direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan Haven 9, Sint-Maartensdijk
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.TAMHaven9SMD-VG01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Haven 9 en is als een hoofdstuk (hoofdstuk [22k]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Tholen. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP/TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/ regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22k] van het omgevingsplan van de gemeente Tholen]. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22k]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22k]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing;
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Haven 9', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0716.TAMHaven9SMD-OW01

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij de toepassing van deze planregels wordt volgt gemeten:

3.1 afstand:

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.

3.2 bouwhoogte van een (schotel)antenne-installatie:
  • a. ingeval van een vrijstaande installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de installatie;
  • b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde installatie: tussen de voet van de installatie en het hoogste punt van de installatie.
3.3 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 breedte, lengte en diepte van een gebouw:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

3.5 dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 goothoogte van een bouwwerk:
  • a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • b. bij meerdere/ verschillende (hellende) dakvlakken met verschillende goot- en/of boei-boordhoogten wordt de goot- en/of boeiboordhoogte gemeten bij het dakvlak, waarvan de verticale projectie meer bedraagt dan 50% van het grondoppervlak van een gebouw;
  • c. bij toepassing van een lessenaarsdak wordt goothoogte gemeten op het hoogste snijpunt van het dakvlak met de daaronder gelegen gevel: onder de gevel wordt tevens verstaan het hart van de scheidsmuren met een gebouw op een aangrenzend bouwperceel.
3.7 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.

3.9 vloeroppervlakte:

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

5.2 Functieomschrijving

De voor 'Groen'aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. water, waterhuishoudkundige voorzieningen, infiltratie;
  • c. duikers en bruggen;
  • d. paden, verhardingen, muren en grondkeringen;
  • e. speelvoorzieningen en straatmeubilair;
  • f. openbare nutsvoorzieningen;
  • g. objecten van beeldende kunst;
  • h. uitsluitend ter plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - calamiteitenontsluiting': een afsluitbare ontsluiting die bij calamiteiten kan worden gebruikt door hulpdiensten en voor het ontvluchten van het gebied;

een en ander met de hierbij bijbehorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals water-infiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins.

Artikel 6 Wonen - gestapeld

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen - gestapeld.

6.2 Functieomschrijving

De voor 'Wonen - gestapeld' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gestapelde woningen met bijbehorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. aan-huis-verbonden beroep;
  • c. parkeren, verkeersruimte, paden en verblijfsgebieden;
  • d. tuinen en erven;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling;
  • h. speelvoorzieningen en straatmeubilair.
6.3 Beoordelingsregels

Op de voor 'Wonen - gestapeld' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in artikel 6.2 genoemde doeleinden, alsmede bouwwerken ten dienste van de technische uitrusting van wegen, water en groen.

6.3.1 Woningaantal
  • a. het totaal aantal woningen mag binnen de bestemming niet meer bedragen dan 17.

6.3.2 Maatvoering hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de op de verbeelding aangeduide maximum goothoogte (m) en maximum bouwhoogte (m);
  • b. de oppervlakte van gebouwen mag heel het perceel bedragen.

6.3.3 Maatvoering bijbehorende bouwwerken

Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bijgebouwen, bedragen per bouwperceel ten hoogste;

  • a. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt een hoogte van 3 m;
  • b. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt een hoogte van 6 m;
  • c. de oppervlakte van bijgebouwen bedraagt maximaal 60 m².

6.3.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt:

  • a. erfscheidingen: 2 m;
  • b. lichtmasten: 5 m;
  • c. overig bouwwerk, geen gebouw zijnde: 3 m.

6.4 Ondergronds bouwen en -aanleggen

 

6.4.1 Ondergrondse werken, geen gebouwen zijnde

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen bepalingen, geen beperkingen.

6.4.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. Voor het bouwen van overige ondergrondse bouwwerken geldt dat alleen ondergronds mag worden gebouwd waar bovengronds gebouwen aanwezig zijn, met dien verstande dat:
  • b. ondergronds bouwen niet is toegestaan onder vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
  • c. de verticale diepte maximaal 5 m mag bedragen.

6.5 Specifieke beoordelingsregels

Het bevoegd gezag kan, onder de voorwaarde dat de afwijking stedenbouwkundig aanvaardbaar is en geen onevenredige consequenties heeft voor de verkeersveiligheid, door middel van het bepaalde in 6.3.3 sub c voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen.

6.6 Specifieke functieregels
6.6.1 Uitoefening andere activiteiten in woningen

Uitoefening van aan-huis-gebonden-beroepen, logies met ontbijt en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is toegestaan in een woning en in bijbehorende bouwwerken, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de activiteit is in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt aan de woning en de woonomgeving.
  • b. de vloeroppervlakte voor deze andere activiteiten bedraagt in totaal ten hoogste 50 m2.
  • c. het beroep of de activiteit dient door de bewoner te worden uitgeoefend.
  • d. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving.
  • e. het gebruik mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat deze kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte.
  • f. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten.

6.6.2 Strijdig gebruik

Als een gebruik strijdig met de bestemming wordt bedoeld:

  • a. het gebruik van een woning door meer dan één huishouden;
  • b. het gebruik van een logiesfunctie als onzelfstandige woonruimte;
  • c. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woonruimte;
  • d. opslag en verkoop van vuurwerk.

6.6.3 Voorwaardelijke verplichting bodem

Het gebruik van de gronden zoals bedoeld in lid 6.2 is slechts toegestaan indien:

  • a. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie, of;
  • b. door middel van bodemsanering of –afdekking maatregelen zijn getroffen waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • c. het bepaalde onder b dient vastgelegd te zijn in een door het bevoegd gezag geaccepteerd bodemonderzoek of saneringsrapport.
  • d. In afwijking van het bepaalde onder a mag van de gronden geen gebruik worden gemaakt voor bewoning of aanleg van tuinen en speelvoorzieningen voordat aan de voorwaarden is voldaan.
  • e. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het uit te voeren bodemonderzoek of de wijze van afdekking, ter bescherming van de volksgezondheid en het milieu.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Verkeer.

7.2 functieomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen;
  • b. wonen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - balkons';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', uitsluitend een parkeerterrein;

bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, kleinschalige speelvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, geluidwerende voorzieningen, horecaterrassen, niet-permanente vent- en standplaatsen voor ambulante handel, reclame-uitingen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals water-infiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins.

7.3 beoordelingsregels

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen uitsluitend balkons worden gebouwd ten dienste van de in artikel 7.2 genoemde doeleinden waarbij de minimale bouwhoogte 2,5 meter moet bedragen.

Artikel 8 Waarde - Archeologie - 1

8.1 Gebruiksregels

Het voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies mede bedoeld voor de voor het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en aanwezige vindplaatsen.

8.2 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

8.2.1 Algemeen

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde gebruiksactiviteit uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. in afwijking van lid a zijn bouwactiviteiten toegestaan ten behoeve van andere hier voorkomende functies indien en voor zover het een bouwplan betreft dat betrekking heeft op:
      • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
      • 2. een bouwwerk, waarvan de oppervlakte van de verstoring niet meer dan 50 m2 bedraagt;
      • 3. een bouwwerk dat niet dieper dan 40 cm wordt geplaatst.

8.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 8.2 als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; of
  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.

8.4 Werk en werkzaamheden
8.4.1 Vergunning voor werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • c. het planten of rooien van bomen waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.4.2 Uitzonderingen

Het verbod van lid 8.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. normaal beheer of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 8.2 in acht is genomen;
  • d. niet dieper reiken dan 40 cm onder het maaiveld;
  • e. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 50 m²;
  • f. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

8.4.3 Beoordelingsregels

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 8.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veilig gesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van de archeologische resten in de bodem;
    • 2. het doen van opgravingen;
    • 3. het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.

Artikel 9 Waarde - Beschermd stadsgezicht

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Beschermd stadsgezicht'.

9.2 Functieomschrijving

De voor Waarde - Beschermd stadsgezicht aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende functies - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, (historische) stedenbouwkundige en (historisch-) architectonische waarden in verband met de ligging binnen het Waarde - Beschermd stadsgezicht.

9.3 Bouwregels
9.3.1 Voorgevels
  • a. De indeling van de hoofdgebouwen dient te worden bepaald door verticaal gerichte elementen, waarbij de onderlinge afstand tussen de elementen – gemeten tussen de denkbeeldige middellijnen van deze elementen – minimaal 1,5 m en maximaal 2,5 m bedraagt.
  • b. De hoofdgebouwen moeten worden geplaatst in de naar de weg gekeerde grens van een bouwvlak.
  • c. De voorgevel (of een vergelijkbare gevel) van een hoofdgebouw, dient zodanig te worden gebouwd dat ter plaatse van de voorste bouwgrens, deze gevel in die grens wordt gebouwd.
  • d. De hoofdgebouwen binnen een bouwvlak moeten worden aaneengebouwd waarbij onder aaneenbouwen tevens wordt verstaan het bouwen met een onderlinge afstand van minder dan 1,5 m.

9.3.2 Daken
  • a. de hoofdgebouwen moeten worden afgedekt met een schuine kap waarvan de hellingshoek ten minste 45° en ten hoogste 75° bedraagt;
  • b. een dakkapel mag niet breder zijn dan 1,5 m.

9.3.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Het bepaalde in lid 9.3.1 en 9.3.2 is niet van toepassing op wettelijk beschermde momenten.
  • b. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3.1 en 9.3.2 indien en voor zover geen onevenredige schade wordt toegebracht aan dan wel herstel verzekerd is van het historisch en ruimtelijk karakter van het beschermd gezicht en nadat de monumentencommissie om advies is gevraagd.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Beschermd stadsgezicht zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het wegnemen of veranderen van stoepen, alsmede het wijzigen van de wegindeling;
  • b. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • c. het dempen van aanwezige waterlopen;
  • d. het slopen van bouwwerken anders dan ter uitvoering van een bouwplan waar voor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  • e. het beplanten van gronden met houtgewassen, ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant;
  • f. het verwijderen, kappen of rooien of beschadigen van bomen of andere opgaande beplanting.

9.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsbeleid

Het verbod, zoals in lid 9.4.1bedoeld is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. bij het van toepassing zijn van de Monumentenwet.

9.4.3 Voorwaarde voor omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden, zoals in lid 9.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar indien daardoor geen onevenredige schade wordt toegebracht aan dan wel herstel is verzekerd van het historisch en ruimtelijk karakter van het beschermd stadsgezicht en nadat de monumentencommissie om advies is gevraagd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt;
  • b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt;
  • c. andere ondergeschikte bouwdelen, zoals dakoverstekken, risalieten, gevelversieringen, funderingen en andere daaraan gelijk te stellen bouwdelen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.

10.2 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
  • a. Voor een bouwwerk, dat bij in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    • 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
    • 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. Ingeval van herbouw is 10.2 a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
  • c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken:

  • van aan-, uit- of bijgebouwen voor het zelfstandig bewonen;
  • van aan-, uit- of bijgebouwen als afhankelijke woonruimte;
  • van de gronden voor seksinrichtingen; en
  • verkoop/opslag van vuurwerk.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

12.1 Maten, bouwgrenzen en bestemmingsgrenzen

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
  • b. bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken of bestemmingen dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 13 Overige regels

13.1 Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de functie van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in het vastgestelde 'Mobiliteitsplan Tholen 2022-2030'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.

13.2 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

13.3 Duurzame ontwikkeling
13.3.1 Opwekking en levering van duurzame energie

In de bestemmingen zijn de bouw en het gebruik van installaties voor de opwekking en levering van duurzame energie waaronder warmte-koude-opslag als ondergeschikte functie begrepen, onder de voorwaarde dat deze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Met ondergeschikte functie wordt bedoeld dat de duurzame energieopwekking zowel wat betreft het gebruik van de percelen en gebouwen als wat betreft ruimtelijke uitstraling niet de boventoon mag gaan voeren en het karakter van de hoofdbestemming niet mag gaan bepalen.

Voor de realisatie van installaties voor de opwekking en levering van duurzame energie, dient bij het bevoegd gezag een melding te worden ingediend.

Voor de realisatie gelden de volgende regels:

  • a. de voorziening levert geen beperkingen op voor natuur en milieu;
  • b. de voorziening levert geen negatieve effecten op voor de waterhuishouding of de bodemkwaliteit;
  • c. de voorziening kevert geen beperkingen op voor nabijgelegen voorzieningen.

13.3.2 Innovaties duurzaamheid en klimaat

Bij omgevingsvergunning zijn in afwijking van de bouwregels in Hoofdstuk 3, bouwwerken toegestaan die innovatieve duurzaamheid en klimaatadaptatie bevorderen, met dien verstande dat:

  • a. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor natuur en milieu;
  • b. de bouwwerken geen negatieve effecten opleveren voor de waterhuishouding en bodemkwaliteit;
  • c. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor nabijgelegen woningen en voorzieningen.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

 

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
14.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het onderhavige TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

14.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 14.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 14.1.1 met maximaal 10%.

14.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het onderhavige TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het onderhavige TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.