het bestemmingsplan Landgoed, Westsingel van de gemeente Terneuzen.
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0715.BPBG86-VG01
met de bijbehorende regels.
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het
hoofdgebouw.
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de
woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die
met de woonfunctie in overeenstemming is.
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het
hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
de beleidsmedewerker archeologie van de gemeente, de gemeentelijk adviseur archeologie of een
door het College van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van
archeologie.
Archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een
Certificaat BRL 4000 beschikt.
een rapport van een archeologisch onderzoeksbureau of een goed onderbouwd advies van een
deskundige op het gebied van archeologie.
vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische
relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context. Zowel grote complexen / structuren zoals
nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid.
1.12 bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.13 bestaand aantal woningen:
woningen zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van dit
bestemmingsplan, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wet gegeven voorschriften.
1.14 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het
plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of
krachtens de Woningwet.
1.15 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
1.16 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.17 bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.18 Bodemingreep
werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen
aantasten, waaronder het bouwen van een fundering wordt begrepen.
1.19 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van
een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een
standplaats.
1.20 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
1.21 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte
liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder
ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is.
1.22 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten.
1.23 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel.
1.24 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.25 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.26 bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op
hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.27 Cultureel erfgoed
uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht
door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk
van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend
ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige
generaties een referentiekader bieden.
1.28 Cultuurhistorische waarde
Cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met
ouderdom en/of historische gaafheid.
1.29 dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak
bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in
het dakvlak is geplaatst.
1.30 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
1.31 hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het
belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
1.32 Hoofdverblijf
de verblijfplaats die het centrum is van het sociale en maatschappelijke leven van één persoon of een
huishouden. Hiervan is in ieder geval sprake als er op grond van de Wet basisregistratie personen
een verplichting is tot inschrijving op de verblijfplaats.
1.33 Huishouden
één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de
samenstelling van de personen en van onderlinge verbondenheid.
1.34 kap
een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65°.
1.35 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor
geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer geldt en waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een
ruimtelijke uitstraling die daarbij past.
1.36 KNA
Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (zie
www.skib.nl).
1.37 Landschappelijke inpassing
een inpassing van bebouwing met opgaand groen, waarbij rekening is gehouden met de7ruimtelijke,
natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten.
1.38 Maaiveld
de bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar
sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan
het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw.
1.39 Natuurbegraafplaats
een terrein dat deel uitmaakt van een bos- en/of natuurgebied waar lichamen worden begraven,
en/of urnen worden bewaard, en/of reeds verteerde lichamen worden herbegraven, en/of crematieas
onder de leeflaag (20 cm) wordt verstrooid, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van
onbehandelde/onbewerkte natuurlijke materialen.
1.40 NEN
door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het
moment van vaststelling van het plan.
1.41 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations,
schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten
behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.42 Omgevingsvergunning
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wabo.
1.43 Opgraven/Opgraving
de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die
nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde
onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen.
1.44 Ophoging
het blijvend verhogen van het bestaande maaiveld door het aanbrengen van grond of andersoortige
materialen. Tijdelijke ophoging tot een maximum van 6 maanden in relatie tot de agrarische
bedrijfsvoering wordt niet gezien als een ophoging.
1.45 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
1.46 peil
- voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
- voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang).
1.47 Verblijfsrecreatie:
vorm van recreëren, vrijetijdsbesteding, waarbij logies wordt aangeboden. Het bieden van logies aan
buitenlandse werknemers, welke werkzaam zijn in Nederland en/of België, valt hier niet onder.
1.48 Verstoring
aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door
erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van
ophoging, door verdroging en verzuring.
1.49 voorgevel
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste
gevel kan worden aangemerkt.
1.50 Vrijstellingsdiepte
de op de voorschriftenkaart in bijlage 1 behorende bij de planregels, de voor dat gebied, aangegeven
vrijstellingsdiepte.
1.51 Vrijstellingsoppervlakte
de in de Regels, voor dat gebied, aangegeven vrijstellingsoppervlakte.
1.52 Wonen
het gebruik van een woning conform de begripsomschrijving van 'woning'.
1.53 Woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden
als hoofdverblijf.
1.54 zijerf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat
hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.