direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Zandweg Kruiningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0703.03ZandwegT1-va01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op het voormalige helikopterhaventerrein aan de Zandweg in Kruiningen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Reimerswaal. Dit hoofdstuk is digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Reimerswaal.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22c gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22c bij het omgevingsplan van de gemeente Reimerswaal.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassing omgevingsplan

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

2.1 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Reimerswaal.

2.2 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Zandweg Kruiningen' met identificatienummer NL.IMRO.0703.03ZandwegT1-va01.

2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden.

2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.5 aan-huis-gebonden beroep

een aan-huis-gebonden beroep is een vrij beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig of ontwerp-technisch gebied, dat in een woning, aan- of uitbouw, maar geen bijgebouw, door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.6 afhankelijke woonruimte

een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

2.7 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

2.8 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten.

2.9 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.

2.10 bebouwing

één of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.11 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen.

2.12 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

2.13 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

2.14 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.15 bodemingrepen

werken en werkzaamheden, waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten.

2.16 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

2.17 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

2.18 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.19 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

2.20 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.21 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.22 cultuurhistorische waarden

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarden in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.

2.23 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.24 erkende partij

een dienst, bedrijf of instelling, erkend door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

2.25 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.26 huisdierenverblijf

een bijgebouw bedoeld voor het niet beroeps- of bedrijfsmatig huisvesten van door de mens ter wille van nut en gezelligheid gehouden tamme dieren, niet zijnde paarden, pony's, en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen ander vee.

2.27 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid of daaraan vergelijkbare activiteiten, geheel of overwegend door handwerk, die door de beperkte omvang en de aan het wonen ondergeschikte ruimtelijke uitstraling in een woning en de aan- of uitbouwen kunnen worden uitgeoefend, waarbij de woonfunctie als primaire functie behouden en herkenbaar blijft.

2.28 Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal

de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal op 25 juli 2016 vastgestelde 'Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016', dan wel de opvolger van deze nota.

2.29 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

2.30 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

2.31 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • c. wanneer onduidelijkheid bestaat over het peil kunnen burgemeester en wethouder een peil aanwijzen.
2.32 samenhangend stedenbouwkundig straatbeeld
  • a. onder een samenhangend stedenbouwkundig straatbeeld wordt verstaan: een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
  • b. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;
  • c. een samenhang in bouwvorm / architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;
  • d. de cultuurhistorische samenhang van de omgeving.
2.33 tijdelijke woongelegenheid

een tijdelijk bouwwerk in één bouwlaag, bedoeld voor de tijdelijke huisvesting van een huishouden.

2.34 voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of "uitstraling" als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

2.35 woning

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Zandweg Kruiningen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0703.03ZandwegT1-va01.
  • b. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • c. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van subparagraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

4.1 afstanden

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

4.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

4.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.7 vloeroppervlakte

de gebruiksoppervlakte volgens NEN 2580, gelegen binnen de buitenste/ scheidende muren inclusief dragende en niet-dragende binnenmuren.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn

overeenkomstig van toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de in Hoofdstuk 2 aan een locatie toegedeelde functies danwel toegestane activiteiten.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.

7.2 Functieomschrijving

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. (opgaande) beplantingen overeenkomstig het in bijlage 1 opgenomen beplantingsplan;
  • b. waterpartijen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
7.3.1 Algemene beoordelingsregels

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

7.3.2 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen:

  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen: 1 meter;
    • 2. vrijstaande antennes: 10 meter;
    • 3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1 meter.

Artikel 8 Tuin

8.1 Toepassingbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.

8.2 Functieomschrijving

Op de voor Tuin aangewezen gronden zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. (voor)tuinen, al dan niet verhard, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals:
    • 1. groen;
    • 2. natuurvriendelijke oevers;
    • 3. nutsvoorzieningen;
    • 4. ontsluitingswegen;
    • 5. parkeervoorzieningen op eigen terrein;
    • 6. sloten en watergangen;
    • 7. water en waterberging.
8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
8.3.1 Algemene beoordelingsregels

Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen, worden gebouwd.

8.3.2 Verbodsbepaling

In afwijking van het bepaalde in subparagraaf 22.2.7.3 van het plan geldt dat het verboden is om bouwwerken op te richten in de bebouwingsvrije zone van 4,5 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrens.

8.3.3 Bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen:

  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen: 1 meter;
    • 2. vrijstaande antennes: 10 meter;
    • 3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1 meter.
8.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van de verkeersveiligheid.

8.5 Uitbreiding gebouwen en overkappingen in de bestemming Tuin
8.5.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de bestemming Tuin, aan- of uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen te bouwen.

8.5.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.5.1, wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 8 m² bedraagt en de goot(- of boeibord)hoogte niet meer dan 3 meter;
  • b. de bouw van de onder a. genoemde bouwwerken er niet toe leidt dat de oppervlakte van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in de functies Tuin en Wonen samen meer dan 150 m2 bedraagt;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 4,5 meter bedraagt;
  • d. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de as van de (dichtstbij gelegen) hoofdverkeersbaan met de bestemming Verkeer van de overige wegen tenminste 30 meter bedraagt;
  • e. de afstand tot de achterste perceelsgrens minimaal 25 meter bedraagt;
  • f. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld of de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • g. er geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

8.5.3 Beoordelingsregel omgevingsvergunning dierenverblijf

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.5.1, wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. het een bijgebouw betreft voor de huisvesting van dieren zoals bedoeld in artikel 8.6 
  • b. de oppervlakte niet meer dan 40 m² bedraagt en de goot(- of boeibord)hoogte niet meer dan 3 meter;
  • c. de bouw van het onder a. genoemde bouwwerk er niet toe leidt dat de oppervlakte van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in de functies Tuin en wonen samen meer dan 150 m2 bedraagt;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 4,5 meter bedraagt;
  • e. de afstand van gebouwen en overkappingen tot de as van de (dichtstbij gelegen) hoofdverkeersbaan met de bestemming Verkeer van de overige wegen tenminste 30 meter bedraagt;
  • f. de afstand tot de achterste perceelsgrens minimaal 25 meter bedraagt;
  • g. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld of de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • h. er geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
8.6 Het houden van dieren
8.6.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het houden van en / of huisvesten van paarden, pony's of ander daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen dieren is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.

8.6.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.6.1 wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. paarden, pony's of ander daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen vee buiten het bouwvlak worden gehouden en gehuisvest;
  • b. de maximum oppervlakte van het bijgebouw (inclusief overkappingen) niet meer bedraagt dan 40 m²;
  • c. de afstand van het bijgebouw (inclusief overkappingen) tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 4,5 meter bedraagt;
  • d. de afstand van het gebouw tot een bouwvlak ten minste 35 meter bedraagt;
  • e. er geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
8.7 Tijdelijke woongelegenheid
8.7.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tijdelijke woongelegenheid te plaatsen.

8.7.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.7.1 wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er sprake is van ingrijpende bouwwerkzaamheden of vervangende nieuwbouw van een bestaande woning en realisering van een nieuwe woning;
  • b. de tijdelijke woongelegenheid geplaatst wordt binnen het bouwvlak of binnen een straal van 40 meter achter de naar de weg gerichte grens van het bouwvlak;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 4,5 meter bedraagt ;
  • d. de afstand van een tijdelijke woongelegenheid tot de openbare weg niet minder dan 3 meter bedraagt;
  • e. het bevoegd gezag kan voorwaarden stellen aan de situering van de tijdelijke woongelegenheid in verband met de bereikbaarheid voor hulpverlenende instanties;
  • f. het bevoegd gezag kan voorwaarden stellen aan de situering van de tijdelijke woongelegenheid in verband met de ruimtelijke uitstraling voor de omgeving;
  • g. het bevoegd gezag kan voorwaarden stellen aan de aansluiting van de tijdelijke woongelegenheid op de nutsvoorzieningen in verband met de bestaande situatie inzake nutsvoorzieningen en de duur van de plaatsing;
  • h. de tijdelijke woongelegenheid zodanig is gesitueerd dat dit niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • i. de tijdelijke woongelegenheid zodanig is gesitueerd dat bouwmaterialen en bouwafval op het eigen perceel kunnen worden geplaatst;
  • j. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor de plaatsing van een tijdelijke woongelegenheid voor de duur van de werkzaamheden tot een maximum van 3 jaar;
  • k. het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, indien de bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van tijdelijke huisvesting niet meer aanwezig is.
8.8 Specifieke gebruiksregels
8.8.1 Parkeren

Het is verboden om binnen de eerste 5 meter vanaf de openbare weg te parkeren.

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

9.2 Functieomschrijving

Op de voor ' Wonen' aangewezen gronden zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen in een woning, al dan niet met aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein, toegangs- en achterpaden en tuinen.
9.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.3.1 Algemene beoordelingsregels

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten diensten van de bestemming alsmede aan- en / of uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

9.3.2 Woningaantal

Er is één vrijstaande woning per bouwvlak toegestaan.

9.4 Beoordelingsregels voor het bouwen binnen het bouwvlak

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen binnen een bouwvlak:

  • a. de goothoogte en / of boeibordhoogte bedraagt niet meer dan:
    • 1. hoofdgebouwen: 7 meter;
    • 2. aan- en / of uitbouwen en bijgebouwen: 4,5 meter;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan:
    • 1. hoofdgebouwen: 11 meter;
    • 2. aan- en / of uitbouwen en bijgebouwen: 7 meter;
    • 3. erf- en terreinafscheidingen: 2 meter;
    • 4. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 meter.
  • c. hoofdgebouwen moeten worden opgericht in de voorste grens van het bouwvlak;
  • d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • e. de afstand van een aan- of uitbouw tot de voorste gevel van een hoofdgebouw bedraagt ten minste 3 meter;
  • f. de afstand van een bijgebouw tot het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 meter.
9.5 Beoordelingsregels voor het bouwen buiten het bouwvlak

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor het bouwen buiten een bouwvlak:

  • a. toegestaan zijn:
    • 1. aan- en / of uitbouwen en bijgebouwen;
    • 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. de goot- en/of boeiboordhoogte van aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 3,5 meter;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan:
    • 1. aan- en / of uitbouwen en bijgebouwen: 6 meter;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen: 2 meter;
    • 3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 meter.
  • d. de afstand van een bijgebouw tot het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 meter;
  • e. gronden buiten het bouwvlak worden tot ten hoogste 50% bebouwd met aan- en / of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot een maximum oppervlakte van 150 m² per perceel;
  • f. voor de berekening van het maximale oppervlakte als bedoeld in e. worden ook de aan- en / of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op de gronden met de functie Tuin gerekend.
9.6 Overschrijden bouwvlak
9.6.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het bouwvlak te overschrijden.

9.6.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.6.1 wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. het bouwvlak uitsluitend aan de achterzijde wordt overschreden;
  • b. de oppervlakte van het bouwvlak met niet meer dan 20% wordt overschreden;
  • c. er geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
9.7 Tijdelijke woongelegenheid
9.7.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tijdelijke woongelegenheid te plaatsen.

9.7.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.7.1 wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er sprake is van ingrijpende bouwwerkzaamheden of vervangende nieuwbouw van een bestaande woning en realisering van een nieuwe woning;
  • b. de tijdelijke woongelegenheid geplaatst wordt binnen het bouwvlak of binnen een straal van 40 meter achter de naar de weg gerichte grens van het bouwvlak;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 4,5 meter bedraagt ;
  • d. de afstand van een tijdelijke woongelegenheid tot de openbare weg niet minder dan 3 meter bedraagt;
  • e. het bevoegd gezag kan voorwaarden stellen aan de situering van de tijdelijke woongelegenheid in verband met de bereikbaarheid voor hulpverlenende instanties;
  • f. het bevoegd gezag kan voorwaarden stellen aan de situering van de tijdelijke woongelegenheid in verband met de ruimtelijke uitstraling voor de omgeving;
  • g. het bevoegd gezag kan voorwaarden stellen aan de aansluiting van de tijdelijke woongelegenheid op de nutsvoorzieningen in verband met de bestaande situatie inzake nutsvoorzieningen en de duur van de plaatsing;
  • h. de tijdelijke woongelegenheid zodanig is gesitueerd dat dit niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • i. de tijdelijke woongelegenheid zodanig is gesitueerd dat bouwmaterialen en bouwafval op het eigen perceel kunnen worden geplaatst;
  • j. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor de plaatsing van een tijdelijke woongelegenheid voor de duur van de werkzaamheden tot een maximum van 3 jaar;
  • k. het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, indien de bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van tijdelijke huisvesting niet meer aanwezig is.
9.8 Specifieke gebruiksregels
9.8.1 Verbod gebruik bijgebouw

Het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan.

9.8.2 Voorwaardelijke verplichting bufferzone

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 9.2 opgenomen gebruiksregels zonder de aanleg en instandhouding van de beplanting conform het inBijlage 1 opgenomen beplantingsplan ter plaatse van de functie 'Groen'.

9.8.3 Het houden van dieren
  • a. de gezamenlijke vloeroppervlakte van huisdierenverblijven bedraagt niet meer dan 10 m²;
  • b. het houden van en / of huisvesten van paarden, pony's of ander daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen dieren is niet toegestaan;
  • c. een paardenbak is niet toegestaan.

9.8.4 Aan-huis-gebonden en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten binnen het bouwvlak

het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen voor aan-huis-gebonden en / of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten binnen het bouwvlak is toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  • b. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en / of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt niet meer dan 50 m²;
  • c. de activiteit wordt hoofdzakelijk verricht door de bewoner, mogelijk ondersteund door ten hoogste 1 medewerker;
  • d. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • e. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte.

9.8.5 Detailhandel en dienstverlening
  • a. Detailhandel en / of dienstverlening is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.
  • b. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 9.8.5 onder a wordt slechts verleend indien en voor zover:
    • 1. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
    • 2. kleinschalige detailhandel en / of dienstverlening niet meer dan 50 m² bedraagt;
    • 3. de activiteit hoofdzakelijk wordt verricht door de bewoner, mogelijk ondersteund door ten hoogste 1 medewerker;
    • 4. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaakt op de openbare ruimte;
    • 5. er geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 2A

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2A'.

10.2 Functieomschrijving

De voor ' Waarde - Archeologie 2A' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende functies - mede bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied, voor zover deze betrekking heeft op de beleidscategorie 4, hoge verwachting.

10.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.2 genoemde functies uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies mag - met inachtneming van de voor de betrokken functies geldende regels en toegestane afwijking hiervan - uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
    • 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
    • 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige.
  • c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • d. het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het betrokken gebied, inclusief het gebied voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zoals mede bedoeld in artikel 10.4 :
    • 1. een oppervlakte heeft van ten hoogste 250 m2;
    • 2. de bodemingreep niet dieper is dan 1,40 meter onder het maaiveld.
  • e. hetgeen onder sub d is vermeld, is niet van toepassing indien het aannemelijk is dat meerdere bodemingrepen gaan plaatsvinden waardoor in totaal een groter gebied dan 250 m2 verstoord gaat worden.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
10.4.1 Aanwijzing vergunningsplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2A' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 1,40 meter onder het maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van de bevoegde waterbeheerder;
  • c. het aanplanten van bomen of andere diepwortelende planten;
  • d. het rooien van bomen waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het ophogen van gronden.

10.4.2 Niet vergunningsplichtige werken en werkzaamheden

Het verbod van 10.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. normaal beheer of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 10.3 in acht is genomen;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden of ontgrondingsvergunning;
  • e. niet dieper reiken dan 1,40 meter onder het maaiveld;
  • f. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m²;
  • g. Hetgeen vermeld onder sub f is niet van toepassing indien het aannemelijk is dat binnen de planperiode van het bestemmingsplan meerdere bodemingrepen gaan plaatsvinden waardoor in totaal een groter gebied dan 250 m2 verstoord gaat worden;
  • h. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • i. het ophogen van gronden tot 2 meter betreffen, indien dit ophogen laagsgewijs gebeurt in lagen van ten hoogste 1 meter die het volledig op te hogen terrein betreffen.

10.4.3 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden, zoals in artikel 10.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden aan de hand van archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat de archeologische waarden van de betrokken locatie in voldoende mate worden veilig gesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op het archeologisch onderzoek, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van de archeologische resten in de bodem;
    • 2. het doen van opgravingen;
    • 3. het begeleiden van de activiteiten door een archeologisch deskundige.
  • d. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 Vrijwaringszone - radar 7
12.1.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - radar 7' geldt teneinde de verstoring van het radarbeeld te voorkomen een bouwverbod voor bouwwerken met een grotere bouwhoogte dan 60 meter boven NAP.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Parkeernormen

Er dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn, waarbij voldaan moet worden aan het bepaalde in de Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal, of de opvolger van deze Nota. Uitgangspunt is dat parkeervoorzieningen op eigen terrein gerealiseerd dienen te worden.

Bijlagen bij regels