direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Keerlus Korringaweg Yerseke
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Aan De Zaete te Yerseke vindt momenteel nieuwbouw plaats in de vorm van appartementen. Daartoe is in 2017 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Gevolg van de uitvoering van dit project is dat de (onofficiële) keermogelijkheid voor vrachtwagens op het terrein aan De Zaete komt te vervallen. Om te voorkomen dat vrachtverkeer van het bedrijventerrein aan de Korringaweg de kern in moet rijden, is het gewenst een nieuwe keermogelijkheid te realiseren. Ter hoogte van Korringaweg 7 wordt voorzien in een rotonde die geschikt is voor het keren met een vrachtwagen. Deze rotonde past niet geheel binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Grote Bedrijventerreinen'. Om die reden is dit postzegelbestemmingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Korringaweg te Yerseke, ter hoogte van nummer 7, kadastraal bekend gemeente Reimerswaal, sectie Y nummers 770 en 407 (beiden gedeeltelijk). Aan de noord- en oostzijde grenst het plangebied aan percelen waarop onderzoeksbureau's zijn gevestigd. Aan de zuid- en noordwestzijde ligt de Korringaweg en aan de westzijde grenst het plangebied aan de waterkering. In het plangebied is de gehele rotonde meegenomen inclusief de bijbehorende groenstrook.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01_0001.png"  afbeelding "i_NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01_0002.png"

Figuur 1 | plangebied (bron: www.zeeland.nl, bewerking Juust)

1.3 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om het plan te kunnen uitvoeren.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit zes hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende milieuaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Beschrijving project

2.1.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is er sprake van een doorgaande route en een keermogelijkheid op het terrein aan De Zaete waar momenteel appartementen in ontwikkeling zijn (zie ook figuur 1). Een deel van het plangebied is momenteel ingericht als parkeerterrein behorende bij het onderzoekscentrum.

2.1.2 Nieuwe situatie

Het project behelst het aanleggen van een nieuwe rotonde op de Korringaweg ter hoogte van nummer 7 met bijbehorende groeninplanting. Het aanleggen van de rotonde is noodzakelijk om vrachtverkeer de mogelijkheid te geven om te keren zodat ze niet de kern Yerseke in hoeven rijden. Extra vrachtbewegingen in de kern zijn ongewenst. Daarnaast heeft de rotonde ook een snelheidsremmende werking en markeert de rotonde de toegang tot c.q. het einde van de kern.

De rotonde betreft een enkelstrooksrotonde met een fiets(suggestie)strook. De middeneilandjes ter plaatse van de rijbaan zijn overrijdbaar zodat vrachtwagens volledig rond de rotonde kunnen nemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01_0003.png"

Figuur 2 | voorlopig rotonde (bron: gemeente Reimerswaal)

2.2 Juridische regeling

2.2.1 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Grote Bedrijventerreinen' van de gemeente Reimerswaal. Dit bestemmingsplan is op 25 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Verkeer', 'Waterkering' en 'Kantoor'. Hiernaast geldt een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' en een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'.

Ter plaatse van de bestemming 'Kantoor' zijn kantoren, onderzoeksinstituten en bijbehorende toegangs- en achterpaden, erven en parkeervoorzieningen mogelijk. Het realiseren van een rotonde is in strijd met de bestemming 'Kantoor'.

Daar waar de bestemming 'Waterkering' van toepassing is, zijn de gronden bedoeld voor bestaande wegen, waterstaatkundige en waterhuishoudkundige voorzieningen en bestaande wegen. De rotonde ligt buiten deze bestemming. Ter plaatse van deze bestemming geldt tevens de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering'. In beginsel geldt daar een bouwverbod.

Binnen de bestemming 'Verkeer' zijn wegen, paden en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Daar waar nu de bestemming 'Verkeer' geldt is er geen sprake van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'-3' bepaalt dat indien werkzaamheden met een grotere oppervlakte dan 500 m² en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld worden uitgevoerd er een archeologisch onderzoek nodig is. Tevens kan een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden in dergelijke gevallen nodig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01_0004.png"

Figuur 3 | uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

2.2.2 Planuitwerking

De rotonde en de bijbehorende bermen en groenstrook krijgt in zijn geheel de enkelbestemming 'Verkeer'. Ter plaatse van de waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Evenals in de geldende situatie zal voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' gelden.

2.2.3 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status. In dit plan is uitsluitend een enkelbestemming (verkeer), dubbelbestemming (waarde - archeologie 3) en gebiedsaanduiding (vrijwaringszone dijk) van toepassing.

Regels

Algemeen
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

'Verkeer', 'Waarde - Archeologie - 3' en 'Waterstaat - Waterkering'
In dit bestemmingsplan is uitsluitend de enkelbestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waterstaat - Waterkering' van toepassing. Deze zijn gebaseerd op de standaardregels die de gemeente Reimerswaal hanteert voor bedrijventerreinen.

'Waarde - Archeologie - 1 en 2'
Omdat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' een wijzigingsmogelijkheid kent naar 'Waarde - Archeologie - 1' en 'Waarde - Archeologie - 2' worden deze bestemmingen eveneens opgenomen in het plan, conform de gebruikelijke manier binnen de gemeente Reimerswaal.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene aanduidingsregels
De gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - dijk' is opgenomen ter bescherming van de waterkering. De begrenzing van deze gebiedsaanduiding is gebaseerd op de legger van het Waterschap Scheldestromen.

Overgangs- en slotregels
De overgangsbepalingen vloeien rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. Bepaald is in welke gevallen bestaand gebruik of bestaande bebouwing kan worden gehandhaafd. In de slotregel is de plannaam bepaald.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

 

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

De onderhavige planontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2018
Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan geeft de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Alle hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Zowel op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, maar ook economie, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Binnen bestaand bebouwd gebied heeft de gemeente grote vrijheid bij de regie van ruimtelijke ontwikkelingen.

Het bedrijfsleven vraagt de overheid om vervoersstromen te faciliteren door goede infrastructuur, informatie en voorzieningen. De provincie richt zich daarbij op de hoofdinfrastructuur. Het plan past binnen de provinciale doelstellingen omtrent bereikbaarheid over de weg.

Omgevingsverordening Zeeland 2018
De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit plan raken.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen (2012)
Deze structuurvisie van de gemeente Reimerswaal geeft het ruimtelijk beleid weer, maar gaat ook in op de wijze waarop de uitwerking van dit beleid wordt gerealiseerd. De uitvoeringsparagraaf van de structuurvisie vormt de invulling van de wettelijke mogelijkheid van een structuurvisie als basis voor verevening tussen projecten en voorziet daartoe in fondsen.

Mobiliteit is een essentieel gegeven voor het functioneren van de gemeente Reimerswaal als prettige woon-, werk- en leefgemeente. Het beleid is gericht op de volgende speerpunten:

  • a. behoud goede bereikbaarheid van de kernen en voorzieningen in de gemeente;
  • b. optimaliseren van bereikbaarheid van de bedrijventerreinen;
  • c. verbeteren van de verkeersveiligheid, onder andere op de (gedeeltelijk) provinciale weg N289;
  • d. verbeteren van de bereikbaarheid van Yerseke;
  • e. verbeteren van de intermodaliteit tussen water en weg.

De belangrijkste ambitie voor Yerseke is het beter benutten van de aanwezige kansen en potenties. Relevant voor dit plan is dat gestreefd wordt naar een optimaal woon- en leefklimaat. Het verbeteren van de kwaliteit van de bereikbaarheid vooral op het gebied van verkeersveiligheid is ook één van de doelstellingen. Door de aanleg van de nieuwe rotonde wordt voorkomen dat vrachtverkeer de kern Yerseke in rijdt en het woon- en leefklimaat daardoor verslechterd. Het aanleggen van een rotonde is een verkeersveilige oplossing om het keren van de vrachtwagens mogelijk te maken.

Het plan past binnen het gemeentelijk beleid.

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de structuurvisie Kernen en bedrijventerreinen.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De Erfgoedwet voorziet in een juridische regeling waarin de belangen van archeologie en cultuurhistorie worden gewaarborgd.  

Voor het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde-archeologie - 3'. Hiervoor geldt dat er geen archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemingrepen plaats vinden op bestaande funderingen of wanneer de ingrepen een kleinere oppervlakte beslaan dan 500 m2 en niet dieper reiken dan 40 centimeter.

De werkzaamheden reiken in beginsel niet dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Daarnaast is er grotendeels sprake van bestaande verstoring. Er is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. Mochten werkzaamheden alsnog dieper reiken dan 40 centimeter onder het maaiveld dan dient voor de aanleg bezien te worden of een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden nodig is. In overleg met de gemeentelijk archeoloog kan in dat geval worden bepaald of onderzoek dan alsnog nodig is of niet.

Los hiervan geldt er een meldingsplicht indien tijdens de uitvoering vondsten worden gedaan.

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig. De ingrepen zijn beperkt van aard.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

De ontwikkeling betreft geen bedrijfsactiviteit waarbij de richtafstanden moeten worden getoetst aan nabijgelegen woonbebouwing. Het betreft het aanleggen van infrastructuur waarbij de bestemming 'Verkeer' niet dichterbij woningen komt dan reeds in het geldende bestemmingsplan is vastgelegd. Het aanleggen van de rotonde is bedoeld voor het keren van vrachtwagens, er wordt niet meer verkeer gegenereerd. De aanleg van de rotonde heeft geen invloed op het woon- en leefklimaat van de (in ontwikkeling zijnde) woningen aan De Zaete. Voor het overige zijn geen gevoelige functies in de omgeving aanwezig.

4.4 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, kan de gemeente in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning eisen dat er onderzoek wordt uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem. In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

In dit geval is er geen sprake van de realisatie van een gevoelige functie. Er wordt op de gronden niet langdurig verbleven door mensen. De huidige bodemkwaliteit is dan ook geschikt voor de beoogde aanleg van de rotonde.

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan de genoemde regelgeving.
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen of routes voor transport van gevaarlijke stoffen aanwezig. In het plangebied zullen niet langdurig personen verblijven en er komen ook niet meer personen dan in de huidige situatie. Het aspect externe veiligheid speelt geen rol in het kader van dit bestemmingsplan.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidniveaus zijn en wat niet (de geluidnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.  

Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

In dit geval is er geen sprake van het toevoegen van een nieuwe geluidbron of het toevoegen van een nieuwe geluidgevoelige functie. De afstand tot de dichtstbij gelegen woningen (De Zaete) wordt niet kleiner en de rijsnelheid wordt lager als gevolg van de aanleg van de rotonde. Een akoestisch onderzoek is niet nodig. Geluid is geen relevant thema voor deze planwijziging.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Het gaat dan om onder andere leidingen voor gevaarlijke stoffen en hoogspanningskabels. Voor deze kabels en leidingen geldt een veiligheidszone omdat deze een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen waarmee rekening moet worden gehouden.

4.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het gaat in deze om de aanleg van een rotonde die ervoor zorgt dat het vrachtverkeer kan keren en niet de kern Yerseke in rijdt. Door de realisatie van het project komen er niet meer verkeersbewegingen. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet dus vastgesteld worden dat er geen beschermde dier- of plantsoorten in het plangebied leven en er geen negatieve effecten zijn op eventuele beschermde gebieden.

Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling dienen enkele jonge bomen te worden gekapt en moet een intensief onderhouden plantsoen wijken. Gelet op de stedelijke omgeving is het niet aannemelijk dat er zich ter plaatse natuurwaarden hebben gevestigd. De kap van de bomen kan plaatsvinden buiten het broedseizoen.

Gebiedsbescherming
De locatie ligt weliswaar op korte afstand ( ca. 60-70 meter) van het Natura 2000-gebied Oosterschelde, echter door de zeer beperkte afwijking van het bestemmingsplan heeft dit geen invloed op het beschermde natuurgebied. Ook in de huidige situatie mogen ter plaatse verkeersbewegingen plaatsvinden ten behoeve van de functies binnen de bestemming 'Kantoor'. In de praktijk is er een parkeerterrein aanwezig. Er worden op de Korringaweg als gevolg van dit plan geen extra verkeersbewegingen toegevoegd. Het keren van de vrachtwagens vindt op dit moment nog plaats op het terrein aan De Zaete, welke op vergelijkbare afstand van het Natura 2000-gebied ligt. Derhalve zijn er geen noemenswaardige effecten op het genoemde natuurgebied te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01_0005.png"

Figuur 4: foto plantsoen (bron: google maps)

4.10 Trillingen

Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat trillingsgevoelige functies definieert. Beoordeeld moet worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Meestal gaat het om de bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoringen van activiteiten door trillingen, zoals bijvoorbeeld bij laboratoria of computercentra.

In dit plan gaat het om het aanpassen van bestaande infrastructuur. Ter plaatse van de rotonde wordt een vergelijkbaar wegdektype (asfalt) en ondergrond toegepast als de huidige infrastructuur op de Korringaweg. De afstand van de nieuwe rotonde tot het aanpalende onderzoeksinstituut is vergelijkbaar met de huidige afstand van het gebouw tot aan de Korringaweg. De inrit van het parkeerterrein behorende bij het bedrijfsgebouw wordt verder van het bedrijfsgebouw gesitueerd. De rijsnelheid ter plaatse is lager.

Het is niet aannemelijk dat er extra trillingshinder zal ontstaan.

4.11 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
De werkzaamheden vinden plaats direct naast de waterkering. Er wordt niet in de waterkering gewerkt, de rotonde wordt buiten de opgenomen dubbelbestemming 'waterstaat-waterkering' gelegd.  
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
overstroming vanuit oppervlaktewater in
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
afbeelding "i_NL.IMRO.0703.07YeBPKeerlus-va01_0006.png"
In de huidige situatie is sprake van de bestemmingen Verkeer en Kantoor. Beiden sluiten 100% verharding niet uit. In de nieuwe situatie krijgt het hele plangebied de bestemming 'Verkeer'. In de praktijk is er nu een wegdekverharding, een parkeerterrein en een plantsoen aanwezig. Er komt een vergelijkbaar plantsoen als in de huidige situatie. Binnen het plangebied vervalt het parkeerterrein. Compensatie is niet aan de orde.  
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
Hemelwater wordt door middel van kolken afgevoerd naar het gemeentelijk rioleringsstelsel, conform de huidige situatie.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast
en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.  
Er is geen sprake van onttrekking van grondwater.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
Door de realisatie van het project wijzigt de grondwaterkwaliteit niet.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.  
Door de realisatie van het project wijzigt de oppervlaktewaterkwaliteit niet.  
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Er zijn geen gevolgen voor de volksgezondheid.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra)
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Het plan brengt geen bodemdaling met zich mee.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
Er is in het plangebied geen sprake van natte natuur.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
Er ligt in de directe nabijheid van het plangebied geen oppervlaktewater.  
Anderer belangen waterbeheer  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
van de waterbeheerder niet belemmeren.  
De ontwikkeling vindt plaats direct naast de waterkering. Door de beperkte werkzaamheden beïnvloedt de ontwikkeling de werking van de waterkering niet.  
Wegen in beheer bij het waterschap
(alleen invullen voor zover van toepassing)
* in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?
* na realisatie: verkeersaantrekkende werking
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
* na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
* na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
* na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).  
Niet van toepassing.  

4.12 Conclusie

Omgevingsaspecten staan niet in de weg aan vaststelling van het bestemmingsplan en realisatie van het plan.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

Met de ontwikkelaar is een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is afgesproken dat de kosten voor het aanleggen van de rotonde voor de ontwikkelaar zijn.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro jo afdeling 3.4 Awb is het ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd waarbij een ieder is in de gelegenheid is geweest zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Er zijn binnen deze periode geen zienswijzen ingediend.