direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Tholen, Oudelandsedijk ong.
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

De gemeente Tholen is voornemens om de bestaande woonwagenlocatie op de locatie Oudelandsedijk ongenummerd uit te breiden van 5 standplaatsen tot maximaal 9 standplaatsen. De uitbreiding is voorzien aan de westzijde van de bestaande woonwagenlocatie. Het plangebied valt zowel binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Tholen' als binnen het bestemmingsplan 'Verblijfsrecreatieterreinen'. Binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Tholen' heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Het uitbreidingsplan is om deze reden in strijd met het bestemmingsplan. Binnen het bestemmingsplan 'Verblijfsrecreatieterreinen' heeft het plangebied de bestemming 'Wonen – Woonwagens' en de bestemming 'Groen'. Het (uitbreidings)plan p ast niet binnen de begrenzing van de geldende bestemmingen. Een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om het uitbreidingsplan mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan voorziet in de motivering om op deze locatie maximaal 9 standplaatsen planologisch-juridisch mogelijk te maken.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Tholen. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 19.352 m2 en bestaat uit de volgende kadastrale percelen:

  • TLN0o, sectie O, perceelnummer 1319 (14.185 m2)
  • TLN00, sectie O, perceelnummer 1291 (1.105 m2)
  • TLN00, sectie O, perceelnummer 1744 (1.250 m2)
  • TLN00, sectie O, perceelnummer 1745 (1.580 m2)
  • TLN00, sectie O, perceelnummer 1294 (ca. 1.232 m2)

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0001.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Beschrijving project

2.1.1 Huidige situatie

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Postweg en aan de oostzijde door de Oudelandsedijk (afbeelding 2 en 3). Aan de zuidzijde van het plangebied is een brede sloot met rietkragen gelegen (afbeelding 2). Aan de westzijde zijn agrarische percelen gelegen (afbeelding 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0002.png"

Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied - bezien vanaf de Oudelandsedijk (bron: Google Street View)

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0003.png"

Afbeelding 3 | Huidige situatie plangebied - bezien vanaf de Postweg (bron: Google Street View)

De woonwagenlocatie aan de Oudelandsedijk 2a t/m 2e is in gebruik sinds 1974 (afbeelding 4). In de huidige situatie heeft de woonwagenlocatie vijf standplaatsen. De westzijde van het plangebied, de gronden waarop de uitbreiding is voorzien, bestaan uit akkerland. De huidige woonwagenlocatie heeft twee opritten en is omgeven door bomen en heesters.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0004.png"

Afbeelding 4 | Huidige situatie plangebied - bezien vanaf de Oudelandsedijk (bron: Google Street View)

2.1.2 Toekomstige situatie

Er is behoefte aan meer standplaatsen. Daarnaast zal de huidige woonwagenlocatie gesaneerd moeten worden. Voor de sanering is het van belang dat de locatie leeg is. Het uitgangspunt is dan ook om een nieuwe locatie te realiseren waarbij de huidige locatie vrijgehouden wordt, zodat na realisatie de sanering uitgevoerd kan worden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarom in een herstructurering van de bestaande woonwagenlocatie en een uitbreiding in westelijke richting. In de toekomstige situatie wordt de woonwagenlocatie met 4 standplaatsen uitgebreid tot een totaal van maximaal 9 standplaatsen. De standplaatsen worden landschappelijk ingepast en er wordt voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein. Rondom de standplaatsen wordt voorzien in een grote groenzone dat aansluit op het openbaar groen van het gemeentehuis. Nadere invulling hiervan wordt nog verder uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0005.png"

Afbeelding 5 | Toekomstige situatie plangebied (bron: gemeente Tholen)

2.2 Juridische regeling

2.2.1 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt zowel het bestemmingsplan 'Buitengebied' als het bestemmingsplan 'Verblijfsrecreatieterreinen'. Het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Tholen is op 19 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Agrarisch'. Het planvoornemen is om deze reden in strijd met het geldende bestemmingsplan. Verder is over het plangebied de gebiedsaanduiding 'Overige zone - afwegingszone - woon- en verblijfsgebied' gelegen. De voor 'afwegingszone - woon- en verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het waarborgen van de belangen van aangrenzende woonkernen en verblijfsrecreatieve terreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0006.png"

Afbeelding 4 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ter plaatse van het plangebied geldt daarnaast het bestemmingsplan 'Verblijfsrecreatieterreinen'. Dit bestemmingsplan is op 13 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Wonen – Woonwagens', 'Groen' en 'Verkeer'. Ter plaatse van de bestemming 'Groen' is de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - 1' opgenomen. Deze gronden zijn uitsluitend bestemd voor landschappelijke afscherming van recreatieterreinen door middel van opgaande beplanting. Doordat de voorgenomen ontwikkeling de bestemmingsgrenzen overschrijd, wordt niet voldaan aan het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0007.png"

Afbeelding 5 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Verder is over het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' gelegen. Hieraan wordt getoetst in paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie.

2.2.2 Planuitwerking

Ten aanzien van de planmethodiek is aangesloten op het bestemmingsplan 'Verblijfsrecreatieterreinen' en op het bestemmingsplan 'Kommen Gemeente Tholen'. Ter plaatse van de woonwagens is de bestemming 'Wonen - Woonwagens' opgenomen. In de planregels is vastgelegd dat ter plaatse maximaal 9 woonwagens zijn toegestaan. Daarnaast is de bestemming 'Verkeer' opgenomen om de openbare ruimte aan te duiden. Verder is de bestemming 'Groen' opgenomen. Over het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' opgenomen. Tussen de woonwagens is eveneens de bouwaanduiding 'Specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing' opgenomen om bebouwing uit te sluiten. Zodoende wordt de eis vanuit de WBDBO voor een onderlinge afstand van 5 meter vanwege brandoverslag geborgd.

2.2.3 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten

De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Wonen- Woonwagens

De standplaatsen hebben de bestemming 'Wonen-Woonwagens'. Deze gronden zijn bestemd voor het wonen in woonwagens. Ter plaatse zijn niet meer dan 9 woonwagens toegestaan. Tussen de woonwagens is eveneens de bouwaanduiding 'Specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing' opgenomen om bebouwing uit te sluiten.

Verkeer

Een deel van het plangebied heeft de bestemming 'Verkeer'. Binnen de verkeersbestemming is een ontsluiting en parkeerplaatsen mogelijk.

Groen

De ruimte rondom de standplaatsen is bestemd als 'Groen'. Binnen de groenbestemming zijn groenvoorzieningen en water mogelijk. Daarnaast zijn binnen de bestemming o.a. speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan.

Waarde-Archeologie 2

De dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' is opgenomen. Grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 40 cm-mv zijn niet toegestaan, zonder dat vooraf met een onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarde aanwezig is.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Overgangs- en slotregels

In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit bestemmingsplan.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6). De Ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De Ladder luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er sprake van het mogelijk maken van 4 nieuwe standplaatsen voor woonwagens. Deze ontwikkeling is daarmee niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder kan derhalve achterwege blijven. Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zeeland

Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben op de fysieke leefomgeving samengevoegd. De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 21 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn:

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland.
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied.
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie.
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn:

  • 1. Doe meer met minder grond.
  • 2. Werk samen en deel kosten en baten.
  • 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
  • 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.

Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening, welke nog vastgesteld moet worden, wordt het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd.

Kijkend naar het onderhavige plan sluit deze het meest aan bij de bouwstenen zoals genoemd onder de ambitie 'Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland' waarbij, gelet op de aanzet die gegeven is voor de afwegingsfactoren, overwogen kan worden dat de woningbouwplannen passen bij de locatie en daar een meerwaarde voor bieden.

Voor de woningvoorraad is de doelstelling ''Een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag.'' van toepassing. Naast de uitbreidingsbehoefte van de Zeeuwse woningvoorraad moet de focus van het woonbeleid ook op de bestaande voorraad komen te liggen. Voor de bouwsteen 'Woonomgeving' geldt de doelstelling: ''Onze woonomgeving is veilig en klimaatadaptief, lokt gezond gedrag uit en draagt bij aan biodiversiteit.''. Hierin speelt toekomstbestendige woongebieden op de goede plek een belangrijke rol. Verder is water in de nabijheid van de woonomgeving gunstig voor de waardeontwikkeling van woningen, en biedt dit ook kansen voor ontwikkeling van natuur en groen. Daartegenover staan een aantal consequenties zoals de waterveiligheid van oevers (bereikbare oevers voor spelende kinderen) en ontwikkeling van plaagdieren (muggen, ratten, e.d.) bij zomerse temperaturen. De beste waterberging zit wat dit betreft in de ondergrond door gebruik te maken van infiltratie waar dat mogelijk is.

In de Zeeuwse Omgevingsvisie is geen specifieke aandacht besteed aan woonwagenlocaties. Een woonwagenlocatie kan echter wel gezien worden als een woonbuurt van een gemeente. Door de herstructurering en uitbreiding wordt voorzien in een toekomstbestendige woonvoorziening voor woonwagenbewoners.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit plan raken.

Uitbreiding van de bestaande woonwagenlocatie op de locatie Oudelandsedijk is een ontwikkeling in het landelijk gebied. De ontwikkeling moet daarom voldoen aan de regels voor bouwen in het landelijk gebied.

Deze ontwikkeling past niet binnen bestaand stedelijk gebied, aangezien hiervoor geen maatschappelijk draagvlak te vinden is. Daarnaast wil de doelgroep graag op dezelfde locatie blijven wonen. Woonwagenbewoners leven in groepsverband en hebben een eigen leefcultuur. Uitbreiding van de bestaande locatie is daarom logischer dan te kiezen voor inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied.

Verder zijn woonwagenbewoners een aandachtsgroep uit het programma 'Een Thuis voor iedereen'. Dit is het 2e van de 6 programma's onder de Nationale Woon- en Bouwagenda. Dit programma heeft als doel te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen met een evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. Aangezien woonwagenbewoners een aandachtsgroep zijn, geeft dit aanleiding om ruimte te willen houden voor een uitbreiding met drie standplaatsen in de toekomst. Om deze reden is ook voorzien in een ruime opzet van het plan.

Onderhavige locatie grenst aan het nieuwe woongebied Buitenzorg, welke aan de oostzijde van de Oudelandsedijk en ten zuiden van de Postweg gerealiseerd gaat worden. Dit is een gebied met 200 woningen. Start van het proces van woongebied Buitenzorg is voorzien in 2024. Aangezien de woonwagenlocatie grenst aan het nieuwe woongebied Buitenzorg en uitgebreid wordt richting het noorden, kan de woonwagenlocatie gezien worden als een uitbreidingswijk. De woonwagenlocatie sluit daarom aan op toekomstig bestaand stedelijk gebied. Er hoeft om deze reden niet voldaan te worden aan de regels van de provincie over bouwen in het buitengebied. De behoefte aan extra standplaatsen wordt aangetoond in 3.3 Gemeentelijk beleid.

Provinciaal beleid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Tholen (concept)

De concept-omgevingsvisie Tholen vormt een beleidskader op hoofdlijnen, waarin de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de langere termijn vastlegt voor het hele grondgebied. Hiermee wordt duidelijkheid en perspectief geboden aan inwoners en bedrijven over de gewenste ontwikkelrichting en worden partijen geïnspireerd hierop in te spelen. Aan deze concept-omgevingsvisie liggen 3 thema’s of pijlers ten grondslag die onderling samenhangen. Uitgangspunt is dat het te voeren beleid in de omgevingsvisie in ieder geval een positieve bijdrage moet leveren aan deze 3 pijlers:

  • 1. Gezondheid
  • 2. Leefbaarheid
  • 3. Ruimtelijke kwaliteit

De voorgenomen ontwikkeling betreft de herstructurering en uitbreiding van de bestaande woonwagenlocatie. Deze ontwikkeling draagt voornamelijk bij aan pijler 2 en 3. Door de uitbreiding van het aantal standplaatsen ontstaat de mogelijkheid voor een groei van de woonwagengemeenschap. Door de herstructurering en uitbreiding, gecombineerd met een landschappelijke inpassing, wordt de uitstraling en ruimtelijke kwaliteit van de woonwagenlocatie sterk verbeterd. Het voornemen draagt bij aan de doelen van de concept-omgevingsvisie.

Toekomstvisie Tholen 2025

Op 24 april 2003 stelde de gemeenteraad de toekomstvisie "bestemming Tholen" vast. Het document bevat de toekomstvisie voor de gemeente Tholen tot 2025. Zes uitgangspunten vormen het fundament voor de gewenste ontwikkelingskoers voor de gemeente Tholen:

  • 1. behoud van de ruimtelijke kernkwaliteiten rust en ruimte;
  • 2. behoud en versterking van de sociaal-maatschappelijke kwaliteit van de Thoolse samenleving;
  • 3. behoud en versterking van het eigen karakter van de kernen en het landelijk gebied;
  • 4. behoud van de leefbaarheid, waaronder de voorzieningenstructuur;
  • 5. duurzaamheid van nieuwe ontwikkelingen;
  • 6. dienstverlening vanuit de overheid en inwonersparticipatie.

Voorgenomen ontwikkeling sluit het beste aan bij het tweede uitgangspunt: behoud en versterking van de sociaal-maatschappelijke kwaliteit van de Thoolse samenleving. Woonwagenbewoners hebben een eigen culturele identiteit. Het leven in een woonwagen mag niet enkel gezien worden als een woonwens, maar maakt onderdeel uit van de identiteit van de woonwagenbewoners. Gemeenten worden geacht rekening te houden met de wensen van woonwagenbewoners en te voorzien in voldoende standplaatsen. Door de uitbreiding van het aantal standplaatsen wordt voorzien in voldoende standplaatsen voor de woonwagengemeenschap.

Woonvisie gemeente Tholen 2021-2026

In oktober 2021 is de Woonvisie 2021-2026 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze visie gaat uit van het behouden en versterken van de bestaande woonkwaliteiten in de kernen en het buitengebied. Als gemeente wordt gestreefd naar een diverse, betaalbare en duurzame woningvoorraad, passend binnen de huidige en toekomstige woonbehoefte.

Uit de woonvisie is de paragraaf 'Aantrekkelijke en gevarieerde nieuwbouw' van toepassing. Tot 2030 verwacht de gemeente op basis van de provinciale prognose (2019) nog een groei van circa 1.000 huishoudens. De verwachting is dat deze groei richting 2040 verder door zal zetten met tenminste nog eens 700 huishoudens. De groei wordt vooral verwacht in de grotere kernen met meer voorzieningen, zoals Tholen, Sint-Annaland en Sint-Maartensdijk.

Nieuwbouwplannen moeten bestaan uit een gedifferentieerd aanbod aan woningen. De gemeente streeft bij nieuwe woningbouwplannen dan ook naar een mix van woningen in zowel de koop, sociale huur- en vrijesectorhuur. De gemeente zet hierbij extra in op het bouwen voor doorstroming. Binnen het levensloopbestendige segment zien we vooral behoefte aan vrijesectorhuur, ruimere koopwoningen - en appartementen en sociale huurwoningen. Bij het ontwikkelen van nieuwe plannen houden ze het rustige, ruimtelijke, kleinschalige karakter van Tholen in het oog. Ze ontwikkelen gedifferentieerde wijken waarin verschillende doelgroepen kunnen wonen. Voor elke locatie wordt daarom geanalyseerd wat ten behoeve van de leefbaarheid en klimaatadaptatie de meest passende invulling is. Dit heeft als consequentie dat ze, om in de woonbehoefte te voorzien, ook uitbreidingslocaties ontwikkelen. De gemeente werkt met een volkshuisvestelijk afwegingskader voor nieuwe woningbouwplannen. Dit helpt de gemeente en initiatiefnemers om plannen te ontwikkelen die aansluiten bij de kwalitatieve woningbehoefte.

In de woonvisie wordt ook specifiek ingegaan op woonwagenbewoning. Gemeente Tholen kent op dit moment 1 woonwagenlocatie met 5 standplaatsen aan de Oudelandsedijk te Tholen. Op 3 van de 5 standplaatsen staat een woonwagen. Op grond van het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van het Rijk moeten woningzoekenden op redelijke termijn kans maken op een standplaats. Volgens uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens zijn de rijksoverheid, gemeenten en woningcorporaties verplicht om de woonwagencultuur te beschermen en het leven in de woonwagencultuur mogelijk te maken en waar nodig actief te faciliteren. Daarnaast wordt ingegaan op wachtlijst en toewijzing. Dit bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het aantal gewenste standplaatsen.

Afwegingskader woningbouw gemeente Tholen

Het afwegingskader is een instrument dat wordt toegepast om plannen op volkshuisvestelijk gebied te beoordelen. Het dient de volgende doelen:

  • Het realiseren van een woningbouwprogramma dat aansluit op de kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoeften van de verschillende doelgroepen binnen de gemeente;
  • Het voorkomen en tegengaan van leegstand van woningen of ander vastgoed;
  • Het behoud van leefbare kernen en buurtschappen en het versterken van de omgevingskwaliteit.

Voor de toetsing van woningbouwplannen wordt het stroomschema doorlopen:

  • Stap 1 Basisprincipes: Betreft het plan meer dan 11 woningen? Ja. Vanaf 11 woningen is ook de Laddertoets van toepassing. Plannen van maximaal 11 woningen worden vrijgesteld van toetsing aan het afwegingskader.
  • Stap 2 Kwalitatieve toets: Elk initiatief wordt volkshuisvestelijk getoetst. Per criterium wordt beoordeeld of het initiatief beantwoordt aan het betreffende criterium. Het gaat hierbij om de volgende drie criteria.
    • 1. Invulling aan kwalitatieve woningbehoefte
    • 2. Verduurzaming bebouwde omgeving
    • 3. Herbestemming en onttrekking leegstaand vastgoed - niet van toepassing

Voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van 7 standplaatsen. Het plan is, zoals beschreven in 3.1 Rijksbeleid, niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling en daarmee ook niet ladderplichtig. Het plan sluit wel aan bij de behoefte van de woonwagengemeenschap aan extra standplaatsen voor woonwagens. Het plan draagt hiermee bij aan het behoud en versterking van de woonwagengemeenschap.

Woonwagen- en standplaatsenbeleid (concept)

In het Woonwagen- en standplaatsenbeleid stelt de gemeente Tholen het belangrijk te vinden dat haar inwoners prettig kunnen wonen, werken en recreëren. In Nederland en ook in gemeente Tholen wordt ernaar gestreefd een inclusieve samenleving te zijn; iedereen doet -binnen de eigen cultuur- mee in onze maatschappij én neemt zijn of haar verantwoordelijkheid als burger.

Het woonwagen- en standplaatsenbeleid moet bijdragen aan de gemeentelijke visie zoals hierboven genoemd en wordt daarom onderdeel van het reguliere huisvestingsbeleid dat staat verwoord in de Woonvisie. Hierdoor ontstaan er duidelijke beleidsmatige- en juridische kaders voor het voeren van adequaat beleid, die helderheid en zekerheid geven aan woonwagenbewoners en hun toekomstmogelijkheden.

Verder is het Thoolse woonwagen- en standplaatsenbeleid in overeenstemming met mensenrechtelijke uitgangspunten en blijft tenslotte de leidraad van het gemeentelijk beleid de erkenning en waardering voor de woonwagencultuur. De culturele identiteit van woonwagenbewoners kenmerkt zich hoofdzakelijk door twee elementen, namelijk Wonen in familieverband en Wonen in een woonwagen.

De voorlopige uitgangspunten die horen bij deze visie zijn:

  • 1. We maken een duidelijk onderscheid tussen de rol van de gemeente en de rol van woningcorporaties. De gemeente maakt beleid en zorgt voor toegankelijkheid, handhaving en onderhoud van het openbaar gebied. Ook verkoopt ze grond voor de realisatie van standplaatsen aan de woningcorporatie voor verhuur of aan particulieren die het zelf kunnen betalen. Corporaties voorzien in de sociale huisvesting;
  • 2. Afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (uitzonderlijke omstandigheden buiten beschouwing gelaten) zolang er behoefte is aan standplaatsen;
  • 3. In de toekomst vrijkomende standplaatsen wijzen we toe volgens de toewijzingsverordening woonwagenstandplaatsen. De gemeente beheert een wachtlijst van geïnteresseerde standplaatszoekenden en houdt de inschrijvingen bij. Conform landelijk beleid zorgt de gemeente ervoor dat een standplaatszoekende binnen een redelijke termijn kans maakt op het verkrijgen van een standplaats.
  • 4. De behoefte aan standplaatsen is in kaart gebracht en op basis daarvan zet de gemeente zich in om binnen de komende vijf jaar voldoende huurstandplaatsen bestemd te hebben boven op de capaciteit op de bestaande woonwagenlocatie aan de Oudelandsedijk (= 5 standplaatsen).
  • 5. De woonwagenlocatie(s) zijn schoon, heel en veilig;
  • 6. De (nieuwe) woonwagenlocatie voldoet aan de geldende wet- en regelgeving;
  • 7. De koopkavels zijn conform de NHG-grens betaalbaar voor de doelgroep en blijven voor zover mogelijk beschikbaar voor de lokale woonwagengemeenschap en hun directe familieleden;
  • 8. De gemeente Tholen en Stadlander maken concrete afspraken over de realisatie van voldoende huurstandplaatsen en leggen die afspraken vast in de prestatieafspraken;
  • 9. Er is een eenduidige toewijzingsverordening die ruimte geeft aan het leven in familieverband. Deze verordening treedt tegelijkertijd met dit beleid in werking. Toewijzingsverordening woonwagenstandplaatsen Tholen). Vrijkomende standplaatsen wijzen we toe volgens deze toewijzingsverordening. De gemeente beheert de wachtlijst en houdt de inschrijvingen bij. Conform landelijk beleid zorgt de gemeente er tevens voor dat een standplaatszoekende binnen een redelijke termijn kans maakt op het verkrijgen van een standplaats;
  • 10. Eind 2028 evalueren we dit beleid en stellen we dit eventueel bij en/of vullen dit aan.

Woonwagenbewoners moeten binnen een redelijke termijn kans maken op een standplaats. Het aantal te realiseren standplaatsen is afhankelijk van de behoefte aan standplaatsen. Uit behoefteonderzoek van de gemeente blijkt dat er een behoefte is aan maximaal 9 standplaatsen. De locatie wordt opnieuw ingericht en voldoet daarmee aan de doelstelling dat het plangebied schoon, heel en veilig is. Verder worden de woningen gasloos gerealiseerd en voldoen aan de BENG-normering.

Gemeentelijk beleid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

Op het plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2'. Archeologisch onderzoek is nodig wanneer de grond- of graafwerkzaamheden dieper gaan dan de vrijstellingsdiepte (40 cm) beneden het maaiveld en hierbij het te verstoren oppervlak onder de vrijstellingsdiepte groter is dan 250 m2. De vrijstellingswaarden zullen, vanwege de grondwerkzaamheden m.b.t. infrastructuur, ontsluiting en parkeerplaatsen, overschreden worden. Archeologisch onderzoek is daarom benodigd. Artefact heeft op 15 september 2023 een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 1).

Uit het onderzoek blijk dat voor het niveau van de Kreekrak Formatie en de top van het Hollandveen een middelhoge verwachting geldt. Mogelijk archeologische vindplaatsen kunnen worden aangetroffen vanaf 0,35 m -mv (1,42 m –NAP) aan de noordzijde van het plangebied (groene zone in afbeelding 6) en 0,80 m-mv (1,84 m -NAP) in het grootste deel van het plangebied (gele zone in afbeelding 6).

Op basis van het huidige onderzoek wordt dan ook geadviseerd om bij de wijziging van het bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming te behouden. Voor de noordzijde van het plangebied dient de huidige vrijstellingsgrens van 0,40 m-mv behouden te blijven (groene zone in afbeelding 6). In het overige deel van het plangebied kan de vrijstellingsdiepte verruimd worden naar 0,70 m-mv (1,74 m-NAP) (gele zone in afbeelding 6). Daarbij is een buffer van 10 cm boven het archeologische niveau genomen. Indien binnen de bovengenoemde gebieden (grootschalige) graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan de vermelde vrijstellingsgrenzen wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0008.png"

Afbeelding 6 | Advieskaart archeologisch onderzoek (bron: Artefact)

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig. De ingrepen zijn beperkt van aard.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

Aan de oostzijde van het plangebied is een bedrijfsbestemming gelegen met de functieaanduiding 'opslag'. Op die bestemming zijn bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 2. Hiervoor geldt, conform de VNG-brochure 'Bedrijven- en milieuzonering' een richtafstand van 30 meter. Hier wordt niet aan voldaan. Gelet op de functiemenging in het gebied (wonen, bedrijvigheid en agrarisch) kan de locatie ook aangemerkt worden als 'gemengd gebied'. Hierdoor kan de richtafstand verkleind worden met één afstandstap naar 10 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde omgeven door agrarische bestemmingen waar agrarische activiteiten zijn toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Op basis van de inrichtingsschets (afbeelding 2) wordt hier aan voldaan. Bovendien zijn er in de huidige situatie reeds standplaatsen voor woonwagens aanwezig.

4.4 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Om risico's uit te sluiten dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Op het overgrote deel dat nu de bestemming 'Agrarisch' heeft, wordt de functie 'Wonen - Woonwagens' mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is nodig vóór de vergunningaanvraag. Uit gemeentelijk historisch bodemonderzoek van 18 juli 2023 blijkt niet dat de bodem verdacht is van verontreiniging. De uitvoering van het verkennend bodemonderzoek wordt uitgesteld tot voor realisatie van het plan (vergunningaanvraag).

Voor de huidige woonwagenlocatie komt de bestemming 'Wonen-Woonwagens' te vervallen. Op dit perceel zijn meerdere bodemonderzoeken bekend, waaronder een geval van ernstige bodemverontreiniging op het gemeentelijke terrein. Deze ligt zuidelijk nabij de watergang. De Provincie heeft hierover op 12 juli 2013 beschikt dat de aanwezige verharding in stand moet worden gehouden en dat zonder toestemming niet gegraven mag worden. Verder is op het gemeentelijke terrein van het huidige park volgens verkennend bodemonderzoek van 10 augustus 2023 nieuwe verontreiniging gevonden. De omvang hiervan wordt onderzocht rond de feitelijke realisatie van het plan. Dan wordt onderzocht of en welke maatregelen nodig zijn.

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.

Kwetsbare objecten (woningen) moeten bij ruimtelijke planvorming beschermd worden tegen de externe veiligheidsrisico's. Op een afstand van 1,2 kilometer van het plangebied is op de locatie Postweg 8 een tankstation van Shell gelegen. Hier is een opslagtank/vulpunt aanwezig. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze risicobron. Op een afstand van 1,7 kilometer vanaf het plangebied is het Schelde-Rijnkanaal gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De gevaarlijkse stoffen welke over deze route worden vervoerd vallen in stofcategorie GT3 (toxisch gas). Het bijbehorende invloedsgebied bedraagt 1.070 meter. Het plangebied ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van SABIC Innovative Plastics in Bergen op Zoom. Het maatgevend scenario voor deze inrichting betreft een ongeval waarbij giftige stoffen vrijkomen. Artikel 7 van het BEVT vereist echter een beperkte verantwoording van het groepsrisico als het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van risicobronnen of transportroutes gevaarlijke stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0009.png"

Afbeelding 7 | Uitsnede professionele risicokaart (bron: Ipo)

Beperkte verantwoording groepsrisico

In deze beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt ingegaan op de aspecten bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. In het kader van het wettelijk vooroverleg is aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”.

Uit bovengenoemde handreiking volgt dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor ook in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied goed bereikbaar is. De locatie wordt ontsloten op de Oudelandsedijk. Gelet op bovenstaande zijn de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten goed te noemen. De locatie is vanuit de noordwestelijke richting via de N286 en de Postweg goed bereikbaar voor hulpdiensten.

Zelfredzaamheid
Groepen ouderen en kinderen worden gezien als minder zelfredzaam. De ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het aantal standplaatsen. Voor de planlocatie is met name het scenario van een ongeval waarbij giftige stoffen (toxisch scenario) vrijkomen relevant. Bij een toxisch scenario is het van belang dat de aanwezige personen binnen bebouwing kunnen schuilen. Door o.a. het handmatig uitzetten van de mechanische ventilatie en het sluiten van de luchtventilatieroosters wordt de zelfredzaamheid van aanwezige personen verhoogd. Door middel van risicocommunicatie kunnen de bewoners worden geïnformeerd over de risico's en mogelijke maatregelen die getroffen kunnen worden indien een scenario zich voordoet.

De Veiligheidsregio heeft op 8 november 2023 aanvullend advies gegeven Voor de planlocatie is met name het scenario van een ongeval waarbij giftige stoffen vrijkomen relevant. Hiervoor zijn redelijkerwijs geen ruimtelijke maatregelen te nemen. Wel zijn andere maatregelen mogelijk om de risico's te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid te vergroten:

  • Ventilatie: Maak de woningen luchtdicht afsluitbaar. Dit houdt in dat ramen, deuren en ventilatieroosters te sluiten zijn en dat de mechanische ventilatie met een eenvoudige druk op een knop uitgeschakeld kan worden. Met deze maatregelen wordt het binnendringen van giftige stoffen tegengegaan.
  • Risicocommunicatie: Informeer bewoners over het handelingsperspectief bij een ongeval waarbij giftige stoffen vrijkomen: Dit handelingsperspectief is als volgt: Blijf binnen of ga naar binnen. Sluit ramen, deuren en ventilatieroosters. Schakel de mechanische ventilatie uit. Schuil midden in het gebouw. Volg de instructies van de overheid via NL-alert, www.zeelandveilig.nl en eventueel calamiteitenzender Omroep Zeeland. Blijf binnen tot via deze kanalen het sein veilig is gegeven. Bijlage 1 bij dit advies omvat een infographic met dit handelingsperspectief. Ons advies is om dit aan alle toekomstige bewoners te verstrekken.

Uit bovenstaande blijkt dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

Een woonwagenstandplaats dient conform de Wet geluidhinder beoordeeld te worden als een geluidsgevoelig terrein. Voor deze terreinen geldt een vergelijkbare bescherming als reguliere woningen. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Postweg en Oudelandsedijk. Akoestisch onderzoek is op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk. Kraaij Akoestisch Adviesbureau heeft op 14 november 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de woongebieden binnen de planlocatie het volgende bedraagt:

  • ten hoogste 53 dB vanwege de Postweg en wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden met ten hoogste 5 dB;
  • ten hoogste 42 dB vanwege de Oudelandsedijk en wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde;
  • ten hoogste 56 dB na cumulatie van geluid vanwege het wegverkeer, waarmee het akoestisch woon- en leefklimaat als ‘zeer goed tot matig’ wordt beoordeeld.

Gelet op bovenstaande wordt het akoestisch woon- en leefklimaat aanvaardbaar beoordeeld en is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit akoestisch oogpunt is er dus geen belemmering voor de realisatie van het plan. Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen leiden tot overwegende bezwaren of niet doeltreffend genoeg zijn om de overschrijding op te heffen. Voor de zes standplaatsen van fase 1 en 2 binnen de planlocatie (noordzijde fase 1 en 2 en oostzijde fase 1) wordt een hogere grenswaardebesluit genomen door de gemeente Tholen van 53 dB vanwege de Postweg. In het Bouwbesluit zijn voor geluidgevoelige terreinen geen nadere eisen gesteld voor wat betreft de geluidwering, dus hoeven aan de woonwagens binnen het woongebied formeel geen geluidreducerende maatregelen getroffen te worden om het akoestisch woon- en leefklimaat in de woonwagens te verbeteren.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het voorliggende bestemmingsplan worden nooit meer verkeersbewegingen verwacht dan voor 1.500 nieuwe woningen het geval is. Om die reden wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in dit bestemmingsplan als een ontwikkeling is te beschouwen die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet benodigd.

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming

Het plangbied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is 'Oosterschelde'. Dit natuurgebied ligt op circa 1,8 kilometer van het plangebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.

Voor dit plan is voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (Bijlage 3). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.

Soortenbescherming

Vanwege de herstructurering van de bestaande woonwagenlocatie kunnen mogelijk beschermde soorten verstoord worden. Om deze reden is een quickscan Wet natuurbescherming benodigd. Door Adviesbureau Wieland is op 24 september 2023 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bijlage 4).

Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied voor grondgebonden zoogdieren niet geschikt is. De bestaande bebouwing lijkt geschikt voor vleermuizen. Of deze daadwerkelijk geschikt is dient bepaald te worden door een inspectie van de bebouwing. Dit dient te gebeuren aan de buitenzijde van de bebouwing. Er dient onderzocht te worden of er kieren of gaten zijn die geschikt zijn als verblijfplaats. Indien deze kieren, of gaten aanwezig zijn dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden conform het Vleermuisprotocol 2021 om te bepalen of vleermuizen aanwezig zijn en wat de functie van de bebouwing is.

Het plangebied is geschikt voor broedvogels. Dit betreft algemene soorten. Hiermee dient rekening gehouden te worden met de verwijderen van de beplanting. Dit dient bij voorkeur buiten de broedperiode te gebeuren. Voor huismus, roofvogels en uilen is het terrein niet geschikt als broedlocatie. Op het terrein staan coniferen die geschikt zijn als roestplaats voor ransuilen. In de winter verblijven (overdag) vaak meerdere ransuilen in groenblijvende bomen. Deze locaties maken onderdeel uit van het functionele leefgebied van de ransuil en zijn beschermd. Een controle in de periode 1 december – 1 maart kan uitwijzen of de beplanting gebruikt wordt als roestplaats. Voor andere beschermde soorten is het plangebied ongeschikt. Ze komen niet voor in de directe omgeving, of het biotoop in het plangebied is ongeschikt.

Op 14 februari 2024 is een nadere inspectie uitgevoerd op de aanwezigheid van ransuilen en is de geschiktheid van bebouwing bepaald voor verblijfplaatsen van vleermuizen (Bijlage 4). Uit de nadere inspectie blijkt dat potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen niet zijn aangetroffen in de aanwezige bebouwing en beplanting. Ook is er geen geen roestplaats van ransuilen vastgesteld. Nader onderzoek is niet aan de orde.

4.10 Niet gesprongen explosieven

In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers in de bodem te vinden. De Provincie Zeeland heeft een kaart ontwikkeld waar op te zien is waar gevochten is en waar een grote kans is om blindgangers in de bodem aan te treffen. 

Het plangebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied of aandachtsgebied Niet Gesprongen Explosieven (NGE). Een NGE-onderzoek is daarom niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0011.png"

Afbeelding 8 | Uitsnede Vooronderzoek Conventionele Explosieven Gemeente Tholen (bron: gemeente Tholen)

4.11 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Parkeren

Op basis van de parkeerbeleid van de gemeente Tholen is de parkeerbehoefte berekend. Het plangebied heeft de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en is gelegen in het gebiedstype 'rest'. Woonwagens worden veelal aangezien als vrijstaande woningen. Daarom wordt uitgegaan van een koopwoning in het dure segment. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Voor maximaal 9 standplaatsen zijn daarom 18 parkeerplaatsen benodigd. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen.

Verkeer en ontsluiting

Voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij wordt uitgegaan van een vrijstaande koopwoning. Een vrijstaande koopwoning met stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en gebiedstype 'buitengebied' heeft een minimale verkeersgeneratie van 7,8 mvt/etmaal en een maximale verkeersgeneratie van 8,6 mvt/etmaal. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt hiermee 8,2 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie van het plan bedraagt hiermee 73,8 mvt/etmaal. De woonwagenlocatie wordt ontsloten op de Oudelandsedijk. Deze weg heeft voldoende capaciteit om deze verkeersgeneratie af te wikkelen.

4.12 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
Het plangebied is niet gelegen binnen zoneringen van primaire en regionale waterkeringen.  
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
overstroming vanuit oppervlaktewater in
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
In de huidige situatie is er een verharding van 1.654 m2. In de toekomstige situatie is er een verharding van 3.640 m2. Dit betekent een verhardingstoename van 1.986 m2 en een waterbergingsopgave van 149 m3. Binnen de bestemming 'Groen' is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in deze watercompensatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.BpwoonwlocatieTLN-VG01_0012.png"
 
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
Het hemelwater kan oppervlakkig afstromen naar de groene buitenruimte en de waterpartijen. Het afvalwater wordt aangesloten op een vrijvervalriool.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast
en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.  
De grondwaterkwaliteit zal als gevolg van de
ontwikkeling niet verslechteren. Er worden duurzame
materialen toegepast.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
De grondwaterkwaliteit zal als gevolg van de
ontwikkeling niet verslechteren. Er worden duurzame
materialen toegepast.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.  
Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare
materialen. Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen
voor de waterkwaliteit te verwachten.  
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Waar redelijkerwijs mogelijk, worden langs waterlopen
flauwe (en natuurvriendelijke) oevers aangelegd.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra)
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater
wordt zoveel als mogelijk op het terrein teruggevoerd.
Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
Met de gewenste ontwikkeling worden waardevolle
wateren en natte natuur niet aangetast.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
Bij de inrichting van oppervlaktewater en oevers wordt rekening gehouden met het onderhoud ervan. Onderhoud van de oppervlaktewateren is een gedeelde verantwoordelijkheid van het waterschap en de gemeente. In de stedenbouwkundige uitwerking is rekening gehouden met een onderhoudsstrook van 5 meter langs de secundaire watergang.  
Anderer belangen waterbeheer  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
van de waterbeheerder niet belemmeren.  
Het perceel, kadastraal bekend als gemeente Tholen, sectie O, perceelnummer 1291 is in eigendom van het Waterschap. Dit perceel is meegenomen in dit bestemmingsplan, zodat er geen kleine strook met de bestemming 'Agrarisch' zou resteren. Deze strook blijft in eigendom van het Waterschap, zodat het onderhoud van de watergang geborgd is.
 
Wegen in beheer bij het waterschap
(alleen invullen voor zover van toepassing)
* in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?

* na realisatie: verkeersaantrekkende werking
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?

*na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?

* na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?

* na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).  
De Oudelandsedijk is een waterschapsweg. Tijdens de realisatie- en bouwfase kunnen er tijdelijk transporten plaatsvinden via de Oudelandsedijk voor het aanleveren van materiaal voor de aanleg van de buitenruimte en het transporteren van de woonwagens.

Na realisatie van de ontwikkeling zal het plan een extra verkeersaantrekkende werking hebben t.o.v. de huidige situatie. De Oudelandsedijk heeft echter voldoende capactiteit om deze extra motorvoertuigbewegingen af te wikkelen.

Motorvoertuigen, fietsers en voertuigen kunnen het plangebied bereiken via de Oudelandsedijk. Parkeerplaatsen zullen voorzien worden op eigen terrein.

De afstand van het plangebied tot de as van de Oudelandsedijk bedraagt 18,5 meter. In de huidige situatie zijn de woonwagens reeds gelegen op 16,5 meter afstand van de Oudelandsedijk.
 

4.13 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1; 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein.' Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Echter, de ontwikkeling blijft ver onder de drempelwaarden. Het opstellen van een aparte aanmeldnotitie is daarom niet doelmatig.

4.14 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 9 standplaatsen. Er is sprake van een bouwplan zoals hierboven bedoeld. Voor de gehele ontwikkeling is een grondexploitatie opgesteld. De kosten hiervoor zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Daarmee is het plan financieel uitvoerbaar.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg 

Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

De provincie heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het plan aangezien woonwagenbewoners aangemerkt zijn als een aandachtsgroep waarvoor voldoende huisvesting moet komen die passend is bij de leefwijze van deze doelgroep. De provincie heeft de volgende opmerkingen gemaakt:

  • Uitbreiding van de bestaande woonwagenlocatie op de locatie Oudelandsedijk is strikt genomen een ontwikkeling in het landelijk gebied. De ontwikkeling zou daarom moeten voldoen aan de regels voor bouwen in het landelijk gebied. De toelichting is op basis hiervan aangepast.
  • Voor landschappelijke inpassing moet de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1' opgenomen worden. De regels voor de landschappelijke inpassing zijn overgenomen uit het huidige plan.

De Veiligheidsregio heeft opgemerkt dat het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van SABIC Innovative Plastics in Bergen op Zoom. Dit is in paragraaf 4.5 Externe veiligheid verwerkt. Het waterschap heeft de volgende opmerkingen gemaakt:

  • De vraag is gesteld of de watercompensatie correct is berekend. Dit is herzien.
  • Voor het onderhoud van de westelijke bermsloot van de Oudelandsedijk is de suggestie gedaan een paar bomen extra te rooien zodat de min afstand min 12.00m1 (hart op hart afstand) wordt zodat het onderhoud vanaf de wegberm kan plaatsvinden. Hierover worden nadere afspraken gemaakt.
  • Opmerking met betrekking tot dammen in de waterloop en het verwijderen van de huidige toegangsdammen. Dit wordt verder technisch uitgewerkt. Voor deze werkzaamheden zal een watervergunning aangevraagd worden.
  • Advies is gegeven om uit te gaan van het gemiddelde van de CROW-normering, om ongewenst parkeren langs de openbare weg te voorkomen. Het parkeerbeleid van de gemeente Tholen is echter leidend. De parkeerbehoefte wordt echter wel volledig op eigen terrein voorzien.

Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.