direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Middenweg 13a Biervliet (Snellaadstation met zonnepark)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Middenweg 13A in Biervliet is een bedrijf gevestigd dat zich onder andere bezig houdt met de opslag en de handel van uien. Voor de opslag van uien is veel energie nodig, waardoor het bedrijf een hoog stroomverbruik heeft. Om deze terugkerende kostenpost te kunnen reduceren is in 2019 SDE subsidie aangevraagd voor het installeren van zonnepanelen op de bedrijfsdaken. De installatie is in 2020 gerealiseerd, waarbij ruim 2.900 zonnepanelen op de daken zijn gelegd. Hiermee wordt de jaarlijkse stroombehoefte zelf opgewekt.

Na het aanleggen van de installatie is een laadpaal voor elektrische voertuigen op het bedrijf gerealiseerd, waar momenteel veelvuldig gebruik van wordt gemaakt. Dit heeft geleid tot het idee voor het realiseren van een snellaadstation met bijbehorende kiosk en verblijfspark en zonnepark op een deel van het perceel naast het bedrijf. De reden hiervoor is dat vanwege de klimaatdoelen in snel tempo meer elektrische voertuigen komen. Ook bedrijven investeren vanwege duurzaamheidsredenen steeds meer in elektrische voertuigen en duurzame energie. Het aantal snellaadstations is echter nog een groot aandachtspunt in deze regio, waardoor veel bedrijven tegelijkertijd terughoudend zijn met volledige transformatie.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld op 25-6-2013), facetbestemmingsplan 'Wonen' (vastgesteld op 1-7-2021) en facetbestemmingsplan 'Parkeren' (vastgesteld op 7-2-2019). Het perceel waar het snellaadstation en zonnepark gepland zijn heeft in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' de bestemming 'Agrarisch'. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan. Het facetbestemmingsplan 'Wonen' bevat aanvullende regels ten aanzien van wonen, deze hebben geen invloed op het planvoornemen. Het facetbestemmingsplan 'Parkeren' bevat aanvullende regels ten aanzien van parkeren, deze hebben geen invloed op het planvoornemen.

De gemeente Terneuzen wil graag meewerken aan het initiatief, daarom is het voorliggend bestemmingsplan opgesteld wat hierin voorziet en is door de gemeente in een eerder stadium een positief besluit genomen op het ingediende principeverzoek.

Verder wordt getracht gebruik te maken van artikel 2.9 lid 2b van de provinciale verordening waarbij het zonproject ondergeschikt geacht wordt aan het bouwvlak.

1.2 Plangebied

Het plangebied bestaat uit enkele (delen van) percelen langs de Middenweg in Biervliet. De grenzen van het plangebied worden gevormd door het eigen agrarisch bedrijf inclusief bedrijfswoning in het westen, agrarische gronden in het noorden, het eigen agrarisch bedrijf inclusief bedrijfswoning in het oosten en de provinciale weg N61 (Middenweg) in het zuiden.

De percelen worden deels gebruikt ten behoeve van akkerbouw en liggen deels braak. Het perceel dat gebruikt wordt ten behoeve van akkerbouw is men voornemens in te richten als snellaadstation met bijbehorende kiosk en verblijfspark en het gedeelte dat braak ligt, is men voornemens in te richten als zonnepark.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0001.png" Figuur 1.1 - Plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Planologische regeling

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', dat op 25 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Terneuzen. In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Agrarisch', deze gronden zijn bestemd voor:

  • de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;

en tevens voor:

  • niet - grondgebonden agrarische activiteiten en aquacultuur als neventak;
  • bestaande Nieuwe Economische Dragers en bestaande mini-campings (kleinschalig kamperen) zoals vermeld in bijlage 6 van de regels;
  • aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;
  • bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Verder geldt grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' en voor een klein gedeelte aan de noordwestzijde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' geldt dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden voor bodemverstoringen groter dan 1.000 m2 en 50 cm diep. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' geldt dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden voor bodemverstoringen groter dan 500 m2 en 50 cm diep.

Verder heeft het plangebied de gebiedsaanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied', waarmee onder voorwaarden met een vergunning kan worden afgeweken voor het gebruik van de gronden als bassins voor aquacultuur.

Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0002.png"

Figuur 1.2 - Geldende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijke plannen.nl)

De realisatie van een snellaadstation met voorzieningen en zonnepark past niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het huidige bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden.

Bij de ontwikkeling van het snellaadstation met zonnepark is sprake van een nieuwe economische drager. Uitbreiden va bestaande bebouwing ten behoeve van een nieuwe economische drager is immers mogelijk tot 20% van het huidig bebouwd oppervlak met een maximum van 250 m2. In paragraaf 2.2 wordt onderbouwd waarom sprake is van een nieuwe economische drager.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan. In hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.

 

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Plangebied

Het plangebied is gelegen langs de rijksweg de N61 (Middenweg) in Biervliet op (een gedeelte van) de kadastrale percelen BA-1408, BA-1334, BA-929 en BA-1406. Een gedeelte van het plangebied wordt gebruikt ten behoeve van akkerbouw, een gedeelte ligt braak. Het plangebied bestaat uit agrarische gronden en grasland.

Beide aangrenzende agrarische bedrijven zijn in het bezit van de initiatiefnemers. Hierna is het meest nabijgelegen bedrijf met bedrijfswoning gelegen op circa 470 meter afstand. Het betreft het bedrijf Vervaet en de naastgelegen bedrijfswoning ten oosten van het plangebied.

Het plangebied kan worden opgedeeld in twee deelgebieden. Het langwerpige stuk, waar men voornemens is het snellaadstation met bijbehorende kiosk en verblijfspark te realiseren. En het L-vormige stuk ten noorden hiervan, waar men voornemens is een zonnepark te realiseren.

Het zuidelijke gedeelte is circa 6.000 m2 groot en het noordelijke gedeelte is circa 18.500 m2. Dit komt samen op circa 24.500 m2.

Een overzicht van het plangebied met de twee te onderscheiden deelgebieden is weergegeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0003.png"

Figuur 2.1 - Bovenaanzicht plangebied (bron: Google Maps, 2020)

In figuur 2.2 is een vooraanzicht van het plangebied weergegeven en in figuur 2.3 is een bovenaanzicht van het plangebied weergegeven. Hierop is duidelijk te zien dat de gronden ten behoeve van het beoogde zonnepark te nat zijn voor gewasproductie en om deze reden niet worden beboerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0004.png" Figuur 2.2 - Vooraanzicht vanaf de provinciale weg N61 (bron: Google street view, 2020)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0005.png"

Figuur 2.3 - Bovenaanzicht plangebied

2.2 Beoogde situatie

De initiatiefnemers willen ter plaatse van het plangebied een snellaadstation met bijbehorende kiosk en verblijfspark en een zonnepark realiseren. In figuur 2.4 en 2.5 zijn hiervan inrichtingstekeningen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0006.png"

Figuur 2.4 - Inrichtingstekening bovenaanzicht beoogde ontwikkeling

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0007.png"

Figuur 2.5 - Inrichtingstekening beoogde ontwikkeling

Snellaadstation, kiosk en verblijfspark

Het snellaadstation wordt vormgegeven met een hoofdgebouw en bijgebouw. Beide gebouwen krijgen een landschappelijk karakter dat past in de sfeer van het buitengebied. Dit in tegenstelling tot de gebruikelijke snellaadstations die worden vormgegeven met een staalconstructie. In figuur 2.6 en 2.7 zijn de impressie en het vooraanzicht van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0008.png"

Figuur 2.6 - Impressie snellaadstation

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0009.png"

Figuur 2.7 - Vooraanzicht snellaadstation

Het hoofdgebouw wordt voorzien van een kiosk, zitgelegenheid en facilitaire voorzieningen. In figuur 2.6 is de inrichtingstekening van de kiosk weergegeven. De kiosk wordt in eerste instantie vormgegeven met automaten, maar de initiatiefnemer wilt de mogelijkheid behouden deze te bemannen, indien er veel aanloop is. De facilitaire voorzieningen bestaan uit een herentoilet en damestoilet en bijbehorende voorzieningen. Verder bevinden zich binnen enkele zitgelegenheden. Ook direct buiten, aan de achterkant van de kiosk, worden enkele zitgelegenheden gerealiseerd. In figuur 2.8 is de inrichtingstekening van de kiosk en facilitaire voorzieningen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0010.png"

Figuur 2.8 - Inrichtingstekening kiosk

Het bijgebouw betreft een overkapping waaronder de laadpalen worden gerealiseerd. Hierbij worden 3 laadpalen met elk twee aansluitingen gerealiseerd. Voor voertuigen met een aanhanger of caravan wordt een speciale bocht gerealiseerd, zodat zij niet achteruit hoeven te draaien op het voorterrein. Aan de zijkant van het voorterrein bevinden zich eveneens parkeerplaatsen voor andere bezoekers die geen gebruik maken van de laadinfrastructuur.

Achter het laadstation wordt een transformator gerealiseerd. De afmetingen van het transformatorgebouw bedraagt maximaal 3m x 3m. De transformator zal worden geplaatst op een betonnen plaatfundering van ca. 0,2 meter hoog.

Het verblijfspark wordt vormgegeven door een groene inrichting met gras, bomen en een retentievijver. Hier doorheen loopt een wandelpad voor recreatief gebruik. Verder worden er speelvoorzieningen gerealiseerd voor bezoekers met kinderen. Langs het verblijfspark wordt tevens een toegangsweg aangelegd voor het zonnepark.

Groen

Het geheel wordt groen ingepast door het realiseren van een groenafscheiding rondom het snellaadstation en verblijfspark en door de aanplant van bomen in het verblijfspark. De groenafscheiding bestaat uit een zeeuwse haag met bomen. Aan de kant van het huidig bedrijf is deze groenafscheiding al aanwezig (zie figuur 2.9), aan de andere kant van het snellaadstation wordt eenzelfde type groenafscheiding met inheemse beplanting gerealiseerd.

In het verblijfspark worden solitaire, inheemse, bomen aangeplant zoals de acer campestre, betula en carpinus betulus. De bomen hebben een hoge ecologische waarde door het bieden van verblijfs- en broedplaatsen voor vogels en zoogdieren. Tevens bieden ze een afscherming tegen de zon en een afscheiding tussen de verschillende bezoekers.

Ook wordt er in het verblijfspark een retentievijver aangelegd. Naast de functionele kwaliteit als retentievijver biedt de retentievijver ook verblijfsgebied voor onder andere broedvogels en andere fauna.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0011.png"

Figuur 2.9 - Groenafscheiding rondom snellaadstation (Google street view, 2020)

Zonnepark

De initiatiefnemer wil ter plaatse van de braakliggende grond tevens een zonnepark realiseren ten behoeve van het duurzaam opwekken van de te leveren stroom. Het perceel heeft een omvang van circa 1,85 hectare. Op het perceel worden 4221 panelen geplaatst. In totaal zal het zonnepark hiermee 3 miljoen kWh kunnen leveren. In figuur 2.10 is de technische inrichtingstekening van het zonnepark weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0012.png"

Figuur 2.10 - Technische inrichtingstekening zonnepark

In totaal worden 4221 zonnepanelen geplaats, hierbij worden er 2520 in het grote cluster geplaatst en 1701 in het kleine cluster.

De zonnepanelen zullen worden gerealiseerd in een zuidopstelling. Hierbij worden de panelen in de rijen strak tegen elkaar aan geplaatst en bestaat een rij uit drie zonnepanelen boven elkaar. De breedte van een rij zonnepanelen bedraagt hiermee circa 6,3 meter, de lengte verschilt per rij. De onderlinge afstand tussen de rijen bedraagt circa 2,5 meter. In figuur 2.10 zijn de maatvoeringen van de rijen met zonnepanelen opgenomen en in figuur 2.11 is de maatvoering van een rij opgenomen.

Door voldoende onderlinge afstand tussen de rijen komt lichtinval en regenwater gespreid op het perceel terecht. Op deze manier wordt een goede bodemstructuur behouden en is de grond over 25 jaar nog steeds geschikt voor akkerbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0013.png"

Figuur 2.11 – Maatvoering zonnepanelen

Op het zonnepark wordt één transformatorstation gerealiseerd. Deze transformator wordt aan het begin van het zonnepark gerealiseerd. De afmetingen van het transformatorgebouw bedraagt maximaal 3m x 3m. De transformator zal worden geplaatst op een betonnen plaatfundering van ca. 0,2 meter hoog.

Het zonnepark wordt afgesloten door middel van een stalen hekwerk , stalen poort en zeeuwse haag. Aan de randen van het zonnepark worden camera's geplaatst.

Onderhoudspad & bereikbaarheid

Bij de inrichting van het zonnepark is rekening gehouden met een onderhoudspad, dit loopt tot het centrum van het zonnepark, zoals te zien is op de inrichtingstekening. Hierdoor is het zonnepark goed te bereiken voor regulier onderhoud. Tevens zijn alle omvormers te bereiken in geval van brand of andere calamiteiten. Het onderhoudspad wordt voorzien van een asfaltverharding. Naast het onderhoudspad en het transformatorstation wordt in het zonnepark geen verharding toegevoegd.

Landschappelijke inpassing

Rondom het zonnepark is een ruimte vrijgehouden voor de landschappelijke inpassing die vereist is op basis van provinciale regelgeving. Het plangebied bestaat uit verschillende percelen en is hoofdzakelijk omgeven door agrarische gronden. Het landschap heeft hierdoor een open karakter. De zonnepanelen dienen daarom middels een goede landschappelijke inpassing aan het zicht onttrokken te worden. Voor de landschappelijke inpassing is een landschapsplan opgesteld (zie figuur 2.12 en bijlage 8).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0014.png"

Figuur 2.12 - Landschapsplan

De landschappelijke inpassing bestaat uit twee hoofdelementen:

  • Zeeuwse hagen
  • Natte natuur

Middels een goede landschappelijke inpassing worden ook de ecologische waarden van het plangebied versterkt. De ecologische waarden worden versterkt door het realiseren van andere biotopen.

Zeeuwse hagen

Het meest beleefbare landschappelijke element is de zeeuwse haag rondom het zonnepark en het snellaadstation. Dit scheidt het perceel namelijk van de rest van het gebied, waardoor tevens het directe zicht op het zonnepark wordt weggenomen. Hierdoor heeft het zonnepark minder effect op de omgeving.

Deze zeeuwse hagen bieden tevens schuil- en verblijfplaats aan de foeragerende vogels en kleine zoogdieren. De zeeuwse haag voorziet in lager blijvende soorten van inheemse beplanting (tot 5 meter) om schaduwwerking op de zonnepanelen te beperken. Door de verschillende soorten inheemse beplanting waar de zeeuwse haag uit bestaat heeft dit een positief effect op de biodiversiteit. De soorten van een zeeuwse haag gedijen tevens goed op een kleigrond. De zeeuwse haag heeft de volgende soortensamenstelling:

  • 1. Veldesdoorn (Acer campestre) (20%)
  • 2. Sleedoorn (Prunus spinosa) (20%)
  • 3. Hondsroos (Rosa canina) (20%)
  • 4. Liguster (Ligustrum vulgare) (20%)
  • 5. Meidoorn (Crateagus monogyna) (20%)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0015.png"

Figuur 2.13 – Driehoeksverband en plantafstand

De zeeuwse hagen zijn 4,5 meter breed en worden aangeplant in wildverband met circa 3 stuks per vierkante meter. De soorten worden aangeplant met kale wortel van de maat 80-100 cm. Daarbij worden de verschillende soorten gelijkmatig over de gehele strook verspreidt, zodat de strook bosplantsoen optimaal dienst kan doen als leefgebied en voedselbron voor de aanwezige diersoorten.

Natte natuur

De natte natuur begint vanaf de zeeuwse haag en loop overal tussen de panelen. Hierbij is het in het midden van het perceel het natst en wordt het naar de buitenkanten van het perceel steeds droger.

De huidige monotone agrarische grond wordt verschraalt en getransformeerd tot natte natuur. De gronden worden verschraalt doormiddel van jaarlijks maaibeheer waarbij het gras wordt afgevoerd. Dit is zeer gunstig voor de soortenrijkdom van de vegetatie allerlei insecten. Het plangebied is gelegen ten zuiden van een ecologisch waardevol nat gebied. Dit zorgt voor een versnelde introductie van gebiedseigen soorten. Doordat het gehele plangebied tussen de panelen uit natte natuur bestaat vormt het plangebied een uitstekende verbindingen voor insecten en kleine zoogdieren.

Watergangen

Rondom het plangebied bevinden zich enkele watergangen, deze worden in stand gehouden in verband met eventuele ecologische waarden.

Snellaadstation en zonnepark in relatie met huidig bedrijf

In 2017 is een wijzigingsplan doorlopen om uitbreiding van het bedrijf Goud mogelijk te maken. Hierbij is het bouwvlak uitgebreid om 3 extra schuren te bouwen. Tot nu toe is slechts 1 schuur extra gebouwd. De andere twee schuren worden in de nabije toekomst gebouwd. In figuur 2.14 is de totale toekomstige omvang van het bedrijf weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0016.png"

Figuur 2.14 – Totale toekomstige omvang van het bedrijf (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Er wordt gebruik gemaakt van artikel 2.9 lid 2b van de provinciale verordening en het zonproject wordt ondergeschikt geacht aan het bouwvlak'.

Ten aanzien van de ligging kan gesteld worden dat deze direct aangrenzend is tegen de huidige en toekomstige bebouwing. Verder is er nog een bufferzone (direct achter plangebied bedrijf) waar nu ook een functie t.a.v. bluswatervoorziening is gelegen. Het verwijderen of verplaatsen van deze buffer is niet mogelijk en gewenst mede op verzoek veiligheidsregio.

Nieuwe economische drager

Bij de ontwikkeling van het snellaadstation met zonnepark is sprake van een nieuwe economische drager. Uitbreiden va bestaande bebouwing ten behoeve van een nieuwe economische drager is mogelijk tot 20% van het huidig bebouwd oppervlak met een maximum van 250 m2. Er is sprake van een nieuwe economische drager, omdat duurzame energie wordt opgewerkt met het zonnepark en direct aan de gebruiker wordt geleverd middels het snellaadstation. Dit is een activiteit waar veel ruimte voor is, waardoor dit in het landelijk gebied gerealiseerd moet worden. Tevens is de aanwezigheid van snellaadstation noodzakelijk voor de transitie naar elektrisch rijden. De hoeveelheid bebouwd oppervlakte die wordt toegevoegd blijft dan ook onder de grens van 250m2. De panelen zelf zijn immers geen gebouwen.

 

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten;
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'.

Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Toetsing

Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het realiseren van een snellaadstation met zonnepark wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Barro), artikel 3.1.6, lid 2

Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). In deze ladder moet worden getoetst aan de volgende zaken:

  • Is het een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
  • Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
  • Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

Toetsing

Uit jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² in beginsel niet aangemerkt wordt als stedelijke ontwikkeling. De oppervlakte van het snellaadstation bedraagt 1.500 m2. Hierdoor is sprake van een stedelijke ontwikkeling en dient de behoefte te worden beschreven.

Er is niet alleen een regionale behoefte, maar ook een landelijke behoefte aan snellaadstations (zie paragraaf 3.1.3). Volledig elektrisch rijden neemt steeds meer toe en sluit aan bij de klimaatdoelen om minder fossiele brandstoffen te gebruiken. De ontwikkeling geeft hier mede invulling aan. Een landelijk dekkend netwerk is alleen mogelijk bij realisatie op goed bereikbare plekken langs het hoofdwegennet. Hierbij wordt veelal aangesloten bij bestaande tankstations, zodat sprake is van efficiënt ruimtegebruik. In dit geval is sprake van een goed bereikbare locatie langs de N61, waarvoor een nieuwe verzorgingsplaats wordt gerealiseerd. Deze nieuwe verzorgingsplaats bevindt zich tevens in het buitengebied. De reden dat gekozen is voor deze locatiekeuze is door de onbruikbaarheid van de gronden ten behoeve van landbouw. Hierdoor is in het kader van een duurzaam ruimtegebruik gekeken naar mogelijke andere invullingen van de percelen, waarna het idee is ontstaan om en zonnepark met snellaadstation te realiseren. De gemeente heeft in het principeverzoek ingestemd met de onbruikbaarheid van de gronden en het idee hier een zonnepark te realiseren.

Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk, hieronder wordt wel de behoefte en het verwachte verzorgingsgebied weergegeven.

Behoefte

De behoefte ontstaat doordat het aantal snellaadstations in Zeeuws Vlaanderen beperkt is. In figuur 3.1 zijn de bestaande laadvoorzieningen in Zeeuw Vlaanderen weergegeven, de meeste hiervan bestaan uit een enkele of dubbele normale laadpaal. De nadelen van deze laadpalen bestaan uit:

- Capaciteit: De meeste laadpalen bestaan uit 1 laadpaal met 1 of 2 aansluitingen, waardoor slechts 1 of 2 auto's kunnen worden voorzien van stroom.

- Laadsnelheid: Niet alle laadpalen zijn snellaadpalen, waardoor opladen te lang duurt voor doorgaand verkeer.

- Locatie: De meeste laadpalen bevinden zich niet langs doorgaande wegen maar in het dorp, waardoor deze niet aantrekkelijk zijn voor doorgaand verkeer aangezien zij hiervoor om moeten rijden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0017.png"

Figuur 3.1 - Laadvoorzieningen rondom het plangebied

Verzorgingsgebied

Met het nieuwe snellaadstation verwacht de initiatiefnemer een verzorgingsgebied te hebben van Terneuzen tot Oostburg. Een groot aandeel hiervan zal doorgaand verkeer zijn zoals onder meer woon-werkverkeer, bezorgdiensten en toeristen.

3.1.3 Klimaatakkoord

Het klimaatakkoord is het Nederlandse akkoord om te voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 waarin afgesproken is om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Het kabinet heeft met het nationale Klimaatakkoord een centraal doel: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49% in 2030 ten opzichte van 1990.

Om dit te behalen zijn in een groot aantal verschillende sectoren afspraken gemaakt. Ten aanzien van de elektriciteitssector wordt er ten aanzien van de energieproductie ingezet op de opwekking van grootschalige energieproductie op land (installaties > 15 kW) van ten minste 35 TWh in 2030.

Toetsing

Momenteel bedraagt de totale energieproductie op land (wind en zon, inclusief installaties < 15 kW) 10 TWh. Het zonnepark levert daarom een belangrijke bijdrage aan de doelstelling van het rijk om te komen tot de productie van ten minste 35 TWh duurzaam opgewekte energie op land in het totale Nederlandse energieverbruik in 2030. De ontwikkeling van het snellaadstation, zorgt ervoor dat deze duurzame energie gelijk duurzaam wordt benut in de vorm van duurzame mobiliteit. De beoogde ontwikkeling past zodoende in het energiebeleid van het Rijk zoals dat is neergelegd in het Klimaatakkoord.

3.1.4 Visie op de laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer (2016)

Deze visie van het Ministerie van Economische Zaken is tot stand gekomen op basis van input van de Green Deal partners en diverse andere geconsulteerde partijen. Op basis van de overheidsambities, de huidige situatie en marktontwikkelingen, de gesignaleerde kansen voor Nederland en de scenariostudie wordt een perspectief geschetst voor een toekomstbestendige laadinfrastructuur. Om aan de visie invulling te geven, is een beleidsagenda geformuleerd die een handelingsperspectief biedt tot 2020. Aangegeven wordt dat essentieel is dat de laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer de ontwikkeling van elektrisch vervoer in Nederland richting 2035 optimaal accommodeert. Dit betekent dat er voldoende laadinfrastructuur is, zodat de toename van elektrische voertuigen niet wordt belemmerd. Voor het merendeel van de mensen die een elektrisch voertuig wil rijden, mag de beschikbare laadinfrastructuur geen obstakel zijn. Optimaal betekent ook dat deze laadinfrastructuur op een kosteneffectieve wijze vorm krijgt en onderdeel wordt van het toekomstig slimme energiesysteem. De maatschappelijke baten staan hierbij voorop. Volgens de visie heeft Nederland op dit moment een goed ontwikkeld landelijk netwerk. Dit netwerk moet blijven meegroeien om de groei van het aantal elektrische voertuigen te accommoderen. Omdat de businesscase niet rendabel is, wordt daar vanuit Green Deal door de overheid ondersteuning voor geboden. Het is van belang dat interoperabiliteit gewaarborgd is en dat men door heel Europa op een voor de EV-rijder aantrekkelijke manier kan reizen. Op dit moment is dat nog niet het geval en daarom wordt ingezet om dit op Europees niveau te organiseren. Daarbij schept het Rijk randvoorwaarden voor bedrijven om te blijven innoveren in technologieën in en rondom de laadinfrastructuur.

Toetsing

Volgens de visie draagt elektrisch rijden bij aan:

  • de versterking van de economische positie van Nederland;
  • de energievoorzieningszekerheid van Nederland en;
  • aan de klimaatdoelen door de reductie van CO2 en verbetert de leefbaarheid in steden door de afname van luchtvervuiling.

De realisatie van snellaadstations vergroot het netwerk van oplaadpunten voor elektrisch rijden, waardoor de drempel om elektrisch te rijden verder afneemt en het aantal elektrische auto's toeneemt. De ontwikkeling draagt dan ook bij aan de doelstellingen van het Rijk en past binnen de visie op de laadinfrastructuur.

3.1.5 Kader inrichting verzorgingsplaatsen

Verzorgingsplaatsen zijn een belangrijk onderdeel van de rijkswegen. Rijkswaterstaat beschrijft daarom in het Kader inrichting verzorgingsplaatsen de hoofdeisen waaraan deze plaatsen moeten voldoen. De hoofdeisen worden beschreven vanuit de mogelijke functies van verzorgingsplaatsen. Deze zijn:

  • gelegenheid bieden tot rusten, de benen te strekken;
  • gelegenheid bieden brandstof bij te tanken;
  • gelegenheid bieden iets te eten of te drinken;
  • gelegenheid bieden tot het inspecteren van het voertuig/lading.

Rijkswaterstaat wil energie-laadpunten als basisvoorziening op verzorgingsplaatsen. Op elke plek wordt één vergunninghouder toegestaan.

Toetsing

Het nieuwe snellaadstation is niet rechtstreeks langs de rijksweg de N61 gelegen, maar aan de ventweg. Hierdoor is de Kader inrichting Verzorgingsplaatsen van Rijkswaterstaat niet van toepassing.

Het nieuwe snellaadstation wordt gerealiseerd bij de entree van de verzorgingsplaats. Het bijbehorend verblijfspark biedt de mogelijkheid tot rust, de benen te strekken, voertuigen op te laden, iets te eten en te drinken en de mogelijkheid tot het inspecteren van het voertuig. Het initiatief voldoet daarmee aan het kader inrichting verzorgingsplaatsen.

Het principeverzoek is door de gemeente goedgekeurd. Voorafgaand aan het principebesluit heeft overleg met de provincie plaatsgevonden. Echter geeft de provincie geen goedkeuring op principeverzoeken.

3.1.5 Gedragscode Zon op Land

In de gedragscode Zon op Land zijn principes vastgelegd voor de realisatie van zon op land. Deze gedragscode is door verschillende actoren getekend. Met de code erkennen de organisaties dat zon op land nodig is voor het halen van de doelen van de energietransitie.

Toetsing

In onderstaande tabel zijn de leidende principes nader uitgewerkt.

Concrete uitwerking van de leidende principes  
Zorgvuldige locatiekeuze   De locatiekeuze is tot stand gekomen na aanleiding van de onmogelijkheid hier gewassen op te produceren. Gronden die onbruikbaar zijn voor de landbouw zijn tevens aangewezen als mogelijke locaties voor zonneparken in de Structuurvisie ‘Zonne-energie en ruimtelijke compensatie’. Hierna is het idee ontstaan voor de realisatie van een snellaadstation met bijbehorend zonnepark. Hiervoor is een principeverzoek opgesteld dat door de gemeente en provincie is goedgekeurd door de onbruikbaarheid van de gronden voor de landbouw. Met onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt getoetst of de ontwikkeling planologisch mogelijk is.  
Procesparticipatie   Omwonenden zijn dan ook in een vroeg stadium reeds geïnformeerd en bevraagd over de plannen. Aan het einde van 2021 zijn met de omwonenden gesprekken geweest in het kader van de omgevingsdialoog. Verder wordt een informatiefolder verspreidt middels het advertentieblad om andere inwoners van biervliet en omgeving te informeren over het initiatief. In paragaaf 6.1.1 wordt dit verder toegelicht.  
Correct benaderen grondeigenaren door exploitanten   De initiatiefnemers zijn tevens grondeigenaar van het plangebied, waardoor dit niet leidt tot belemmeringen met betrekking tot grondeigendom.  
Ontwerp en beheer   In het ontwerp worden lokale landschapselementen toegepast, voor een juiste inpassing en het versterken van de landschappelijke kwaliteit. Zowel ontwerp als beheer zijn gericht op het mede creëren van natuurwaarden. Zoals aangegeven in de gedragscode is dit maatwerk en is het ontwerp met experts ingevuld. Zo heeft een technische engineer de inrichting van het zonnepark bepaald. Een deskundige partij op het gebied van snellaadstations heeft het snellaadstation vormgegeven. Hierna is met een landschapsarchitect het landschapsplan uitgewerkt.  
Voormalig grondgebruik mogelijk   Ondanks de realisatie van het zonnepark blijft een goede bodemstructuur behouden. Er wordt een zuidopstelling gerealiseerd, zodat lichtinval en regenwater verspreid op het perceel terecht komt. Hierdoor blijft zich voldoende organische stof in de bodem ontwikkelen en wordt een goede bodemstructuur behouden. Daarbij komt dat het gebied ter plaatse van het zonnepark, nu slechts uit braakliggend grasland bestaat, waardoor het voormalig grondgebruik eenvoudig kan worden hervat. Echter blijft een zonnepark ook in de toekomst meer toegevoegde waarde hebben, dan dit braakliggend grasland. Het mogelijk blijven van het voormalig grondgebruik is niet alleen fysiek, maar ook beleidsmatig het geval.  
Meten, monitoren en bijsturen   De initiatiefnemer bewaakt of de beoogde natuurwaarden ook gehaald worden. Waar nodig wordt bijgestuurd door aanpassing van het beheer of door aanvullende maatregelen. Dit wordt opgenomen in het beheerplan.  

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie (11-11-2021)

De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen die op ons afkomen, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.

In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. Je leeft gezond: wandelen, fietsen, gezond eten, ontmoeten en ontspannen. De woonomgeving draagt bij aan biodiversiteit en is ingericht op langere droogte en op overtollig regenwater. Voorzieningen zijn klimaatneutraal voor iedereen bereikbaar, ook wanneer je geen auto hebt. Mobiliteit is snel, slim, veilig, schoon en betaalbaar voor zowel reiziger als overheid. De digitale bereikbaarheid is snel en goed. Het onderwijs in de provincie is goed bereikbaar, betaalbaar en van hoogstaande kwaliteit. Zeeland beschikt verspreid door de provincie over een aantal onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen. De Zeeuwse culturele infrastructuur is robuust en veerkrachtig en biedt de regio een vernieuwend, toegankelijk en compleet cultuuraanbod.

In 2050 zijn bodem, grondwater en alles wat daarin te vinden is van robuuste, hoogwaardige kwaliteit. Weersextremen schaden de bodem niet. Door aanwezigheid van meer organische stoffen draagt de bodem bij aan CO2-opslag en een betere bodemstructuur. Planten, mensen en dieren worden nauwelijks meer bedreigd door risicovolle milieufactoren.

In 2050 heeft Zeeland een circulaire economie. De meeste sectoren maken gebruik van reststoffen die door anderen onbenut zijn gelaten, dan wel zijn uitgestoten als afval of producten die aan het eind van de levensduur zijn en worden hergebruikt. Hierdoor staan de sectoren niet langer op zichzelf maar houden ze contact met andere branches.

In 2050 is Zeeland klimaatbestendig en waterrobuust. Zeeland stoot vrijwel geen CO2 en andere broeikasgassen uit. Industrie, mobiliteit, verwarming en elektriciteitsproductie zijn nagenoeg fossielvrij en/of CO2 vrij.

Toetsing

Ten behoeve van het snellaadsstation met zonnepark zal een klein perceel akkerbouwgrond worden getransformeerd tot snellaadstation en verblijfspark. Braakliggend grasland dat onbruikbaar is voor akkerbouw wordt getransformeerd tot zonnepark voor duurzame energieopwekking. Hierdoor wordt een duurzame invulling gegeven aan de gronden in het plangebied.

Door de opwekking van duurzame energie en levering van duurzame energie aan de consument ten behoeve van duurzame mobiliteit wordt ingezet op een circulaire economie en klimaatbestendige samenleving. Door de gestelde klimaatdoelen in de omgevingsvisie sluit het planvoornemen niet alleen aan bij de klimaatdoelen, maar is het tevens noodzaak voor degelijke ontwikkelingen. Naast het directe effect van het opwekken van groene stroom met het zonnepark, heeft de ontwikkeling van het snellaadstation ook een positief indirect effect op de klimaatdoelen; de toename van laadvoorzieningen zal er namelijk toe leiden dat het interessanter wordt om te investeren in elektrische voertuigen, omdat de voorzieningen beter zijn. Tegelijkertijd zal het achterblijven van laadvoorzieningen, leiden tot een vertraging van de transitie naar elektrisch rijden. Dit geeft meteen de noodzaak aan voor goede laadvoorzieningen.

Een ander belangrijk doel in de omgevingsvisie is een goede gezondheid van burgers, waar het planvoornemen ook in voorziet met het verblijfspark. Het verblijfspark dat zowel open is voor klanten als andere voorbijgangers voorziet in een aantrekkelijke buitenruimte die aanzet om te bewegen.

Tot slot wordt ingezet op natuur- en ecologische waarden. Door middel van een goede landschappelijke inpassing worden de landschappelijke en natuurlijke waarden versterkt.

Het planvoornemen is hiermee in overeenstemming met de Zeeuwse Omgevingsvisie.

3.2.2 Provinciale omgevingsverordening

Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018 (inclusief wijzigingen). Voor het buitengebied betreffen het onder andere regels met betrekking tot natuur, landschap en waterhuishouding.

Toetsing

Het aangrenzend gebied ten noorden van het plangebied is aangewezen als agrarisch gebied van ecologische betekenis en als niet-verdrogingsgevoelig natuurgebied in de omgevingsverordening (Figuur 3.1). Ingevolge artikel 2.24 geldt voor deze gebieden dat een bestemmingsplan geen regels mag stellen die per saldo leiden tot significante negatieve effecten. Het planvoornemen heeft hier geen negatief effect op, aangezien geen storende werkzaamheden plaatsvinden en al het hemelwater in het gebied gehouden wordt. De natte gronden worden daarentegen ingericht als natte natuur waardoor het planvoornemen per saldo een positief effect heeft op de ecologische waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0018.png"

Figuur 3.1 - Agrarisch gebied met ecologische betekenis (Omgevingsverordening Zeeland, 2018)

Rondom het plangebied zijn ook enkele stroken aangewezen voor natuur (figuur 3.2). Ingevolge artikel 2.23 mag een bestemmingsplan geen bestemmingen aanwijzen of regels stellen die leiden tot significante verstoring, significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland.

Deze natuurlijke waarden liggen op enige afstand van het projectgebied, waardoor de huidige waarden niet worden verstoord. Door het aanleggen van natuur en landschapselementen worden de natuurlijke waarden eerder versterkt door de verbindende werking die de groenelementen hebben.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0019.png"

Figuur 3.2 - Bestaande Natuur (Omgevingsverordening Zeeland, 2018)

Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen geen verstorende werking heeft op de beschermde gebieden volgens de Provinciale omgevingsverordening (2018). De beschermde natuurgebieden worden daarentegen versterkt door de realisatie van struweel, natte natuur en natuurwaarden. De ontwikkeling is in overeenstemming met de omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Terneuzen 2025

In de Structuurvisie Terneuzen wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie omvat een beschrijving van de lagen van het gemeentelijk grondgebied. Tevens worden de lange-termijnbeelden van het duurzaam ruimtelijk structuurbeeld en het duurzaam maatschappelijk structuurbeeld beschreven. Daarnaast komen verschillende programmatische opgaven aan bod met o.a. (boven)regionale ontwikkelingen, de industrieel-logistieke ontwikkeling in de Kanaalzone, de ontwikkeling van de infrastructuur en de leefomgevingskwaliteit.

Een onderdeel binnen leefomgevingskwaliteit is klimaat en energie. Klimaat en energie staan nationaal en internationaal sterk in de belangstelling. De gemeente Terneuzen is al langer bezig met klimaat en energie en profileert zich als energiebewuste gemeente. Zo wordt in Terneuzen o.a. al duurzame energie opgewekt, bijvoorbeeld in het grootste in bedrijf zijnde windmolenpark van Nederland op het land (de Koegorspolder) en in de biomassacentrale/biodieselfabriek van Heros in de Koegorspolder. Het opwekken van duurzame energie wordt verder gestimuleerd, zowel door te blijven zoeken naar koppelingsmogelijkheden met het aanbod van restwarmte bij industriële bedrijven, maar ook door de plaatsing van zonnepanelen of kleine windturbines mogelijk te maken.

Toetsing

Met voorliggend project wordt een zonnepark gerealiseerd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie met betrekking tot het opwekken van duurzame energie. Verder wordt het aantal laadinfrastructuurvoorzieningen uitgebreid, dit heeft een positief effect op de transitie naar duurzame infrastructuur. Dit project levert hiermee een belangrijke bijdrage aan het behalen van de doelstellingen uit de Regionale Energiestrategie RES Zeeland voor duurzame mobiliteit (uitbouw van (snel)laadinfra voor elektrische auto's, bestelbusjes en vrachtwagens) en voor de opwek van duurzame energie (zon op land). De gemeenteraad van Terneuzen heeft de RES Zeeland vastgesteld op 28 mei 2020.

Het plan past hiermee ook binnen het beleid van de structuurvisie.

3.3.2 Coalitieakkoord en Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid

Het coalitietakkoord “Sterk, betrokken en vitaal” 2018-2022 heeft de volgende relevante ambities voor zonne-energie:

  • Programma Volksgezondheid en milieu: De gemeente geeft extra aandacht aan energietransitie, klimaatbeleid en afvalinzameling.
  • Programma Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing: Het gebruik van groene energie wordt gestimuleerd.

In het Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid van de gemeente Terneuzen staan heldere ambities voor klimaatverandering en duurzame energie. De volgende ambities zijn relevant voor zonne-energie:

  • “People” Ambitie 1: Sturen op een structurele gedragsverandering naar nog meer duurzame ontwikkeling.
  • “Planet” Ambitie 1: Alle bestaande particuliere woningen in de gemeente Terneuzen zijn energieneutraal in 2045 (Zeeuws Energieakkoord).
  • “Planet” Ambitie 2: Er wordt meer duurzame energie op het gemeentelijk grondgebied opgewekt.
  • “Profit” Ambitie 1: Schone en innovatieve bedrijven in de gemeente Terneuzen, die weinig of geen energie verbruiken, die veel duurzame energie opwekken, en die duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Toetsing

Met voorliggend project wordt onder andere een zonnepark gerealiseerd. Hiermee draagt het project bij aan het realiseren van de ambities van de gemeente Terneuzen met betrekking tot zonne-energie. Verder wordt het aantal laadinfrastructuurvoorzieningen uitgebreid, dit heeft een positief effect op de transitie naar duurzame infrastructuur. Het initiatief past binnen het Coalitieakkoord en het Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid van de gemeente Terneuzen.

3.3.3 Structuurvisie ‘Zonne-energie en ruimtelijke compensatie’

De structuurvisie ‘Zonne-energie en ruimtelijke compensatie’ borgt de mogelijkheden voor verduurzaming en vergroening (als kader voor de ruimtelijke compensatie). Daarnaast vormt de structuurvisie een toetsingskader voor van nieuwe initiatieven met betrekking tot zonneparken. Deze structuurvisie dient daarbij tevens als aanscherping op het toetsingskader voor zonne-energie (zie paragraaf 3.3.3). Dit om de omvang van de verzoeken en de locaties meer in goede banen te leiden.

Het doel van deze structuurvisie is het vastleggen van voorwaarden, eisen en doelstellingen waarom en waarvoor de ruimtelijke compensatie voor grootschalige grondgebonden zonneparken wordt geheven.

Inhoudelijke aanpassing

De aanscherping van het Toetsingskader zonne-energie Terneuzen uit 2019 ziet inhoudelijk

op de volgende punten:

  • 1. De visiekaart komt te vervallen.
  • 2. De mogelijkheid om grenzend aan kernen of bedrijventerrein (binnen de zonneladder onder trede 3) enkel op basis van de aanwezige bebouwing aansluiting te vinden is in beginsel niet meer mogelijk wanneer er sprake is van een agrarisch bestemde ondergrond.
  • 3. Voor agrarische gronden die in de praktijk niet meer als agrarisch gebruikt kunnen worden bestaat wel de mogelijkheid tot het realiseren van een zonnepark. Deze gronden worden ook wel ‘verweesde’ gronden genoemd. Doorgaans gaat dit over agrarische gronden die bijvoorbeeld door verontreiniging niet meer overeenkomstig de bestemming gebruikt kunnen worden
  • 4. Collectieve initiatieven om kernen te elektrificeren blijven mogelijk. Als gezamenlijk draagvlak ontstaat om te verduurzamen en het initiatief voor- en door de inwoners wordt aangedragen. In dergelijke gevallen bestaat de mogelijkheid om maatwerk toe te passen ten aanzien van zonneparken grenzend aan kernen. Bovenstaande wijzigingen worden als volgt opgenomen in de zonneladder als afwegingskader voor zonne-energie projecten binnen de gemeente Terneuzen.

Nieuwe zonneladder

Trede 1: op daken

De gemeente geeft de eerste prioriteit aan het opwekken van zonne-energie met

gebouwgebonden installaties op het eigen dak of via de huur van zonnepanelen op het dak

van derden. Kantekening hierbij is dat mogelijkheden tot beïnvloeding door de gemeente

beperkt zijn. Ook in ruimtelijke zin is de invloed van de gemeente beperkt, aangezien het

plaatsen van zonnepanelen op een gebouw in veel gevallen vergunningvrij mogelijk is, tenzij sprake is van een monument of gebouw binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Voor nieuwbouwprojecten dient standaard – voor zover constructief mogelijk - rekening te worden gehouden met het toepassen van zonnepanelen.

Trede 2: binnen bebouwd gebied

Binnen het bebouwd gebied is ruimte voor grondgebonden zonnepanelen op braakliggende of langdurig niet in gebruik zijnde terreinen binnen de kernen in de gemeente Terneuzen. Bovendien is er ruimte voor (niet) grondgebonden zonnepanelen als sprake is van multifunctioneel ruimtegebruik. Hierbij kan gedacht worden aan het overdekken van parkeerterreinen met zonnepanelen. Voor alle bovenstaande initiatieven geldt dat er sprake moet zijn van een zorgvuldige inpassing en passende vormgeving. Daarbij mag het initiatief voor een zonnepark toekomstige uitbreiding niet in de weg zitten.

Trede 3: buiten bebouwd gebied

Voor het realiseren van zonneparken buiten bebouwd gebied dient altijd aandacht aan de inbedding van een zonnepark in het landschap besteed te worden. Daarbij is het in beginsel niet toegestaan een zonnepark te realiseren op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. In het buitengebied kan een zonnepark enkel worden gerealiseerd wanneer daarbij gebruik wordt gemaakt van multifunctioneel gebruik van de onderliggende grond. Hierbij kan gedacht worden aan of op stortplaatsen, spaarbekkens, nutsvoorzieningen of windenergie dan wel gronden waarop anderszins geen (doorgaans agrarische) functie (meer) op uitgeoefend kan worden, zogenaamde verweesde gronden. Door het realiseren van zonnepanelen op dergelijke gronden kan een multifunctioneel ruimtegebruik worden gecreëerd waardoor een nuttige invulling wordt gegeven aan deze gronden.

Voorwaarden

De gemeente staat onder voorwaarden positief tegenover de ontwikkeling van grondgebonden zonneparken. Naast bovenstaande voorwaarden zijn er nog een aantal aandachtspunten waarmee rekening gehouden dient te worden. De gemeente hanteert de volgende aandachtspunten:

  • Niet voor elk gebied kan hetzelfde ruimtelijke afwegingskader gelden. Er zijn immers een aantal fundamenteel verschillende gebieden aan te wijzen, waarvoor andere wetgeving geldt. Het is mogelijk dat in een bepaald gebied andere functies, gebruikers of landschapstypes aanwezig zijn waardoor een andere afweging gemaakt kan of moet worden.
  • Voor alle planvoornemens voor de aanleg van zonneparken geldt dat buiten dit beleidskader ook de reguliere toetsingskaders van toepassing zijn. Daaronder vallen onder andere de Wro, de Wabo, de Wet Natuurbescherming, het IOP en de Omgevingsverordening van de Provincie Zeeland.
  • Voor de aanleg van zonneparken dient een procedure omgevingsvergunning afwijkend gebruik of een postzegelbestemmingsplan doorlopen te worden. Hierbij bestaat het risico dat door grondeigenaren in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. De mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade zullen door de initiatiefnemers moeten worden gedragen. Dit wordt onder andere vooraf vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers
  • Het aanleggen en onderhouden van zonneparken moet bij voorkeur uitgevoerd worden door lokale/regionale bedrijven. Dit alles om de ecologische voetafdruk zo klein mogelijk te houden.
  • Er moeten afspraken gemaakt worden met de gemeente over de levensduur van een zonnepark, en het verwijderen van de panelen bij beëindiging van de exploitatie ervan.
  • De initiatiefnemer betrekt omwonenden en andere belanghebbenden vroegtijdig bij de planvorming.
  • De initiatiefnemer onderzoekt de mogelijkheden voor participatie/energiecoöperatie met de omgeving.
  • Op basis van artikel 6:24 Wro zal via de anterieure overeenkomst initiatiefnemer gehouden worden tot een vereveningsbijdrage aan ruimtelijke compensatie.
  • Landschappelijke inpassing: Indien men een zonnepark wenst te realiseren, dient voorzien te worden in een landschappelijk inpassingsplan. Het realiseren van deze landschappelijke inpassing wordt als voorwaarde opgenomen in de anterieure overeenkomst en maakt ook onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing. In deze overeenkomst kunnen verdere privaatrechtelijke afspraken worden geregeld t.a.v. het realiseren van een zonnepark. Het landschappelijk inpassingsplan wordt vervolgens als voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning. Landschappelijke inpassing is maatwerk en moet aansluiten bij de schaal en het karakter van het betreffende landschapstype. Bij het ontwerpen van zonneparken moet verder rekening gehouden worden met de bestaande landschaps- en bebouwingskarakteristieken zoals landschapselementen, beplantingssoorten, waardevolle historische bebouwing of beeldbepalende gebieden en de mate van openheid. Voor het ontwikkelen van een zonnepark geldt de voorwaarde, gezien de omvang van deze parken, een landschapsarchitect bij de procedure tot het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan in de arm te nemen. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van streekeigen soorten conform de lijst van Stichting Landschapsbeheer Zeeland. Naar het landschappelijk inpassen in de omgeving wordt ook de voorkeur gegeven aan het vergroenen tussen de zonnepanelen zelf. Het verhogen van de biodiversiteit en het behouden van een goede bodemkwaliteit gedurende de looptijd van het zonnepark wordt een grote prioriteit aan toegekend.

Toetsing

De gronden ter plaatse van het zonnepark zijn dermate laag gelegen ten opzichte van de omgeving dat akkerbouw redelijkerwijs niet mogelijk is. Zelfs in geval van grasland staan de gronden een groot deel van het jaar onder water. Hierdoor komen de gronden in aanmerking voor de gemeentelijke aanduiding verweesde grond.

Hiermee vallen de gronden binnen trede 3 van de ladder ondanks dat deze als 'Agrarisch' bestemd zijn. Hierdoor wordt een nuttige invulling gegeven aan gronden die anders weinig waarde hebben.

Ook aan de voorwaarden uit de structuurvisie wordt voldaan. Allereerst wordt er een postzegelbestemmingsplan opgesteld, waarbij wordt getoetst of de ontwikkeling haalbaar is volgens de huidige juridische kaders. Ook wordt getracht zoveel mogelijk met lokale partijen het zonnepark te realiseren. Omwonenden zijn vroegtijdig betrokken (zie paragraaf 6.1.1). Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente voor de vereveningsbijdrage ruimtelijke compensatie. Tot slot wordt er voorzien in een passende landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.2).

3.3.5 Bodembeleid gemeente Terneuzen

De gemeente Terneuzen heeft bodembeleid opgesteld en uitgewerkt in de Nota Bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart. Hierin is beschreven hoe wordt omgegaan met grondverzet. Door gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart is bodemonderzoek in veel gevallen niet nodig. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als milieuhygienische verklaring voor de kwaliteit van de grond. In de nota bodembeheer is vastgelegd dat binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is.

Toetsing

Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat het projectgebied valt binnen de aanduiding A Buitengebied en naoorlogse woonwijken. Hiervan is de kwaliteitsklasse van de bovengrond goed: Alle individuele PFAS: 0,1 ug/kgds. Dit betekent dat de bodemkwaliteit voldoende is voor grondverzet.

Uit het gemeentelijk beleid blijkt dat grondverzet binnen het plangebied mogelijk is. Alle uitgegraven grond wordt echter toch ook in het plangebied terug verwerkt, waardoor hier geen aanvullend bodemonderzoek voor noodzakelijk is. Echter wordt nog wel bodemonderzoek uitgevoerd voor de realisatie van de functies met een gevoeliger bodemgebruik. Hier wordt bij het omgevingsaspect 'bodem' (paragraaf 4.2) verder op ingegaan.

 

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie

sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de

relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).

4.1 Verkeer en parkeren

Beleid en normstelling

De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte wordt normaliter gebaseerd op CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" uit 2012. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie. Er wordt uitgegaan van de maximale kencijfers van het CROW om zo een 'worst case' scenario door te rekenen.

Toetsing

Aanleiding

Binnen het plangebied wordt een snellaadstation met een zonnepark ontwikkeld. Voor het plangebied is onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte en verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling.

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Op basis van data van het CBS is de stedelijkheidsgraad vastgesteld als 'Niet stedelijk'. Het plangebied is gelegen in het buitengebied.

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied is gelegen aan de parallelweg van de Middenweg (N61), een erftoegangsweg met een verzamelfunctie buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/u.

In oostelijke richting sluit de Middenweg aan op de Brielsweg die vervolgens weer aansluit opde N61. De N61 is een belangrijke oost-west verbinding voor Zeeuws Vlaanderen en verbindt onder ander Terneuzen met IJzendijke/Oostburg.

De Brielsweg is gecategoriseerd als een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een verzamelfunctie en een maximumsnelheid van 60 km/u.

De omvang van de verkeersgeneratie en het feit dat het verkeer zich daarnaast over verschillende redenen verdeeld leidt op de verschillende routes tot een dusdanig lage toename van de verkeersintensiteit dat dit na realisatie van de ontwikkeling niet zal leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid en/of de verkeersafwikkeling.

Langzaam verkeer

Parralel aan de Middenweg ligt een fietspad waarover fietsers en bromfietsers worden afgewikkeld. Voor voetgangers zijn er geen voorzieningen aanwezig op de Middenweg, conform het standaard wegprofiel voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom (Handboek wegontwerp 2013). Gezien de ligging van de ontwikkeling en het feit dat de verkeersomvang niet wezenlijk wijzigt als gevolg van de ontwikkeling, kan worden gesteld dat de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het langzaam verkeer na realisatie van de ontwikkeling voldoende is gewaarborgd.

Openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen op circa 1 kilometer loopafstand aan de Weststraat. Bij deze halte halteren verschillende buslijnen. Buslijn 1, 5 en 601 tussen Oostbrug Ziekenhuis en Station Terneuzen.

Gezien de openbare vervoer verbindingen is de ontsluiting van de ontwikkeling per openbaar vervoer voldoende gewaarborgd.

Verkeersgeneratie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland en heeft daarom geen verkeersaantrekkende werking.

In de beoogde situatie zal er een snellaadstation met 4 laadzuilen, met elk 2 laadpunten. In totaal worden er 8 laadpunten gerealiseerd in combinatie met een kiosk en verblijfspark.

In CROW-publicatie 381 zijn geen kencijfers bekend over snellaadstations. Om een realistische inschatting te geven van de verwachte verkeersgeneratie zijn enkele aannames gedaan en uitgangspunten gebruikt. Het snellaadstation krijgt 8 laadpunten. De gemiddelde laadtijd ligt tussen de 20 en 40 minuten. Er van uitgaande dat dat de laadpalen continue in gebruik zijn betekent dit dat het snellaadstation per uur 24 voertuigen kan laden. Voor deze berekening wordt er vanuit gegaan dat het laden met name overdag zal plaatsvinden (tussen 06:00 en 18:00). Uitgaande van de een continue bezetting van de laadcapaciteit wat als worst case moet worden gezien, leidt dit tot een verkeersgeneratie van 288 (24x12) unieke laadmomenten. Om te laden rijdt men naar het laadstation en weer terug. Elk laadmoment genereert dus 2 voertuigbewegingen. Het snellaadstation heeft daarmee dus een verwachte verkeersgeneratie van 576 (288 x 2) mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag.

De beoogde ontwikkeling voorziet ook in de realisatie van een kiosk met een grootte van 195 m2 bvo ter hoogte van het snellaadstation. Het CROW kent geen kencijfers voor kiosken. Daarom wordt aansluiting gezocht bij de functie 'cafetaria'. In 'Actualiseren parkeernormen gemeente Terneuzen' is de parkeernorm van een cafetaria in een gebied met een stedelijksheidsgraad van 'niet stedelijk', bepaald op 7,0 parkeerkeerplaatsen per 100 m2 bvo. CROW 381 geeft voor de functie 'cafetaria' geen kencijfers voor de verkeersgeneratie. Daarom wordt aansluiting gezocht bij een onderzoek van RHDHV

. Dat gaat uit van een turnover van 2,5 per parkeerplaats voor een cafetaria. Dit leidt voor de kiosk tot een verkeersgeneratie van 17,5 (7 x 2,5) motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersgeneratie dient gezien te worden als worst-case, want in de praktijk zal kioskbezoek veelal gecombineerd worden met het opladen bij het snellaadstation.

De berekende verkeersgeneratie is bepaald voor een gemiddelde weekdag. Om deze om te rekenen naar een gemiddelde werkdag is aansluiting gezocht bij de omrekenfactor (1,1) voor 'overige detailhandel (CROW 272).

De totale verkeerverkeersgeneratie van de planontwikkeling is weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 - Verkeersgeneratie bestaande en toekomstige situatie

Functie   Aantal laadpunten / oppervlakte bvo (m2)   Kengetal (per 100 m2)   Weekdagintensiteit (mvt/etmaal)   Werkdagintensiteit (mvt/etmaal)  
Snellaadstation   8   -   576   634  
Kiosk   195   17,5   35   39  
Totale toename       611   673  

Verkeerstoedeling

Met behulp van expert judgement en de aanbevolen routes volgens google maps is de toedeling van het gegenereerde verkeer bepaald. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling dient gekeken te worden naar de verkeerstoename gedurende het maatgevende uur. Hierbij wordt standaard aangehouden dat gedurende het drukste uur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling betekent dat een verkeersgeneratie van 67 mvt/uur gedurende de maatgevende periode.

Vanaf de aansluiting van het plangebied op de parallelweg zal 90% (61 mvt/uur) in oostelijke richting worden afgewikkeld richting het kruispunt Middenweg – Hoofdplaatseweg, terwijl de resterende 10% (7 mvt/uur) in westelijke richting wordt afgewikkeld. Vanaf het kruispunt Middenweg – Hoofdplaatseweg zal 80% (54 mvt/uur) in oostelijke richting worden afgewikkeld over de Middenweg en de Brielsweg naar de aansluiting op de N61. De overige 10% (7 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer zal in noordelijke richting worden afgewikkeld over de Hoofdplaatseweg, richting de kern Biervliet. Vanaf de aansluiting op de N61 zal 40% (27 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer richting het westen worden afgewikkeld en 40% (27 mvt/uur) in oostelijke richting. In onderstaande figuur is de beoogde verkeersafwikkeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0020.jpg"

Figuur 4.1 - Verkeerstoedeling plangebied (RHO adviseurs, 2022)

De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal plaats vinden op de Middenweg ten westen van het plangebied, waar de beoogde ontwikkeling zal zorgen voor een verkeerstoename van 606 mvt/etmaal. De Middenweg is ingericht als een erftoegangsweg-type II buiten de bebouwde kom. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type II aangehouden dat een verkeersomvang tot 4.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Op basis van de functies die in de huidige situatie ontsloten worden via de Middenweg en de functie van de weg als parallelweg van de N61, wordt aangehouden dat de verkeersintensiteit op de Middenweg in de huidige situatie dermate laag is dat de beoogde verkeerstoename niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersdoorstroming.

Verkeersveiligheid

Naast het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersdoorstroming op de omliggende wegen dient ook de verkeersveiligheid van de Middenweg beoordeeld te worden. Zoals beschreven bij de beoordeling van de verkeersafwikkeling zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot knelpunten in de verkeersdoorstroming van de Middenweg. De Middenweg heeft een breedte van circa 4,5 meter met half verharde bermen aan beide zijden van de weg, zodat het gemotoriseerde verkeer kan uitwijken in de berm indien nodig. De Middenweg zelf is dermate smal dat het gemotoriseerde verkeer elkaar niet goed kan passeren zonder snelheid te minderen. Voor het passeren van landbouw voertuigen dienen beide voertuigen uit te wijken en gebruik te maken van de half verharde berm. Hierbij is met de behulp van de berm voldoende ruimte beschikbaar voor een personenauto om een landbouw voertuig stapvoets te passeren.

Het fietsverkeer wordt gescheiden van het gemotoriseerde verkeer afgewikkeld op het naastgelegen tweerichtings fietspad. Het dichtstbijzijnde conflict vanaf het plangebied tussen het gemotoriseerde verkeer en het fietsverkeer vindt plaats ten westen van het plangebied, op de kruising tussen de Groenewoudsedijk en de Middenweg. Bij dit kruispunt heeft het gemotoriseerde verkeer voorrang over het fietsverkeer, waarbij het fietspad breed genoeg is voor fietsers om op te stellen zonder het doorgaande fietsverkeer te stremmen. Tevens is de kruising met de Groenewoudsedijk gelegen op een verhoging, waarmee de snelheid van het gemotoriseerde verkeer wordt gereguleerd. Op deze kruising zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 7 mvt/uur gedurende het maatgevende uur, wat neerkomt op een toename van circa 1 voertuig per 9 minuten. Deze toename is dermate laag dat de invloed van de beoogde ontwikkeling op de doorstroming van de kruising gering zal zijn. De beoogde ontwikkeling zal dan ook niet zorgen tot knelpunten in de verkeersveiligheid.

Parkeren

De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de parkeernormen van de gemeente Terneuzen uit de 'Actualiseren parkeernormen gemeente Terneuzen' De parkeernormen van de gemeente Terneuzen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij worden de kengetallen voor het gebied 'rest bebouwing' aangehouden. Dit heeft te maken met het feit dat er voor het buitengebied geen kencijfers beschikbaar zijn.

Volgens de parkeernormenbeleid van de gemeente dient bij een ontwikkeling het parkeren op het eigen terrein te worden opgelost. Op basis van de parkeernormen van de gemeente Terneuzen geldt er een parkeernorm van 7,0 per 100 m2 voor een cafetaria. Dit zou betekenen dat de kiosk een parkeerbehoefte heeft van 14 parkeerplaatsen. Hoewel de kencijfers voor cafetaria een goede basis is, is het bezoek aan de kiosk kort of in combinatie met het snelladen waardoor de turnover 2 tot 3 keer hoger ligt dan bij een normale cafetaria. Daarvoor kan parkeerbehoefte van een cafetaria worden gedeeld door 3. Wat zorgt voor een parkeerbehoefte van (14/3= 5) 5 parkeerplekken.

Voor het snellaadstation zijn er geen kencijfers beschikbaar. Daarom gaan we uit van de beschikbare plekken voor de laadpalen: 8,0.

Tabel 3 - Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling

  Aantal   Parkeerkencijfer   Parkeerbehoefte  
Snellaadstation   1   -   0 pp  
Kiosk   195 m2   -   5 pp  
Totaal       5 pp*  

*dit is exclusief de 8 laadplekken

In de beoogde ontwikkeling zijn voldoende parkeerplekken. Hiermee wordt er voorzien aan de verwachte parkeerbehoefte.

Conclusie

De verkeerstoename door de ontwikkeling van het snellaadstation zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de omliggende wegen. In het ontwerp zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig om in de parkeerbehoefte te voorzien. De aspecten verkeer en parkeren staan de planontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.2 Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen.

Toetsing

Bij de geplande werkzaamheden in het plangebied is ter plaatse van het verblijfspark en het snellaadstation sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik. Daarbij is de bebouwde oppervlakte groter dan 50 m2, waardoor onderzoek naar de bodemkwaliteit hier noodzakelijk is. Ter plaatse van het zonnepark is geen sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik, waardoor hier geen bodemonderzoek noodzakelijk is.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is op de gronden ter plaatse van het beoogd verblijfspark en snellaadstation een verkennend bodemonderzoek verricht. Het volledig bodemonderzoek (NEN 5725 en NEN 5740) is terug te vinden in bijlage 1 van de toelichting.

Uit het bodemonderzoek blijkt dat zowel de bovengrond, als de ondergrond en het grondwater niet verontreinigd zijn. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. De grond wordt dan ook binnen het plangebied gehouden.

Gelet op het ontbreken van verontreinigingen in de grond en het slechts in zeer geringe mate (regionaal)verontreinigd zijn van het grondwater, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Historisch bodemonderzoek (deel zonnepark)

Naast het verkennend bodemonderzoek is tevens historisch (bureau)onderzoek uitgevoerd. Ook hieruit blijkt dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Het volledig historisch onderzoek is bijgevoegd in bijlage 2.

Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.3 Water

Beleid en normstelling

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

Toetsing

Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een Aanmeldformulier Watertoets gebruikt. Het ingevulde aanmeldformulier, waarin de hiervoor genoemde aspecten zijn verwerkt, is opgenomen in bijlage 3. Het conceptplan en het aanmeldformulier zijn toegezonden aan het waterschap en met deze instantie besproken. De ontwikkeling betekent een toevoeging van verhard oppervlak, waardoor een verplichting tot aanleg van waterberging ontstaat. Het waterschap heeft hierbij aangegeven dat er circa (2500m2 x 147mm=) 350 m3 waterberging noodzakelijk is, en bij een retentievijver enkel het gedeelte tussen het (gemiddelde) grondwaterpeil en de overloop gerekend mag worden als berging.

Na aanleiding van deze opmerkingen is de grootte van de waterberging aangepast. Hoewel de exacte vorm van de waterberging nog niet exact bekend is, wordt vastgelegd dat de waterberging minimaal de oppervlakte en bergingscapaciteit heeft zoals in figuur 4.2 en 4.3 staat uitgebeeld. Hierbij heeft de vijver namelijk een diameter van 25 meter, dit betekent een oppervlakte van circa 490m2. De totale berging hierbij bedraagt 503m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0021.png"

Figuur 4.2 - Diameter retentievijver (Goud Biervliet, 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0022.png"

Figuur 4.3 - Doorsnede retentievijver (Goud Biervliet, 2022)

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij ruimtelijke plannen zoals deze rekening gehouden dient te worden met de waterhuishouding. Middels het uitvoeren van een Watertoets worden alle relevante zaken met betrekking tot de waterhuishouding afgestemd en besproken met de waterbeheerder(s).

Conclusie

De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterkwaliteit of waterkwantiteit. Doordat de hoeveelheid verhard oppervlak met meer dan 500 m2 toeneemt is een watervergunning noodzakelijk, deze dient aangevraagd te zijn voordat de eerste bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Hierdoor vormt het aspect water geen belemmeringen voor de ontwikkeling .

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden.

Toetsing

Het plangebied is te kenmerken als een rustig buitengebied. Bij de geplande ontwikkeling worden bedrijfshinderveroorzakende functies gerealiseerd, te weten een snellaadstation, transformatorgebouwen en een kiosk.

Het plangebied is gelegen in een rustig buitengebied. De ontwikkeling staat een snellaadstation met bijbehorend verblijfspark, kiosk en zonnepark toe. De richtafstand voor een tankstation zonder LPG bedraagt 30 meter. Dezelfde richtafstand kan voor een snellaadstation gehanteerd worden.

Wat betreft de te ontwikkelen bedrijfshinderveroorzakende functie is de (eventuele) aanwezigheid van gevoelige bestemmingen in de directe omgeving van belang. In figuur 4.4 is het plangebied rood omlijnd en zijn de nabij gelegen gevoelige bestemmingen rood omcirkeld. Hieruit blijkt dat de meest nabijgelegen gevoelige bestemming is gelegen op ruim 50 meter ten oosten. Dit is de woning van één van de initiatiefnemers. De volgende twee woningen zijn gelegen op circa 450 meter ten oosten. Hieruit blijkt dat ruim aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0023.png"

Figuur 4.4 - Omliggende gevoelige functies

Het aspect lichthinder is behandeld in paragraaf 4.12

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.

4.5 Geluid

Beleid en normstelling

De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor.

Toetsing

Binnen het plangebied wordt een snellaadstation (inclusief kiosk en verblijfspark) en een zonnepark mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling geen realisatie van geluidsgevoelige functie(s) en dient derhalve geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Het zonnepark kan wel geluid produceren op geluidsgevoelige functies. De panelen produceren geen geluid. Het bijbehorende transformatorstation, voor de omzetting naar elektriciteit, wel. Bij dit snellaadstation en zonnepark worden 2 transformatorstations gebouwd. Deze wordt gesitueerd op geruime afstand (circa 450 meter) van de meest nabij gelegen woningen, zoals de VNG-richtlijnen voorschrijven. De transformator is alleen actief als er zon is. 's-Nachts zal er daarom geen geluidproductie plaatsvinden. Daarnaast wordt de transformator in een techniekgebouw geplaatst waardoor het geluid voor het grootst gedeelte wordt gedempt. Van geluidsoverlast zal daarom geen sprake zijn. Ook de elektrische voertuigen die gebruik maken van het snellaadstation produceren minimaal geluid.

Conclusies

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

Wet Milieubeheer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse.

NIBM

In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)

Toetsing

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-Monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof respectievelijk 13,04 ug/m3 en 14,04 ug/m3 bedragen. Deze waarden zijn gemeten direct langs het plangebied. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In figuur 4.5 is het rekenpunt ten opzichte van het plangebied weergegeven met de bijbehorende waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0024.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0025.png" Figuur 4.5 - Plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van rekenpunt (rood omcirkeld) (bron: NSL-monitoringstool)

De ontwikkeling maakt de realisatie van een snellaadstation met kiosk, verblijfspark en bijbehorend zonnepark mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0026.png"

Figuur 4.6 - Nibm Tool

De uitkomst van de NIBM-tool is dat de ontwikkeling binnen het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit (figuur 4.6).

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.7 Archeologie

Beleid en normstelling

Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Archeologiebeleid gemeente Terneuzen

Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m2 voor de zogenaamde kruimelgevallen.

Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.

Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:

  • het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK);
  • volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1,2 meter beneden het maaiveld);
  • in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde
  • er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III.

Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in 4 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend

Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.

Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoeks(rapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.

Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt, zo ook in het bestemmingsplan 'Buitengebied'. In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.

Toetsing

In de bestemmingsplannen wordt doorgaans een diepte van ten hoogste 0,5 meter beneden het maaiveld gehanteerd waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning (voor het bouwen en voor grond- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld is van het opstellen van een onderzoeks(rapport). Hierna wordt beoordeeld of in het bestemmingsplan een regeling (onderzoeksplicht en vergunningstelsel) moet worden opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. In het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied' is uitgegaan van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Vanaf 1.000 m2 en 50 cm diep is onderzoek bij grondroerende werkzaamheden noodzakelijk.

1. De Archeologische Monumentenkaart (AMK)

Binnen de grenzen van het plangebied bevinden zich volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) (figuur 4.7) geen terreinen met een vastgestelde archeologische waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0027.png"

Figuur 4.7 - Archeologische Monumentenkaart (AMK)

2. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW):

Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) is het onderzoeksgebied gelegen in een zone die wordt gekenmerkt door een zeer lage trefkans voor het aantreffen van archeologische waarden (zie figuur 4.8).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0028.png"

Figuur 4.8 - Indicatieve Kaart Archeologische Waarden

3. ARCHIS & Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) :

ARCHIS is het Archeologisch informatiesysteem. In Archis 3.0, de nationale database voor vindplaatsen in Nederland, worden binnen het plangebied geen waarnemingen vermeld. In de ruimere omgeving zijn wel enkele vindplaatsen bekend.

In het Zeeuws Archeologische Archief (ZAA) berusten de verslagen van alle in het verleden

in Zeeland uitgevoerde bodemonderzoeken, gegevens over losse vondsten en dergelijke. Dit archief geeft een indicatie van de vondsten die in het verleden gedaan zijn. Veel of belangrijke vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde. Uit navraag bij het ZAA blijkt dat in of rondom het plangebied zeer weinig archeologische vondsten zijn gedaan.

4. Geologie

Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn, waaronder:

  • Pleistoceen: vanaf de Steentijd;
  • Hollandveen: vanaf de IJzertijd en Romeinse tijd;
  • Duinkerke II, inclusief ‘oudere afzettingen van Duinkerke’: vanaf de Middeleeuwen;
  • Duinkerke III; vanaf de Nieuwe Tijd.

In de gemeente Terneuzen kunnen archeologische resten in de bodem voorkomen tot in de Pleistocene afzettingen. Op de geologische kaart (figuur 4.9) blijkt dat er verschillende afzettingen van Duinkerke aanwezig zijn:

  • F0.3b 'Afzetting van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (kreekafzettingen DIIIb op kreekafzettingen DII) op Hollandveen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0029.png"

Figuur 4.9 - Geologische kaart Van Rummelen

Voor de Afzetting van Duinkerke IIIb (geologische laag F0.3b) op Hollandveen op Pleistoceen geldt geen onderzoeksplicht volgens het gemeentelijke beleid 'De onderste steen boven? Interim beleid Archeologie Gemeente Terneuzen'. Hierdoor hoeft geen dubbelbestemming Archeologie meer opgenomen te worden in het bestemmingsplan.

Conclusie

In het bestemmingsplan is geen regeling nodig die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. Het plangebied is gelegen in het gebied ''F0.3b Afzetting van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (kreekafzettingen DIIIb op kreekafzettingen DII) op Hollandveen''. Volgens 'De onderste steen boven? Interim beleid Archeologie Gemeente Terneuzen' geldt voor deze gebieden geen onderzoeksplicht. Het aspect archeologie staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.8 Cultuurhistorie

Beleid en normstelling

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de Structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar.

Toetsing

Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart (figuur 4.10) blijkt dat rondom het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing aanwezig is. De Groenewoudsedijk is daarentegen wel aangeduid als een relict. Het planvoornemen veranderd echter niks aan de Groenewoudsedijk waardoor deze cultuurhistorische waarden niet in het gedrang komen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0030.png"

Figuur 4.10 - Provinciale cultuurhistorische waardenkaart (Provincie Zeeland)

Ook de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart is geraadpleegd. De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuur 4.8 - 4.10 is een uitsnede van de drie kaartenbladen voor het beoogde plangebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie er voor die locatie geldt.

Behoud

In de kaartlaag 'behoud' van de cultuurhistorische waardenkaart' (figuur 4.11) wordt duidelijk dat de strategie voor het plangebied 'Behouden' is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0031.png"

Figuur 4.11 -Kaartblad 'Behouden', plangebied rood omkaderd

Behoud door ontwikkeling

In de kaartlaag 'Behoud door ontwikkeling' (figuur 4.12) is het plangebied niet aangewezen voor beschermen, versterken, verbreden of verbinden. Hierdoor is geen duidelijke strategie voor het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0032.png" Figuur 4.12 - Kaartblad 'Behoud door ontwikkeling', plangebied rood omkaderd.

Vernieuwing mogelijk

Het plangebied is niet toegewezen in de cultuurhistorische waarden kaart 'vernieuwing mogelijk' (figuur 4.13). Hierdoor is er niet een duidelijke strategie voor het plangebied. De Middenweg (N61) is aangewezen met de strategie herstructureren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0033.png"

Figuur 4.13 - Kaartblad 'Vernieuwing mogelijk', plangebied rood omkaderd.

De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen is geraadpleegd en daaruit blijkt dat voor het gebied de strategie 'behouden' geldt. Hierdoor zijn vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen ontwikkelingen gewenst. Echter blijkt dat in of in de directe nabijheid van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Verder worden er ook geen gebouwen gesloopt en betreft de ontwikkeling slechts een snellaadstation met een bijbehorend zonnepark in het buitengebied. Daarbij komt dat ook het landschap minimaal wordt aangetast; het snellaaddstation en zonnepark wordt immers gerealiseerd naast een bestaand agrarisch bouwvlak en deze worden rondom ingepakt met een zeeuwse haag.

Conclusie

Het geplande ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9 Ecologie

Beleid en normstelling

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden 

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Toetsing

Gebiedsbescherming

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft Westerschelde & Saeftinghe op 4,2 kilometer ten noordoosten. In 4.14 is het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0034.png" Figuur 4.14 - Plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied (www.natura2000.nl)

Het plangebied is gelegen op enige afstand van het Natura 2000 gebied waardoor effecten als areaalverlies, versnippering en verstoring zijn uit te sluiten. De voornaamste verstoring voor Natura-2000 gebieden kan optreden door mogelijke stikstofdepositie. In bijlage 5 is het stikstofonderzoek naar de gebruiksfase en de aanlegfase toegevoegd. Er is geen sprake van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied.

Soortenbescherming

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een snellaadstation met kiosk en verblijfspark en bijbehorend zonnepark. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd:

  • Bouwwerkzaamheden

Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal kunnen worden verkregen.

Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een ecologisch onderzoek uitgevoerd (E.C.O.Logisch B.V., Quickscan Middenweg 13A Biervliet, 15-12-2021).

In het verkennend ecologisch onderzoek blijkt dat het aanwezige groen binnen het plangebied (ruigte in het midden van de akker, gewassen) en de sloten vlak langs het plangebied mogelijk geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast biedt het groen in en rondom het plangebied mogelijk geschikt foerageergebied voor de huismus. Het plangebied herbergt mogelijk leefgebied en rust- en verblijfplaatsen voor diverse zoogdiersoorten waaronder de bunzing, haas, hermelijn, veldspitsmuis, waterspitsmuis en de wezel. Er bevindt zich mogelijk een jaarrond beschermd nest buiten het plangebied dat binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden valt. Beschermde roofvogels als de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer kunnen hier gebruik van maken. Tevens vormt het gehele plangebied mogelijk een onderdeel van de jachtterritoria van deze vogelsoorten. In het plangebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Daarnaast biedt het plangebied mogelijk geschikte groeiplaatsen voor de kleine wolfsmelk. Andere strikt beschermde soorten, waarvoor geen vrijstelling geldt, worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen.

Tijdens de werkzaamheden kunnen passerende en foeragerende individuen van vleermuizen, indien er gebruik wordt gemaakt van nachtelijke verlichting, worden verstoord. Daarnaast kunnen mogelijk vogels met jaarrond beschermde nesten worden verstoord. De werkzaamheden kunnen in potentie leiden tot aantasting en vernietiging van voortplantings- en rustplaatsen van de bunzing, haas, hermelijn, veldspitsmuis, waterspitsmuis en de wezel. Bij de werkzaamheden kunnen mogelijk standplaatsen van kleine wolfsmelk worden vernield en exemplaren worden ontworteld en vernield. Tevens kunnen nesten van algemene broedvogels worden aangetast en vernield en kunnen algemene broedvogels, zoogdieren en amfibieën worden gedood.

Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.

Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van rust- en verblijfsplaatsen van diverse zoogdiersoorten is noodzakelijk, alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Deze aanvullende onderzoeken zullen gericht zijn op de haas, hermelijn, veldspitsmuis, waterspitsmuis en de wezel. Tevens is het nodig aanvullend onderzoek te doen naar jaarrond beschermde nesten, indien de werkzaamheden gepland zijn in het broedseizoen. Dit onderzoek zal zich richten op de boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer. Daarnaast is het nodig om aanvullend onderzoek te doen naar beschermde plantensoorten. Dit onderzoek zal zich richten op kleine wolfsmelk. In tabel 4.1 zijn de uit te voeren onderzoeken en de daarbij behorende onderzoeksperiode weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0035.png"

Tabel 4.1 - Benodigde nadere onderzoeken en daarbij behorende onderzoeksperiode

Het volledig ecologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 6.

Vervolgonderzoek

BROEDVOGELS

Er zijn binnen het projectgebied geen jaarrond beschermde nesten waargenomen. Wel is er op het perceel van de boerderij ten oosten van het projectgebied een broedgeval vastgesteld van de ekster. Binnen het projectgebied zijn individuen van de scholekster in broedbiotoop waargenomen, evenals zingende individuen van de ringmus en veldleeuwerik. Individuen van de ringmus zijn foeragerend waargenomen in de groenstrook ten westen van het projectgebied. Op beelden van de losse cameraval zijn onder andere individuen van de ekster, heggenmus, houtduif, patrijs, ringmus en de sperwer waargenomen.

FLORA

In het projectgebied zijn geen exemplaren van de kleine wolfsmelk of andere beschermde plantensoorten waargenomen. Wel zijn er algemene plantensoorten zoals exemplaren van echte kamille, kroontjeskruid, perzikkruid, zomerbitterling en zwaluwkruid waargenomen. Tijdens de onderzoeksperiode was er een monocultuur aanwezig op het westelijke perceel vanwege plantenteelt.

HAAS

Binnen de grenzen van het projectgebied zijn er meerdere individuen van de haas waargenomen. Tijdens een inventarisatie met de warmtebeeld camera zijn er in het projectgebied vijf individuen van de haas waargenomen. Op beelden van de losse cameraval is er meerdere malen een individu van de haas vastgelegd. Verblijfplaatsen van de haas kunnen door het gehele projectgebied verwacht worden daar verblijfplaatsen bestaan uit ondiepe uithollingen in de bodem.

KLEINE MARTERACHTIGEN

Tijdens het onderzoek zijn met behulp van cameravallen individuen van de wezel vastgesteld. De losse cameraval was gesitueerd ten westen van het projectgebied en heeft ten tijde van de onderzoeksperiode meerdere malen beelden van een individu van een wezel vastgelegd, waarvan eenmaal twee individuen van de wezel zijn vastgelegd. Door de aanwezigheid van individuen van de wezel en de geschikte structuren, waaronder muizenholen, is het aannemelijk dat er geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in het projectgebied. Op beelden van de cameravallen zijn tevens individuen van onder andere de bruine rat, egel en de steenmarter vastgelegd. Vanwege de afwezigheid van grote holen wordt een verblijfplaats van de steenmarter niet verwacht in het projectgebied.

SPITSMUIZEN

In het projectgebied en de directe omgeving zijn geen individuen van de veldspitsmuis en de waterspitsmuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek naar de muizen in het projectgebied zijn individuen van de aardmuis, gewone bosmuis, huisspitsmuis en de veldmuis waargenomen.

BESCHERMDE FUNCTIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied bevat elementen welke worden benut door beschermde soorten. In tabel 2 is weergegeven welke beschermde functies zijn aangetroffen in het projectgebied.

Tabel 2: Beschermde functies Wet natuurbescherming   Nederlandse naam   Wetenschappelijke naam   Functie  
Artikel 3.10   Haas   Lepus europaeus   Verblijfplaatsen (5)  
Artikel 3.10   Wezel   Mustela nivalis   Verblijfplaats (1)  

De verblijfplaatsen van de haas en de wezel kunnen tijdens de werkzaamheden worden aangetast en vernield. Daarnaast kunnen individuen worden verstoord en gedood gedurende de geplande ontwikkeling. Hiermee worden de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming overtreden. Het is noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen voor de verbodsbepalingen uit artikel 3.10

Het volledig ecologisch vervolgonderzoek is opgenomen in bijlage 7.

Conclusie

De verblijfplaatsen van de haas en de wezel kunnen tijdens de werkzaamheden worden aangetast en vernield. Hiervoor wordt een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd voor de verbodsbepalingen uit artikel 3.10. Gezien de ruime compensatie van natuurwaarden wordt er vanuit gegaan dat deze ontheffing wordt verleend.

4.10 Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.

Toetsing

Planologische relevante kabels en leidingen

In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

Niet-planologische relevante kabels en leidingen

Voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden zal een klic-melding worden uitgevoerd om andere aanwezige leidingen in beeld te hebben.

Het zonnepark wordt aangesloten op de huidige aansluiting op het elektriciteitsnetwerk. Deze aansluiting is enkele jaren geleden gerealiseerd voor de zonnepanelen op de bedrijfsdaken. Hiervoor ligt een 10 KV kabel op het bedrijventerrein. Vanaf deze kabel wordt tevens aftakking gemaakt richting het snellaadstation. Er is met Enduris afstemming geweest en tevens goedkeuring verleend om tot maximaal 2 MW overcapaciteit op het elektriciteitsnetwerk te lozen. Dit is de maximale overcapaciteit als alle panelen maximaal energie genereren en er tegelijkertijd niets wordt afgenomen, dit is ruim voldoende.

De aanleg van de extra kabels is financieel rendabel bij de (relatief kleine) omvang van dit zonnepark, omdat kan worden geprofiteerd van de huidige voorzieningen voor de reeds aanwezige zonnepanelen op de bedrijfsdaken. De aanleg van de kabel zal ondergronds plaatsvinden op eigen terrein en zal geen impact hebben op de omgeving.

Elektromagnetische straling

Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgsprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (uT). Dit voorzorgsprincipe wordt daarvoor ook gehanteerd bij een zonnepark, door de afstand van een zonnepark tot gevoelige functies zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij gevoelige bestemmingen niet boven die advieswaarde uitkomt. In het RIVM-Rapport ''Verkenning van extreem laagfrequente magnetische velden bij verschillende bronnen'' (RIVM-rapport 609300011/2009) blijkt dat de magnetische veldsterkte van een transformatorstation 0,4 micro Tesla is op 7 meter afstand. Tevens blijkt dat de magnetische veldsterkte sterk afneemt naar mate de afstand tot het transformatorstation toeneemt. Zowel de omvormers als de transformatorstations liggen op meer dan geruime afstand (+30 meter) van gevoelige functies, vandaar dat kan worden gesteld dat elektromagnetische straling van het zonnepark geen gezondheidsrisico vormt voor omwonenden.

Conclusie

De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.11 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Onderzoek

Ten zuiden van het plangebied bevindt zich op circa 35 meter van de N61 waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. De N61 beschikt niet over een veiligheidsafstand of een Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Deze vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied ligt wel in het invloedsgebied van de N61. De afstand van het plangebied tot de N61 bedraagt minder dan 200 meter waardoor overeenkomstig het Bevt een berekening van het groepsrisico nodig is. Uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld op 25 juni 2013) blijkt echter dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Op het aangrenzende terrein van het bedrijf staan twee bovengrondse propaantanks. De PR 10-6 contouren van deze tanks liggen deels over het plangebied. Het maatgevende scenario voor deze tanks is een ongeval waarbij het brandbaar gas explosief vrijkomt. Verder reikt het invloedsgebied van de inrichtingen Oiltanking Terneuzen en Vertschi tot het plangebied. Voor deze inrichtingen is het vrijkomen van giftige stoffen het maatgevend scenario.

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een snellaadstation met bijbehorende kiosk, verblijfspark en een zonnepark. De kiosk is het enige object wat als een kwetsbaar object kan worden beschouwd. In de kiosk zullen maximaal 2 arbeidsplaatsen zijn. Door de geringe ontwikkeling zal het groepsrisico niet stijgen. Er zal geen sprake zijn van een groepsrisico hoger dan de oriëntatiewaarde en ook zal deze niet met meer dan 10% stijgen. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Middenweg in Biervliet. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Biervliet. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zal een snellaadstation met bijbehorende kiosk, verblijfspark en een zonnepark gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel van de kiosk dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Brandgevaar

Ten aanzien van brandgevaar bij de omvormers zal bij het zonnepark een noodschakelaar worden geplaatst waarmee de spanning van het zonnepark gehaald kan worden, waardoor bij een mogelijke brand de kans op elektrocutie wordt voorkomen. Naast de toegangspoort zal een opstelplaats worden gerealiseerd. Ook wordt er voor gezorgd dat in geval van calamiteiten de brandweer toegang heeft tot het park. Het perceel is bereikbaar via de Middenweg. Bij de inrichting van het zonnepark is rekening gehouden met onderhoudspaden. Deze onderhoudspaden kunnen tevens worden gebruikt in het geval van brand en andere calamiteiten. Op deze manier wordt gezorgd dat alle zonnepanelen tot een straal van 60 meter voor de brandweer bereikbaar zijn, dit is voldoende om een eventuele brand te controleren. Op de boerderij ten oosten, die in bezit is van één van de initiatiefnemers is een brandkraan aanwezig op minder dan 70 meter van het plangebied. De bluswatervoorziening heeft een capaciteit van 60m3/ uur. Van deze brandkraan kan gebruik worden gemaakt in geval van brand. Verder bevindt zich zowel naast het plangebied als in het plangebied een waterpartij, deze twee waterpartijen kunnen voorzien in een aanvullende hoeveelheid water.

Voor het snellaadstation en het gebouw wordt voorzien in een bluswatervoorziening van minimaal 500 l/m (30 m3/uur) die binnen 50m van de opstelplaats aanwezig is.

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N61 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording gezien het groepsrisico van de inrichting zeer laag is en de beoogde ontwikkeling beperkt is. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Lichthinder

Beleid en normstelling

Bij de aanwezigheid van zonneparken in de omgeving van wegen of gevoelige functies kan in theorie sprake zijn van lichthinder.

Toetsing en conclusie

Rondom het zonnepark ligt één woning die hier overlast van kan ondervinden, deze is gelegen op ruim 50m van het zonnepark. Echter bevindt de woning zich in het oosten van het agrarisch bouwvlak waardoor tussen de bedrijfswoning en het zonnepark zich nog twee agrarische bedrijfsgebouwen en een hoge haag in de achtertuin van de woning bevinden. Tot slot wordt rondom het zonnepark een zeeuwse haag aangeplant, die minimaal 3 meter hoog wordt, ten behoeve van het uit het zicht nemen van het zonnepark. Hierdoor kan ook het aspect lichthinder worden uitgesloten.

Het zonnepark met snellaadstation is aan te merken als uitbreiding van het bedrijf van Goud Biervliet. Zij zullen hiervan melding doen ingevolge het Activiteitenbesluit dan wel een uitbreidingsvergunning milieu aanvragen. Het voorkomen van lichthinder is in dat kader een zorgplicht jegens woningen van derden.

Ook lichthinder ten aanzien van verkeer kan worden uitgesloten. De middenweg ligt namelijk op grote afstand van het zonnepark, waardoor ook voor het verkeer geen sprake is van onevenredige lichthinder. De lichtmasten rondom het snellaadstation worden vleermuisvriendelijk zoals bij de rotonde 61 bij Schoondijke, verder wordt de meeste verlichting voorzien van bewegingsensoren, zodat de verlichting niet de hele nacht brand.

4.13 Niet-gesprongen explosieven

Beleid en normstelling

Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek en NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018.

Het plangebied, gesitueerd ten noorden van de Middenweg, valt in relatie tot NGE door oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog in een aangemerkt risicogebied (zie in figuur 4.15 in blauw).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0036.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0037.png"

Figuur 4.15 - Niet-gesprongen explosievenkaart (bron: Gemeente Terneuzen).

Toetsing

Door de informatieverzameling is het gebied in/rondom Biervliet als conflictzone gedefinieerd en afgebakend als NGE-risicogebied. Dit wil zeggen dat -- in eerste instantie -- rekening dient te worden gehouden met achtergebleven munitie. In 1944 hebben bij de bevrijding van Biervliet en omgeving namelijk zware grondgevechten en artilleriebeschietingen plaatsgevonden. E.e.a. door geallieerde eenheden en door Duits (kust-)geschut. Veel opstallen hebben daarbij schade opgelopen en er werd na de oorlog nog relatief veel munitie gevonden; klein kaliber munitie (KKM), hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en geschutsmunitie van 2-15 cm zijn aangetroffen. Een aantal munitievondsten is door de EOD opgehaald/geruimd, zo ook nabij het plangebied. Voorts is sprake van (vermoedelijke) dumplocaties.

Historische kaarten

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0038.png"

Figuur 4.16 - Historisch kaart 1940 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0039.png"

Figuur 4.17 - Historisch kaart 1970 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0040.png"

Figuur 4.18 - Historisch kaart 1980 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0041.png"

Figuur 4.19 - Historisch kaart 2000 (bron: www.topotijdreis.nl)

Het gebied ligt tussen de oude hoeves 'Rustwijk' (westelijk) en 'Nooit Rust' (oostelijk). Sprake is van decennia lang gebruikte landbouw- en/of weidegrond. In de jaren '70 (b)lijkt de oorspronkelijke (veedrink?)put in/nabij het plangebied gedempt en is er een nieuwe put even meer oostelijk gesitueerd. Noot: Aangezien het tekeningen betreffen, kan sprake toch zijn van dezelfde put.

Overweging

De NGE-risicokaart gaat voor de locatie in beginsel uit van een risicogebied. In dit geval zou de omschreven en naar verwachting kleine munitie zich dan op, of juist onder de oppervlakte kunnen bevinden. De beoogde ontwikkellocatie is echter sinds de Tweede Wereldoorlog tot heden respectievelijk als landbouw- en/of weidegrond in gebruik, met enige grondroering/-verzet aan de oppervlakte tot gevolg. Grotere oorlogsrestanten zouden redelijkerwijs al zijn opgemerkt. Voorts vindt er voor het inrichten van het beoogde zonnepark nauwelijks grondverzet plaats. De eerder vermelde (veedrink?)put is niet direct na de oorlog gedempt en wordt in relatie tot eventuele dumplocatie voor munitie daarom niet als extra verdacht beschouwd. Al met al is de trefkans van munitie niet ondenkbaar, maar wel klein. Op basis van trefkans en kaliber van bedoelde munitie wordt humaan risico laag ingeschat en wordt onderzoek redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht.

In geval er alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'. Afhankelijk van het tijdpad kan de initiatiefnemer zekerheidshalve zelf alsnog tot onderzoek naar NGE besluiten, bedoeld om vertraging tijdens de fase van projectuitvoering te voorkomen.

Conclusie

Er is geen (vervolg)onderzoek naar zogenoemde ontplofbare oorlogsresten vereist. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor het aanvangen van (graaf)werkzaamheden.

4.14 Milieueffectrapportage

Beleid en normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten

Onderzoek en conclusies

Een zonnepark is niet als zodanig opgenomen in de D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:2770, d.d. 14 augustus 2019) is gebleken dat een zonnepark niet kan worden aangemerkt als een 'industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water' (cat. D 22.1), omdat een zonnepark geen thermische (verbrandings)-)installatie betreft. In een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie.

Daarnaast is uit diezelfde uitspraak gebleken dat een zonnepark evenmin kan worden aangemerkt als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (cat. D 11.2). Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een zonnepark kan naar het oordeel van de Afdeling niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de gevolgen voor het milieu van een zonnepark in de basis beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting.

Om visuele hinder en landschappelijke aantasting te beperken dan wel te voorkomen is een landschapsplan opgesteld, zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht. In hoofdstuk 4 is onderbouwd dat er geen belemmeringen zijn wat betreft milieu- en omgevingsaspecten.

De conclusie is dat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu. Een nadere analyse in de vorm van een aanmeldnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling is vanwege het ontbreken van de activiteit in de D-lijst van het Besluit m.e.r. niet noodzakelijk.

 

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch

Binnen deze bestemming zijn de vigerende gebruiks- en bouwregels (waar van toepassing op het perceel) overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Aanvullend is de aanleg van een zonnepark met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt. Doordat de bestemming Agrarisch blijft, is het oorspronkelijk grondgebruik toegestaan en kan dat hervat worden. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is tevens de plaatsing van kleine windturbines mogelijk conform het bestemmingsplan 'Buitengebied'.

Bedrijf

Deze bestemming is gebruikt voor het snellaadstation waar de verkoop van elektriciteit voor elektrische auto's mogelijk wordt gemaakt. Ter plaatse van de bestemming zijn eveneens bijbehorende voorzieningen zoals de kiosk en facilitaire voorzieningen toegestaan.

Groen-Landschappelijke inpassing

Deze bestemming geldt aan de randen van het perceel en is opgenomen ter borging van de landschappelijke inpassing van het zonnepark en het snellaadstation.

Groen

De bestemming Groen is van toepassing op het verblijfspark bij het snellaadstation.

Waarde - Archeologie - 3

Deze bestemming voorziet in het veiligstellen van mogelijk aanwezige archeologische waarden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen.

6.1.1 Participatie en maatschappelijke meerwaarde

De familie Goud woont al generaties lang in Biervliet en heeft goede lokale contacten in de omgeving van haar percelen. Omwonenden zijn dan ook in een vroeg stadium reeds geïnformeerd en bevraagd over de plannen. Aan het einde van 2021 zijn met de omwonenden gesprekken geweest in het kader van de omgevingsdialoog. Hierbij is het plan toegelicht, zijn vragen beantwoord en zijn de wensen van de omwonenden besproken zodat deze meegenomen konden worden in de ruimtelijke inpassing van het zonnepark. Omwonenden hebben zeer positief gereageerd op de beoogde ontwikkeling.

Wat betreft de afkadering van de woningen of bedrijven die tot omwonenden worden gerekend is rondom het bedrijf een cirkel getrokken van 1 kilometer (figuur 6.1). De woningen en bedrijven binnen deze cirkel worden tot omwonenden gerekend en zijn benaderd door de initiatiefnemer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG74-VG01_0042.png"

Figuur 6.1 - Afkadering omwonenden

De adressen van de omwonenden die zijn benaderd zijn:

  • IJzendijkseweg 14
  • Hoofdplaatseweg 3
  • IJzendijkseweg 16
  • Hoofdplaatseweg 1A
  • Oostlangeweg 17
  • Geertruidadijk 7
  • Geertruidadijk 4
  • Hoofdplaatseweg 1

De omgevingsdialoog is bijgevoegd in bijlage 9 van deze toelichting.

Informatieverstrekking

De geplande ontwikkeling wordt gedeeld met omwonenden via de omgevingsdialoog en met de rest van de gemeenschap middels een folder in het advertentieblad. Deze folder wordt nog ontwikkeld en wordt verspreid in Biervliet en omgeving.

Zienswijze

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 18 augustus tot en met woensdag 28 september 2022 ter inzage gelegen. Binnen deze periode is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is met beantwoording opgenomen in bijlage 10. De zienswijze leidt niet tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.

Vaststelling

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt wederom zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

De financiële haalbaarheid is voorafgaand aan de procedure uitgebreid doorgerekend met experts. Met behulp van SDE+ subsidie ontstaat er een businesscase. De initiatiefnemers, bestaande uit het familiebedrijf Goud Biervliet B.V., investeren op eigen risico in het park. De initiatiefnemers treden op als de ontwikkelaar van het park. De kosten voor het uitvoeren zijn voor de initiatiefnemers. Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten voor het dekken van de gemeentelijke kosten, eventuele planschade en de vereveningsregeling.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Het kostenverhaal is verzekerd aangezien er een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt gesloten. Het plan is hiermee voor de gemeente een kostenneutrale ontwikkeling.