor de wegen, die relevant zijn voor die specifieke modaliteit: Utilitair Fietsverkeer, Landbouwverkeer, Goederenvervoer en Openbaar vervoer.

De provinciale weg N286 (de Postweg) is aangeduid als gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom en als logistieke landbouwroute.

De Mobiliteitsvisie Zeeland 2018 bevat de ambities van de Provincie Zeeland op het gebied van mobiliteit, verkeer en vervoer in de periode tot 2028. In de visie is gesteld dat verkeersonveiligheid voor overige weggebruikers en leefbaarheidsproblemen in dorpskernen als gevolg van landbouwverkeer zoveel mogelijk moet worden voorkomen.

In de Programma-uitwerking verkeer en vervoer 2017-2019 staan de programma's en activiteiten die de Provincie Zeeland op de korte- en middellange termijn gaat uitvoeren op het gebied van mobiliteit, verkeer en vervoer. Daarin is de voorgenomen aanleg van een landbouwroute in de vorm van een parallelweg langs de rondweg Poortvliet (provinciale weg N286) als gepland prioritair project.

3.4 Huidige planologische regeling plangebied

Het plangebied is planologisch juridisch geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied Tholen', dat op 19 december 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. Een fragment van de verbeelding met het plangebied is opgenomen in figuur 3.5. Het tracé is geprojecteerd binnen 2 enkelbestemmingen, 1 dubbelbestemming en 1 gebiedsaanduiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0007.jpg"

Figuur 3.5. Fragment geldend bestemmingsplan Buitengebied

nr.   bestemming en aanduidingen   Toetsing ontwikkeling  
1 (Groen vlak)   Enkelbestemming Agrarisch met waarden - Openheid (artikel 4)
De gronden zijn bestemd voor:
- de uitoefening van volwaardige en reële grondgebonden agrarische bedrijven;
- behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige openheid, landschaps- en cultuurhistorische waarden;
- bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.  
Een parallelweg/landbouwweg is geen functie die past binnen de formulering 'bij deze bestemming behorende voorzieningen.' Het is een zelfstandige functie waarvoor een verkeersbestemming nodig is.  
2 (grijs vlak)   Enkelbestemming Verkeer (artikel 19)   Binnen deze bestemming is de aanleg van de nieuwe weg mogelijk. Echter de bestemming is afgestemd op de huidige infrastructuur en niet op de toekomstige situatie.  
3 (groene cirkel)   Gebiedsaanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop (artikel 37, lid 37.5 )   Deze aanduiding heeft tot doel het molenbiotoop van de traditionele windmolen in Poortvliet te beschermen (tegen windverstorende bebouwing en beplanting en tegen het ophogen van gronden).
In het plan worden echter geen nieuwe obstakels mogelijk gemaakt die het functioneren van de windmolen negatief beïnvloeden.  

De dubbelbestemming Waarde - Archeologie – 2 is met kruizen op de verbeelding aangeven. In paragraaf 4.1.2 (Archeologie) wordt deze bestemming toegelicht. Op grond van deze bestemming is archeologisch onderzoek nodig. De resultaten van dit onderzoek zijn eveneens in de betreffende paragraaf vermeld.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan de uitvoerbaarheid van het plan. Dat betekent doorgaans dat onderzoek moet worden gedaan naar diverse sectorale aspecten zoals landschap bodem, waterhuishouding, luchtkwaliteit, enz. In dit hoofdstuk op deze aspecten ingegaan.

4.1 Cultuurhistorie

4.1.1 Landschap en bouwhistorie

Beleids-/toetsingskader

In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.

Toetsing/onderzoek

Uit informatie van de provincie blijkt dat het plangebied en de directe omgeving daarvan geen onderdeel uitmaken van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Het plangebied is altijd een open poldergebied geweest. Alleen halverwege vorige eeuw bevond zich aan de zuidzijde van de huidige provinciale weg (in rood aangegeven op figuur 4.1) een boomgaard. Daar is echter niets meer van terug te vinden. In het plangebied is evenmin cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig.

De aanleg van de parallelweg heeft wel een effect op het beeld vanaf de Provincialeweg N286 maar van een aantasting van landschappelijke waarden (historische geografie of open landschap) is geen sprake.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0008.jpg"

Figuur 4. 1. Luchtfoto plangebied en omgeving uit 1959 (Foto: Provincie Zeeland)

Conclusie

De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden. 

4.1.2 Archeologie

Beleid/toetsingskader

Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden.

De uitgangspunten voor het archeologiebeleid in Zeeland zijn vastgelegd in de nota Provinciaal Cultuurbeleid 2013-2015. In dit plan wordt het grootste deel van de Nota Archeologie 2006-2012, de uitwerkingsnota van de cultuurnota Cultuur Continu uit 2008 gecontinueerd. Deze punten zijn ook opgenomen in het Omgevingsplan van de provincie. De provincie past dit beleid toe op die gebieden waar zij een toetsende rol heeft in de planvorming. Dit is in het kader van ontgrondingvergunningen en bij eigen ontwikkelingen van de provincie als natuurontwikkeling en aanleg van provinciale infrastructuur.

Volgens het provinciaal archeologiebeleid dient archeologisch (voor)onderzoek te worden uitgevoerd indien de bodem over een grotere oppervlakte dan 100 m² dieper dan 30 cm onder maaiveld wordt verstoord. Verder hebben Gedeputeerde Staten van Zeeland op 14 oktober 2014 de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland 2014 vastgesteld.

Voor de plannen en projecten waarbij de gemeente Tholen een toetsende rol heeft in de planvorming, heeft de gemeenteraad van Tholen archeologiebeleid vastgesteld. Dat beleid is verwerkt in het bestemmingsplan Buitengebied.

Toetsing/onderzoek

In het bestemmingsplan Buitengebied is het plangebied mede bestemd tot Waarde - Archeologie - 2. Op grond van deze bestemming is archeologisch onderzoek nodig indien de bodemverstoring dieper reikt dan 40 cm onder het maaiveld en de oppervlakte meer beslaat dan 250 m². In het ontwerp wordt een veelvoud daarvan ontgraven voor de aanleg van de nieuwe sloot en de aanleg van het wegcunet. Dat betekent dat archeologisch onderzoek nodig is.

In opdracht van de Provincie Zeeland zijn in 2017 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. De rapportage daarvan is opgenomen in bijlage 3.

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens is in het Archeologisch Bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, waarin het hoge archeologische potentieel van de omgeving is beschreven waarbinnen het plangebied is gesitueerd.

Voor het niveau van het Laagpakket van Wormer en de plaatselijk daarop aanwezige afzettingen van de Kreekrak Formatie, geldt dat deze afzettingen naar verwachting niet verstoord zullen raken, gelet op diepteligging vanaf 0,40 m -mv. Voor het Hollandveen Laagpakket geldt echter dat dit niveau bij de voorgenomen bodemingrepen wel verstoord zal raken, aangezien dit niveau vanaf 0,95 m -mv kan worden aangetroffen. Dit geldt ook voor de vroegste afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, die vanaf 0,75 -mv kunnen worden aangetroffen. Op de veentop geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Voor de vroege afzettingen van het Laagpakket van Walcheren geldt een hoge verwachting voor de Romeinse tijd. Specifiek geldt dat in de omgeving van boring 14 binnen het plangebied een vindplaats uit de late ijzertijd aanwezig kan zijn, gelet op het aangetroffen aardewerk in deze boring. In de boven deze niveaus gelegen jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, geldt een middelhoge verwachting voor de vroege middeleeuwen en een hoge verwachting voor de late middeleeuwen. Voor de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting voor de aanwezigheid van infrastructurele resten (wegen). Vindplaatsen uit deze perioden kunnen direct onder de bouwvoor gelegen zijn, gemiddeld vanaf 0,40 m -mv.

Om archeologische waarden te beschermen is het wenselijk binnen het plangebied geen bodemingrepen dieper dan 0,40 m -mv uit te voeren. Planaanpassing om archeologische waarden te beschermen is geen optie, gezien de geringe diepteligging (vanaf 0,40 m -mv) van eventueel aanwezige vindplaatsen en de beoogde inrichting van het plangebied. Om deze reden is voor het gehele plangebied archeologisch vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dergelijk onderzoek is gericht op het vaststellen van de daadwerkelijke aanwezigheid, de aard en de waarde van vindplaatsen. Het onderzoeksrapport is nog niet beschikbaar, maar omdat er in de proefsleuven archeologische waarden zijn aangetroffen, is duidelijk dat op bepaalde secties volledige opgravingen aan de orde zal zijn. Aangezien de provincie de gronden al heeft aangekocht, kan deze opgraving op elk moment worden uitgevoerd. Het hiervoor vermelde onderzoeksrapport (en zo mogelijk ook de resultaten van de opgraving) zal worden verwerkt in het definitieve bestemmingsplan dat ter vaststelling aan de gemeenteraad wordt aangeboden.

Tot die tijd zal de archeologische dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan worden overgenomen.

Conclusie

Voor het gebied gelden voor bepaalde tijdvakken hoge archeologische verwachtingen. Daarom zullen op bepaalde secties volledige opgravingen plaatsvinden. Omdat de resultaten daarvan nog niet beschikbaar zijn, wordt in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen die ontleend is uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied.

4.2 Ecologie

Wettelijke kader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (verder: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het project niet in de weg staan.

Toetsing/onderzoek

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is in 2016 een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd die is opgenomen in bijlage 4. Daarin is het volgende geconcludeerd:

Effecten op beschermde gebieden

Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten.

De voorgenomen ontwikkeling genereert geen stikstofdepositie die zorgt voor problemen voor Natura 2000-gebied Oosterschelde De aanleg van de weg leidt niet tot een toename in verkeersintensiteiten, het landbouwverkeer wordt slechts gescheiden van het overige verkeer. De kwalificerende habitattypen Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en Zilte pionier begroeiingen (zeekraal) zijn gevoelig voor stikstof. De kritische depositiewaarde (KDW) bedraagt respectievelijk 1571 en 1643 mol/ha/ja. De achtergronddepositie bedraagt <1200 mol/ha/jr. In de huidige situatie de wordt de KDW niet overschreden. De voorgenomen ontwikkeling verandert hier niets aan. De ontwikkeling leidt daarom niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende habitats en soorten uit de Natura 2000-gebieden.

Effecten op beschermde soorten

In de toelichting van het bestemmingsplan dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal moeten worden gemotiveerd dat overtredingen van de Wnb niet optreden. Het plan voorziet in de realisatie van een parallelweg/landbouwweg. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden. De aanleg van de weg kan leiden tot verstoring door trillingen, licht en geluid.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de benoemde soorten van de lijst 'overige' beschermde soorten omdat in de provincie Zeeland hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wnb. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Het plangebied is mogelijk van betekenis als marginaal foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het plangebied is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig, negatieve effecten kunnen daarom worden uitgesloten.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden op grond van de Wnb. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde.

Hiervoor is aangegeven dat het ecologisch onderzoek is uitgevoerd in 2016. Er is geen wettelijke maat voor de geldigheid van ecologisch onderzoek. Ecologisch onderzoek moet inzicht geven in het actueel voorkomen van een soort. De geldigheidsduur van resultaten bedraagt voor zwaarder beschermde soorten in principe 3 jaar en voor licht beschermde soorten 5 jaar.

Daarbij wordt in de quickscan nog uitgegaan van de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, die in 2017 zijn vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb).

Hoewel niet te verwachten is dat op percelen die tot in 2020 agrarisch in gebruik zijn geweest bedreigde soorten zullen voorkomen, zal het ecologisch onderzoek vóór de vaststelling van het bestemmingsplan worden geactualiseerd.


Conclusie

Gezien de bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.3 Water

4.3.1 Wettelijk en beleidskader

Waterbeheer en watertoets

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening stelt dat in de toelichting van bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater.

4.3.2 Watertoets(tabel)

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer. De waterparagraaf wordt daarom voorgelegd aan het waterschap. Deze instantie zal het wateradvies geven in het kader van de vaststellingsprocedure.

Toekomstig watersysteem

Nagegaan is aan de hand van de watertoetscriteria of de beoogde ontwikkeling strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen.

Tabel 4.1. Toetsing plan aan water(schaps)doelstellingen

Thema en water(schaps)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkering
Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.  
Er liggen geen primaire of regionale waterkeringen in en/of grenzend aan het plangebied. Toetsing aan keurzonering is niet nodig.  
Wateroverlast
(vanuit oppervlaktewater)
Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.  
Aan weerszijden van de provinciale weg bevinden zich waterafvoerende sloten (zie figuur 4.2). De sloot aan de noordzijde wordt deels opgevuld, zodat hier nog slechts een wadi-achtige structuur achterblijft (zie afbeelding hieronder.)
afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0009.png"Aan de zuidzijde van de nieuwe parallelweg wordt een nieuwe sloot gegraven.

In het ontwerp wordt voor de rijbaan (asfalt)verharding gebruikt. Aan weerszijden daarvan worden grasbetonstenen gelegd, zodat water door deze stenen in het zandbed van het cunet kan doordringen. De diepere ondergrond ter plaatse biedt geen infiltratiemogelijkheden.
In geval van hevige regenval kan het water afstromen richting de nieuwe sloot aan de zuidzijde.

In totaal wordt 4.408 m² aan verharding gerealiseerd: 2.735 m² voor de hoofdrijbaan en 1.673 m². Als gevolg hiervan is ten minste 205 m3 en ten hoogste 330 m3 extra waterberging nodig.
Hiervoor is aangegeven dat de sloot aan de noordzijde gedeeltelijk wordt gedempt / gedegradeerd tot wadi. De sloot behoudt een functie voor waterberging, maar kan minder water bergen. Het verlies aan bergingscapaciteit zal worden gecompenseerd in de nieuwe sloot.
Dit volume kan eenvoudig kan worden gevonden in het profiel van de nieuw te graven sloot. Over de benodigde bergingscapaciteit van de nieuwe sloot heeft veelvuldig contact plaatsgevonden met het waterschap. In de toelichting op het definitieve bestemmingsplan zal dit volume worden vermeld.  
Riolering / RWZI
(inclusief water op straat / overlast)
Optimale werking van de zuiveringen/RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
NVT  
Waterschapsobjecten
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI's, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen.  
NVT  
Watervoorziening / -aanvoer
Het voorzien van de bestaande functie van (grond- en/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.  
Het hemelwater zal via bermen geïnfiltreerd in de waterlopen terechtkomen, of deels afstromen richting de waterlopen.  
Volksgezondheid
(water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
NVT. Project behelst ten opzichte van de bestaande omgeving slechts een geringe ingreep.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen vooral in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Het noordelijk deel van het plangebied is zware schorgrond. Het zuidelijk deel is lichte schorgrond. Beide deelgebieden zijn sterk zettingsgevoelig. De grond wordt echter niet zwaar belast en er wordt geen grondwater onttrokken. Van een maaivelddaling als gevolg van de ontwikkeling zal dan ook geen sprake zijn.  
Grondwateroverlast
Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.  
Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied waterhuishouding. De ontwikkeling is niet van invloed op eventuele grondwateroverlast.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem.  
Het project heeft geen nadelig of verbeterend effect op de waterkwaliteit. Het betreft de afvoer van hemelwater dat via de berm geïnfiltreerd terecht komt in het oppervlaktewater.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit.  
Zie voorgaand.  
Verdroging
(Natuur)
Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden
(hydrologische) beïnvloedingszone.  
De locatie ligt niet op korte afstand van/ binnen het invloedsgebied van natuurgebieden.  
Natte natuur
Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
NVT  
Onderhoud waterlopen
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden.  
Onderhoud van de nieuw te graven bermsloten kan grotendeels plaatsvinden vanaf de nieuwe parallelweg.  
Waterschapswegen
Goede verkeersdoorstroming/veiligheid op wegen in beheer van het waterschap.  
Met de aanleg van de parallelweg verbetert de verkeersveiligheid op de provinciale weg N286.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0010.jpg"

Figuur 4.2. waterlopen volgens de Legger oppervlaktewaterlichamen 2012 (bron: waterschap Scheldestromen)

4.3.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat waterhuishoudkundige maatregelen worden genomen en dat de beoogde functiewijziging niet strijdig is met waterdoelstellingen.

4.4 Bodemkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader en beleidskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.

Het beleid van de Provincie Zeeland gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).

4.4.2 Onderzoek

In opdracht van de Provincie Zeeland is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage daarvan is opgenomen in bijlage 5. Met betrekking tot landbodem is geconcludeerd dat de bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie zeer licht is verontreinigd met bestrijdingsmiddelen. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen en minerale olie. Het grondwater is plaatselijk matig verontreinigd met barium en licht verontreinigd met nikkel en xylenen. De verhoogd aangetoonde concentratie barium kan naar alle waarschijnlijkheid worden gerelateerd aan het natuurlijk verhoogd voorkomen. Nader bodemonderzoek naar de verspreiding van deze stof in de bodem is niet nodig geacht.

Met betrekking tot het toepassen van het vrijkomende slib / onderliggende bodem uit de onderzochte watergang is het volgende geconcludeerd:

  • op of in de landbodem wordt de bodemklasse van de watergang ingedeeld als zijnde klasse industrie / altijd toepasbaar;
  • in oppervlaktewater wordt de bodemklasse van de watergang ingedeeld als zijnde klasse A / altijd toepasbaar;
  • het vrijkomend slib / onderliggende bodem is verspreidbaar op de aangrenzende percelen.

Het toepassen van de baggerspecie dient te worden voorgelegd aan de belanghebbenden zoals beheerder watergang, bevoegde gezag en/of eigenaar landbodem. Hierbij dient vooraf de kwaliteit van de ontvangende waterbodem te worden bepaald.

Op basis van de verkregen resultaten is de onderzoekslocatie (schuur) verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van asbest (zintuiglijk en analytisch). Naar verwachting bedraagt het gewogen gehalte asbest > 50 mg/kg. Geadviseerd is een nader onderzoek naar asbest in de bodem uit te voeren.

Omdat ter plaats van de nieuwe landbouwweg partijen grond zullen vrijkomen, zijn partijkeuringen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het totale gewogen asbestgehalte in de meeste partijen als niet aantoonbaar wordt beschouwd. Het gehalte is lager dan het criterium voor nader onderzoek. Alleen een partij grond ter plaatse van de schuur is niet vrij van asbest, echter vooralsnog is geen sprake van een verontreiniging met asbest. De partij is niet saneringplichtig, maar het is niet gewenst dat de partij als bovengrond wordt toegepast. De gemeente heeft de provincie geadviseerd om zo mogelijk de asbestfractie te zeven en apart af te voeren.

Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. En er geldt dan een meldingplicht volgens datzelfde besluit.

4.4.3 Conclusie

Op grond van beschikbare informatie blijkt dat het niet aannemelijk is dat ter plaatse van het plangebied een bodemverontreiniging aanwezig is, die een belemmering vormt voor de functiewijziging.

4.5 Munitie/Niet-gesprongen explosieven

Beleids-/toetsingskader

In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In het kader van de aanleg van de parallelweg zal de bodem namelijk worden geroerd.

Onderzoek

Uit informatie van het Zeeuws Bodemvenster blijkt dat in de buurt van Poortvliet een vliegtuig is neergestort. Het blijkt te gaan om een Duits vliegtuig dat op 1 januari 1945 is neergeschoten. Het vliegtuig kwam volgens verschillende bronnen ten westen of zuidwesten van Poortvliet neer. Het aandachtsgebied is aangeduid in figuur 4.3. Het plangebied ligt in dit aandachtsgebied en is daarmee verdacht op het voorkomen van CE.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0011.png"

Figuur 4.3. Aandachtsgebied niet gesprongen explosieven

Met het oog op de aanleg van de parallelweg is in opdracht van de Provincie Zeeland een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van genoemde CE. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Uit dit onderzoek blijkt dat er in de omgeving van Poortvliet ook verschillende V-1 wapens zijn neergekomen. Op basis van het bronnenonderzoek is de volgende chronologische gebeurtenissenlijst opgesteld die voor het onderzoeksgebied/plangebied van belang is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bplandbouwroutePVI-VG01_0012.jpg"

Figuur 4.4. Overzicht van categorieën gebeurtenissen waarvan informatie is aangetroffen in het bronnenmateriaal.

Ten aanzien van het neergestorte vliegtuig vermeld de website van het Bevrijdingsmuseum Zeeland als enige een precieze crashlocatie: nabij de huidige N286 bij de Langeweg, ten westen van Poortvliet. Dit is ruim buiten het onderzoeksgebied.

Ten aanzien van V-1 wapens vermeldt het onderzoek dat de locatieverwijzingen in de huidige bronnen, te weten ''op de bouwlaan aan de Lageweg'' en ''op de Lageweg'' doen vermoeden dat de inslagen buiten het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.

Conclusie

Uit de inventarisatie en analyse van historisch bronnenmateriaal is vastgesteld dat er in het onderzoeksgebied geen sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van CE.

4.6 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Onderzoek

De provinciale weg N286 is niet aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. De frequentie van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg is dusdanig laag dat dit niet voor ruimtelijke beperkingen zorgt. Overigens wordt de situatie door het aanleggen van de parallelweg veiliger en neemt de kans op een aanrijding met gevaarlijke stoffen af.

Uit informatie van de risicokaart Nederland blijkt dat er evenmin risicovolle inrichtingen in de omgeving aanwezig zijn waarmee rekening moet worden gehouden.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit

4.7.1 Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (verder: NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.

Het NIBM betrekking heeft op een bedrijfslocatie, inrichting, infrastructuur, kantoorlocatie, woningbouwlocatie dan wel andere locatie, handeling of activiteit die nieuw is dan wel voor zover daarbij een uitbreiding of wijziging wordt gerealiseerd.

4.7.2 Onderzoek

De aanleg van de parallelweg zorgt niet voor een toename van vervoersstromen, alleen voor een uitsplitsing. De ontwikkeling heeft dan ook geen effect op de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

4.7.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 

4.8 Wegverkeerslawaai

4.8.1 Beleidskader

Ontwikkeling

Het plan voorziet in de realisatie van een nieuwe weg. Conform de Wet geluidhinder dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden wanneer binnen de geluidszone van een weg geluidsgevoelige functies aanwezig zijn. Een buitenstedelijke weg met een rijbaanindeling van 1 of 2 rijstroken heeft een geluidzone van 250 meter. Voor de nieuw te realiseren weg geldt dat binnen deze zone woningen aanwezig zijn. Daarom dient akoestisch onderzoek plaats te vinden.

Normstelling

Voor woningen geldt op basis van de Wet geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bij een waarde hierboven kan, voor functies binnen de geluidzone van een nieuwe buitenstedelijke weg, ontheffing worden verleend tot een waarde van 53 dB.

Conform artikel 110g Wgh mag op de berekende waarde een correctie worden toegepast in verband met de ontwikkeling van stiller wordende voertuigen. Deze correctie bedraagt voor wegen met een maximum snelheid onder de 70 km/u 5 dB.

Rekenmethodiek

Ten aanzien van de nieuw te realiseren parallelweg/landbouwroute kan op basis van de Standaard Rekenmethode 1 de 48 dB contour bepaald. Indien binnen deze contour geen geluidgevoelige functies aanwezig zijn, zijn geen verdere acties benodigd en is ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.8.2 Onderzoek en toetsing

De contour is bepaald voor een situatie waarbij de weg een maximale intensiteit kent. Op basis van de breedte van de rijweg (3,6 meter) bedraagt deze intensiteit 350 mvt/etmaal. Er is dus niet gekeken hoeveel landbouwverkeer er daadwerkelijk op de provinciale weg rijdt. Die is in ieder geval lager dan de intensiteit waarmee nu rekening wordt gehouden.

Aan weerszijden van de rijweg zijn brede stroken met grasbetonstenen voorzien. In het bepalen van de capaciteit is hiermee geen rekening houden. De stroken worden namelijk aangelegd om het passeren van twee zware landbouwvoertuigen mogelijk te maken. Ten aanzien van de verkeersverdeling is uitgegaan van de standaardverdeling voor plattelandswegen.

In bijlage 7 is het akoestisch onderzoek opgenomen. Daaruit blijkt dat de 48 dB contour circa 7 meter uit de wegas ligt. Binnen deze afstand zijn geen geluidgevoelige functies aanwezig.

4.8.3 Resultaat en conclusie

Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Kabels en leidingen

4.9.1 Toetsingskader

Planologische relevante kabels en leidingen

Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Hoofdtransportleidingen zijn buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen;
  • aardgas hoofdtransportnet Gasunie of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47,5 cm);
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47,5 cm);
  • aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar.

Overige leidingen kunnen planologisch relevant zijn als deze een onmisbare functie vervullen voor een groot gebied of voor kwetsbare functies of bedrijfsprocessen of als deze een veiligheidscontour hebben. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.

Grondroeringsregeling

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

4.9.2 Toetsing

Uit informatie van de provincie, het geldende bestemmingsplan en de hoogspanningsnetkaart voor Nederland blijkt dat in en nabij het plangebied geen planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen aanwezig zijn. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Indien aan de orde, zal voor deze leidingen nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.

4.9.3 Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Hoofdstuk 5 Financiële aspecten

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Voorliggend project wordt volledig door de Provincie Zeeland gefinancierd. De benodigde financiële middelen zijn opgenomen in de Investeringsagenda Infraprojecten 2017-2021. Hierdoor is voldoende budget gereserveerd om de voorgenomen aanleg uit te voeren. Aan het project is ook een Europese POP3 subsidie toegekend. POP staat voor plattelandsontwikkelingsprogramma.

5.2 Grondexploitatie en kostenverhaal

In afdeling 6.4 van de Wro is de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Deze AMvB is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

De aanleg van de infrastructuur is geen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Dat betekent dat geen exploitatieplan nodig is.

Hoofdstuk 6 Resultaten overleg en inspraak

6.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6. van het Bro is tevens bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.

De verplichting om tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn, is vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Bro.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan dienen burgers en belanghebbenden te worden geïnformeerd over het planvoornemen. Met één belanghebbende is al tot overeenstemming gekomen, namelijk de agrariër van wie de benodigde gronden zijn gekocht. Op 9 januari 2017 heeft een informatie avond plaatsgevonden waar een ieder vragen kon stellen. Tijdens deze bijeenkomst zijn de volgende opmerkingen genoteerd:

  • Aandacht voor aansluiting van landbouwroute op Lange Zandweg. Conflict tussen fietsverkeer (veel schooljeugd) en landbouwverkeer. Als de situatie gevaarlijk is, blijft het landbouwverkeer op de provincialeweg. Is hier aandacht aan besteed? Zo ja, hoe, zo nee, waarom niet.
  • Omwonenden adviseren om de gehele route te bekijken, bijvoorbeeld voor Kruytenburgseweg 1. Hier wordt het conflict met fietsverkeer alleen maar groter. Zijn er mogelijkheden om fietsverkeer te scheiden van landbouwverkeer (apart fietspad)? Zo ja, hoe, zo nee, waarom niet.

Deze punten worden opgelost door de aanleg van het vrijliggende fietspad.

Het voorontwerpbestemmingsplan is voor vooroverleg toegezonden naar de provincie en het Waterschap Scheldestromen. De provincie had alleen tekstuele opmerkingen op de toelichting van het bestemmingsplan. Onderdelen daarvan waren verouderd en moesten worden geactualiseerd. Met het waterschap is uitvoerig overlegd over de totstandkoming van het wegontwerp. Deze instantie zal nog een officiële reactie uitbrengen, maar informeel hebben zij aangegeven akkoord te zijn.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders.

De eventueel ingediende zienswijzen worden in een separate nota zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Als daartoe aanleiding is, kan het bestemmingsplan gewijzigd worden vastgesteld.

Binnen het plangebied staat een schuur. De eigenaar van deze schuur wil om bedrijfseconomische redenen een schuur realiseren op zijn eigen gronden aan de noordzijde van de N286 ter vervanging van de schuur aan de (voor hem) overzijde van de weg. Gelijktijdig (en onafhankelijk hiervan) is de provincie bezig om de aanleg van een landbouwroute voor te bereiden waarbij de bestaande schuur in de weg staat. Ook zonder de landbouwroute had de eigenaar van de schuur een verzoek ingediend om de schuur te verplaatsen en ook zonder nieuw bestemmingsplan voor de deze schuur (het bestemmingsplan Lageweg/Zandpad, dat op 1 oktober 2020 is vastgesteld) wil de provincie de bestaande schuur kopen om de landbouwroute aan te kunnen leggen.

Wanneer het bestemmingsplan hoek Lageweg/Zandpad zou worden vernietigd door de Raad van State kan een andere locatie voor de schuur worden gezocht of kan de provincie overgaan tot onteigening. Hiervoor is het noodzakelijk dat het onderhavige bestemmingsplan onherroepelijk is. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van de landbouwroute is daarmee gewaarborgd.