| Plan: | Koewacht, Wouterij 55 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.BPKOZ12-VG01 |
In woonzorgcentrum De Lange Akkers aan de Beukenlaan in Koewacht wordt zelfstandig gewoond en zijn zorg- en andere faciliteiten dichtbij beschikbaar. Alle bewoners hebben een zorgindicatie. Een klein aantal bewoners huurt een appartement en koopt thuiszorg in. Zorgverlener Curamus wil, vanwege een veranderende marktvraag, uitbreiden en op het aangrenzende perceel een nieuw wooncomplex gericht op zorg laten bouwen. De plannen gaan uit van circa 58 wooneenheden voor het totale complex. Dit is gelijk met het huidig aantal wooneenheden van De Lange Akkers. Er is dus geen sprake van uitbreiding van capaciteit, maar van een verbetering van de kwaliteit.
De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Koewacht, Overslag en Zuiddorpe'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, zullen de bestemming en het bouwvlak ter plaatse moeten worden gewijzigd. De gemeente Terneuzen wil hier aan meewerken en hiervoor het bestemmingsplan herzien. Onderhavig plan voorziet daarin.
Het plangebied ligt centraal in de kern Koewacht. De herstructurering heeft betrekking op het bestaande woonzorgcentrum en op het perceel Wouterij 55. De bestemmingsverandering die noodzakelijk is om deze herstructurering mogelijk te maken, heeft betrekking op het perceel aan de Wouterij 55. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan beslaat daarom alleen de gronden van dat perceel.
Ten zuiden van het plangebied liggen de sportvoorzieningen van het dorp. De overige voorzieningen in de kern Koewacht liggen met name aan de Eikenlaan en Nieuwstraat. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats in zuidelijke richting via de Berlaersstraat en in noordelijke richting via Eikenlaan/Nieuwstraat/Emmabaan. Voor alle wegen in de kern Koewacht geldt een maximumsnelheid van 30 km/h.
In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1. Ligging van het plangebied (Bron: www.google.nl/maps)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Koewacht, Overslag en Zuiddorpe' (vastgesteld 2012-01-26). In figuur 1.2 is een uitsnede van de plankaart van 'Koewacht, Overslag en Zuiddorpe' opgenomen.
Voor het grootste deel van het plangebied is in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen' van toepassing. Binnen het bouwvlak van de bestemming 'Wonen' is de bouw van 1 vrijstaande woning mogelijk met een maximum goothoogte van 4 meter. Binnen de grenzen van het plangebied zijn verder ook de bestemmingen 'Maatschappelijk' (zonder bouwvlak) en 'Verkeer' van toepassing.
Op het hele plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Hiervoor geldt dat bij een bodemverstoring met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Op basis van het geldende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk.
Figuur 1.2. Uitsnede bestemmingsplan 'Koewacht, Overslag en Zuiddorpe'
(Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd.
Op het perceel aan de Wouterij 55 staat een bungalow met daaromheen een tuin (zie figuur 2.1.). Deze kavel is begrensd door een dichtbegroeide, circa 12 meter hoge en 5 meter brede beplantingssingel, die de eenlaagse bungalow vanaf de buitenkant aan het zicht onttrekt. Op de kavel staan verder nog een aantal solitaire bomen en boomgroepen.
Figuur 2.1. Bestaande situatie (Bron: www.google.nl/maps)
Zorgverlener Curamus wil het bestaande woonzorgcentrum verbouwen en uitbreiden.
Het huidige aantal appartementen in De Lange Akkers bedraagt:
Het totaal aantal wooneenheden voor het huidige woonzorgcentrum bedraagt 57. Inclusief de bungalow op het adres Wouterij 55 brengt dat het totaal aantal wooneenheden in de bestaande situatie op 58.
De beoogde herstructurering van het woonzorgcentrum omvat de volgende aanpassingen:
Figuur 2.2 Inrichtingsvoorstel Lange Akkers Koewacht (Bron: Curamus)
Figuur 2.3 Impressie lamelwand (Bron: Curamus)
In de beoogde situatie zal het totale aantal wooneenheden 57 bedragen.
De herstructurering van het woonzorgcentrum vindt plaats in een bestaand woongebied. Daarom wordt met zorg en aandacht omgegaan met de belangen van de bewoners aan de noord- oost- en westzijde. Dit betekent onder andere dat:
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
De drie rijksdoelen zijn uitgewerkt in 13 nationale belangen, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Toetsing
Voor het plangebied geldt dat bij de ontwikkeling van het voorgenomen plan geen nationale belangen uit de structuurvisie in het geding zijn. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de nationale belangen, zoals verwoord in de structuurvisie.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Rijk heeft met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vastgelegd. Het gaat om regels voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren en militaire terreinen. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Artikel 3.1.6. lid 2 Bro / Ladder van duurzame verstedelijking
In het Bro is vastgelegd dat voor stedelijke ontwikkelingen de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gehanteerd (een nadere onderbouwing in het bestemmingsplan).
Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk de herstructurering van bestaand stedelijk gebied om de ontwikkeling van nieuwe terreinen te verminderen. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van het stedelijk en landelijk gebied.
Actuele behoefte
Bestaand stedelijk gebied
Het plangebied ligt centraal in Koewacht en hiermee in het bestaand stedelijk gebied. De zorgwoningen hebben een centrale ligging in de kern Koewacht waardoor voorzieningen goed bereikbaar zijn.
Ouderen maken relatief vaak gebruik van het openbaar vervoer. De bushalte Emmalaan/Nieuwstraat ligt op circa 200 meter.
Toetsing
Door de beoogde ontwikkeling neemt het totale aantal wooneenheden in het plangebied niet toe. Er is sprake van verbetering van kwaliteit en niet van de vergroting van de capaciteit. Met de herstructurering en uitbreiding van het woonzorgcentrum De Lange Akkers worden toekomstbestendige woningen gerealiseerd die gebruikt kunnen worden door mensen met verschillende zorgvraag. Met deze woningen wordt ingespeeld op de vergrijzing die optreedt in Terneuzen en tegelijkertijd gespeeld op het faciliteren van de zorgmarkt. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats in het bestaand stedelijk gebied.
Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018
Algemeen
Het Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018 geeft de provinciale visie op de toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Zeeland. Voor een krachtig Zeeland zijn economische groei, ontwikkeling en innovatie nodig. De Provincie Zeeland draagt daar als regionaal bestuur met eigen taken en verantwoordelijkheden actief aan bij. De Provincie zet in op een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied.
Woningbouw
Voor woningbouw zijn de volgende beleidslijnen relevant.
Verordening Ruimte Provincie Zeeland
In artikel 2.1 (Algemene regels voor duurzame verstedelijking) zijn de voorwaarden vastgelegd voor de ontwikkeling van nieuwe woningen. Aan dit artikel hoeft echter niet meer te worden getoetst omdat het Rijk hiervoor spelregels heeft vastgelegd in het Bro (zie paragraaf 3.1).
In de verordening is ten aanzien van woningbouw aangegeven dat in de toelichting bij een bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het plan voorziet in een aantoonbare regionale behoefte waarbij in die behoefte primair wordt voorzien binnen een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten.
Toetsing
De locatie ligt binnen het gebied dat is aangeduid als bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling die géén uitbreiding van het aantal wooneenheden tot gevolg heeft, voorziet in het beter accommoderen van de woningbehoefte van een bestaande en naar de toekomst toe groeiende doelgroep, namelijk (zorgbehoevende) ouderen.
Structuurvisie Terneuzen 2025
In de Structuurvisie Terneuzen 2025 wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie steunt op diverse beleidsdocumenten zoals de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone en een aantal sectorale notities zoals de Structuurvisie Detailhandel, het wegencategoriseringsplan, het actieplan Economie en de notitie 'Op pad' van de provincie Zeeland, die als bouwstenen hebben gediend.
Bij het opstellen van de structuurvisie is gebruik gemaakt van de zogenaamde lagenbenadering die de kwaliteiten in een gebied met elkaar in verband brengt. De lagenbenadering wordt gezien als een zorgvuldige methode om ruimtelijke keuzes te onderbouwen.
Voor het bestemmingsplan zijn met name de thema's demografie, zorg en cultuurhistorie van belang.
Demografie
Zorg
Cultuurhistorie
De structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen besteedt ook aandacht aan de cultuurhistorische waarden in de gemeente. Hiervoor heeft de gemeente drie beleidskaarten opgesteld, gericht op behoud, behoud door ontwikkeling en vernieuwing om de cultuurhistorische elementen in de gemeente zo goed mogelijk te waarborgen. De cultuurhistorische relevante elementen worden getoetst in paragraaf 4.5.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling speelt in op de veranderende demografie van de gemeente Terneuzen, alsook op de veranderende vraag van de bevolking. Door de uitbreiding van het zorgcentrum De Lange Akkers kan worden voldaan aan het uitgangspunt van de structuurvisie om zorg op maat dicht bij huis te bieden. Daarnaast is de ontwikkeling gericht op een specifieke doelgroep, namelijk senioren die behoefte hebben aan intramurale zorg. Bewoners van het zorgcentrum krijgen door de ontwikkeling van het zorgcentrum de mogelijkheid om dicht bij de voorzieningen (zoals winkels, banken en kerken) te wonen.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.
Ten aanzien van het plangebied kunnen uit het relevante beleid de volgende conclusies getrokken worden:
Gezien de bovenstaande conclusies is de herontwikkeling van De Lange Akkers in Koewacht beleidsmatig gewenst.
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek en conclusie
Omdat de functie voor deze delen niet wijzigt, is bodemonderzoek op basis van het Besluit ruimtelijke ordening niet noodzakelijk. Voor de omgevingsvergunning voor het bouwen is wel een bodemonderzoek nodig, daarom is voor het deel Wouterij 55 een vooronderzoek bodem uitgevoerd (zie bijlage 1).
Vooronderzoek bodem (bijlage 1)
Uit het vooronderzoek blijkt dat er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging op de locatie. Dit in verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd (in samenspraak met de gemeente Terneuzen), dat een verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de strategie "verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HE). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
Op basis van de huidige informatie is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie ook onderzocht dient te worden volgens de strategie voor “halfverhardingslagen”. De doelstelling van het onderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest terecht is.
Verkennend bodemonderzoek (bijlage 2)
De bovengrond van het westelijk terreindeel is licht verontreinigd met PAK. In de bovengrond van de overige terreindelen zijn geen verontreinigingen geconstateerd. De ondergrond van de onderzoekslocatie is licht verontreinigd met PAK. De lichte PAK-verontreinigingen zijn vermoedelijk te relateren aan het bedrijfsmatig gebruik in het verleden. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
In de puinlaag is zowel zintuiglijk als analytisch géén asbest geconstateerd. De vooraf gestelde hypothese, dat de puinlaag als "verdacht" voor asbest kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen.
Conclusie
Na het uitvoeren van een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek (inclusief onderzoek naar de aanwezigheid van asbest) wordt geconstateerd dat er géén milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | ||
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ | |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Wet milieubeheer
In samenhang met het bestaande complex De Lange Akkers voorziet voorliggend bestemmingsplan in de realisatie van maximaal 57 woningen ter plaatse van 58 bestaande woningen. Het aantal wooneenheden neemt dus niet toe. Ten gevolge daarvan zal de ook verkeersgeneratie niet toenemen. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Hoofdweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Direct langs deze weg wordt aan de grenswaarden voldaan, dit zal ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:
Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.
Onderzoek
Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van woningen. In de omgeving van het plangebied zijn sportvelden, detailhandel en enkele horecagelegenheden aanwezig. Er is geen sprake van een functiewijziging binnen het plangebied. Ten gevolge van de huidige situatie neemt de eventuele milieuhinder dan ook niet toe.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, en de omliggende bedrijven worden niet belemmerd in de bedrijfsvoering.
Beleid
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Beleidsvisie externe veiligheid Terneuzen 2005
De gemeente Terneuzen beschikt zelf over beleid wat toegespitst is op het aspect externe veiligheid. De gemeente wil enerzijds de kwaliteit van de woonomgeving verbeteren en anderzijds de (economische) vitaliteit versterken. Omdat bij veel activiteiten gevaarlijke stoffen worden gebruikt, is de combinatie van wonen en werken alleen mogelijk als een bepaald risiconiveau wordt geaccepteerd. Welk risiconiveau aanvaardbaar is verschilt per situatie en vraagt om een zorgvuldige afweging. Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beperken van de risico's waaraan burgers worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit drie sporen:
Uitgangspunt voor het externe veiligheidsbeleid is dat altijd eerst brongerichte maatregelen worden onderzocht en daarna pas maatregelen in het kader van omgevingsgericht beleid en rampenbestrijding, voor zover nodig.
Circulaire effectafstanden LPG tankstations
Per 29 juni 2016 is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval' in werking getreden. In deze circulaire wordt het bevoegd gezag voor LPG-tankstations gevraagd om naast het hanteren van de risicoafstanden uit de Revi rekening te houden met de effectafstanden uit deze circulaire. De circulaire maakt deel uit van een pakket aan maatregelen dat bestaat uit drie onderdelen, te weten het verkleinen van de afstanden in de Revi, een effectgerichte benadering in de circulaire en een Safety Deal met betrekking tot de hittewerende bekleding. De circulaire is niet van toepassing op besluiten die geen of uitsluitend positieve veiligheidsconsequenties hebben in relatie tot bepaalde effecten van ongevalsscenario's. Daarnaast is de circulaire niet van toepassing op LPG-tankstations voor zover op basis van het Bevi de risicoafstanden worden bepaald door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), bijvoorbeeld als er sprake is van een combinatie van Bevi-plichtige activiteiten.
Onderzoek
Ten oosten van het plangebied op circa 170 m is Martens Brandstoffen v.o.f. gelegen. Risicoveroorzakende activiteiten betreffen:
Overeenkomstig de professionele risicokaart bereiken de PR 10-6-contouren van de inrichting niet het plangebied (zie figuur 4.1). Ook valt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de inrichting (blauwe cirkels). Dit invloedsgebied bedraagt 150 m.
In de circulaire LPG tankstations wordt verzocht om naast het hanteren van de afstanden voor het plaatsgebonden risico bij het nemen van een nieuw ruimtelijk besluit rekening te houden met een effectafstand van 60 m als gevolg van een fakkelbrand tot (beperkt) kwetsbare objecten en een effectafstand van 160 m als gevolg van een BLEVE tot zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden worden gemeten vanaf het vulpunt van het LPG-tankstation. Het plangebied ligt buiten de genoemde effectafstanden De effectafstanden vormen dan ook geen belemmering.
Voor de opslag van gasflessen geldt volgens Revi bijlage 1 tabel 3 dat bij de opslag van gasflessen minimaal 20 meter aangehouden moet worden tot al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Strikt genomen geldt dit alleen voor gasflessenopslagen welke onder het Bevi vallen, maar voor de bereikbaarheid bij brand verdient het aanbeveling om bij elke gasflessenopslag een afstand van 20 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten aan te houden. Ook voor het invloedsgebied van een gasflessenopslag kan 20 meter aangehouden worden. De ontwikkeling ligt daar ruimschoots buiten.
Figuur 4.1. Uitsnede professionele risicokaart (plangebied rode cirkel)
Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast vindt in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Archeologie
Op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid geldt ter plaatse een vrijstellingsdiepte van 0,5 meter (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2 Uitnede Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen
In het onderhavige bestemmingsplan is het aspect archeologie verwerkt in de juridische regeling in Artikel 5 Waarde - Archeologie 1. In de regels van deze dubbelbestemming is opgenomen dat nader archeologisch onderzoek niet nodig is indien de bodemverstoringsdiepte minder dan de vrijstellingsdiepte ter plaatse bedraagt.
Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) is gebleken dat tot een diepte van 2 meter geen archeologische waarden worden verwacht. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal het bouwplan aan dit onderzoek worden getoetst.
Cultuurhistorie
Beleids-/toetsingskader
In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.
Toetsing/onderzoek
Het plangebied en de directe omgeving daarvan maken deel uit van het nederzettingstype 'Dijk- en wegdorp' (zie figuur 4.3). Dijk- en wegdorpen zijn vaak zonder plan ontstaan als lintbebouwing langs een polderweg of een splitsing van polderwegen.
Figuur 4.3. Uitsnede historisch landschap
Uit de topografische kaart uit 1916 (figuur 4.4) blijkt dat de bebouwing in het plangebied in de afgelopen eeuw is gerealiseerd. Ook blijkt hieruit dat deze aanduiding 'Dijk- en wegdorp, en de daarbij behorende beschrijving, betrekking heeft op het gedeelte van Koewacht ten oosten van de kruising van de Wouterij en de Nieuwstraat.
Figuur 4.4. Uitsnede topografische kaart 1916
In het plangebied is geen monumenten aanwezig (zie figuur 4.5).
Figuur 4.5. Uitsnede historische stedenbouw
Conclusie
Door de voorgenomen ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Onderzoek
Het plan voorziet in de herstructurering van het bestaande woonzorgcentrum. Het totaal aantal wooneenheden van het woonzorgcentrum De Lange Akkers neemt niet toe. Het aantal wooneenheden bedraagt in de huidige en nieuwe situatie 57. Op basis van de parkeernorm van 0,6 uit het gemeentelijk parkeerbeleid (voor appartement met zorg) is er een parkeerbehoefte van 35 parkeerplaatsen. Na de herinrichting van het terrein zijn er in totaal 36 parkeerplaatsen (zie figuur 2.2). Door de koppeling met een voorlopige verplichting in de regels is de aanleg van deze parkeerrkerbehoefte verzekerd.
De ontsluiting van deze parkeergelegenheid vindt plaats via een op- en een afrit aan de Wouterij. Bij de inrichting van deze parkeerplaats is rekening gehouden met de toegankelijkheid van het perceel Berlaersstraat 2.
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Met dit bestemmingsplan worden 24 nieuwe wooneenheden voor (zorgbehoevende) ouderen, verdeeld over meerdere bouwblokken, gerealiseerd. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze liggen binnen de geluidzone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
De locatie ligt aan de Wouterij. Op deze weg geldt ter hoogte van het plangebied een maximum snelheid van 30 km/u. Deze weg is op grond van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek kan in het kader van de Wet geluidhinder achterwege blijven. Wel dient ook ten aanzien van 30 km/u-wegen inzichtelijk gemaakt te worden dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Gezien de ligging van de kern Koewacht kan gesteld worden dat de intensiteiten op de omliggende wegen beperkt zullen zijn en dat daardoor binnen het plangebied geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar akoestisch klimaat.
Conclusie
Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Beleid
Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een bestemmingsplan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden dan vervolgens verwerkt in de waterparagraaf.
Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. Onderstaande watertoetstabel is ingevuld voor de ontwikkeling aan de Wouterij. Deze is ook kortgesloten met het waterschap.
Toetsing
Tabel 4.2 Watertoets
| Thema en water(beheer)doelstelling | Uitwerking | |
| Waterveiligheid Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. |
Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een primaire of secundaire waterkering. Het bestemmingsplan heeft dan ook geen invloed op de waterveiligheid ter plaatse. | |
| Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Waterberging voldoet aan de capaciteit om 75 liter per m2 verhard oppervlak te kunnen bergen. Rekeninghouden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. |
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 24 wooneenheden ter plaatse van een bungalow op het perceel Wouterij 55. Deze bebouwing zal worden gesloopt. Huidige situatie: In de huidige situatie is sprake van een verhard oppervlak van 1763m² (252m² bebouwing en 1511m² verharding). Beoogde situatie: In de beoogde situatie zal er een verhard oppervlak van 3435 m² zijn. Hiervan is, door het gebruik van waterdoorlatende verharding, 2673m² te compenseren. In figuur 4.6 is een overzicht opgenomen van de oppervlaktes bebouwing, verharding, tuin en groen in beoogde situatie. Per saldo is er dus een te compenseren verhard oppervlak van 910 m². Met een norm van 75 liter per m² is de waterbergingsopgave 68.250 liter. Hierin wordt voorzien door de aanleg van een wadi met voldoende capaciteit aan de achterzijde van het nieuwe gebouw. In de regels een voorwaardelijke verplichting - waterberging opgenomen. |
|
| Grondwaterkwantiteit en verdroging Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratie-mogelijkheden. |
Om te bepalen of de bodem ter plaatse van de geplande hemelwatervoorziening (wadi) geschikt is infiltratie van hemelwater, heeft Econsultancy een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Aan de hand van de resultaten uit dit onderzoek zijn de zogenoemde k-waarden bepaald. Econsultancy acht bodemlagen met een minimale doorlatendheid van 1,0 m/dag geschikt voor infiltratie van hemelwater. De k-waarden in de planlocatie bedragen 3,3 tot 6,0 m/dag. De doorlatendheid van de bodem wordt dus geclassificeerd als goed doorlatend. |
|
| Hemel- en afvalwater (inclusief water op straat / overlast) Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Het afvalwater ten gevolge van de ontwikkeling zal afgevoerd worden op de aanwezige gemeentelijke riolering. Hierbij zal het hemelwater afgekoppeld worden zodat dit apart van het vuilwater kan worden afgevoerd. | |
| Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
De ontwikkeling heeft geen invloed op de watergerelateerde volksgezondheid. | |
| Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
De ontwikkellocatie is weinig zettinggevoelig. Hiermee dient rekening gehouden te worden in de bouwfase. | |
| Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren. |
Zowel tijdens de bouw, als de gebruiksfase worden geen uitlogende materialen gebruikt, zodat er geen negatief effect kan optreden voor de waterkwaliteit. | |
| Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. |
De grondwaterkwaliteit wordt door het plan niet negatief beïnvloed. | |
| Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) effecten op de in de nabije omgeving aanwezige natte natuur. | |
| Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. |
Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen en direct grenzend aan het plangebied. | |
| Andere belangen waterbeheerder(s) | ||
| Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. |
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor eigendommen van de waterbeheerder. | |
| Scheepvaart en/of wegbeheer Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap. |
Dit aspect is opgenomen in de verkeersparagraaf. | |
Figuur 4.6 Overzicht oppervlaktes in huidige en beoogde situatie
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Voor een uitgebreide toelichting op het aspect ecologie wordt verwezen naar bijlage 4. Daarin wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Deze wet vormt het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Vanaf 1 januari 2010 moeten alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Het gaat om bestemmingsplannen, provinciale verordeningen, Algemene maatregelen van Bestuur (AMvB's) en structuurvisies. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten, provincies en departementen verantwoordelijk zijn voor het maken en beheren van hun eigen ruimtelijke plannen en verordeningen. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden.
Een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, editie 2012 (SVBP2012), die is verankerd in het Bro. Deze standaard is opgesteld door de werkgroep 'Standaard Vergelijkbaarheid' in het kader van Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen (DURP). De standaard bouwt voort op de Digitale Leest. Vooruitlopend op de verplichte toepassing wordt SVBP2008 toegepast in de planregels en verbeelding.
Daarnaast is in het nieuwe Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel.
Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012.
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) in dit bestemmingsplan is het volgende van belang.
Opzet verbeelding
Bestemmingen
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, zoals M voor 'Maatschappelijk'.
Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onderhoek op de verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge kaart bestaat uit 1 kaartblad en renvooi, op een schaal van 1:1.000.
Aanduidingen
Maatvoeringsaanduidingen worden op de kaart aangegeven waarin bijvoorbeeld de maximaal toegestane hoogtemaat (goothoogte en bouwhoogte) wordt aangegeven.
Bij het toekennen van de aanduidingen is gebruik gemaakt van de standaard (en verplichte) aanduidingen uit SVBP2012.
Opzet planregels
Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde.
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd:
Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
De bestemming Groen is toegekend aan de groene zones die meegenomen worden in het gebied. Ten behoeve van de realisatie van een wadi aan de achterzijde van het nieuwe complex, is ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van groen - wadi' opgenomen.
In de beoogde uitbreiding van De Lange Akkers wordt zelfstandig gewoond, waarbij ten minste 1 persoon van het huishouden structureel gebruik maakt van de zorgfaciliteiten van De Lange Akkers. In aansluiting op de bestemming van het huidige deel van dit zorgcentrum is hiervoor de bestemming Maatschappelijk opgenomen. Voor het bouwplan inclusief de binnentuin, parkeervoorzieningen, besloten galerijen, bergingen en entree is de bestemming Maatschappelijk opgenomen. Door middel van een bouwvlak is aangegeven waar mag worden gebouwd. De maximum goot- en bouwhoogte en het maximum bebouwingspercentage zijn op de verbeelding aangegeven met een aanduiding. Met aanduidingsvlakken 'parkeerterrein' is aangegeven waar het parkeren zal plaatsvinden. In de regels is vastgelegd hoeveel woningen mogen worden gebouwd.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 1
Op basis van het archeologisch onderzoek dat voor het plangebied is uitgevoerd, is een planologische bescherming van archeologische waarden in onderhavig bestemmingsplan noodzakelijk.
Het oppervlaktecriterium wordt geregeld met de aan de gronden toegekende archeologische dubbelbestemming. Het dieptecriterium bedraagt op basis van de Vrijstellingenkaart Terneuzen (behorende bij het nieuwe archeologiebeleid 'Verruiming vrijstellingsdiepte gemeente Terneuzen') 0,5 meter.
Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht als het te verstoren oppervlak groter is dan 100 m2 en een vrijstelling als de grond niet dieper wordt geroerd dan 0,5 meter beneden het maaiveld. In de regels wordt aangesloten bij gemeentelijke standaardregels voor archeologie in bestemmingsplannen.
Vooroverleg
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro is het bestemmingsplan voorgelegd aan de de Provincie Zeeland, de Veiligheidsregio Zeeland en het Waterschap Scheldestromen. De reacties van de Provincie Zeeland en van de Veiligheidsregio Zeeland hebben niet geleid tot aanpassing van het plan. De reactie van het Waterschap Scheldestromen is verwerkt in paragraaf 4.8.
Op grond van artikel 3.1.6. Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken, als om de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro.
Informatiebijeenkomst
Op verzoek van de dorpsraad Koewacht is op 16 juni 2016 een presentatie over het initiatief gegeven. Tijdens deze tijdens goed bezochte avond waren de heren Lafarre, Buysse, (Curamus) van Dijk (Woongoed) en de Regt (v.d.Poel) aanwezig om het verhaal zo duidelijk mogelijk uit te leggen. In het verslag van de dorpsraad is geen melding gemaakt van vragen of reacties van de aanwezige belangstellenden.
Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit bestemmingsplan van toepassing, In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het voorontwerp van het bestemmingsplan op 9 december 2016 toegezonden aan:
De volgende inhoudelijke reacties zijn van de vooroverlegpartners ontvangen
| Instantie | Inhoudelijke opmerking | Reactie gemeente | |
| Provincie Zeeland (brief 25 januari 2017) |
Het plan voorziet in de uitbreiding van het woonzorgcentrum De Lange Akkers in Koewacht om tegemoet te kunnen komen aan de vraag naar eenheden voor extramurale zorg. Er vindt door de uitbreiding en herstructurering geen toename van het aantal eenheden plaats. Wij hebben naar aanleiding van het bestemmingsplan geen opmerkingen. |
We nemen kennis van deze reactie. | |
| Rijkswaterstaat Zee en Delta (mail 12 december 2016) | Gelet op de ligging van dit plan t.o.v. onze netwerken, zien wij geen reden voor opmerkingen. | We nemen kennis van deze reactie. | |
| Veiligheidsregio Zeeland (mail 1 februari 2017) | Wij brengen geen advies uit op het onderdeel inzake externe veiligheid. Wel willen wij u verzoeken om ons nader te betrekken in de procedure, specifiek wat betreft operationele voorbereiding en uiteraard wat betreft de brandpreventieve maatregelen in het object / de objecten, conform de wettelijke vereisten. |
Wij nemen kennis van deze reactie. In het spoor van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw zal over de specifieke eisen voor brandveiligheid en ontvluchting overleg met de VRZ plaatsvinden. |
|
| Waterschap Scheldestromen (mail 22 december 2016) Zie bijlage |
In de waterparagraaf staan een aantal 'PM' punten. Hierdoor kunnen wij niet nagaan of het plan consequenties heeft voor de watersysteem. Wateroverlast voor de initiatiefnemer en zijn omgeving willen we voorkomen. | In overleg tussen de initiatiefnemer, gemeente en het Waterschap zijn de vraagpunten over de bebouwde oppervlakte, de wateropgave die hieruit voortvloeit en de wijze waarop deze wateropgave besproken en opgelost. Hierbij is in het ontwerp de waterberging opgenomen. | |
Vaststelling
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 29 juni tot en met 9 augustus ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn 2 schriftelijke en 3 mondelinge zienswijzen ontvangen (zie Bijlage 6 Nota zienswijzen). De zienswijzen hebben betrekking op de inrichting van het terrein (wadi en parkeren) en het waarborgen van de privacy. Na overleg met de initiatiefnemer is besloten om de inrichting van het terrein aan te passen. Alle zienswijzen zijn ingetrokken met inachtneming van de volgende aanpassingen op de verbeelding:
De parkeervoorziening aan de achterzijde van het complex vervalt en maakt plaats voor de wadi. De parkeervoorziening aan de voorzijde (langs de Wouterij) zal worden uitgebreid zodat voldoende parkeercapaciteit aanwezig is. Tenslotte zullen lamellen worden toegepast aan de buitenzijde van de gallerij. Hierdoor wordt voldaan aan de wens tot beperking van de inkijkmogelijkheden.
Ambtshalve aanpassingen
Per abuis zijn de gemeentelijke parkeerplaatsen langs de Wouterij opgenomen in het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan. Dat gaf aanleiding tot misverstanden over de parkeerbalans die voor de nieuwbouw gerealiseerd moet worden. Ook kwam hiermee onduidelijkheid te bestaan over het feit dat het gaat om openbare parkeerplaatsen op gemeentegrond, mede dienstig voor de bewoners van woningen aan de Wouterij.
Om onduidelijkheden over de status van deze openbare parkeerplaatsen te voorkomen is dit gebiedje niet langer onderdeel van het bestemmingsplan “Koewacht, Wouterij 55”. De begrenzing van het bestemmingsplan is hiervoor aangepast.
Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van het project aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Deze afdeling regelt verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt.
De gemeente is van mening dat er geen belemmeringen zijn aangaande de financiële uitvoerbaarheid. Deze ontwikkelingen worden geheel bekostigd door de initiatiefnemer. De door de initiatiefnemer aan de gemeente overgelegde gegevens tonen afdoende aan dat deze de benodigde investeringen financieel kan dragen. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk aangezien met een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente in het kostenverhaal is voorzien.