| Plan: | Hoofdstuk 22a Omgevingsplan Reimerswaal, uitbreiding begraafplaats te Waarde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0703.06Parkzicht40T-va01 |
Bij het actualiseren van het 'Beleids-en beheerplan begraafplaatsen 2023-2026' is de behoefte en capaciteit van de gemeentelijke begraafplaatsen in Reimerswaal geprognosticeerd. Daaruit is naar voren gekomen dat er op de begraafplaats in Waarde ruimte zou zijn tot 2035. Echter is naderhand gebleken dat het aantal grafuitgiftes aanzienlijk is gestegen. Uit herberekening is gebleken dat, wanneer deze trend zich doorzet, omstreeks 2030 de volledige begraafcapaciteit is benut. Het is daarom noodzakelijk om voortijdig hierop te anticiperen. Deze planherziening voorziet in de noodzakelijke omgevingsplanwijziging in verband met de noodzakelijke uitbreiding van de begraafplaats aan Parkzicht 40 te Waarde. Voor deze locatie zal de huidige agrarische functie (eerder bekend als 'bestemming') via een functieverandering worden gewijzigd in een maatschappelijke functie. Omdat de uitbreiding van de begraafplaats niet binnen het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan past, is er gekozen om via een TAM omgevingsplan het omgevingsplan te wijzigen. Dit wordt nader toegelicht in de volgende paragraaf.
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) die kan worden gebruikt in de periode dat onderdelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) nog niet (optimaal) werken of gebruikt kunnen worden omdat de plansoftware van de gemeente nog niet alle benodigde functies biedt of omdat er te weinig tijd is geweest om ermee te oefenen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wet ruimtelijke ordening (inmiddels vervallen) tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl.
Een TAM-IMRO omgevingsplan wordt alleen gebruikt om een ontwikkeling mogelijk te maken als niet van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA, betreft een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij voor bouwen is) gebruik gemaakt kan worden. Omdat voor onderhavige locatie in dit plan de functie definitief gewijzigd dient te worden - wat niet kan met een BOPA - is er gekozen voor een TAM-IMRO omgevingsplan.
Juridisch gezien is een TAM-IMRO aan te merken als een wijziging van het omgevingsplan en moet daarom ook voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Een TAM-IMRO omgevingsplan moet in ieder geval voldoen aan de volgende criteria:
Het plangebied ligt aan de westzijde van de kom van Waarde. Het vormt een logische afronding aansluiting op de bestaande begraafplaats Memento Mori in Waarde. Kadastraal is deze locatie bekend als Gemeente Waarde, Sectie E, nummer 1443. Het plangebied heeft een oppervlak van 7.820 m2 en is hieronder gevisualiseerd.
Figuur 1.1 Ligging plangebied in Waarde
Het plangebied ligt nabij de kom van Waarde in het landelijk gebied van de gemeente Reimerswaal. Kadastraal is deze locatie bekend als Gemeente Waarde, Sectie E, nummer 1443.
Figuur 1.2 Luchtfoto Waarde
Het gebied is eigendom van de gemeente Reimerswaal en momenteel in gebruik als grasland. Op het perceel zijn geen gebouwen aanwezig. Er is een bescheiden omheining aanwezig. Het perceel heeft aan de oostzijde opgaande beplanting. Dit wordt behouden. Het plangebied ontsluit via een pad naar de straat Parkzicht.
Figuur 1.3 Impressie plangebied vanuit zuidelijke richting
Figuur 1.4 Impressie plangebied vanuit noordelijke richting
In de toekomstige situatie wordt de begraafplaats Memento Mori naar het noorden en oosten uitgebreid. In onderstaande afbeelding is dit gevisualiseerd. De uitbreiding wordt aan weerszijden voorzien van een groene zone. De buitenste ring bestaat uit een onderhoudsstrook van gras t.b.v. onderhoud van de beplantingen, de binnenste ring uit een opgaande gesloten haag zoals op de huidige begraafplaats. De hoogte van die haag zal tussen de 1,00 en 1,50 meter zijn. De opgaande bestaande beplanting aan de oostzijde van het perceel zorgt voor voldoende afscherming van de begraafplaats richting de aanwonenden.
De uitbreiding zal vier velden omvatten waar plek is voor in totaal ongeveer 1300 plaatsen. Ingeschat wordt dat daarmee de capaciteit voor de komende 100 jaar in Waarde verzekerd is. De vier velden zullen omsloten worden door verharde paden. Deze sluit aan op de reeds bestaande paden op de begraafplaats. Tussen deze hoofdpaden is er sprake van semi/verharde paden langs de graven.
Het plangebied ontsluit zoals gezegd via een pad naar Parkzicht. Dit pad blijft behouden en vormt een goede ontsluiting voor langzaam verkeer om de begraafplaats te kunnen bereiken. Ook via de huidige begraafplaats wordt het plangebied ontsloten. Via de huidige begraafplaats is ook de kerk bereikbaar waar ook ruim voldoende parkeergelegenheid voor handen is.
Figuur 1.5 Stedenbouwkundige inrichting uitbreiding begraafplaats
In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege. Het Omgevingsplan Reimerswaal is op 1 januari 2024 in werking getreden. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat onder andere uit bestemmingsplannen. De bestemmingsplannen waarna het omgevingsplan doorverwijst zijn het bestemmingsplan Waarde dat op 24 juni 2013 door de raad is vastgesteld en het bestemmingsplan ´Buitengebied 2022´ dat op 24 januari 2023 is vastgesteld. Het plangebied heeft in beide bestemmingsplannen de bestemming 'Agrarisch' met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 2´.
Figuur 1.6 Uitsnede van de verbeelding bij het huidige omgevingsplan
Figuur 1.7 Uitsnede van de verbeelding bij het huidige omgevingsplan
Omdat binnen de agrarische bestemming geen begraafplaats is toegestaan is er strijd met het Omgevingsplan Reimerswaal. Voor het zuidelijk gedeelte geldt ook nog de Parapluherziening Wonen kernen Reimerswaal. Nu de ontwikkeling geen relatie heeft met wonen is dit bestemmingsplan verder inhoudelijk niet relevant. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat naast bestemmingsplannen ook uit lokale verordeningen en de bruidsschat. Gelet op de strijd met het genoemde bestemmingsplan is reeds daarom een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk en wordt verder niet op de lokale verordeningen en de bruidsschat ingegaan.
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie van het plangebied, een beschrijving van de gewenste situatie en een toetsing aan het omgevingsplan.
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van hoe het initiatief zich verhoudt tot het beleid van rijk, provincie en gemeente.
In hoofdstuk 3 worden alle voor het project relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving behandeld. Per aspect wordt beschreven in hoeverre iedere respectievelijk aspect invloed heeft op het project en wordt het relevante sectorale beleid en de sectorale regelgeving beschreven. Per aspect wordt geconcludeerd of er sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In Hoofdstuk 4 wordt de juridische planopzet besproken. In hoofdstuk 5 wordt de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid weergegeven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de belangenafweging en conclusie aangegeven.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige duurzame leefomgeving en geldt tot de invoering van de Omgevingswet als structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De NOVI vervangt vrijwel geheel de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van maart 2012.
Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van circa 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en een gebiedsgerichte aanpak. Vier prioriteiten staan centraal:
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer sturing en richting vanuit het Rijk. De opgaven rond wonen, klimaat, energie, circulaire economie, verkeer en vervoer en landbouw zijn zo groot en ingewikkeld dat meer sturing vanuit het Rijk gevraagd wordt. Bijvoorbeeld bij ontwikkellocaties voor woningbouw in stedelijk netwerk Nederland, door het sturen op clustering van logistieke functies en door functies beter af te stemmen op natuur en landschap. Zo kan het Rijk samen met andere partijen gebiedsgericht tot juiste keuzes en een integrale aanpak komen.
Behoud van omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle ontwikkelingen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid plaatsvinden. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes:
Daarbij zijn de belangrijkste inhoudelijke keuzes:
Doorwerking plangebied
Uit bovenstaande beschrijving blijkt dat de Nationale Omgevingsvisie een abstract niveau heeft. De voorliggende planontwikkeling is dan ook in lijn met de doelstellingen vanuit het NOVI.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel-voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie.
Doorwerking plangebied
De uitbreiding van de begraafplaats zou, gelet op de gegeven definitie van een stedelijke ontwikkeling, alleen een ´andere stedelijke voorziening´ kunnen betreffen. Jurisprudentie heeft uitgewezen dat een begraafplaats niet hieronder te rangschikken valt. Hierdoor is er geen sprake van een stedelijke voorziening.
De ladder van duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan o.a. instructieregels die bij het opstellen van een omgevingsplan nagekomen moeten worden. Het gaat hierbij om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderwerpen die aan bod komen voor het plangebied zijn onder andere veiligheid, gezondheid, milieu, water en erfgoed.
De Provincie Zeeland heeft op 12 november 2021 de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn:
Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn:
De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet.
Doorwerking plangebied
De ontwikkelingen in dit plan zijn in lijn met de doelstellingen uit de Omgevingsvisie Zeeland. Omdat de Omgevingsvisie doorwerkt in instructieregels in de Omgevingsverordening Zeeland, is het plan hierna concreet aan die regels getoetst.
Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan het TAM IMRO-omgevingsplan van gemeenten. Provinciale Staten van Zeeland hebben op 22 december 2023 de Omgevingsverordening Zeeland vastgesteld. Op 1 januari 2024 is deze in werking getreden. De omgevingsverordening bevat alle regels van de provincie over de fysieke leefomgeving.
De omgevingsverordening bevat alleen regels over belangen en ambities die niet doelmatig of doeltreffend door de gemeenten en/of de waterschappen kunnen worden geborgd respectievelijk gerealiseerd. De regels in de omgevingsverordening zijn dus gericht op het borgen van bovenlokale en bovenregionale belangen en op de doorwerking van provinciaal beleid.
Doorwerking plangebied
Hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening bevat de instructieregels die voor de gemeenten van belang zijn. Het thema begraafplaatsen komt hierin niet voor. In de bijlage van de omgevingsverordening is op perceelsniveau duidelijk gemaakt wat als buiten de bebouwde kom moet worden gezien. Onderstaande afbeelding laat zien dat het plangebied voor de uitbreiding van de begraafplaats binnen de bebouwde kom ligt.
Figuur 2.1 Visualisatie gebied buiten de bebouwde kom conform Omgevingsverordening
Verder blijkt uit de diverse kaarten dat er voor het plangebied geen bijzonderheden zijn. Zo ligt het plangebied bijvoorbeeld niet in de nabijheid van waterkeringen, Natuurnetwerk of provinciale wegen.
Tot slot zijn in afdeling 3.1 verschillende omgevingswaarden opgenomen. Deze omgevingswaarden zijn, voor zover aan de gemeente geadresseerd, voor onderhavige ontwikkeling niet van belang.
In een actieplan geluid staat het geluidsbeleid van de provincie. Het actieplan is gericht op de geluidsbelasting van provinciale wegen, belangrijke regionale spoorwegen en regionale luchthavens met veel vliegverkeer. De provincie stelt elke 5 jaar een nieuw actieplan vast. Op 3 januari 2024 is het Zeeuws Actieplan Geluid in werking getreden. Mensen die dicht bij een drukke provinciale weg, spoorweg of regionale luchthaven woont, kunnen daarvan geluidsoverlast ervaren. Ook een school of ziekenhuis kan last hebben van het geluid. De provincie stelt elke 5 jaar een actieplan geluid vast waarin het geluidsbeleid staat. Dit beleid gaat over de geluidsbelasting van belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens die de provincie beheert.
Ook de bescherming van stille gebieden is een verplicht onderdeel van het geluidsbeleid. Dit zijn speciaal door de provincie aangewezen gebieden met een lagere geluidsbelasting dan andere gebieden.
Doorwerking plangebied
Het plangebied is niet nabij een provinciale weg, spoorweg of regionale luchthaven gelegen. Bovendien is er geen sprake van een geluidsgevoelige bestemming. Het Zeeuws Actieplan Geluid is daarmee niet van toepassing.
Op 27 februari 2024 is de structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen geactualiseerd. Met deze actualisatie wordt een visie gegeven waar met name uitbreiding van woonwijken en bedrijventerreinen een mogelijkheid is. De visie bevat per kern een duidelijke kaart met ontwikkelingen. Voor Waarde is deze kaart in figuur 2.2 weergegeven.
Figuur 2.2 Visiekaart Waarde uit Structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen
Doorwerking plangebied
De structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen gaat niet in op begraafplaatsen. De uitbreiding ligt niet op een plek waar in de visie bijvoorbeeld een woonlocatie is voorzien. Daarmee is er geen strijd met deze structuurvisie.
De gemeente Reimerswaal legt met de Structuurvisie Buitengebied, het beleidskader vast ten aanzien van beleving en economie in haar buitengebied. Het beleidskader is gericht op het versterken van het landelijk gebied van Reimerswaal met en door alle betrokken partijen. In de gemeentelijke visie zijn het de bewoners, ondernemers en belangenbehartigers die - rekening houdend met de kwaliteiten in het gebied - aan zet zijn om het landelijk gebied van Reimerswaal een duurzame toekomst te geven.
In de structuurvisie zijn de belangrijkste beleidskeuzen voor ruimtelijke ontwikkelingen verwoord. De beleidskeuzen zijn gebaseerd op de bestaande identiteit en kwaliteiten van Reimerswaal en het traditioneel gebruik door de agrarische sector. Deze beleidskeuzen worden verwoord in beleidskeuzen die gelden voor het gehele buitengebied van Reimerswaal, beleidskeuzen die gelden voor de verschillende deelgebieden en beleidskeuzen die thematisch zijn en gelden voor individuele locaties in het buitengebied van Reimerswaal.
Figuur 3.2 Uitsnede kaart zones Structuurvisie Buitengebied Reimerswaal
Toetsing
Het plangebied maakt deel uit van deelgebied 4 'Agrarisch gebied met landschapswaarden komgrond'.
Dit deelgebied staat bekend om zijn open landschap in de vorm van kleinschalige polders, zijn lage ligging, de weinig hoog opgaande beplanting en het landbouwkundig gebruik.
De uitbreiding betreft een uitbreiding van de bestaand begraafplaats grenzend aan de kern Waarde en tussen de kerk. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op het deelgebied 'Agrarisch gebied met landschapswaarden komgrond'.
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen zijn passend binnen het beleid van de structuurvisie.
In 2016 heeft de gemeente de 'Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016' vastgesteld. In deze nota worden de landelijke richtlijnen vertaald naar de situatie in Reimerswaal. Het uitgangspunt hierbij is dat voor een nieuwe ontwikkeling het aantal autoparkeerplaatsen wordt vastgesteld dat:
De nota bevat een instructie hoe bij ontwikkelingen met het thema parkeren omgegaan moet worden. Voor het fietsparkeren worden in de nota richtlijnen aangereikt. Onderdeel daarvan zijn diverse uitgangspunten.
De uitgangspunten in deze nota worden gebruikt bij het verlenen van omgevingsvergunningen en als onderlegger voor herziening van een bestaand dan wel vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, waarmee planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. In bijlage twee van de nota zijn verschillende parkeerkencijfers voor de auto opgenomen waarmee een parkeerberekening kan worden gemaakt. Daarbij geldt dat voor de behoefte aan parkeerplaatsen voor mindervaliden, maatwerk wordt geleverd, afhankelijk van de functie die wordt gerealiseerd. In deze nota zijn hiervoor geen aparte normen opgenomen. Het wordt tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers gerekend op welke wijze voorzien wordt in parkeerplaatsen voor mindervaliden. Bij nieuwbouw ter vervanging van bestaande bebouwing, bij uitbreiding van bebouwing en/of bij een functieverandering is het niet vereist het eventueel bestaande tekort aan parkeerplaatsen te compenseren bij de nieuwe benodigde parkeervoorzieningen. Het bestaande tekort mag echter niet vergroot worden.
Voor het fietsparkeren worden in deze nota richtlijnen aangereikt. In bijlage 5 van de nota zijn de tabellen met de in Reimerswaal te hanteren fietsparkeerkencijfers opgenomen. Deze gelden voor solitaire functies en zijn dus niet geschikt voor gebieden met grote menging van functies, zoals winkelgebieden. Uitgangspunt is dat bij een initiatief op eigen terrein voldoende fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd, conform de kencijfers uit de tabellen. Daarmee is er dus geen mogelijkheid om fietsparkeren te faciliteren in het openbaar gebied.
Doorwerking plangebied
De toetsing is in hoofdstuk 3 opgenomen. Hier wordt volstaan met de conclusie dat aan de Nota parkeernormen voldaan wordt.
Op 24 januari 2023 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Groenplan 2023-2027 vastgesteld. Het doel van dit beleidsplan is om sturing te geven aan alle inrichtingen en ontwikkelingen die betrekking hebben op het openbaar groen in de bebouwde kom. In het Groenplan is een missie opgenomen. Deze luidt als volgt: “De gemeente Reimerswaal staat voor een passende, groene leefomgeving, met aandacht voor natuurwaarde, identiteit, klimaatadaptatie en het welzijn van de inwoners.” Om deze groene missie te bereiken volgt Reimerswaal zes basisregels:
Belangrijk onderdeel van het Groenplan is de zogenaamde Groennorm. Dit is een richtlijn voor de hoeveelheid openbaar groen per woning, en voor de kwaliteit die dit groen moet hebben. De groennorm is gebaseerd op landelijke cijfers en ervaringen en bevat onderstaande uitgangspunten:
In de groennorm gaat de gemeente bij ontwikkelingen uit van de volgende verhoudingen:
Tot slot wordt in het groenplan stil gestaan bij de waarde van groen. Zo is groen belangrijk voor de ecologische waarden van de gemeente en helpt het mee om de gemeente klimaatadaptief te maken. Daarnaast draagt groen bij aan lichamelijke geestelijk welzijn is het onderdeel van de identiteit van de gemeente.
Doorwerking plangebied
Bij dit plan wordt de groennorm als een kans gezien. Er is geen sprake van uitgeefbaar terrein voor wonen of bedrijven. Er is aandacht voor groen door de opname van een groen zone als afscheiding van de begraafplaats. Daarbij wordt de opgaande beplanting aan de oostzijde van het perceel behouden. Er is aandacht voor klimaatadaptatie door met semi-verharde paden te werken. Ook komen op de grafvelden afscheidingen van groen tussen de grafrijen. Gelet op het voorgaande wordt aan het Gemeentelijk Groenplan 2023-2027 voldaan.
Inleiding
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van woningen enerzijds een goede woon- en leefomgeving gegarandeerd kan worden en anderzijds rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen te maken wordt aangesloten bij de publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De zonering vindt plaats door het toepassen van minimale richtafstanden tussen bedrijven en woningen, afhankelijk van de milieucategorie van de bedrijfsactiviteiten.
Toetsing
Bij een bestemmingsplan dient voor nieuwe situaties rekening te worden gehouden met de richtafstanden van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Deze VNG-richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen 'rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Gelet op de omgeving wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In de omgeving liggen (planologisch), voor zover nu van belang, een kerk, een detailhandelsvoorziening (feitelijk een kapsalon) en vooral veel woningen. De milieucategorie van de kerk en de detailhandelsvoorziening/kapsalon zorgen niet voor een belemmering. Op circa 30 meter afstand bevindt zich de bestemming 'Wonen'. Voor een begraafplaats geldt een maximale richtafstand 10 meter. De milieucategorie van de begraafplaats zorgt niet voor een belemmering. Gelet op de aard van het initiatief is ook het thema spuitzones hier niet van belang.
Conclusie
Voor het aspect 'activiteiten en milieuzonering' is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan
Inleiding
Bij het toelaten of wijzigen van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet de aanvaardbaarheid van geluid voor de bescherming van de gezondheid en het milieu worden beoordeeld. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting is onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Regels over geluid in het omgevingsplan moeten voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ook als er geen instructieregels van toepassing zijn op een situatie, moet het bevoegd gezag zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 Ow).
Toetsing
De uitbreiding van de begraafplaats betreft geen geluidgevoelig gebouw of terrein. Andersom veroorzaakt de begraafplaats ook geen geluidsemissie.
Conclusie
Geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
Er moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 lid 1 Bkl). Dit is een invulling van een plicht uit de Omgevingswet waarbij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (art. 2.1 lid 4 Ow). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
• bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
• bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl).
Toetsing
Dit omgevingsplan voorziet niet in de oprichting van nieuwe gebouwen. De begraafplaats is geen geurgevoelig object en andersom wordt ook geen geur veroorzaakt.
Conclusie
Geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer activiteiten worden toegestaan die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid wordt de aanvaardbaarheid van de luchtkwaliteit vooral beoordeeld in aandachtsgebieden. In deze gebieden kunnen omgevingswaarden worden overschreden. Beoordeeld worden alleen de plekken waar mensen worden blootgesteld aan luchtvervuiling. Er zijn daarom ook locaties waar nooit toetsing nodig is. Voor de aanvaardbaarheid van de luchtkwaliteit moet in ieder geval aan de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2 worden voldaan.
Aandachtsgebieden fijnstof
In een aantal gemeenten is de fijnstofconcentraties relatief hoog door veehouderijen. Dit zijn volgens het Bkl de aandachtsgebieden fijnstof (artikel 5.51, lid 3). De gemeente Reimerswaal is niet aangewezen als aandachtsgebied fijnstof.
Bijdrage aan de luchtkwaliteit
Als het gaat om de bijdrage van een activiteit aan de luchtkwaliteit, dan is deze toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen.
Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Locaties waar geen toetsing nodig is
De instructieregels van de artikelen 5.50 en 5.51 gelden niet voor locaties waar de bescherming van de gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Op locaties die aan één van de volgende criteria voldoen, is geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit nodig:
Toetsing
De uitbreiding van de begraafplaats is een locatie waar mensen kort verblijven. Toetsing aan de instructieregels is daarom niet nodig voor deze wijziging van het omgevingsplan.
Conclusie
Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
In de Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Reimerswaal is opgenomen dat de begraafplaats voor iedereen dagelijks toegankelijk is tussen zonsop- en zonsondergang. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaats niet voor het publiek geopend is, zich daarop te bevinden. Er wordt dan ook zo goed als geen verlichting op de begraafplaats toegepast. Hooguit verlichting om de entree van de begraafplaats aan te lichten. Deze buitenlampen zullen neerwaartsgericht zijn met een beperkt uitstraling.
Inleiding
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Bodemkwaliteitskaart
Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodem van Reimerswaal in het algemeen van een goede milieuhygiënische kwaliteit is. Daarnaast kent de gemeente Reimerswaal een vrijstellingsregeling voor bodemonderzoek. Dit houdt in dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van de bodemonderzoeksplicht, indien al bruikbare recente gegevens beschikbaar zijn met betrekking tot de bodemkwaliteit. Vrijstelling kan ook worden verleend indien uit historisch onderzoek is gebleken dat het terrein onverdacht is voor bodemverontreinigingen.
Toetsing
Met dit initiatief wordt een uitbreiding van de begraafplaats mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van het oprichten van een bodemgevoelig gebouw. MCG Zuidwest heeft desalniettemin een verkennend bodemonderzoek voor het plangebied uitgevoerd. Dit rapport van 14 oktober 2024 is als bijlage 1 opgenomen. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is voldoende bodeminformatie over de bodemkwaliteit te verkrijgen om de geschiktheid te bepalen voor het nieuwe gebruik. Uit de rapportage blijkt dat er geen risico´s voor de volksgezondheid te verwachten zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten.
Conclusie
Voor het aspect bodem is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De Bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Inleiding
In een TAM-omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (WO II).
Toetsing en conclusie
Uit figuur 3.1 blijkt dat het plangebied niet als aandachtspunt is aangeduid. Het projectgebied is daarmee niet verdacht op het voorkomen van niet-gesprongen explosieven.
Het is echter niet uit te sluiten dat er geen explosieven kunnen liggen. Wanneer er binnen deze gebieden grondroerende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, hoeft vooraf aan de werkzaamheden geen vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de bestaande regelgeving. Het protocol “Toevalstreffer CE uit de WO II” is echter wel van toepassing op deze gebieden. Dit betekent dat de werkzaamheden stil gelegd moeten worden en een melding van vondsten moet worden ingediend.
Figuur 3.1 Explosievenkaart Reimerswaal, rood omkaderd het plangebied
Inleiding
Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillinghinder. Het toepassingsbereik van deze instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillinggevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Dit houdt in, dat in het omgevingsplan dient te worden gewaarborgd dat activiteiten die daarin worden toegestaan niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Herz in trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen.
In de bruidsschat – die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan - zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillinggevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt door een activiteit op een locatie. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen (artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat).
Toetsing
De begraafplaats is geen trillinggevoelig object en veroorzaakt zelf ook geen trillingen. Daarnaast zijn er in de omgeving geen spoorwegen of milieubelastende functies aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken in het plangebied.
Conclusie
Trillingen vormen geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). De gemeente Reimerswaal neemt hierdoor ook verkeersveiligheid mee in haar afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeerstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor de gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) in het omgevingsplan. De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid is dan ook een onderdeel van de afweging om ruimte te verdelen en gebieden aan te wijzen voor een bepaalde functie.
Parkeren
Het gemeentelijke beleidskader voor parkeren betreft de Notitie parkeernormen die in hoofdstuk 3 is besproken. Voor een begraafplaats wordt in deze notitie een norm van 31,6 aangehouden.
Toetsing
In de parkeernota van Reimerswaal is onder het kopje ´Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen´, de begraafplaats opgenomen. Bij een begraafplaats zijn 31,6 = 32 parkeerplaatsen nodig per plechtigheid. Normaal gesproken is er maar 1 plechtigheid (1 begrafenis) tegelijk op een begraafplaats. Dit betekent dus dat er 32 parkeerplaatsen nodig zijn.
Op dit moment is er al een begraafplaats en deze wordt uitgebreid. De begraafplaats heeft op dit moment vier parkeerplaatsen terwijl er eigenlijk ook voor deze begraafplaats 32 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit houdt in dat er nu 28 parkeerplaatsen te kort zijn. In de parkeernota is opgenomen dat een bestaand tekort niet gecompenseerd hoeft te worden. Doordat er slechts 1 plechtigheid tegelijk is op de begraafplaats heeft de uitbreiding geen gevolgen voor de parkeerbehoefte conform de parkeernota. De parkeerdruk neemt in de nieuwe situatie dus niet toe.
Daarbij komt dat in de praktijk, in goed onderling overleg met de naastgelegen gereformeerde gemeente, gebruik wordt gemaakt van het grote parkeerterrein van de kerk. Hierdoor treedt er geen parkeeroverlast op en is er ook anderszins geen sprake van verkeersonveilige situaties. Hierdoor wordt voldaan aan de Nota parkeernormen.
Conclusie
Mobiliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
In de Omgevingswet is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen. Functies zoals wonen, werken, reizen en recreëren raken elkaar en dat brengt risico's met zich mee. Bijvoorbeeld risico op brand, een ongeluk met een gevaarlijke stof, natuurbrand of risico's bij extreem weer. Een bewuste inrichting van de fysieke leefomgeving levert een belangrijke bijdrage aan het creëren en/of behouden van een veilige leefomgeving. Deze veilige leefomgeving levert een belangrijke bijdrage aan de gezondheid van mensen en het creëren en/of behouden van een gezonde leefomgeving.
Een onderdeel van omgevingsveiligheid is externe veiligheid. Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's van windturbines en luchthavens vallen onder externe veiligheid. In de Omgevingswet staan niet alle wettelijke bepalingen over externe veiligheid. Zo staat er in andere wet- en regelgeving aanvullende bepalingen over mijnbouwactiviteiten en beperkingengebieden rond (militaire) luchthavens.
Andere aspecten voor een veilige fysieke omgeving waarbij we in Nederland rampen of incidenten willen voorkomen of de gevolgen ervan beperken, hangen samen met:
Wettelijk kader externe veiligheid bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen
De meest voorkomende activiteiten hebben betrekking op het gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste elementen uit het wettelijke kader voor deze activiteiten.
Figuur 3.2 Omgevingsveiligheid in het domein en regels Omgevingswet
Kwetsbare gebouwen en locaties
In het Bkl ( Bijlage IV) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden:
De nadruk ligt op de bescherming van de kwetsbare gebruiksfunctie van een gebouw en niet op de bescherming van het gebouw als geheel.
Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Het gaat om de volgende gebouwen: woonfunctie voor 24-uurszorg, basisschool, school voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking, dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen), kinderopvang (excl. gastouderschap) en gevangenissen.
Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie, sportfunctie, school voor volwassenen, gezondheidszorg zonder bedgebied en locaties voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen.
De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat rekening dient te worden 19 gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording).
Aandachtsgebieden (groepsrisico)
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is onder de Omgevingswet de methode om met het groepsrisico om te gaan. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen.
Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:
Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (art. 5.15 Bkl). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is er een afwegingsruimte binnen een aandachtsgebied.
Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden, zoals: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied, aanvullende risicocommunicatie, beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron, vlucht- en schuilmogelijkheden, omgevingsmaatregelen of aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied.
Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten worden aangewezen als voorschriftengebied. In een voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw.
Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten worden aangewezen als voorschriftengebied. In een voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw.
Toetsing
De begraafplaats is geen kwetsbaar object. Volgens de Atlas voor de leefomgeving ligt het plangebied ook niet binnen een brand-, explosie-, en/of gifwolkaandachtsgebied (zie figuur 3.3). Met de beoogde ontwikkeling worden andersom geen nieuwe risicobronnen met brand, explosie-, en/of gifwolkaandachtsgebieden toegevoegd.
Figuur 3.3 Uitsnede Atlas van de Leefomgeving
Conclusie
Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
Hoogspanningslijnen Voor het elektriciteitsnetwerk (waaronder hoogspanningslijnen, ondergrondse kabels en transformatorhuisjes) bestaat geen directe wetgeving of normenkader in relatie tot gezondheid. Echter blijft artikel 1.6 van de Omgevingswet, die gaat over zorgplicht, gelden. Een netwerkbeheerder mag niet de gezondheid van de omwonenden schaden. Uit onderzoek is gebleken dat er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen leukemie en verblijf in het magnetische veld afkomstig van hoogspanningslijnen. In Nederland geldt daarom rijksvoorzorgbeleid voor hoogspanningslijnen.
Magnetische velden afkomstig van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen in nieuwe woningen, scholen en kinderdagverblijven niet sterker zijn dan 0,4 microtesla (ìT) over een jaargemiddelde. De gemeente stelt daarvoor preventief een zone in die vrij blijft van dergelijke bebouwing, dit noemen we de magneetveldzone. Dit geldt voor situaties waarin nieuwe gevoelige functies in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn worden gebouwd of nieuwe hoogspanningslijnen bij bestaande gevoelige functies worden gerealiseerd.
Het begrip "gevoelige bestemming" wordt als woning, school, crèche en kinderopvangplaats gedefinieerd. Daarbij is toegelicht dat andere bestemmingen waar kinderen of volwassenen voor kortere tijd en niet dagelijks verblijven, geen gevoelige bestemmingen zijn. Denk hierbij aan sportvelden, kinderspeelplaatsen en recreatiegebieden.
De magneetveldzone rond de hoogspanningslijnen markeert een gebied waarin het magnetische veld, gemiddeld over een jaar genomen, sterker is dan 0,4 microtesla. De breedte van de zone wordt afgeleid uit de nominale stroom waarvoor de hoogspanningslijn is ontworpen. Kabels en leidingen Naast de hoogspanningslijnen kunnen er nog andere kabels of leidingen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van (planologisch relevante) waterleidingen of rioleringsleidingen.
Toetsing
Volgens de Atlas voor de leefomgeving zijn in de directe omgeving van dit omgevingsplan geen (bovengrondse) hoogspanningsleidingen aanwezig. De dichtstbijzijnde lijn betreft een 150 kV tussen Kruiningen en Rilland aan de noordzijde van Waarde. De rekenafstand betreft 70 meter terwijl de afstand ongeveer 1,7 kilometer is.
Figuur 3.4 Uitsnede Atlas Leefomgeving hoogspanningsverbindingen
In het plangebied komen geen andere ruimtelijke relevante kabels en leidingen voor. Dit aspect behoeft om die reden geen nadere aandacht. Ten behoeve van de ontwikkeling kan worden volstaan met het doen van een Klic-melding voor aanvang van de werkzaamheden.
Conclusie
Er is geen sprake van een gevoelige bestemming en evenmin van relevante planologische kabels en leidingen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen. Dit wordt ook wel de weging van het waterbelang genoemd.
Rijksbeleid
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd:
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities:
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma's de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda's onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Beleid waterschap
Het Waterschapsbeheerprogramma laat zien welke doelen Scheldestromen de komende periode nastreeft, welke ontwikkelingen daarop van invloed zijn en hoe ze daarmee om zal gaan. Dit alles in relatie tot de systemen die Scheldestromen de afgelopen decennia heeft opgebouwd om veiligheid, gebruik en de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen.
Scheldestromen zorgt ervoor dat iedereen in Zeeland veilig kan wonen, werken en recreëren achter sterke dijken en duinen - en dat de wegen in het buitengebied goed onderhouden en veilig zijn. Sterke dijken en duinen zijn het handelsmerk van Scheldestromen. Als beheerder van de meeste dijken en duinen in Zeeland (bijna 500 km) is hoogwaterveiligheid voor Scheldestromen topprioriteit. Wind en water zorgen ervoor dat de dijken en duinen heel wat te verduren krijgen. Daarom houdt het waterschap ze nauwlettend in de gaten en onderneemt waar nodig actie. In de vijftien rioolwaterzuiveringen die Scheldestromen bedient, wordt 24 uur per dag het afvalwater gezuiverd. Met de nieuwste technieken en met oog voor duurzaamheid en energiebesparing. Een bijzondere taak bij Scheldestromen is het beheer van wegen in – voornamelijk - het landelijk gebied van Zeeland. Dit type wegbeheer ligt elders in het land meestal bij de gemeenten, maar in Zeeland is een andere keuze gemaakt. Scheldestromen zorgt voor circa 4.000 kilometer aan waterschapswegen.
Zeeland heeft zich ontworsteld aan het water, het is een prachtig gebied, met grote landschappelijke, ecologische en economische waarden, maar ook kwetsbaar voor klimaatverandering en het is dunbevolkt. Dit is terug te zien bij het waterschap; een naar verhouding kleine organisatie met een klein 'belastinggebied' dat staat voor grote opgaven. Scheldestromen blijft het beheergebied beschermen tegen wateroverlast, beheert het oppervlaktewater, zuivert afvalwater en beheert wegen en wegbeplanting. De traditionele kerntaken van het waterschap, waarbij de juiste keuzes gemaakt moeten worden om deze ook in de toekomst te kunnen vervullen. Want die toekomst verandert; klimaat, maatschappij en economie zijn volop in beweging. Dat leidt tot extra opgaven, waar het waterschap zich toe moet verhouden en strategische doelen voor moet stellen. Het waterschap kent onder andere de volgende taken en doelstellingen:
Waterkeringen
Zorgen voor een veilige woon- en werkomgeving is één van de belangrijkste taken. Eind 2022 zijn de primaire waterkeringen beoordeeld op de actuele vastgestelde normen én vertaalt het waterschap de uitkomsten van deze onderzoeken naar verbeteropgaven daar waar dat nodig is.
Watersystemen
De effecten van klimaatverandering vragen om een robuust watersysteem en daarom investeert het waterschap de komende jaren flink om het Zeeuwse watersysteem op orde te brengen en te houden.
Afvalwaterketen
Het is het waterschap haar ambitie om een robuuste en toekomstbestendige afvalwaterketen met een kwalitatief goede infrastructuur te behouden. Samenwerking met gemeenten en een op te stellen afwegingskader voor kosten baten-risico's vormen daarin een belangrijk vertrekpunt. Om de waterkwaliteitsdoelstellingen te halen, voert het waterschap bij diverse zuiveringsinstallaties aanpassingen uit. Deze zijn nodig om de emissie van stikstof in het effluent te verlagen.
Wegen
Een goede en veilige bereikbaarheid van het Zeeuwse buitengebied is essentieel. Het waterschap gaat zich met name toeleggen op het beheer van de 60 km-wegen en de huidige voet- en fietspaden. Dat is het overgrote deel van het areaal.
Gemeentelijk beleid
Op 12 januari 2022 is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2022-2026 vastgesteld. Het verbreed GRP Reimerswaal geeft het beleid van de gemeente Reimerswaal weer op het gebied van de rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater. In het verbreed GRP is de volgende visie geformuleerd: "Het hebben en houden van een duurzaam, veilig, gezond en toekomstbestendig (grond)-water- en rioleringssysteem in zowel het bebouwde gebied als het buitengebied van de gemeente".
Uit de visie van dit verbreed GRP blijkt dat de gemeente Reimerswaal streeft naar een duurzaam en toekomstbestendig water- en rioleringssysteem. Ofwel: een leefbare omgeving waarin de negatieve gevolgen van de verandering van het klimaat zoveel mogelijk beperkt worden. Het beperken van deze negatieve gevolgen en het vroegtijdig inspelen hierop wordt aangeduid met de term 'klimaatadaptatie'. Klimaatadaptief handelen vraag niet alleen aandacht voor de aard van de maatregelen (het type maatregel), maar vraagt ook om voldoende fysieke ruimte in een gebied (boven- en ondergronds) en afstemming tussen verschillende gemeentelijke disciplines, externe organisaties en burgers en bedrijven. Klimaatadaptatie is voor de gemeente Reimerswaal een leidend principe in de voorliggende planperiode.
Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijp maken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar en/of ontwikkelaar. Dit kan bijvoorbeeld via een anterieure overeenkomst, maar ook via de aanvraag van een nieuwe rioolaansluiting. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd, waarbij het scheiden van afvalwater en hemelwater (ontvlechten) de norm is. Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de dan geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren en regenwater zoveel mogelijk ter plaatse te verwerken. In verband met de voorkeur om regenwater op particuliere terreinen op te vangen, is het belangrijk dat dit ook fysiek mogelijk wordt gemaakt.
Toetsing
Het is wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren. Dit is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets heeft als doel het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die negatieve effecten hebben op het duurzame waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer. Bij het waterschap Scheldestromen wordt een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de relevante aspecten verwerkt. De watertoetstabel is hieronder weergegeven.
| Thema en water(beheer)doelstellingen | Uitwerking |
|
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. |
Het plangebied is niet gelegen binnen zoneringen van primaire en regionale waterkeringen. |
|
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. |
In de huidige situatie is het plangebied onverhard. Het bouwplan leidt tot een toename van het verhardingsoppervlak. De opgave is in het bestuurlijk overleg met het waterschap besproken. Het verhard oppervlak van de toegangspaden en graven wordt oppervlakkig afgevoerd via o.a. groenstroken naar de waterloop. Het betreft hier indirecte afvoer en is er geen watercompensatie nodig. In de technische uitwerking wordt het Waterschap verder betrokken bij het plan. |
|
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Er is geen sprake van huishoudelijk of bedrijfsmatig afvalwater. Het hemelwater, stroomt oppervlakkig af naar de watergangen en de groenbuffer. |
|
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. |
De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. Er wordt eventuele grondwateroverlast voorkomen door het realiseren van de waterberging(en) en bijvoorbeeld zoveel mogelijk groen toe te passen (doorlatende bodemverharding t.b.v. parkeren). |
|
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. |
De grondwaterkwaliteit zal als gevolg van de ontwikkeling niet verslechteren. Er worden duurzame materialen toegepast. |
|
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. |
Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare materialen. Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. |
|
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
Waar redelijkerwijs mogelijk, worden langs waterlopen flauwe (en natuurvriendelijke) oevers aangelegd. |
|
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk op het terrein teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. |
|
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
Met de gewenste ontwikkeling worden waardevolle wateren en natte natuur niet aangetast. |
|
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. |
Bij de inrichting wordt rekening gehouden met het onderhoud van bestaande oppervlaktewateren. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van het waterschap en de gemeente. In de stedenbouwkundige uitwerking is rekening gehouden met de onderhoudsstrook van 5 meter langs de watergang aan de noordwestzijde van het plangebied. |
| Andere belangen waterbeheer | |
|
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. |
In het plangebied zijn geen gronden en objecten van het waterschap gelegen. |
| Wegen in beheer bij het waterschap | Tijdens de aanlegfase van de woningen zal er geen transport plaatsvinden over waterschapswegen. De route loopt via Parkzicht, Kerkweg en Havenoordseweg naar de Oude Rijksweg. |
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Inleiding
De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) behorende bij de Omgevingswet.
De Omgevingswet is gericht op:
Een project kan in strijd zijn met de Omgevingswet wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Omgevingsvergunningen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Zorgplicht
De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is ten aanzien van natuur een aantal specifieke zorgplichten opgenomen. Deze specifieke zorgplichten hebben voorrang op de algemene zorgplicht. Deze specifieke zorgplichten gelden voor:
Deze zorgplichten gelden voor iedereen die de activiteit uitvoert.
Onderdeel soortbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub g).
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Onderdeel gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000- gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Natura 2000
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In de omgeving van Reimerswaal liggen diverse Natura 2000 gebieden. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Natuurnetwerk
De provincie Zeeland heeft in de Omgevingsvisie en -verordening gebieden aangewezen ter bescherming en versterking van de ecologische structuren. Dit is het Natuurnetwerk. In het Natuurnetwerk geldt het 'Nee, tenzij' principe. Dit betekent dat er in de basis hier geen nieuwe initiatieven worden togestaan. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Onder voorwaarden is een bepaalde uitbreiding van bestaande functies toegestaan. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN zijn niet toegestaan, ook geen externe effecten. Een nieuwe activiteit of ontwikkeling is alleen toegelaten als die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang zoals aangegeven in de omgevingsverordening van de Provincie Zeeland.
Toetsing
Het betreft een intensief agrarisch gebruikt perceel wat verder geen opgaande beplanting heeft. Om die reden kan de aanwezigheid van beschermde soorten worden uitgesloten.
Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat er geen significante toename (> 0,00 mol/ha/jaar) optreedt. Reden hiertoe is dat uit expertise blijk dat de beperkte inzet van een mini-graafmachine voor de werkzaamheden en de zeer beperkte extra vervoersbewegingen niet tot een significante toename zullen leiden. Verder is het plangebied niet gelegen in of nabij Natuurnetwerk, nadere toetsing aan de verordening is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Inleiding
Bij erfgoed zijn twee beleidsbenaderingen van belang die maken dat archeologie en cultuurhistorie als belangrijke versterkers en aanjagers kunnen fungeren van de plaatselijke identiteit. Erfgoedbeleid richt zich allereerst op het inzichtelijk maken van cultuurhistorische waarden en het gericht beschermen en in stand houden daarvan (behoud in situ). Daarnaast biedt erfgoed echter ook inspiratie en aanknopingspunten voor ontwikkelingen in de toekomst. Uitgangspunt daarbij is hoe erfgoed een ruimtelijke inrichting kan versterken.
Om deze reden is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Volgens de definitie in de Omgevingswet behoren tot dat erfgoed:
Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is zowel gericht op bescherming en behoud van waardevol erfgoed, als op het benutten van kansen van erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast verplicht de implementatie van Europees beleid (Verdrag van Granada) in de Omgevingswet gemeenten er voortaan toe dat ook een aantasting van de omgeving van de op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten wordt voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130) zijn alle instructieregels opgenomen die zich richten op het behoud van (voorbeschermde) rijksmonumenten, monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke monumenten, karakteristieke panden) en archeologische monumenten. Daarnaast moeten de regels zich richten op het voorkomen van de aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen en tevens alle omgevingen van (voorbeschermde) rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd. Een vergelijkbare instructieregel bestaat al voor specifiek historische molens, op grond van de Omgevingsverordening van de provincie. Die schrijft voor dat er op gronden binnen de omgeving met een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mag worden gemaakt als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Daarnaast zijn in afdeling 8.80 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling 27 van Rijksmonumentenactiviteit.
Wat betreft archeologie zijn de wettelijke kaders in de Erfgoedwet niet wezenlijk veranderd. Het gemeentelijk archeologiebeleid zoals vastgesteld in de archeologienota uit 2012 blijft daarom van kracht. Op een aantal punten biedt de wet de gemeente ruimte om archeologieregels op eigen wijze in te vullen. Met de archeologienota uit 2012 is deze ruimte benut en is gemotiveerd hoe in de omgevingsplannen van Reimerswaal met archeologie wordt omgegaan. In de nota zijn onder andere een aantal vrijstellingen voor archeologisch onderzoek opgenomen en is een versoepeling van de in de wet vastgelegde ondergrenzen doorgevoerd. De nota vormt de basis voor de archeologische regeling in dit omgevingsplan.
Toetsing archeologie
Bij de inventarisatie van bekende en te verwachten archeologische waarden in het onderhavige plangebied is gebruikt gemaakt het eigen archeologiebeleid van de gemeente Reimerswaal opgesteld voor het gehele grondgebied, inclusief de waterbodems (22-11-2011). Dit archeologiebeleid bestaat uit een deel A: Beleidsnota archeologie en een Deel B: Toelichting beleidskaart. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). In 2015 en 2016 heeft een evaluatie van het archeologiebeleid van de OAS gemeenten (initiatief van zes Zeeuwse gemeenten) plaatsgevonden. Uit deze evaluatie is gebleken dat het beleid prima functioneert en aanpassingen niet noodzakelijk zijn. Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid, dat reeds integraal is verwerkt in de bestaande ruimtelijke plannen, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.
In afbeelding 1.6 en 1.7 is het plangebied te zien, zoals weergegeven in het geldende omgevingsplan Reimerswaal. Voor de toetsing is dan ook het Omgevingsplan Reimerswaal geraadpleegd dat doorverwijst naar het bestemmingsplan ´Waarde´ en 'Buitengebied 2022'. In beide plannen heeft het plangebied de dubbelbestemming ´Waarde - Archeologie -2`. Dit betekent kort gezegd dat als er grondroerende werkzaamheden plaatsvinden met een oppervlak van minimaal 250 m2 en tegelijkertijd er sprake is van grondroerende werkzaamheden 40 centimeter onder maaiveld er een archeologisch rapport nodig is.
Gelet op het voorgaande is door bureau Artefact een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit rapport van 13 februari 2025 betreft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek. Dit rapport is onderdeel van deze toelichting en opgenomen in de bijlagen, als bijlage 2. In de rapportage wordt het volgende geconcludeerd.
Op basis van de hierboven geschetste archeologische verwachting wordt de kans groot geacht dat er zich binnen het plangebied archeologische vindplaatsen bevinden uit de late ijzertijd tot Romeinse tijd op het niveau van het Hollandveen Laagpakket en dit op een diepte vanaf minimaal 1,63 m -NAP (tussen 0,90 en 1,85 m -mv). De kans bestaat
dat eventuele vindplaatsen verstoord zullen worden door de toekomstige bodemingrepen.
Er wordt dan ook geadviseerd om geen bodemingrepen te verrichten die dieper reiken dan een diepte van 1,55 meter -NAP. Aangezien de maaiveldhoogte op het terrein sterk variabel was zou een ophoging ervoor kunnen zorgen dat het veenniveau bij graafwerkzaamheden niet aangetast wordt. De huidige begraafplaats ligt immers nu een stuk hoger dan vele delen van het plangebied.
Indien ophoging niet mogelijk blijkt, of niet hoog genoeg wordt opgehoogd en toch dieper gaat gegraven worden dan deze 1,55 meter -NAP, dan wordt archeologisch vervolgonderzoek wel noodzakelijk geacht. Conform de AMZcyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) dient het vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek. Gezien de aard van de verwachte vindplaatsen (zowel kleine vindplaatsen met louter vondststrooiingen als ook middelgrote vindplaatsen met grondsporen, mogelijk zonder vondstenlaag) is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven de meest geschikte onderzoeksmethode. Het doel van de karterende fase is het
terrein systematisch onderzoeken op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Het doel van de waarderende fase is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en het Programma van Eisen (PvE). Het gaat hierbij om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek, waarbij tijdens de waarderende fase het waarnemingsnet verdicht kan worden om de datering, aard, omvang, diepteligging, gaafheid en conservering (mogelijk te relateren aan het grondwaterpeil), locatie, uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) en mogelijke verstoringen van de archeologische resten vast te stellen, zodat een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies kan worden geformuleerd.
Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, worden vastgesteld. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Voorafgaand aan een vervolgonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat ter beoordeling en goedkeuring moet worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.
Conclusie archeologie
Vanuit archeologisch perspectief bestaat er geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. De meldingsplicht bij Onze minister, namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, van een zaak die in het plangebied wordt aangetroffen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het een archeologische vondst betreft, blijft van kracht (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10).
De civieltechnische bodemwerkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de aanleg van de begraafplaats zijn beoordeeld ten opzichte van de hoogtemeting en de conclusie uit het archeologisch rapport. De begraafplaats wordt opgehoogd om aan te sluiten op de huidige begraafplaats. Op basis van de bekende maatregelen en gegevens wordt daarbij niet dieper gegraven dan 1,45 meter – NAP.
Indien ophoging niet mogelijk blijkt, of niet hoog genoeg wordt opgehoogd en toch dieper gaat gegraven worden dan deze 1,55 meter -NAP, dan wordt archeologisch vervolgonderzoek wel noodzakelijk geacht.
Toetsing cultuurhistorie
Het plangebied is onbebouwd zodat er geen sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Evenmin is er sprake van monumentale bomen of ligging van het plangebied in de molenbiotoop van de lokale molen De Hoed. Verder zijn er op de kaart `Cultuurhistorie Zeeland´ ter plekke van het plangebied, naast wat MIP panden, geen bijzonderheden te zien. Ook ligt het plangebied in het landschapstype ´zeekleigebied nieuwland´ en is Waarde aangewezen als ringdorp. De realisatie van de uitbreiding van de begraafplaats doet geen onevenredige afbreuk aan het landschapstype of het ringdorp en heeft evenmin effecten op de MIP panden.
Figuur 3.5 Uitsnede kaart Cultuurhistorie Zeeland
Conclusie cultuurhistorie
Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Er zijn geen maatregelen noodzakelijk. Het huidige terrein betreft nu grasland. Er zal geen achteruitgang op deze thema's plaatsvinden. Door uitbreiding van de begraafplaats wordt de huidige situatie opgewaardeerd wat een positief effect heeft op klimaatadaptatie door meer biodiversiteit.
Inleiding
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Toetsing
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid / toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. De beoogde ontwikkeling is niet geluid- en geurgevoelig. Uit de paragraaf 'luchtkwaliteit' blijkt dat aan de omgevingswaarden en WHO waarden voor stikstofdioxide en fijnstof voldaan wordt en dat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.
Ter plaatse van het plangebied zijn geen magneetvelden aanwezig. Dit aspect is dan ook niet van toepassing.
Inleiding
De wetgeving over milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures:
Hierbij gaat het om plannen en programma's die een (beoordelings)kader kunnen vormen voor projecten. We spreken over 'een kader vormen' als in het plan een locatie- of tracékeuze staat. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Dit later te nemen besluit moet m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn.
Plan-m.e.r.
In artikel 16.34, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat onder een 'plan of programma' in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Als uitgangspunt worden in artikel 16.36 Omgevingswet drie situaties beschreven waarbij het opstellen van een milieueffectrapport (plan-MER) verplicht is. Daarop worden vervolgens uitzonderingen gemaakt. In het navolgende zal dit verder worden uitgelegd.
De Omgevingswet verplicht in de navolgende situaties tot het opstellen van een plan-MER:
Plan-m.e.r.-beoordeling
De uitzonderingen op het opstellen van een plan-MER zijn opgenomen in artikel 16.36 lid 3 en 5 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma eerst een plan-mer-beoordeling mag worden opgesteld. Op basis daarvan moet beoordeeld worden of er een plan-MER moet worden gemaakt.
Daarnaast is een plan-m.e.r.-beoordeling van toepassing in de situaties dat:
Project-mer-beoordeling en project-m.e.r.
Een project is project-m.e.r.-beoordelingsplichtig als het project voorkomt op bijlage V van het Omgevingsbesluit in kolom 1. Vervolgens moet bekeken worden of dat het besluit benoemd staat in kolom 4 in combinatie met artikel 11.8 lid 3 Omgevingsbesluit. Wanneer dit het geval is en het project voldoet ook aan de voorwaarden van kolom 3 en niet aan de voorwaarden van kolom 2 dan is er sprake van een project-m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden van kolom 2 dan is er sprake van een project-m.e.r.-plicht.
Toetsen van een plan-mer-beoordeling en een project-mer-beoordeling
In de plan-m.e.r.-beoordeling en de project-m.e.r.-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee uitkomsten mogelijk:
De beoordeling of het noodzakelijk is om een MER op te stellen is afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder het project wordt uitgevoerd kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit wordt onder andere beoordeeld aan de hand van:
Toetsing
Dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de realisatie van een uitbreiding van de begraafplaats, zonder verdere gebouwen. De ontwikkelingen in dit plan zijn te kleinschalig van aard om te worden beschouwd als stedelijk ontwikkelingsproject. Voor dit plan geldt daarom geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Conclusie
Voor dit plan geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Dit aspect vormt geen belemmering voor de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Ten aanzien van deze ontwikkeling zijn de relevante omgevingsaspecten getoetst in de paragrafen 3.1 tot en met 3.17. In tabel 5.1 zijn de overige omgevingsaspecten getoetst.
Tabel 5.1 Overige omgevingsaspecten
| Omgevingsaspect | Toetsing |
| Ruimtelijke kwaliteit | Dit aspect is niet van toepassing. |
| Schaduwhinder en windhinder | Deze aspecten zijn niet van toepassing. |
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de overige omgevingsaspecten niet zorgen voor nadelige gevolgen.
Algemeen Juridische planopzet
Onderhavig plan betreft een TAM-IMRO Omgevingsplan. In paragraaf 1.2 is reeds toegelicht welke positie een TAM- Omgevingsplan heeft binnen de systematiek van de Omgevingswet.
Regels
De regels van dit plan zijn als volgt opgebouwd:
1.Inleidende bepalingen
Het eerste hoofdstuk voorziet in de begripsbepalingen en de meet- en rekenbepalingen. Aan de hand van de bepalingen in dit hoofdstuk kunnen regels in navolgende hoofdstukken op de juiste wijze worden uitgelegd. Ten aanzien van de begrippen is relevant dat wettelijke begrippen zoals vastgelegd in de Omgevingswet en onderliggende wetgeving leidend is. De aanvullende begripsbepalingen gelden voor dit specifieke plan. Indien de aanvullende begripsbepalingen overlap hebben met begripsbepalingen die wettelijk geregeld zijn, gaat de wettelijke bepaling voor.
2.Integratie omgevingsplan
Gelet op de systematiek van de Omgevingswet stelt een gemeente één omgevingsplan vast voor het grondgebied. Daarom is het van belang de positie van het TAM-Omgevingsplan ten opzichte van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan goed te borgen. De bepalingen in dit hoofdstuk voorzien daarin en stelt het tijdelijk deel van het Omgevingsplan voor de locatie in dit plan buiten werking. Voor dit specifieke plan geldt dat vervolgens de bepalingen uit hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente Reimerswaal (ook wel bekend als de bruidsschat) van toepassing worden verklaard op de locaties in dit plan, waarbij enkele specifieke regels inzake geluid en geur worden uitgezonderd, omdat het TAM-omgevingsplan op die thema's specifieke regels bevat, mede om te kunnen voldoen aan instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De uitzondering geldt alleen voor zover de regels over die onderwerpen in dit TAM-omgevingsplan in strijd zijn met bepalingen uit de bruidsschat.
3. Activiteiten en toedeling van functies
In dit hoofdstuk van de regels worden de functies in het plan toegedeeld aan de locaties. Per functie is vastgelegd welke gebruiksactiviteiten direct of via een omgevingsvergunning (met afwegingsruimte) zijn toegestaan. Voor de gebruiksactiviteiten is een grondslag voor de vergunningplicht opgenomen in de regels van dit plan. Daarnaast zijn de regels voor bouwactiviteiten geformuleerd. De vergunningsplicht voor bouwactiviteiten volgt reeds uit de bruidsschat.
4.Algemene bepalingen
Het vierde hoofdstuk bundelt diverse bepalingen die voor het gehele plan of voor specifieke onderwerpen van toepassing zijn.
5.Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 5 van de regels bevat de overgangsbepalingen. De slotbepaling is reeds in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen.
Door vaststelling van dit planologisch besluit worden zogenaamde 'kostenverhaalplichtige activiteiten' mogelijk gemaakt in de zin van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De Omgevingswet verplicht de gemeente de kosten die zij zelf maakt ten behoeve van een planologisch besluit voor het mogelijk maken van een kostenverhaalplichtige activiteit te verhalen op de eigenaar of eigenaren van de betreffende gronden.
Het kostenverhaal betreft alleen kosten die op de kostensoortenlijst staan als genoemd in Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding van het planologisch besluit in de procedurefase, maar ook aan de kosten van aanleg van openbare voorzieningen in de uitvoeringsfase. Een kostenverhaalsplichtige activiteit mag niet worden verricht voordat de voor de activiteit verschuldigde bijdrage in het kader van het kostenverhaal is betaald. Hiervan kan worden afgeweken als een overeenkomst wordt gesloten waarin voorwaarden worden opgenomen over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling. In dit geval mag de uitvoering van een activiteit wel starten voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Als er geen zekerheid voor betaling is overeengekomen vóór het nemen van het planologisch besluit, neemt de gemeente kostenverhaalsregels op in het omgevingsplan, danwel kostenverhaalvoorschriften op bij de omgevingsvergunning.
In dit geval is de financiële uitvoerbaarheid voldoende verzekerd doordat het plan geheel en al op rekening en risico van de gemeente Reimerswaal wordt uitgevoerd.
Met dit plan wordt de uitbreiding van de begraafplaats mogelijk gemaakt. Gelet op dit algemene belang, de urgentie en het feit dat er geen bebouwing gerealiseerd is de participatie bescheiden uitgevoerd. De omwonenden van de voorziene uitbreiding hebben een brief gehad van de gemeente waarin het plan is toegelicht. Op 19 maart 2025 heeft een bewonersavond plaatsgevonden.
De stedenbouwkundige impressie, planologische procedure en de planning zijn toegelicht. Over de planologie en de stedenbouwkundige impressie waren geen vragen en opmerkingen. De vragen/opmerkingen die ingebracht zijn:
Tijdens de bewonersavond zijn er geen bedenkingen op de noodzakelijke uitbreiding van de begraafplaats naar voren gebracht.
Gelet op zorgvuldigheidsoverwegingen is vooroverleg met de bestuurlijke partners gevoerd. De provincie Zeeland heeft op 15 oktober 2024 gereageerd, de Veiligheidsregio 14 oktober 2025 en het waterschap op 21 oktober 2025. De overlegpartners hebben positief gereageerd. Dit heeft niet geleid tot aanpassingen in het TAM-omgevingsplan.
Na afronding van het participatie en het bestuurlijk overleg, start de formele procedure. Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp- omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) c.q. Omgevingsloket. TAM- omgevingsplannen kunnen net als de 'oude' bestemmingsplannen via de overbruggingsfunctie van het DSO geraadpleegd worden. Via het onderdeel 'Regels op de Kaart' kan iedereen zien welke regels waar gelden.
Het ontwerp-TAM-omgevingsplan en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft een ieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een aparte nota, die te zijner tijd als bijlage bij het TAM-omgevingsplan wordt opgenomen.
Het TAM-omgevingsplan heeft als ontwerp voor een periode van 6 weken, van 20 november 2025 tot en met 6 januari 2026, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerp TAM-omgevingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Er is dan ook geen aanleiding voor aanpassingen van het TAM-omgevingsplan. Hierna stelt de gemeente het TAM- omgevingsplan vast.
Een TAM-omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen (artikel 16.78, lid 1, Omgevingswet).
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 2, 3 en 5.
Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. . Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.