direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied - Boshoeveweg 1 Oud-Vossemeer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel herziening

Bij de gemeente Tholen is een verzoek ingediend om op het adres Boshoeveweg 1 in het buitengebied van Oud Vossemeer een agrarisch bedrijf te starten dat is gericht op de ontwikkeling van nieuwe soorten vlas die benut kunnen worden bij de vervaardiging van betonelementen. Een dergelijke vorm van agrarisch gebruik is niet voorzien bij het opstellen van het geldende bestemmingsplan Buitengebied (verder: basisplan) en is daarom niet mogelijk gemaakt. Het innovatieve karakter van de activiteiten is echter een aanwinst voor de diversiteit van het buitengebied. Daarom heeft de gemeente Tholen aangegeven mee te willen werken aan het initiatief en hiervoor het bestemmingsplan aan te passen. Gekozen is voor een partiële herziening van het bestemmingsplan. Onderhavig plan is die herziening.

De initiatiefnemer wenst ook gebruik te maken van de mogelijkheid die het bestemmingsplan biedt om kleinschalig kamperen mogelijk te maken. Hiervoor zal de in artikel 3 lid 3.5.2. opgenomen afwijkingsbevoegdheid moeten worden toegepast. Dat is een andere procedure dan een bestemmingsplanherziening. Vanwege de samenhang en duidelijkheid wordt de ontwikkeling in deze plantoelichting beschreven. Vooruitlopend daarop is het gewenst om het bouwvlak waarbinnen alle gebouwen moeten worden gebouwd, te draaien. Deze aanpassing is eveneens in onderhavige herziening meegenomen.

Ook wordt het woonhuis (de bedrijfswoning) verbouwd en vergroot. Omdat de maatvoering past binnen de maximum goot- en bouwhoogte (6 en 10 meter) en de maximum inhoud (900 m3).is voor het verlenen van de omgevingsvergunning geen aanpassing nodig van het geldende bestemmingsplan.

Om het plan mogelijk te maken zal de coördinatieregeling, die mogelijk wordt gemaakt in de Wet ruimtelijke ordening, worden toegepast. De regeling houdt in dat diverse vergunningenprocedures gelijktijdig worden doorlopen. Zo kan bijvoorbeeld de procedure voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelijktijdig meegenomen in de procedure voor een daartoe benodigde bestemmingsplanherziening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0001.jpg"

Figuur 1.1. Ligging plangebied

1.2 Opzet plantoelichting

De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt.

  • In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en de ontwikkeling toegelicht en wordt beschreven op welke wijze de ontwikkeling juridisch-planologisch is geregeld in deze herziening.
  • In de hoofdstukken 3 en 4 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan het relevante beleidskader en aan planologische en milieuaspecten.
  • In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De gronden die horen bij de woning Boshoeveweg 1 zijn globaal aangeduid op figuur 2.1. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4 hectare.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0002.jpg"

Figuur 2.1. Huidige situatie met globale aanduiding plangebied (foto: provincie Zeeland)

Grote delen van de locatie zijn lange tijd in gebruik geweest als boomgaard. Vanaf 2006/2007 is de boomgaard gerooid en is de locatie in gebruik voor akkerbouw. Alleen bij het woonhuis is nog een klein gedeelte van de boomgaard aanwezig voor hobbymatig gebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0003.jpg"

Figuur 2.2. Woonhuis en deel van de boomgaard

Het woonhuis met de naam 'Kweeklust' is een villa met zeer late Jugendstil invloeden. De Jugendstil of Art Nouveau is een kunststroming die tussen 1890 en 1914 op verschillende plaatsen in Europa populair was.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0004.jpg"

Figuur 2.3. Woonhuis met zeer late Jugendstil invloeden

Aan de zuidoostzijde van het woonhuis staat een nissenhut; een onderkomen in gebruik voor opslag dat bestaat uit een gebogen dak van golfplaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0005.jpg"

Figuur 2.4. Nissenhut

Het perceel wordt langs de buitengrens met de Boshoeveweg omzoomd door hoge populieren. De kwaliteit van de bomen is matig: veel bomen bevatten dood hout en holten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0006.jpg"

Figuur 2.5. De beplanting langs de buitenrand van het perceel/de Boshoeveweg

Langs de noordoostgrens loopt een watergang die in beheer is bij het Waterschap Scheldestromen. Het perceel wordt ontsloten aan zijde van het woonhuis. Voor landbouwverkeer is er ook een toegang in de uiterste zuidpunt van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0007.jpg"

Figuur 2.6. De watergang aan de noordzijde van het perceel met opgaande beplanting

2.2 Toekomstige situatie

Proefvelden met vlas

Zoals al in paragraaf 1.1 is gemeld, is er een initiatief om op het perceel een agrarisch bedrijf te starten dat is gericht op de ontwikkeling van nieuwe soorten vlas die kunnen worden benut bij de vervaardiging van betonelementen. Die vervaardiging vindt plaats bij de vestiging van het bedrijf in Bergen op Zoom.

Vooralsnog wordt uitgegaan van circa 20 proefveldjes. Voor de opslag van het vlas wordt een schuur met een oppervlakte van circa 100 m2 gebouwd aan de noordzijde van het perceel nabij de (in paragraaf 2.1) genoemde watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0008.jpg"

Figuur 2.7. Referentiebeelden vlasteelt

Minicamping

Er zal worden samengewerkt met de universiteit van Wageningen. Studenten zullen hiervoor regelmatig op het perceel aanwezig zijn en werken. In verband hiermee zal op het perceel ook een minicamping (kleinschalig kamperen) met andere mogelijke activiteiten (paardrijden, enz.) worden gerealiseerd. Op grond van het bestemmingsplan bedraagt het maximum aantal standplaatsen ten hoogste 25. Het exacte aantal is momenteel nog niet bekend, maar het aantal zal niet meer bedragen dan 15. Na de inwerkingtreding van onderhavige herziening zal hiervoor de in artikel 3 lid 3.5.2. van het basisplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid worden toegepast. In het kader van die procedure worden aangegeven:

  • het aantal en de situering van de standplaatsen;
  • de omvang van en situering van de daarbij behorende bebouwing.

De minicamping wordt aangelegd aan noordzijde van het perceel. Een globale en indicatieve begrenzing is weergegeven in figuur 2.8.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0009.jpg"

Figuur 2.8. Globale en indicatieve begrenzing toekomstige minicamping

Ontsluiting

Ten behoeve van de proefveldjes en de minicamping wordt een nieuwe aansluiting op de Boshoeveweg aangelegd. Deze weg kan worden doorgetrokken naar de tegenoverliggende westelijke perceelsgrens. Aan die zijde zullen de benodigde parkeerplaatsen worden aangelegd. De bestaande en historische toegangsweg tot het woonhuis wordt gehandhaafd.

Beplanting

Voor landschappelijke inpassing van de minicamping wordt de bestaande populierenbeplanting langs de Boshoeveweg gebruikt, die aan de binnenzijde wordt aangevuld met struweelbeplanting. Vanwege de schaduwwerking die van de populieren uitgaat (zowel op de minicamping als op de proefveldjes) en de matige kwaliteit van de bomen worden deze afgetopt tot een hoogte van enkele meters. De exacte hoogte wordt nog bepaald. De breedte van de strook met randbeplanting wordt 10 meter. Dit is in overeenstemming met het provinciaal beleid zoals verwoord in het Omgevingsplan Zeeland.

De huidige fruitbomen bij het woonhuis blijven behouden.

De aanleg, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing worden privaatrechtelijk en publiekrechtelijk (door middel van een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de omgevingsvergunning) gewaarborgd.

Woonhuis

Gelijktijdig met de vestiging van het agrarisch onderzoeksbedrijf en de ontwikkeling van de daarbij behorende minicamping (kleinschalig kamperen) wordt ook het woonhuis verbouwd en vergroot. Hierbij wordt het cultuurhistorische waardevolle karakter van het pand gerespecteerd. Voor aanpassing van het woonhuis is geen aanpassing nodig van het bestemmingsplan.

Verevening: investeren in omgevingskwaliteit

Om de minicamping te kunnen realiseren moet volgens het bestemmingsplan (zie hoofdstuk 3.3.1) en provinciaal beleid (zie paragraaf 3.2) worden voldaan aan het principe van verevening.

Hiervoor is aangegeven dat het aantal standplaatsen nader zal worden bepaald. Het aantal zal echter niet meer bedragen dan 15. De aantal is vereveningsvrij.

2.3 Planologische verantwoording

De hiervoor beschreven nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn niet voorzien bij het opstellen van het geldende bestemmingsplan Buitengebied en op grond daarvan daarom niet mogelijk. Het innovatieve karakter van de activiteiten is echter een aanwinst voor de diversiteit van het buitengebied en is daarom bereid mee te werken aan herziening van het bestemmingsplan. De gemeente is van oordeel dat dit aanvaardbaar is omdat het initiatief past in het ruimtelijk-economisch beleid van de provincie (zie paragraaf 3.2). Er zijn geen onoverkomelijke sectorale of milieubelemmeringen voor de beoogde ontwikkeling (zie hoofdstuk 4). De ontwikkeling is financieel uitvoerbaar.

2.4 Beschrijving juridische regeling

Planvorm en raadpleegbaarheid

Gekozen is voor een planherziening. Dat houdt in dat in dit bestemmingsplan alleen die onderdelen worden gewijzigd van het geldende bestemmingsplan, die noodzakelijk zijn om de functiewijziging mogelijk te maken. De toelichting op de planologisch-juridische regeling kan dan ook hiertoe beperkt blijven. Voor meer uitleg op het bestemmingsplan wordt verwezen naar de toelichting op het basisplan.

De overige delen van de planregeling van het onderliggende basisplan blijven ongewijzigd. Dit is geregeld in artikel 1 Bestaande regels van toepassing.

Voor het inzichtelijk krijgen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen het plangebied is het daarom noodzakelijk om naast deze herziening het geldende basisplan te raadplegen.

Aanpassing agrarische gebruiksmogelijkheden

De agrarische bestemming van het plangebied wordt in deze herziening gehandhaafd. Dat betekent dat ter plaatse grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan. Aanvullend op deze gebruiksmogelijkheden is met een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch bedrijf - proeftuin' een bedrijf mogelijk gemaakt dat is gericht op de ontwikkeling van nieuwe soorten agrarische producten. Daarbij zijn de nieuwe soorten agrarische producten niet beperkt tot alleen vlas dat kan worden benut bij de vervaardiging van betonelementen. Zolang het gaat om onderzoek en innovatie van agrarische producten en hun toepassingsmogelijkheden zijn andere teelten eveneens toegestaan.

Vooruitlopend op de beoogde minicamping is het bouwvlak waarbinnen alle gebouwen moeten worden gebouwd, gedraaid. De oppervlakte van het bouwvlak is niet vergroot; deze is en blijft 1 hectare.

Overige onderdelen van deze herziening

Artikel 2 Begrippen

In verband met de digitale raadpleegbaarheid is aan de begripsbepalingen van het basisplan een bepaling opgenomen met het identificatienummer (het NL.IMRO-nummer) van onderhavige herziening.

Standaardregels bestemmingsplannen

Bestemmingsplannen en dus ook partiële herzieningen die nu worden opgesteld moeten voldoen aan de RO standaarden 2012 en aan de eisen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Dat houdt in dat in deze herziening opnieuw overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en een anti-dubbetelbepaling moet worden opgenomen. Deze verplichte standaardregels zijn opgenomen in Artikel 4 en Artikel 5.

Naast een eigen identificatienummer heeft de herziening een eigen naam. Dat is geregeld in Artikel 6.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Inleiding

Een nagenoeg volledig overzicht van de beleidsplannen en regelgeving dat voor het plangebied van toepassing is, is te vinden op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Op basis van een 1e verkenning blijkt dat veel van deze plannen of regelingen toch geen betrekking hebben op het plangebied of ze zijn op voorhand niet relevant of niet gedetailleerd genoeg voor het beoordelen van het voorgenomen initiatief.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat vooral ruimtelijk en planologisch relevant is. Op verschillende beleidsterreinen, vooral met betrekking tot milieu, is daarnaast sectorale wet- en regelgeving van toepassing. De vermelding van dat toetsingskader en de toetsing daaraan is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze plantoelichting.

3.2 Provinciaal beleid

Het relevante ruimtelijk provinciaal beleid is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018 en de Provinciale Ruimtelijke verordening Zeeland (PRVZ).

3.2.1 Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018

In de visie van de provincie behoudt de landbouw in Zeeland perspectief doordat er vele kleinere kansen liggen. Een van de kansen die genoemd worden zijn specifieke groene grondstoffen voor de biobased industrie.

Ruimte voor nieuwe activiteiten in het landelijk gebied

In het ruimtelijk beleid streeft de provincie naar voldoende ruimte voor nieuwe niet-agrarische en semi-agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeersaantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Een nieuwe activiteit dient een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende (agrarische) bebouwing en het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Aan deze voorwaarde wordt niet voldaan, maar in de voorgenomen aanpassing van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (hierover later meer) wordt voor agrarische onderzoeksbedrijven een uitzondering gemaakt.

Overigens wordt als gevolg van de nieuwe activiteit op het perceel ook geïnvesteerd in het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle woonhuis.

Kamperen

De kampeermarkt wordt al jaren gekenmerkt door een geleidelijke teruggang in de vraag. Dit terwijl het aanbod aan kampeerplaatsen, ook in Zeeland, nog steeds toeneemt. Om minimaal het huidige kwaliteitsniveau te kunnen blijven bieden tegen de hiervoor noodzakelijke tarieven is het niet wenselijk dat het aanbod aan kampeerplaatsen in Zeeland verder toeneemt.

Bij kwaliteitsverbetering en revitalisering van kampeerbedrijven neemt het aantal kampeerplaatsen geleidelijk af, omdat hoogwaardiger vormen van verblijfsrecreatie worden aangeboden. Kampeerplaatsen die als gevolg hiervan vrijkomen, kunnen opnieuw in de markt worden gezet.

De Provincie verwacht van gemeenten dat zij dit in hun beleid uitwerken, zodat het aantal kampeerplaatsen per saldo ongeveer gelijk blijft.

In paragraaf 2.2 is vermeld dat de beoogde minicamping is vooral bedoeld voor studenten die regelmatig op het perceel aanwezig zijn en werken. Het is niet primair bedoeld voor gewone recreanten.

Het beleid waar de provincie om vraagt, is opgenomen in subparagraaf 3.3.2.Daaruit blijkt dat de minicamping passend is bij de aard en schaal van de gemeente. De toevoeging van het aantal standplaatsen (ten hoogste 15 ) is erg beperkt en de toename van het aantal standplaatsen zal naar verwachting door kwaliteitsverbetering van bestaande terreinen de komende jaren worden gecompenseerd.

Duurzame ontwikkeling

Voorts hanteert de provincie duurzame ontwikkeling als vertrekpunt.

De Provincie vertaalt dit in een lange termijn perspectief door te kiezen voor een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van economie, vestigingsklimaat en ruimtelijke kwaliteit.

Voor het versterken van de economische veerkracht van Zeeland wil de Provincie ook het gebruik van energie en grondstoffen uit hernieuwbare bronnen bevorderen en gelijktijdig streven naar het sluiten van kringlopen van water en grondstoffen op lokaal tot regionaal schaalniveau.

Verder wil de Provincie de economische groei en veerkracht versterken door in te zetten op innovatie en het scheppen van een gunstig klimaat voor onderzoek en experiment. Het voorgenomen initiatief om van nieuwe soorten vlas te ontwikkelen die kunnen worden benut bij de vervaardiging van betonelementen sluit aan bij beide doelstellingen.

Verevening

Verder is het principe van verevening onderdeel van het afwegingskader voor ontwikkelingen buiten de grenzen van het bestaand bebouwd gebied, die op dit moment niet passen in het geldende bestemmingsplan. Het principe van verevening wil zeggen dat een 'rode' ontwikkeling gepaard dient te gaan met een gelijktijdige investering in de omgevingskwaliteiten, publieke voorzieningen of de ruimtelijke kwaliteit. Het principe van verevening is van toepassing bij de ontwikkeling van nieuwe en uitbreiding van bestaande rode functies op locaties die tot dan toe een andere bestemming hadden. Hierbij gaat het veelal om ontwikkelingen in het landelijk gebied, zoals recreatieve ontwikkelingen.

Met het principe van verevening heeft de Provincie een regeling waarin (extra) ontwikkelingsruimte wordt geboden en tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in het versterken van de kwaliteit van de omgeving.

De uitgangspunten voor deze regeling zijn vastgelegd in een provinciale handreiking en het convenant met alle Zeeuwse gemeenten.

Bij toepassing van het vereveningsprincipe moet altijd sprake zijn van een duidelijke relatie tussen het initiatief en de te leveren investering in de omgevingskwaliteit. Dit moet in principe rechtstreeks worden vormgegeven in het project of in de directe nabijheid. Als uitzondering kan een gemeente ook kiezen voor het instellen van een kwaliteitsfonds.

Onder het kopje Handreiking verevening 2012-2018 (subparagraaf 3.2.4) wordt nader op het aspect verevening ingegaan.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke verordening Zeeland (PRVZ)

Het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 is gedeeltelijk vertaald in de Provinciale Ruimtelijke verordening Zeeland (PRVZ). Voor de beoogde ontwikkeling is de PRVZ echter niet wezenlijk van belang.

3.2.3 Ruimte voor verbetering: Ontwerp herziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en Verordening Ruimte Provincie Zeeland (20 oktober 2015)

In het Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018 is aangekondigd dat halverwege de termijn een evaluatie wordt gehouden en dat indien nodig het plan wordt herzien. Gebleken is dat een aantal beleidsonderdelen vraagt om bijsturing, verduidelijking of uitwerking. Deze aanpassingen vragen om directe actie en kunnen daarom niet wachten op een volgend Omgevingsplan. Dat is de aanleiding voor een tussentijdse herziening. Aanpassing van beleid leidt ook tot andere acties om het beleid uit te voeren.

De beleidswijzigingen die worden voorgesteld, hebben betrekking op de thema's Vastgoed, Landelijk gebied, Deltawateren en Milieu. Op deze thema's wordt hierna ingegaan.

Binnen het thema Vastgoed wordt een uitsplitsing gemaakt in bedrijfsvastgoed, kleinschalige woningbouw (in het landelijk gebied), cultuurhistorische bebouwing, verblijfsrecreatie. Binnen het bedrijfsvastgoed wordt ingegaan op agrarische onderzoeksbedrijven. De werkzaamheden van deze bedrijven richten zich niet op agrarische productie, maar op onderzoek. In hun verschijningsvorm zijn deze bedrijven veelal een combinatie van grondgebonden akkerbouw, glas-opstallen, laboratorium en kantoor.

Deze bedrijven geven een belangrijke impuls aan de innovatie in de landbouwsector, dragen bij aan het versterken van de keten en bieden hoogwaardige werkgelegenheid. Het is wenselijk om agrarische onderzoeksbedrijven in Zeeland meer uitbreidingsmogelijkheden te bieden. Vanwege hun specifieke aard en betekenis voor de Zeeuwse landbouw wil de provincie (bestaande) agrarische onderzoeksbedrijven faciliteren in hun verdere ontwikkeling. De Provincie schrijft daarom géén maximale omvang voor aan de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke bebouwing en/of glasopstanden. Wel geldt daarbij als voorwaarde dat voor de extra bebouwing die wordt gerealiseerd een saneringsbijdrage wordt geleverd overeenkomstig met de uitgangspunten van de Handreiking Verevening.

Nieuwvestiging van agrarische onderzoeksbedrijven is mogelijk op basis van het algemene agrarische vestigingsbeleid. Agrarische onderzoeksbedrijven zonder grondgebonden karakter, worden gefaciliteerd op bedrijventerreinen of het in paragraaf 3.1.12 benoemde beleid voor Glastuinbouw

In verband met deze voorgenomen beleidswijziging is in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (VRPZ) opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwvestiging van agrarische onderzoeksbedrijven uitsluitend wordt toegelaten op:

  • a. een bedrijventerrein,
  • b. op gronden waarop, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan glastuinbouwbedrijven zijn toegelaten
  • c. op een in het bestemmingsplan, voor een agrarisch bedrijf, aangewezen bouwvlak.

Aan de onder c genoemde voorwaarde wordt voldaan, zij het dat het bouwvlak iets wordt gedraaid.

Het thema Deltawateren is op voorhand niet van belang omdat dit thema betrekking heeft op de open wateren.

Met betrekking tot het thema Landelijk gebied is gebleken dat bescherming van de provinciale kernwaarden (zoals de landschapselementen van provinciaal belang) in de procedures van een aantal grotere concrete projecten moesten worden afgewogen tegen andere, met name economische, aspecten. Naar aanleiding hiervan wordt voorgesteld om in het beleid op te nemen dat een beperkte aantasting van de kernkwaliteiten kan acceptabel zijn, als Gedeputeerde Staten na een integrale afweging van belangen daar toe besluit. Ingrijpende aantasting van de kernkwaliteiten is niet toegestaan. Er zijn in onderhavige situatie geen landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in het geding die voor heel Zeeland van belang zijn.

Binnen het thema Milieu wordt nieuw beleid voorgesteld voor de verdeling van ontwikkelruimte voor nieuwe en uitbreiding van bestaande activiteiten met stikstofemissies (Programmatische Aanpak Stikstof). Om maximale economische ontwikkelingen te stimuleren wordt ingezet op het sturen van verdeling van ontwikkelruimte via het vergunningenspoor en door middel van aanvullend omgevingsbeleid voor veehouderijbedrijven. De voorgestelde beleidswijzigingen is niet van belang voor de voorgenomen ontwikkelingen.

De daadwerkelijke wijzigingen krijgen begin 2016 definitief vorm in een aangepaste versie van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018.

3.2.4 Handreiking verevening 2012-2018

In het omgevingsplan heeft de provincie een ontwikkelingsgerichte benadering geïntroduceerd, waarbij meer ontwikkelingsruimte wordt geboden in het landelijk gebied. Hieraan is als voorwaarde verbonden dat wanneer initiatiefnemers gebruik maken van deze ontwikkelingsruimte er tevens een investering in de omgevingskwaliteit dient plaats te vinden ter compensatie van het verlies aan ecologisch kapitaal, oftewel het principe van verevening.

Drempel voor kleinschalige initiatieven

Voor kleinschalige initiatieven die qua omvang niet boven een drempel uitkomen, wordt het niet noodzakelijk geacht een nadere uitwerking te geven aan het vereveningsprincipe. Dit vloeit voort uit het feit dat bij bepaalde kleinschalige initiatieven géén (of nauwelijks) sprake is van aantasting van de omgevingskwaliteit, waardoor compensatie van nadelige effecten op het ecologisch kapitaal met behulp van de vereveningsbijdrage niet aan de orde is.

De volgende criteria zijn vastgelegd om te kunnen bepalen of een kleinschalig initiatief de drempel overschrijdt:

  • De hoogte van de noodzakelijk geachte vereveningsbijdrage is lager dan € 8.000,-. In dergelijke gevallen wegen de extra kosten ten behoeve van de uitwerking van het vereveningsprincipe niet of nauwelijks op tegen de beoogde kwaliteitswinst.
  • Er sprake is van slechts een beperkte toename van bebouwing. Dit is aan de orde wanneer de toename van het bebouwd volume lager is dan 400 m3, minder dan 30% bedraagt van hetgeen in het geldende bestemmingsplan of geldende bestemmingsregeling al mogelijk wordt gemaakt of ingeval van uitbreiding van een NED tot een maximum van 250 m2 beperkt blijft.

Wanneer deze drempel wordt overschreden, wordt de vereveningsbijdrage bepaald op basis van de omvang van het totale initiatief.

Voor het agrarisch proefbedrijf worden geen extra bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende basisplan mogelijk gemaakt. De oppervlakte van het bouwvlak is en blijft 1 hectare.

Vaststellen van de vereveningsbijdrage

Het vereveningsprincipe is ook van toepassing op de ontwikkeling van nieuwe verblijfsrecreatie. In overleg met de sector (VEKABO) is de hoogte van de vereveningsbijdrage voor geheel Zeeland daarbij vastgesteld op € 800,- per extra eenheid (standplaats).

Bij het kleinschalig kamperen wordt onderscheid gemaakt tussen het realiseren van een minicamping met 0 tot en met 15 eenheden, waarop het vereveningsprincipe niet van toepassing is, en de uitbreiding van een mini-camping van 15 tot maximaal 25 eenheden. Voor de uitbreiding van een minicamping van 15 naar maximaal 25 eenheden is het vereveningsprincipe van toepassing.

Op dit moment staat het aantal standplaatsen dat zal worden gerealiseerd nog niet vast. Na de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zal voor de minicamping een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd met daarin duidelijkheid over het gewenste aantal. In het kader van deze herziening wordt ervan uitgegaan dat het aantal eenheden onder de vereveningsdrempel zal blijven (ten hoogste 15 eenheden).

Evenals bij het reguliere kamperen, zal ook voor het kleinschalig kamperen bij het realiseren van extra eenheden aangetoond moeten worden dat het totale aantal kampeereenheden per saldo ongeveer gelijk blijft in de betreffende bestemmingsplanperiode. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.2.1.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied (het basisplan)

Het perceel heeft in het basisplan (vastgesteld 19 december 2013) de bestemming Agrarisch. De gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor de uitoefening van volwaardige en reële grondgebonden agrarische bedrijven. De Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ) heeft geconcludeerd dat daar in het initiatief geen sprake van is. Er wordt weliswaar vlas geteeld, maar de omvang van deze productie is volgens de AAZ onvoldoende om het bedrijf een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf te noemen. Er is geen sprake van primaire productie van agrarische producten.

Om dit innovatieve bedrijf mogelijk te maken, zal het bestemmingsplan moeten worden herzien, waarin dit specifieke bedrijf als aanvullend gebruik mogelijk wordt.

Voor de locatie Boshoeveweg is een bouwvlak opgenomen waarbinnen alle gebouwen en overkappingen moeten worden gebouwd. Buiten het bouwvlak zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan en gebouwen en overkappingen voor sanitaire voorzieningen en/of recreatieruimten voor kleinschalig kamperen. Voor die laatste categorie gebouwen gelden wel voorwaarden:

  • de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste 50 m2 per bouwvlak;
  • de bouwhoogte ten hoogste 4 meter;
  • de afstand tot het bijbehorende bouwvlak ten hoogste 50 meter.

In het bestemmingsplan zijn diverse afwijkingsbevoegdheden voor het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders) opgenomen om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken, waaronder:

  • een recreatieruimte ten behoeve van kleinschalig kamperen buiten een bouwvlak (artikel 3 lid 3.3.7.)
  • ten behoeve van het toestaan of uitbreiden van kleinschalig kamperen op en in aansluiting op een agrarisch bouwvlak (artikel 3 lid 3.5.2). Hiervoor is wel het principe van verevening van toepassing (zie paragraaf 3.2.4).

Van de laatst genoemde bevoegdheid zal na de inwerkingtreding van onderhavige partiële herziening gebruik worden gemaakt.

Voorts bevat het artikel Agrarisch een wijzigingsbevoegdheid om een bouwvlak te vergroten en/of van vorm te veranderen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf (artikel 3.6.1). Van deze bevoegdheid kan geen gebruik worden gemaakt omdat de gewenste aanpassing van het bouwvlak niet noodzakelijk verband houdt met de continuïteit van een agrarisch bedrijf en met een doelmatige agrarische bedrijfsvoering (van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf). Daarom wordt de aanpassing meegenomen in onderhavige herziening.

In figuur 3.1 is een uitsnede van de geldende verbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0010.png"

Figuur 3.1. Uitsnede geldende plankaart

3.3.2 Toeristisch ontwikkelingsplan Tholen 2013-2016

Dit plan heeft de gemeenteraad van Tholen op 7 februari 2013 vastgesteld. Daarin is op basis van diverse beleidskaders, een DNA onderzoek van Tholen uit 2011, toeristische cijfers en een sterkte-zwakte analyse bepaald wat de gemeente wil bereiken en hoe dat moet gebeuren.

In het plan zijn verschillende beleidsuitgangspunt geformuleerd. Voor de ontwikkeling die met deze bestemmingsplanherziening worden mogelijk gemaakt, is de volgende relevant:

  • Het aanbod aan verblijfsrecreatie (hotels, bed & breakfast, campings) mag overal toenemen mits een vernieuwend/innovatief karakter en een toevoeging op het bestaande aanbod. Er moet een duidelijke relatie zijn van verblijfsrecreatie met de kern, ontwikkeling krijgt een passende eigen identiteit/thema en toename gaat gepaard met natuur-/landschapsontwikkeling. Koppeling verblijfsrecreatie aan uitbreiding dagrecreatie. Voorzieningen passen qua aard en schaal bij de gemeente.

In paragraaf 2.2 is vermeld dat de beoogde minicamping is vooral bedoeld voor studenten die regelmatig op het perceel aanwezig zijn en werken. Het is niet primair bedoeld voor gewone recreanten. Daarmee heeft de verblijfsrecreatie een passende eigen identiteit/thema. Het gaat om een kleine minicamping die passend is bij de aard en schaal van de gemeente.

3.4 Conclusie

Het initiatief past in het ruimtelijk-economisch beleid van de provincie. De gemeente ziet het innovatieve bedrijf als een aanwinst voor de diversiteit van het buitengebied. De strijdigheid met het basisplan wordt opgeheven door middel van de onderhavige herziening van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de relevante sectorale aspecten behandeld. De aspecten water, bodem, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, luchtkwaliteit, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, externe veiligheid en geluid zijn bekeken. Hiermee zal worden aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.2 Water

Beleid

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient samen met de waterbeheerder een watertoets te worden uitgevoerd. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces waarin de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar overleggen. De waterbeheerder in Zeeland is het Waterschap Scheldestromen. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met het waterschap. De opmerkingen van het waterschap zijn opgenomen in bijlage 1.

De opmerkingen van het waterschap hebben betrekking op de zichtbeperking door de populierbeplanting in relatie tot de nieuwe ontsluiting op de Boshoeveweg en de kwaliteit van deze beplanting. Ook is opgemerkt dat voor het verlagen van de wateroevers een watervergunning nodig is.

Toetsing

Voor de watertoets wordt door het Waterschap Scheldestromen een watertoetstabel gehanteerd, waarin de hiervoor genoemde aspecten zijn verwerkt. De tabel is hierna opgenomen en ingevuld voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 4.1. Watertoetstabel

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Waterveiligheid
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
In de nabije omgeving van het projectgebied zijn geen kern- of beschermingszones van een waterkering aanwezig.  
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Waterberging voldoet aan de capaciteit om 75 liter per m2 verhard oppervlak te kunnen bergen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
Voor het agrarisch proefbedrijf wordt een opslagloods gebouwd met een oppervlakte van 100 m2. Voor de minicamping die met een andere planologische procedure wordt mogelijk gemaakt, zal een sanitairgebouw worden gebouwd. De omvang daarvan is nu nog niet bekend, maar voor deze watertoets wordt uitgegaan van nog eens 50 m2. Daarnaast wordt voor het agrarisch bedrijf en de minicamping verharding aangelegd (ontsluiting en parkeren). Een inrichtingstekening is nog niet beschikbaar, maar uitgaande van de beschrijving in paragraaf 2.2 kan worden gerekend met circa 1.000 m2. Als gevolg van de totale ontwikkeling zal de verharding toenemen met 1.200-1.500 m2.
Hoewel binnen een bouwvlak een dergelijke omvang aan verharding nu ook al mogelijk is, zullen ten gevolge van de ontwikkeling watercompenserende maatregelen worden getroffen. Hiervoor zal op het perceel de kant van de watergang aan de noordzijde (zie figuur 2.6 en figuur 4.1.) worden verlaagd, waardoor capaciteit aan waterberging wordt vergroot.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratie-mogelijkheden.  
De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater en heeft eveneens geen invloed op de infiltratiemogelijkheden.  
Hemel- en afvalwater (inclusief water op straat / overlast)
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
De ontwikkeling die met deze partiële herziening mogelijk wordt gemaakt, kan ten opzichte van de huidige gebruiksfunctie een lichte toename van het afvalwater veroorzaken. Als dit het geval is, dan is de verwachting dat dit niet substantieel zal zijn. Dit is (periodiek) wel het geval als met een afzonderlijke procedure de minicamping wordt gerealiseerd.

Het perceel is volgens het gemeentelijk rioleringsplan niet aangesloten op de gemeentelijke riolering. Daarom is op het perceel een IBA, ofwel een Individuele Behandeling van Afvalwater, aanwezig Dit is een systeem dat het huishoudelijk afvalwater van één huishouden zuivert.
De capaciteit hiervan is niet afgestemd op het afvalwater van een minicamping. Wanneer de camping wordt aangelegd, zal hiervoor ook een systeem voor de individuele behandeling van afvalwater worden gerealiseerd, zodat het afvalwater niet op het oppervlaktewater wordt geloosd. Dit systeem zal in overleg met het waterschap worden bepaald.

Het (schone hemelwater mag niet op een IBA worden afgevoerd. Dit water wordt daarom direct op de nabij gelegen sloot afgevoerd.  
Volksgezondheid (water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Dit aspect is niet van toepassing voor de beoogde ontwikkeling.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Het grootste deel van het gebied is weinig zettingsgevoelig. Alleen een strook langs de noordzijde (nabij het woonhuis en de watergang) is matig zettingsgevoelig. De ontwikkeling voorziet echter slechts beperkt in nieuwbouw en er is geen sprake van veengrond waaruit grondwater wordt onttrokken. Het aspect bodemdaling is dan ook niet relevant.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.  
Er wordt geen vuil water afgevoerd op het oppervlaktewater. De ontwikkeling heeft geen effect op de oppervlaktewaterkwaliteit,  
Grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
De ontwikkeling heeft geen effect op de grondwaterkwaliteit. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
In de directe omgeving is geen natte natuur aanwezig. Het verlagen van de oever van de watergang langs de noordzijde van het plangebied in combinatie met een natuurvriendelijk beheer kan zorgen voor de ontwikkeling van natuurwaarden.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
Langs de watergang geldt een 7 meter brede onderhoudsstrook (zie figuur 4.1.). Deze strook wordt vrij gehouden van bebouwing en er wordt geen nieuwe opgaande (hout)beplanting aangelegd.  
Andere belangen waterbeheerder(s)    
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.  
Dit aspect is niet van toepassing.  
Wegbeheer
Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige wegen in beheer en onderhoud de provincie en/of het waterschap.  
Het verkeersaanbod op de Boshoeveweg zal ten gevolge van het agrarisch proefbedrijf niet of nauwelijks toenemen. De verkeersgeneratie van de beoogde minicamping is dusdanig beperkt dat dit geen gevolgen heeft voor de verkeersfunctie van en verkeersveiligheid op de Boshoeveweg.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpBuitengeb2015OVS-VG01_0011.png"

Figuur 4.1. Fragment legger Keur Waterschap Scheldestromen met beschermingszones waterlopen

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Bodem

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek

In januari 2015 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op twee terreingedeelten waarop bebouwing aanwezig is. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt het volgende:

  • In de mengmonsters en veel afzonderlijke monsters van de bovengrond is een sterke verontreiniging met DDT en DDE aangetoond. De interventiewaarde wordt overschreden. Deze stoffen zijn in het verleden toegepast in boomgaarden ter bestrijding van insecten.
  • Één mengmonster van de bovengrond ter plaatse van de gewenste bouw (heeft betrekking op de uitbreiding van de woning) is sterk verontreinigd met lood en matig met zink. In de afzonderlijke monsters zijn lagere gehalten aangetroffen.
  • In de mengmonsters van de ondergrond is geen verontreiniging aangetoond.

Ambtelijk heeft de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD)) aangegeven dat het gehele perceel boomgaard is geweest en al lange tijd in gebruik als akkerbouwgrond. Door de grondbewerking zijn op de rest van het perceel aan te treffen gehalten DDT en DDE waarschijnlijk lager dan de bij de bebouwing aangetroffen waarden. Indien blijkt dat sprake is van een ernstige bodemverontreiniging dan kan de saneerder kiezen voor een melding via het Besluit Uniforme Saneringen (verder: BUS) (artikel 28 juncto 39b Wet bodembescherming (Wbb)) of via de reguliere saneringsplanprocedure (artikel 28 juncto 39 Wbb).

Wanneer in het kader van de Wet bodembescherming een beschikking wordt genomen, zal deze locatie vermoedelijk gaan vallen in de klasse van ernstige verontreiniging, niet spoedeisend. Dit betekent dat de overheid de eigenaar niet kan verplichten tot de uitvoering van een bodemsanering. Er is namelijk geen sprake van onaanvaardbare risico's voor mens of ecologie. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangehouden totdat duidelijkheid is of op de bouwlocatie sprake is van verontreiniging die saneringsplichtig is. Bij graafwerkzaamheden moet bij de afvoer van grond ermee rekening worden gehouden dat de grond is verontreinigd. Graafwerkzaamheden moeten vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag.

Conclusie

Er is op het perceel sprake van een ernstige bodemverontreiniging, maar deze is vermoedelijk niet spoedeisend. Er is namelijk geen sprake van onaanvaardbare risico's voor mens of ecologie. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen belemmering is om de herziening van het bestemmingsplan vast te stellen.

De aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden aangevuld met een nader onderzoek dat de verontreiniging ter plaatse van de bouwlocatie inzichtelijk maakt. De Rud moet hierbij formeel duidelijkheid geven over de ernst van de bodemverontreiniging en of deze spoedeisend is of niet.

4.4 Milieuafstemming bedrijven

4.4.1 Milieuzonering en akoestisch onderzoek

Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen of van nieuwe bedrijven:

  • een acceptabel woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. De bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven mag niet onevenredig worden belemmerd.

Toetsing

In de nabije omgeving van het plangebied/het nieuwe bedrijf zijn geen burgerwoningen of bedrijven van derden aanwezig waar milieuhinder vanwege het nieuwe bedrijf valt te verwachten of die een belemmering kunnen zijn voor de beoogde ontwikkeling. De dichtstbijzijnde burgerwoning bevindt zich namelijk op een afstand van circa 300 meter en van het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf ten minste 450 meter. Het directe invloedsgebied van een agrarisch bedrijf bedraagt circa 100 meter.

Conclusie

De voorgenomen functiewijziging zorgt niet voor een belemmering van het agrarisch gebruik van andere bedrijven. Ter plaatse van de dichtstbijzijnde burgerwoning is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.5 Ecologie

Regelgeving

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de natuurwetgeving de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en in de bescherming van dier- en plantensoorten. Voor gebiedsbescherming zijn de Natuurbeschermingswet 1998 en het NatuurNetwerk Nederland/de ecologische hoofdstructuur relevant en voor de soortbescherming de Flora- en faunawet.

De Flora- en faunawet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De Flora- en faunawet is in zoverre voor het initiatief van belang, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het initiatief niet in de weg staat.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. Het bestemmingsplan is een dergelijk besluit.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van EL&I de volgende interpretatie van artikel 11. De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar wordt gebroed, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen.

Beschrijving ontwikkelingen

De beoogde ontwikkelingen zijn beschreven in paragraaf 2.2. Voor de ecologische toets is van belang dat de partiële herziening tot doel heeft een (agrarische) functieverandering mogelijk te maken. Voor het nieuwe proefbedrijf wordt een gebouw voor de opslag van vlas gebouwd. Op een later tijdstip wordt een sanitairgebouw gerealiseerd en wordt verharding aangelegd.

De populieren worden afgetopt tot een hoogte van enkele meters (zie paragraaf 2.2), maar dit zou ook zonder de functieverandering moeten worden uitgevoerd.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Zeeland (met ondermeer de provinciale ecologische hoofdstructuur). Gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde.

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn door ir. J.J. van den Berg vastgesteld aan de hand van een veldbezoek op 24 september 2015, foto's, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl).

Vaatplanten

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten waargenomen. Gezien het beheer van het terrein zijn deze ook niet te verwachten.

Vogels

In de tuin bij het woonhuis en boomgaard en in de populieren langs de rand van het plangebied komen tuin- en struweelvogels voor. Hier zijn soorten als koolmees, roodborst, winterkoning en merel aanwezig. De sloten rond het plangebied bieden mogelijk leefgebied aan watervogels als meerkoet, wilde eend en waterhoen. In de populieren zijn tijdens het veldbezoek geen nesten van vogels met een vaste nestplaats vastgesteld. Zowel in de boomgaard als in de populieren zijn spechtengaten geconstateerd naar verwachting van de groene en grote bonte specht. Deze nesten zijn niet jaarrond beschermd, maar kunnen wel een functie vervullen voor vleermuizen (zie hierna).

Zoogdieren

Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel en konijn.

In 2015 zijn in de Hikkepolder ten noorden van Oud-Vossemeer (ongeveer 1 kilometer van het plangebied) 3 waarnemingen gedaan van de gewone dwergvleermuis (bron: www.waarneming.nl). Een zwaar beschermde soort volgens AMvB artikel 75 van de Flora- en faunawet (soort uit Tabel 3 bijlage IV Habitatrichtlijn). Het is niet uitgesloten dat de hiervoor vermelde holten in de populieren ook worden gebruikt als vaste rust en verblijfplaats door vleermuizen. Wanneer de populieren worden gekapt of teruggesnoeid dan zal voorafgaand daaraan nader onderzoek worden uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen, waaronder de gewone dwergvleermuis.

Amfibieën

Algemene amfibieën als bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen zeker gebruik maken van het plangebied (met name de tuin). Zwaarder beschermde soorten komen hier naar verwachting niet voor.

Vissen

Uit verspreidingsgegevens blijkt dat op Tholen geen matig of zwaar beschermde vissen voorkomen.

Overige soorten

Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde reptielen/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.2 naar verwachting voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime

  nader onderzoek nodig bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen  
vrijstellings- regeling Ffw   tabel 1     mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, hermelijn, wezel en konijn

bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander  
nee  
ontheffings- regeling Ffw   tabel 2     geen   nee  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen   nee  
    bijlage IV HR   geen   nee *)  
  vogels   cat. 1 t/m 4   geen   nee  

*) Indien de populieren worden gekapt of teruggesnoeid dan zal voorafgaand daaraan nader onderzoek worden uitgevoerd.

Soortenbescherming: toetsing

Bij de voorgenomen ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door het aftoppen van de populieren buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).
  • Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten uit tabel 2 en 3 geconstateerd, zodat nader onderzoek niet nodig is.
  • De Flora- en faunawet staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Conclusie

Wat de gebiedsbescherming betreft wordt geconcludeerd dat zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als het Natuurnetwerk Zeeland geen beletsel vormen voor de ontwikkeling. Er is geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist.

4.6 Archeologie en cultuurhistorie

Het aspect archeologie is afgewogen en geregeld in het geldende basisplan. De regeling die in het bestemmingsplan is opgenomen blijft onverkort van toepassing. Dat betekent dat zonder archeologisch onderzoek grondwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd en bouwwerken mogen worden gebouwd indien de gezamenlijke oppervlakte van de verstoring niet meer dan 500 m2 bedraagt en de verstoring niet dieper gaat dan 40 cm onder maaiveld.

In de paragrafen 2.1 en 2.2 is vermeld dat het woonhuis cultuurhistorisch waardevol is. Dit pand wordt verbouwd en vergroot waarbij de cultuurhistorische kwaliteiten van het pand worden gerespecteerd. Voor aanpassing van het woonhuis is geen aanpassing nodig van het bestemmingsplan.

4.7 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name grenswaarde voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van stikstofdioxide en fijn stof zijn in de volgende tabel weergegeven1. De grenswaarden gelden – met enkele uitzonderingen – voor de buitenlucht.

Tabel 4.1. Relevante luchtkwaliteitsnormen

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)2    jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit niet in betekenende mate (Besluit NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m3), of indien een project in een specifieke categorie valt (zoals woningbouw met 1 ontsluitingsweg en minder dan 1.500 woningen, of 2 ontsluitingswegen en minder dan 3.000 woningen).

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling valt binnen de categorie 'woningbouw minder dan 1.500 woningen'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en dat toetsing aan de grenswaarden vanuit de wetgeving niet nodig is.

Conclusie

Er wordt ruimschoots voldaan aan de normen die gelden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8 Verkeersaspecten

Verkeer

De locatie wordt ontsloten door de Boshoeveweg, een smalle plattelandsweg die ruim 300 meter noordelijk van het plangebied aansluit aan op de provinciale weg N656 (Oud-Vossemeer- Sint Annaland/Sint Philipsland). De breedte van de Boshoeveweg (circa 3m) is afgestemd op een verkeersintensiteit van 300 tot 350 mvt/etmaal.

In de nieuwe situatie zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied licht toenemen. De toename vanwege het proefbedrijf is echter zo gering dat dit niet voor problemen in de verkeersafwikkeling gaat zorgen.

Voor de minicamping is in de CROW-uitgave 317 ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012) voor een verkeersgeneratie opgenomen van 0,4 mvt/etmaal per campingplaats. Dit betreft echter een jaargemiddeld kencijfer. Door adviesbureau RBOI (thans Rho-adviseurs) is onderzoek gedaan naar verkeersgeneratie per standplaats tijdens toeristische piekmomenten. Uitkomst hiervan was een verkeersgeneratie van 1,7 tot 2,4 mvt/etmaal. Uitgaande van deze verkeersgeneratiecijfers en ten hoogste 15 standplaatsen bedraagt de maximale toename van het aantal verkeersbewegingen voor de minicamping circa 35 mvt/etmaal. Ook dit aantal is zo beperkt dat verkeersafwikkeling niet in het geding komt. De weg biedt ruim voldoende capaciteit om ook deze toename van de verkeersintensiteiten te kunnen afwikkelen.

Parkeren

In het plangebied zullen voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. Volgens de hiervoor vermelde CROW-uitgave 317 zijn voor een camping/kampeerterrein per standplaats 1 tot 1,3 parkeerplaatsen nodig. Gezien de specifieke doelgroep (studenten) kan in dit geval worden gerekend met 1 parkeerplaats per standplaats. Daarnaast wordt rekening gehouden met een enige extra capaciteit (circa 10%) vanwege bezoekers van het proefbedrijf. Indien in de praktijk blijkt dat er een tekort aan is aan standplaatsen dan is er voldoende ruimte om extra parkeerplaatsen aan te leggen.

Conclusie

Verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde planherziening

4.9 Planologisch relevante leidingen

Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig.

4.10 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.

Onderzoek

Uit raadpleging van de risicokaart Nederland voor de professionele gebruiker blijkt dat er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Evenmin is sprake is van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavige herziening.

4.11 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst indien daarbinnen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd. De toetsing geschiedt door akoestisch onderzoek.

De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. De voorkeursgrenswaarde in de Wet geluidhinder op de gevel van milieugevoelige functies is 48 dB.

Onderzoek

Op de Boshoeveweg geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. Uitgaande van deze snelheid en een maximum verkeersintensiteit op de Boshoeveweg van ten hoogste 400 mvt/etmaal in de nieuwe situatie, ligt de relevante 48 dB contour op minder dan 10 meter. De standplaatsen voor de minicamping zullen op grotere afstand worden aangelegd. Dat betekent dat een goed leefklimaat is gewaarborgd.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1 Wet ruimtelijke ordening en grondexploitatie

Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot een kostenverhaal door de gemeente indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening (Bro)). Doel hiervan is om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan.

In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De wetgever heeft de volgende verschillende bouwplannen vastgelegd:

  • bouw een of meer andere hoofdgebouwen;
  • uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

De gemeenteraad kan besluit af te zien van een exploitatieplan indien:

  • het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom);
  • het totaal van de exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,–;
  • de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

Toetsing

In de voorliggende herziening wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt die wordt aangemerkt als bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro, namelijk de bouw van een schuur voor de opslag van vlas. Voor deze ontwikkeling zijn er geen gemeentelijke kosten die betrekking hebben op aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Alleen de kosten die te maken hebben met de procedure van de voorliggende bestemmingsplanherziening zijn aan de orde. Hierover heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Het vaststellen van een exploitatieplan daarmee niet nodig.

5.2 Financiële uitvoerbaarheid

Voor de ontwikkelingen die thans rechtstreeks planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt zal de initiatiefnemer gegevens overleggen aan de gemeente waaruit blijkt dat deze de investeringen financieel kan dragen. Gelet op het vertrouwelijke karakter zijn de financiële gegevens niet in deze paragraaf opgenomen. De gemeente zal inzicht krijgen in de financiële gegevens. De financiële uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is met het oog op het voorgaande afdoende

gewaarborgd.

5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.3.1 Overleg

In artikel 3.1.6. van het Bro is tevens bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop maatschappelijke organisaties en burgers bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. De verplichting om tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn is vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Bro.

Het conceptontwerp van de herziening is toegezonden aan de overlegpartners. De resultaten van dit overleg is verwerkt in de hoofdstukken 3 en 4.

5.3.2 Procedure

Het ontwerp van de herziening van het bestemmingsplan heeft van 19 februari 2016 tot en met 31 maart 2016 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tegen het plan zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend.