Artikel 3 Bedrijventerrein
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
-
a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2 – 4.2': bedrijven uit categorie 2 tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
-
b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1': tevens een oefencalamiteitencentrum;
-
c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 2': tevens een bedrijfsactiviteit met SBI-code zoals hierna in de tabel genoemd, uit de ten hoogste voor de bedrijfsactiviteit in de tabel aangegeven categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten:
|
aanduiding
|
SBI-code
|
uit ten hoogste milieucategorie
|
| specifieke vorm van bedrijf - 2
|
90
|
5
|
-
d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein – 3': tevens een brandweerkazerne, de huisvesting van gemeentelijke diensten en een regionale ambulancedienst;
-
e. ter plaatse van de aanduiding 'windturbines': uitsluitend een windturbine;
-
f. bij deze bestemming horende voorzieningen zoals wegen, groenvoorzieningen, water en andere op een bedrijventerrein voorkomende functies, zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, voorzieningen voor windturbines, waterinfiltratie en –transportvoorzieningen, ondergrondse bergbezinkbassins, waterzuiveringsinrichtingen.
3.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
3.2.1 Algemeen
-
a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
-
b. windturbines worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'windturbine'.
3.2.2 Afstanden
-
a. de afstand van gebouwen, silo's en overkappingen tot:
-
1. de perceelgrens bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 1' ten minste 10 m;
-
2. een goederenspoorlijn bedraagt ten minste 10 m.
3.2.3 Oppervlakten
-
a. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 75% van het bouwperceel;
-
b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen ter plaatse van een vlak met de aanduiding 'windturbine' bedraagt ten hoogste 25 m2.
3.2.4 Bouwhoogten
-
a. de bouwhoogte van bouwwerken bedraagt ten hoogste:
-
1. 25 m, met dien verstande dat van het bouwvlak een oppervlakte van ten hoogste 5% mag worden bebouwd met bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot ten hoogste 35 m;
-
2. van windturbines: 120 m;
-
3. van terreinafscheidingen 3 m.
3.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.2.2. sub a onder 1 indien het bouwen geen verband houdt met het in lid 3.1 sub b bedoelde oefencalamiteitencentrum.
3.4 Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:
-
a. de volgende overige functies zijn niet toegestaan:
-
1. geluidsgevoelige objecten;
-
2. kwetsbare objecten;
-
3. activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;
-
4. Wgh-inrichtingen;
-
5. risicovolle inrichtingen;
-
b. het is niet toegestaan onbebouwde gronden die zijn gelegen vóór de voorgevel van gebouwen en binnen een afstand van 5 m langs de openbare weg te gebruiken of te laten gebruiken voor de opslag van goederen en als opslagplaats voor baggerspecie;
-
c. detailhandel is niet toegestaan.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.1:
-
a. om bedrijven toe te laten uit ten hoogste twee categorieën hoger dan in lid 3.1, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 3.1 genoemd;
-
b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 3.1 genoemd;
met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor:
-
c. Wgh-inrichtingen;
-
d. risicovolle inrichtingen;
-
e. bedrijven uit categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid voor risicovolle-inrichtingen
Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat risicovolle inrichtingen zijn toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:
-
a. de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of - indien van toepassing - de afstand, zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 van het Bevi in samenhang met artikel 2 lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen:
-
1. binnen het bouwperceel van de risicovolle inrichting;
-
2. op gronden met de bestemming Verkeer, Groen of Water;
-
b. in de toelichting bij het wijzigingsbesluit dient een verantwoording te worden gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied van de inrichting.