| Plan: | Schelluinen-West |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0689.BP6107-vast |
Voor het plangebied Schelluinen-West is op 11 januari 2007 het bestemmingsplan 'Schelluinen-West' vastgesteld. De realisatie van een collectief bedrijventerrein in het plangebied is ingezet als oplossing voor de regiobrede knelpunten voor (transport)bedrijven vanwege ruimteproblemen. Het betreft bedrijven gevestigd in de regio Alblasserwaard & Vijfheerenlanden, die door de aard van hun werkzaamheden veel transportbewegingen genereren. Dit heeft tot gevolg dat op de huidige locatie knelpunten ontstaan aangaande de leefbaarheid van de kernen, veiligheid en dimensionering van wegen en de beeldkwaliteit en het gebruik van het Groene Hart.
Op grond van artikel 3.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de gemeente na 10 jaar een nieuw bestemmingsplan vaststellen. Dit bestemmingsplan voorziet in de actualisatie van het bestemmingsplan 'Schelluinen-West' van de gemeente Giessenlanden.
Het plangebied is deels gelegen in het gebied Schelluinen-West en deels in het gebied Schelluinen dorpskern in de gemeente Giessenlanden. Het plangebied wordt begrensd door:
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 34,7 hectare. Onderstaande afbeelding geeft de situering van het plangebied weer. Ten opzichte van het bestemmingsplan van 2007 is het plangebied verkleind. Een deel van de percelen aan de zuid- en westzijde is reeds meegenomen in de actualisatie van het bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden'.
Ligging plangebied
Begrenzing plangebied
Dit bestemmingsplan betreft de actualisatie van een groot gedeelte van het bestemmingsplan Schelluinen-West (2007) en de herziening van het bestemmingsplan Schelluinen-West / Schelluinen Dorpskern (2010).
In de toelichting worden de achtergronden van het juridische toetsingskader uiteengezet. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het geldende beleidskader beschrijven waaraan het bestemmingsplan dient te voldoen. De toelichting bestaat verder uit een planbeschrijving. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten van de wettelijk verplichte onderzoeken weergegeven. In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden die in dit bestemmingsplan geboden worden getoetst op de aspecten: verkeer en infrastructuur, water, ecologie, archeologie, bedrijven en milieuzonering, milieuhinder en agrarische bedrijven, industrielawaai, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid en kabels en leidingen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de juridische regeling toegelicht. En ten slotte gaat hoofdstuk 7 in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Achtergrond
Binnen de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden bevinden zich een groot aantal bedrijven binnen de transportsector. Deze zijn diffuus verspreid, mede vanwege het feit dat veel van deze bedrijven zijn ontstaan vanuit agrarische (familie)bedrijven. Veel van deze bedrijfslocaties zijn minder gewenst bezien vanuit huidige beleidsopvattingen.
Uit onderzoek van 2001 (Samhoud, 2001) bleek dat er destijds in deze regio zo'n 250 bedrijven waren gevestigd op 38 locaties, welke te kampen hadden met ruimteproblemen. De realisatie van een collectief bedrijventerrein voor bedrijven uit de transportsector werd als oplossing gezien voor dit probleem.
Na vervolgonderzoek naar potentiële locaties voor een dergelijk bedrijventerrein is Schelluinen-West als locatie naar voren gekomen, zijnde de beste optie. Hiervoor is een haalbaarheidsstudie uitgevoerd waarin de kaders voor de planontwikkeling en een inrichtingsplan zijn opgesteld.
Bedrijventerrein Schelluinen-West is bedoeld om regio-brede knelpunten op te lossen. Het gaat hier om bedrijven die door de aard van hun werkzaamheden veel transportbewegingen genereren, en die op voormalige locaties knelpunten veroorzaken op het gebied van leefbaarheid van de kernen, veiligheid en dimensionering van wegen en beeldkwaliteit en gebruik van het Groene Hart.
In 2007 is het bestemmingsplan 'Schelluinen West 2007' vastgesteld, dat voorzag in de realisatie van het bedrijventerrein. Daarin werd het terrein louter bestemd voor transport en aanverwante logistieke activiteiten, ten behoeve van de te verplaatsen bedrijven vanuit de regio naar deze locatie. De planontwikkeling is gefaseerd opgezet, waarbij de eerste fase de ontwikkeling van het oostelijk deel van het bedrijventerrein behelst. Met de tweede fase wordt het westelijke deel ontwikkeld. Het bestemmingsplan is globaal opgezet omdat de ontwikkeling van het bedrijventerrein over meerdere jaren loopt. Hierdoor kan flexibel worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen.
Beschrijving plangebied
Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Schelluinen. De N216 vormt een scheiding tussen deze gebieden. Langs de noordelijke begrenzing van het plangebied loopt een landscheiding, welke het water van de polder afvoert naar het gemaal gelegen ten westen van het bedrijventerrein. Een bos/beplantingstrook vormt de westelijke begrenzing van het plangebied. Ten zuiden van het gebied bevindt zich de parallelweg, Betuwelijn, de A15 en het Kanaal van Steenenhoek. Tussen de parallelweg en de zuidelijke begrenzing zijn verschillende bedrijven gevestigd en is er sprake van agrarisch en groen landschap. De oostzijde grenst direct aan de N216.
Voor wat betreft het oostelijke deel van het plangebied vormt water en groen de begrenzing, aan de noord-, oost- en zuidzijde. Binnen dit oostelijke deel zijn verschillende transportbedrijven aanwezig. Deze worden ontsloten door de Griendweg en Rietweg.
Het westelijke deel van het plangebied is nog niet in gebruik genomen. Dit deel valt ook onder de tweede planontwikkelingsfase voor het bedrijventerrein. Hier kan in toekomst een nadere uitwerking voor plaatsvinden. Nu is dit een open agrarisch gebied.
Verkeer
Aan de oostzijde grenst het gebied aan de N216, welke middels een rotonde ook is aangesloten op het bedrijventerrein. Daarbij vormen de Griendweg en Rietweg de ontsluitingswegen binnen het bedrijventerrein. De Griendweg loopt vanaf de rotonde het plangebied in. De Rietweg verbindt het bedrijventerrein met de zuidelijk gelegen Parallelweg.
Ruimtelijke structuur - verkeer en water
Water
Op bovenstaande afbeelding is naast de verkeersstructuur ook de huidige structuur van waterlopen te herkennen. In het westelijke deel is de structuur vergelijkbaar met de directe omgeving. Het nu voor een deel ingerichte oostelijke deel omvat alleen aan de randen waterlichamen.
Bebouwing
Op onderstaande afbeelding zijn de huidige gebouwen weergegeven, in het oostelijke deel van het bedrijventerrein. Het plangebied is nog in ontwikkeling, wat terug te zien is in aan de open kavels. Zo heeft bijvoorbeeld de ruime centraal gelegen locatie binnen het bedrijventerrein nog geen invulling gekregen.
In 2008 is er een beeldkwaliteitsplan - Bijlage 1 - opgesteld voor het oostelijke deel van het plangebied. Hieronder is weergegeven in welke deelgebieden er hoogwaardige of gemiddelde kwaliteit bebouwing gewenst is, en op welk schaalniveau.
Groen
Met het beeldkwaliteitplan (Bijlage 1) is ruimte voor groen ingeruimd in de vorm van verkeersgroen langs de hoofdontsluitingsweg. Deze groenstructuur moet veelal nog worden gerealiseerd.
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt het geldende bestemmingsplan Schelluinen-West geactualiseerd. Dat wil zeggen, het deel dat niet is meegenomen in bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden'. Hierbij wordt ook het bestemmingsplan 'Herziening Schelluinen-West' meegenomen, voor zover gelegen binnen de plangrens.
Met het voorliggende bestemmingsplan worden hoofdzakelijk het geldende bestemmingsplan 'Schelluinen-West,' geactualiseerd. Daarnaast wordt bestemmingsplan 'Herziening Schelluinen-West' meegenomen. Hieronder wordt per bestemmingsplan weergegeven wat de bestemmingen en aanduidingen zijn die van toepassing zijn op het voorliggende bestemmingsplan en plangebied.
Bestemmingsplan 'Schelluinen-West'
Bestemmingen
Het plangebied wordt voor het grootste deel gevormd door de geldende bestemmingen:
Aan de rand van het plangebied zijn de volgende bestemmingen gelegen:
Daarnaast is er een dubbelbestemming 'Landscheiding'.
Aanduidingen
Op een groot deel van de randzone ten zuiden wen westen, ligt een aanduiding 'Gebied Wijzigingsbevoegdheid'. Verder ligt er een aanduiding 'Milieucategorie 4 bij vrijstelling toegestaan' binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Andere aanduidingen zijn:
Bestemmingsplan 'Schelluinen-West'
Bestemmingsplan 'Herziening Schelluinen-West'
Vanuit dit bestemmingsplan, welke onder andere een rotonde direct ten oosten van het plangebied mogelijk maakt, zijn de volgende bestemmingen meegenomen voor voorliggend bestemmingsplan:
Bestemmingsplan 'Herziening Schelluinen-West'
Bovengenoemde bestemmingen, dubbelbestemming en aanduidingen zijn grotendeels opnieuw opgenomen, waarbij voor het oostelijke deel van het plangebied een preciezere invulling is gegeven in die zin dat de wegen, die inmiddels zijn aangelegd, zijn bestemd als verkeer. Daarnaast is de regeling op enkele punten aangepast met het oog op de leesbaarheid. Tenslotte is bijvoorbeeld de regeling ten aanzien van de veiligheidszone van het lpg-station aangepast aan het meest actuele beleid hieromtrent.
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Doelen
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Nationale belangen
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Bij besluit van 28 augustus 2012 zijn aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) twee leden toegevoegd op grond waarvan gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een bestemmingsplan de Ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen, indien een besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen.
Artikel 3.1.6 leden 2-4 Bro luidt:
“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:
Momenteel loopt een wijziging van het Bro waarbij de ladder wordt vereenvoudigd:
De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Het voorliggende bestemmingsplan Schelluinen-West maakt de realisering van het bedrijventerrein planologisch mogelijk. Het plan biedt als zodanig de juridische basis voor de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied.
Het bestemmingsplan bevat de bestemming ´Bedrijventerrein - Uit te werken' om deze ontwikkelingen in een zogenaamde ´tweede fase´ mogelijk te maken. Indien in een bestemmingsplan wordt bepaald dat burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken, kan bij het bestemmingsplan worden bepaald dat de Ladder voor duurzame verstedelijking uitsluitend van toepassing is op de toelichting bij het uitwerkingsplan. Hiervan is in dit bestemmingsplan sprake.
Ten aanzien van de verdere invulling van het gebied met de bestemming Bedrijventerrein dient te worden aangetoond dat er behoefte bestaat de ontwikkelingen van bedrijven mogelijk te maken buiten bestaand stedelijk gebied. Argumenten hiervoor zijn:
Conclusie
Het plangebied is niet in strijd met het rijksbeleid en de geformuleerde nationale belangen en regels zijn niet van toepassing op het plangebied.
In de Visie op Zuid-Holland beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. In de grote landschappelijke eenheden zet Zuid-Holland zich in voor behoud van leefbaarheid en economische vitaliteit van het landelijk gebied en realisering van een robuust natuur- en watersysteem. De provincie wil het landschap in Zuid-Holland met alle kernkwaliteiten gebiedsgericht versterken. De kernkwaliteiten in algemene zin zijn diversiteit, openheid, rust en stilte.
De provincie benoemt de volgende provinciale belangen om een vitaal, divers en aantrekkelijk landschap te realiseren:
Specifiek voor de Alblasserwaard/Vijfheerenlanden benoemt de provincie de volgende gebiedsopgaven:
Kwaliteitskaart
De kwaliteitskaart bevat de aanduidingen voor de bestaande en gewenste ruimtelijke kwaliteiten voor het stedelijk en landelijk gebied tot 2020, voor zover van provinciaal belang. De aanduidingen hebben een globaal karakter. De kwaliteitskaart geeft richting en stelt randvoorwaarden aan de ordening en ontwikkeling van de mogelijke en gewenste functies. Daarmee zijn de functiekaart en de kwaliteitskaart evenwaardig en complementair.
Op de kwaliteitskaart is een verzameling van kenmerkende landschapselementen aangegeven die in veel van de landschappen het beeld mede bepalen. De provincie Zuid-Holland wil dat de afwisseling in landschappen en de kenmerkende waardevolle landschappen behouden blijven. Op grond van de verschillen in bodem, ontstaansgeschiedenis, het huidige gebruik en de verschijningsvorm is een onderscheid gemaakt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijvoorbeeld de identiteit van gebieden versterken door oude verkavelingspatronen zichtbaar te maken.
Voor het plangebied betreft het de volgende landschappen.
Het veenlandschap wordt gekenmerkt door het waterrijke en open karakter. Daarnaast is de afwisseling van veenweidelandschap, rivieren, boezems, plassen en droogmakerijen kenmerkend voor het gebied. De veenlandschappen combineren een agrarische economie met cultuurhistorische en ecologische waarden.
De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied).
Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Deze gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden.
Bedrijventerreinen liggen veelal aan de toegangswegen van dorpen en steden en bepalen in belangrijke mate de entree van het gebied, maar zijn ruimtelijk veelal niet verbonden met het aangrenzende landschap, stads- of dorpsgebied en hebben daardoor een afgesloten karakter. Veelal betreft het logistieke bedrijventerreinen, waarvoor een goede aansluiting op het wegennet essentieel is. Daar waar bedrijventerreinen de entree van een stad of dorp vormen, is extra aandacht voor de beeldkwaliteit van (de rand van) het terrein, de ontsluiting en de samenhang met de omgeving van belang. Deze terreinen zijn het visitekaartje van dorp of stad. Doorgaande recreatieve routestructuren worden gerespecteerd of krijgen een gelijkwaardige vervanger. Het terrein of haar omgeving is aantrekkelijk voor verschillende gebruikers.
Op 15 juli 2016 is het programma Ruimte geconsolideerd in werking getreden. In dit Programma ruimte is het strategische beleid uit de visie doorvertaald naar operationeel beleid. Voor het plangebied zet de provincie zich in op de volgende onderdelen:
Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De provincie heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de Verordening ruimte. Volgens de Verordening ruimte moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgezicht van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Programma ruimte staan.
Kaart ruimtelijke reserveringen provincie Zuid Holland
De provincie vindt het belangrijk dat er voldoende ruimte wordt geboden voor bedrijventerreinen met de hoogst mogelijke milieucategorie en watergebonden bedrijventerreinen. Op de kaart is de locatie Schelluinen-West opgenomen als hard aanbod met een uitgeefbare oppervlakte van 11-21 hectare. Hard aanbod omvat het aanbod waarvoor reeds een bestemmingsplan van kracht is.
De provincie streeft naar een concurrerend vestigingsklimaat. Daarvoor dienen bedrijven voldoende passende ruimte tot hun beschikking te hebben om te kunnen ondernemen. Door afnemende vraag naar ruimte is het aanbod van bedrijventerreinen tot 2030 over het algemeen voldoende. In de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is nog een tekort van 12,5 hectare. Tegelijkertijd voldoet het bestaande aanbod niet altijd aan de gewenste kwaliteit. Dat vraagt om een aanpak gericht op kwaliteit van het aanbod in plaats van kwantiteit en het beter benutten van het bestaande aanbod van bedrijventerreinen. De provincie verkent de mogelijkheden om de actuele behoefte per sector naar kwaliteitseisen in beeld te brengen.
In de Alblasserwaard Vijfheerenlanden staat behoud en ontwikkeling van de landbouw centraal, in combinatie met de ontwikkeling van goede stad-landovergangen en versterking van de recreatieve kwaliteit onder meer door de totstandkoming van het regiopark Merwedezone. Ook hier speelt een dijkversterkingsopgave.
Op 1 augustus 2014 is het programma Mobiliteit in werking getreden. Het voorliggend Programma mobiliteit operationaliseert de strategische doelstellingen voor mobiliteit en beschrijft concrete maatregelen. Voor mobiliteit heeft de provincie de volgende drie strategische doelen:
Gebied Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden
De Alblasserwaard en Vijfheerenlanden vormen een onderdeel van het Groene Hart. De doorstroming op de A15 en A27 is onvoldoende en leidt tot extra verkeer op het onderliggend wegennet. Voorts heeft het kruispunt met de N216 te weinig capaciteit. Verbeteringen worden nog nader onderzocht.
Op 4 februari 2016 is de Verordening Ruimte 2014 in werking getreden. De verordening Ruimte 2014 vertaalt de beleidsuitgangspunten van de visie naar concrete regelgeving. De wettelijke basis voor de verordening vormt artikel 4.1 van de Wro. Hierin is bepaald dat indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels kunnen worden gesteld omtrent de inhoud en de toelichting van bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde plannen. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende bepalingen zijn relevant voor het bestemmingsplan.
Voor onderhavig gebied is de provinciale Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing (artikel 2.1.1). Deze regel luidt als volgt:
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Het plan Schelluinen-West beoogt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, namelijk de vestiging van bedrijven op het aangewezen bedrijventerrein. Deze locatie is passend ontsloten. De N216 draagt bij aan de ontsluiting zonder de regionale wegen te belasten. Daarnaast wijst het Programma Ruimte de locatie aan als gereserveerd gebied voor een bedrijventerrein. De locatie is middels het bestemmingsplan Schelluinen-West (2007) reeds aangewezen als bedrijventerrein. Het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 2.1.1 Verordening Ruimte.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.
Dit plan laat uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en 'bedrijf tot en met categorie 4.1' transportbedrijven toe met aanverwante logistieke activiteiten en bijbehorende faciliterende bedrijven uit categorie 3.2 dan wel 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, welke worden aangemerkt als 'knelpuntenbedrijven'. Deze milieucategorieën en bijbehorende aanduidingen zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Schelluinen-West van 2007.
Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 2.1.3 Provinciale Verordening.
In 2010 is besloten om een regionale visie op te stellen die de kaders geeft voor toekomstig lokaal en regionaal beleid waarmee ingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen. In het voorjaar van 2012 hebben de gemeenteraden in de regio Alblasserwaard Vijfheerenlanden de Visie 2030 vastgesteld.
De kernwaarden die de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden het eigen karakter geven en het uitgangspunt vormen voor de Visie 2030 zijn gedefinieerd als:
De regio neemt deel aan en speelt in op de economische ontwikkelingen: mondiaal, nationaal en specifiek in de Zuidvleugel. Dit houdt in dat:
De Bedrijventerreinstrategie is in 2012 vastgesteld en geactualiseerd in 2016. De bedrijventerreinenstrategie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2016 bestaat uit drie documenten.
Grootschalige ruimtevraag (groter dan 2 hectare netto) kan worden opgevangen op het terrein Schelluinen-West. Schelluinen-West is aangewezen als bestaand bedrijventerrein met een uitgeefbaar oppervlak van circa 11 hectare. Deze oppervlakte is de nog beschikbare uit te geven oppervlakte op het moment van opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
De doelgroep van Schelluinen-West is beperkt tot bedrijven verwant aan transport en logistiek afkomstig uit de regio, die zich willen verplaatsen naar Schelluinen-West.
Bedrijventerrein Schelluinen-West sluit aan bij de Regionale Bedrijventerreinenstrategie. Er vindt een verplaatsing van bedrijven plaats naar een bereikbare locatie, waarbij clustering plaatsvindt van bedrijven in de transportsector. Dit bedrijventerrein heeft een ontwikkelend karakter, waarbij er een ontwikkeling plaatsvindt aan de hand van verschillende plan fases.
Op basis van een gebiedsanalyse, input van de raad, de klankbordgroep en burgemeester en wethouders heeft de ontwikkelingsvisie voor Giessenlanden vorm gekregen. De visie gaat uit van kwalitatief hoogwaardige uitbreidingen, passend in het landschap. De combinatie van wonen en werken kan zowel de economie als de vitaliteit van het platteland verder stimuleren. Op bedrijventerreinen dienen meer woon-werk-units te worden gerealiseerd. Door zelfstandige kleine (arbeids- en kennis intensieve) bedrijfjes aan te trekken kan de economie binnen de gemeente op peil worden gehouden.
De gemeente Giessenlanden heeft in 2015 het gemeentelijk verkeer- en vervoersplan (GVVP) opgesteld. In dit plan staat onder andere hoe de gemeente wil omgaan met vraagstukken op het gebied van verkeersveiligheid, ruimtelijke ordening, routering vrachtverkeer, milieu en parkeren.
Schelluinen
Het dorp Schelluinen heeft een compacte kern, enkele woonlinten en twee locaties buiten de kern voor werken en sport/ recreatie. Door de ligging aan de N216 en nabij de A15 en A27 is het dorp goed bereikbaar. Bedrijven in de transportsector hebben daardoor hun plaats gevonden op de locatie Schelluinen-West. Door deze ontsluiting is het effect van de ontwikkelingen van het bedrijventerrein op de dorpskern beperkt.
Verkeersonderzoek Herziening Schelluinen-West
Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Herziening Schelluinen-West' is een verkeersonderzoek opgeleverd in 2009. De realisatie van het bedrijventerrein leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op de N216. Hiertoe is met de herziening een uitbreiding van de rotonde planologisch mogelijk gemaakt. Deze rotonde vormt de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein op de provinciale weg. Deze dubbelbaansrotonde is inmiddels gerealiseerd. De berekende verkeersintensiteit is doorgerekend naar 2025, wat uitgangspunt is geweest voor de rotonde. De ontsluiting van het bedrijventerrein voorziet hiermee in de toegenomen verkeersintensiteit.
Conclusie
De huidige verkeersafwikkeling in het buitengebied levert geen grote knelpunten op voor het bedrijventerrein Schelluinen-West, en sluit aan bij het gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan.
Het voorliggend bestemmingsplan sluit aan bij de beleidskaders op rijks-, regionaal- en gemeentelijk schaalniveau.
In het kader van het geldende bestemmingsplan zijn met het waterschap afspraken gemaakt over de benodigde waterberging ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak. Voor het gedeelte van het plangebied dat later dient te worden uitgewerkt, is realisatie van voldoende waterberging opgenomen in de uitwerkingsregels.
De gemaakte afspraken met het waterschap aangaande de waterberging waren destijds gebaseerd op ouder beleid (2003) van Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Met het uitwerkingsplan dient de waterbergingsopgave uitgewerkt te worden conform het actuele beleid van het waterschap.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft een actualiserend karakter en brengt - in vergelijking met het geldende plan - geen nieuwe gebieden naar voren waar nieuwe bouwmogelijkheden ontstaan. Daarnaast is er ook geen aanleiding om veranderingen in de bodemkwaliteit te verwachten.
In 2009 is er het beeldkwaliteitplan (Bijlage 1) opgesteld, waarmee de gewenste ruimtelijke kwaliteit wordt vertaald naar een toetsingskader. De betrokken partijen worden hiermee gestimuleerd tot het leveren van een kwaliteit gerichte inspanning.
Landschappelijke inpassing
Met de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein - beschreven in het beeldkwaliteitplan - wordt er nadruk gelegd op een 'gebiedseigen vocabulaire' van maatregelen. Zo wordt voorkomen dat er gebiedsvreemde elementen worden ingezet die niet in het gebied thuishoren. Deze zogenoemde vocabulaire bestaat uit de volgende kenmerken:
In het beeldkwaliteitplan wordt voorgesteld om voor de noordrand de waterloop te verbreden ten behoeve van een versterkte landschappelijke waarde en een grotere wateropvang capaciteit. Daarnaast wordt er een natuurlijke rietberm gerealiseerd tezamen met een veegstrook bedoeld voor slootonderhoud. Daarbij wordt het binnentalud begroeid met een aaneengesloten rij bomen.
Aan de oostrand, grenzend aan de N216 en voorzijde van het bedrijventerrein, vindt een beperkte visuele afscherming plaats. Hier is inmiddels een brede waterloop aangelegd, waarbij er ook is geregeld dat bedrijfsbebouwing aan deze zijde een hoogwaardige uitstraling dient te hebben.
De zuidzijde vormt de grens tussen het bedrijventerrein en bestaande erven van bedrijven en woningen. Hier is gekozen voor een robuuste afscheiding inde vorm van een waterloop, schouw- en groenstrook. De groenstrook bestaat uit struweel en opgaande beplanting.
Voor de noord-, oost- en zuidzijde zij in de geldende bestemmingsplannen een bestemming Water en Groen opgenomen. Deze worden overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Inrichtingsvoorschriften
Het plangebied wordt aan de noordzijde fysiek begrensd door een landscheiding. Het betreft een dijklichaam met bijbehorende sloten, en is een belangrijk cultuurhistorisch element in het landschap. Om dit dijklichaam zichtbaar te houden, is in samenspraak met de provincie een aantal landschappelijke randvoorwaarden bepaald. Deze randvoorwaarden zijn in het geldende bestemmingsplan 'Schelluinen-West' vertaald naar inrichtingsvoorschriften, opgenomen in de dubbelbestemming 'Landscheiding'. Op deze wijze wordt getracht om de bestaande kwaliteiten van de landscheiding zo goed mogelijk te laten aansluiten op de komst van het bedrijventerrein. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn de openheid van het landschap en de wijze waarop het bedrijventerrein wordt ingepast in dit karakteristieke landschap.
De dubbelbestemming 'Landscheiding' wordt in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen als dubbelbestemming 'Waarde - Landscheiding'.
Beleidsadvieskaart gemeente Giessenlanden 2009
De archeologische verwachtingskaart die is opgesteld voor de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, laat twee type verwachtingen zien die betrekking hebben op het plangebied. Een uitsnede van deze kaart voor het plangebied is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Giessenlanden
De bruine gebieden duiden op een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De gele gebieden staan voor een lage archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit verwachtingswaarden zijn doorvertaald in de regels van het bestemmingsplan Schelluinen-West. Zie hiervoor subparagraaf 5.3.8.
Archeologisch onderzoek
Bij het opstellen van het geldend bestemmingsplan Schelluinen-West (2007) is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat het grootste deel van het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. Er bevinden zich echter drie geologische elementen in het plangebied die potentiële archeologische vindplaatsen zouden kunnen zijn. Het betreft hier twee stroomruggen en een rivierduin.
Eerder archeologisch onderzoek dat in het westen van het plangebied in het kader van de voorbereiding van de Betuweroute heeft plaats gevonden, leverde geen archeologische vindplaatsen op. Gezien de resultaten van het eerder uitgevoerde onderzoek door RAAP en de ROB is de kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats in het westelijke deel van het plangebied uitermate gering. Het duin dat daar eventueel in de ondergrond zit, ligt zeer diep en is moeilijk te onderzoeken.
In het bureauonderzoek wordt voor het plangebied onderbouwd en geconcludeerd dat er in hoofdlijnen geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Wel zijn er twee uitzonderingen:
Met het actualiseren van het geldende bestemmingsplan 'Schelluinen-West' is er voor het onderzoeksaspect 'archeologie' geen nader onderzoek noodzakelijk.
Kader
Om de uitvoerbaarheid van onderhavig plan te toetsen, is een inventarisatie van de natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of een vooronderzoek in het kader van de Flora- en faunawet (Ffw), een Voortoets in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) of een analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 22 augustus 2016 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs bv.
Plangebied
Het plangebied ligt ten westen van Schelluinen en wordt begrenst door de N216, de Parallelweg en de Landscheiding. De boerderijen, woningen en bedrijven direct ten noorden van de Parallelweg vallen buiten het plangebied. Het plangebied bestaat uit twee delen, een westelijk deel met agrarisch beheerde graslandpercelen en een oostelijk deel met een bedrijventerrein in ontwikkeling.
Het bedrijventerrein in ontwikkeling wordt omgeven door een relatief brede watergang. Op het terrein is nauwelijks opgaande begroeiing aanwezig. Aan de noord- en westzijde van het groeien enkele kleine groepen zwarte elzen- en wilgenstruiken. De bebouwing bestaat uit loodsen met bijbehorende kantoorgebouwen. Op het bedrijventerrein liggen asfaltwegen en is bestrating aanwezig op de terreinen van bedrijven. Tussen de bedrijven liggen graslanden.
In het westelijk deel van het plangebied zijn tussen de graslandpercelen watergangen aanwezig. In dit deel van het plangebied zijn enkele oude knotwilgen en een klein groepje zwarte elzen aanwezig. In het westelijk deel is geen bebouwing of bestrating aanwezig.
Impressie plangebied (links agrarisch beheerde graslandpercelen aan westzijde, rechts het in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein).
Achter de Flora- en faunawet (Ffw) staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Beschermde soorten worden opgesomd in de 'lijsten beschermde inheemse planten- en diersoorten'. De Algemene Maatregel van Bestuur ex artikel 75 van de Ffw van 23 februari 2005, kent een driedeling voor het beschermingsniveau van planten- en diersoorten, hierna te noemen: licht beschermd, middelzwaar beschermd en streng beschermd. De inheemse vogelsoorten hebben een afwijkend beschermingsregime; ze vallen zowel onder het middelzware als strenge beschermingsregime.
Inventarisatie
Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) via Quickscanhulp.nl (© NDFF - quickscanhulp.nl 15-08-2016 13:48:54) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de laatste vijf jaar verschillende middelzwaar en streng beschermde soorten zijn waargenomen. Het voorkomen van beschermde soorten komt ook naar voren in de rapportage van een ecologische inventarisatie die in 2007 door Grontmij Nederland bv is uitgevoerd in het kader van Bestemmingsplan Schelluinen West.
Op de graslanden binnen het plangebied zijn onder meer Engels raaigras, gestreepte witbol, gewone smeerwortel, grote vossenstaart, heermoes, kruipende boterbloem, krulzuring en ridderzuring aangetroffen. Aan de noordwestkant van het bedrijventerrein zijn enkele exemplaren van de licht beschermde grote kaardenbol aanwezig. In en langs de watergangen groeien zwanenbloem, gele plomp, grote egelskop, grote kattenstaart, liesgras, riet, slanke witte waterkers en veenwortel. Deze soorten duiden op voedselrijke omstandigheden.
Zwanenbloem is evenals grote kaardenbol een licht beschermde soort. Zwaarder beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden gezien de terreinomstandigheden (verharding, bebouwing en intensief beheerde graslanden) ook niet verwacht in het plangebied. De zwaarder beschermde plantensoorten die uit de gegevens van Quickscanhulp naar voren komen, groeien in biotopen die niet voorkomen in het plangebied.
In de bedrijfsgebouwen die zijn opgetrokken uit bakstenen muren kunnen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Te verwachten zijn soorten als gewone en ruige dwergvleermuis, die ook uit de omgeving van het plangebied bekend zijn (Quickscanhulp.nl). Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen in het plangebied worden uitgesloten door het ontbreken van bomen met potentiële verblijfplaatsen zoals holtes of loszittende schors. Het plangebied is matig geschikt als onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen door het vrijwel volledig ontbreken van opgaande vegetatie. Binnen het plangebied zijn geen lijnvormige opgaande structuren aanwezig die kunnen duiden op de aanwezigheid van een vliegroute van vleermuizen.
Daarnaast zijn in het plangebied een aantal licht beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen dan wel te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn reeën in het plangebied waargenomen en zijn sporen van mol aangetroffen. Verder zijn soorten als huisspitsmuis, veldmuis, haas en hermelijn te verwachten.
De bedrijfsgebouwen bieden geen geschikte nestplaatsen voor broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen als huismus en gierzwaluw. Wegens het vrijwel ontbreken van opgaande beplanting zijn binnen het plangebied ook geen jaarrond beschermde nestplaatsen van uilen of roofvogels te verwachten. Ten westen van het plangebied grenst een perceel met veel knotwilgen en enkele populieren aan het plangebied. Dit terrein is potentieel geschikt als broedplaats voor steenuil, die uit de directe omgeving van het plangebied bekend is (Quickscanhulp.nl). Het plangebied zelf heeft door het intensieve agrarische gebruik weinig waarde voor steenuil. Het plangebied vormt daarnaast mogelijk onderdeel van het foerageergebied van buizerd en kerkuil.
Verder kunnen algemene broedvogels in het plangebied tot broeden komen, met name weide- en watervogels. In en langs de watergangen kunnen soorten als meerkoet, wilde eend en fuut tot broeden komen. In de graslanden kunnen onder meer kieviet en scholekster broeden. Op het bedrijventerrein is scholekster waargenomen, waar de soort mogelijk broedt op de platte daken van bedrijfsloodsen. In de spaarzaam aanwezige opgaande beplanting kunnen verder soorten als tjiftjaf en winterkoning tot broeden komen.
Uit de omgeving van het plangebied is het voorkomen bekend van de streng beschermde rugstreeppad (Quickscanhulp.nl). In het plangebied is in de huidige vorm geen geschikt voortplantingswater aanwezig voor deze soort, die zich voornamelijk voortplant in snel opwarmende ondiepe wateren. Wel kan bij graafwerkzaamheden in het kader van de plannen geschikt biotoop voor rugstreeppad ontstaan.
Daarnaast is uit het plangebied en de omgeving van het plangebied het voorkomen van heikikker en kamsalamander bekend (Quickscanhulp.nl en La Fors et al. 2007). Voor beide soorten is geschikt leefgebied in het plangebied aanwezig. Heikikker komt in de omgeving voornamelijk in poldersloten voor (Van Eekelen, 2014 ), terwijl kamsalamander voornamelijk beperkt is tot poelen en sloten met kwelwater. Verder zijn enkele licht beschermde amfibieën als bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander in de watergangen binnen het plangebied te verwachten.
Uit de omgeving van het plangebied zijn de zwaarder beschermde vissoorten bittervoorn, kleine modderkruiper en grote modderkruiper bekend (Quickscanhulp.nl en La Fors et al. 2007). In het plangebied is geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soorten aanwezig in de watergangen. Voor bittervoorn geldt dit vooral voor de watergang aan de noordrand van het plangebied, waarin tijdens het veldbezoek zwanenmosselen zijn aangetroffen. Andere dan genoemde beschermde vissoorten worden niet in het plangebied verwacht.
Het plangebied beschikt niet over geschikt biotoop voor reptielen en beschermde ongewervelden.
Toetsing
De gebouwen in het plangebied blijven behouden bij de plannen, zodat geen vleermuisverblijfplaatsen verloren zullen gaan. Het foerageergebied van vleermuizen kan wel veranderen naar aanleiding van de plannen, maar het plangebied zal vermoedelijk niet helemaal ongeschikt worden als foerageergebied. Naar verwachting heeft het plangebied bovendien een relatief lage waarde voor foeragerende vleermuizen. Bovendien is in de omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Daarom worden negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen op voorhand niet verwacht.
Indien er concrete plannen zijn voor de aanleg van een bedrijventerrein aan de westrand van het plangebied, moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van steenuil in het aangrenzende perceel. Steenuil kan hinder ondervinden van geluid en/of uitstraling van licht. Om negatieve effecten op steenuil op voorhand te voorkomen wordt aanbevolen uitstraling van licht en/of geluid richting het aangrenzende perceel te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenuil. Aan de hand daarvan kan bepaald worden of de werkzaamheden negatieve effecten hebben op steenuil en of het aanvragen van een ontheffing van de Ffw voor deze soort noodzakelijk is.
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd kunnen in gebruik zijnde nesten van vogels worden verstoord. Het is verboden nesten van vogels (indien nog in functie) te verstoren of te vernietigen (artikel 11 en 12 van de Ffw). Om verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen te voorkomen dient bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden daarom voldoende rekening te worden gehouden met het broedseizoen. De Ffw kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het is van belang of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.
In de rapportage van Grontmij Nederland bv uit 20073 wordt aangegeven dat de zwaarder beschermde soorten heikikker, kamsalamander, bittervoorn en grote modderkruiper in het plangebied voor (kunnen) komen. We gaan er in de voorliggende rapportage vanuit dat de ontheffingsplichtige handelingen met betrekking tot deze soorten reeds zijn uitgevoerd. Indien dit niet het geval is, dient nader onderzoek te worden gedaan om het voorkomen van bovengenoemde amfibie- en vissoorten in het plangebied aan te tonen dan wel uit te sluiten. Aan de hand daarvan kan dan bepaald worden of sprake is van negatieve effecten op deze soorten en of het aanvragen van een ontheffing van de Ffw noodzakelijk is.
Verder dient rekening te worden gehouden met de mogelijke vestiging van rugstreeppad bij graafwerkzaamheden in het kader van de plannen. Wanneer rugstreeppadden worden aangetroffen op een bouwlocatie kunnen de werkzaamheden voor langere periode worden stilgelegd. Rugstreeppad is een pionierssoort en kan grote afstanden afleggen. Op plaatsen waar graafwerkzaamheden worden verricht kunnen (tijdelijk) geschikte voortplantingslocaties (ondiepe plassen) ontstaan. Daarnaast kunnen opgeslagen bouwmaterialen als overwinteringslocatie fungeren. Geadviseerd wordt te voorkomen dat genoemde omstandigheden ontstaan. Als voorzorgsmaatregel kan een amfibieënscherm om een bouwlocatie worden aangebracht, waardoor toegang tot de bouwlocatie voor rugstreeppad wordt bemoeilijkt.
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van enkele licht beschermde amfibie- en zoogdiersoorten worden verstoord en/of vernietigd (artikel 9 Ffw). Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood (artikel 11 Ffw). Licht beschermde soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Ffw.
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) en de provinciale structuurvisie en verordening.
In de Nbw 1998 is de bescherming van specifieke (natuur)gebieden geregeld. Onder de Nbw 1998 worden drie typen gebieden aangewezen en beschermd: Natura 2000-gebieden, beschermde natuurmonumenten en Wetlands. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Nbw 1998 een externe werking kent.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de Provinciale NNN is uitgewerkt in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland (2017) en de Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland (provinciaal ruimtelijk natuurbeleid).
Behalve op de bescherming van NNN-gebieden wordt in de structuurvisie van de provincie Zuid-Holland (2016) ook ingezet op het in standhouden van belangrijke weidevogelgebieden in Zuid-Holland.
Inventarisatie
Beschermde gebieden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 liggen op geruime afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied is het Natura 2000-gebied Biesbosch op ruim 3 km afstand ten zuidwesten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied in het kader van het NNN betreft een ecologische verbindingszone die van noord naar zuid langs de westrand van de bebouwde kom van Schelluinen loopt. De verbindingszone ligt op circa 300 meter ten oosten van het plangebied en bestaat uit een watergang met de bijbehorende oeverzone. Het plangebied heeft geen ecologische binding met het NNN-gebied.
Het plangebied is wel onderdeel van een 'Belangrijk weidevogelgebied'.
Toetsing
Gezien de ligging van het plangebied op ruime afstand van Natura 2000-gebied Biesbosch zijn naar aanleiding van de plannen hoogstens effecten op de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied te verwachten. Het plangebied is bestemd voor bedrijven tot milieucategorie 3, hiermee zal de emissie van stikstof van de bedrijven zelf zeer beperkt zijn. Het betreft echter wel transportbedrijven, die een flinke verkeersaantrekkende werking hebben. Het uitvoeren van een Aeriusberekening, zal echter uitwijzen dat er geen sprake is van een effect van het verkeer. In Aerius wordt het effect van wegverkeer, in lijn met de regelgeving op dit vlak, namelijk slechts meegenomen tot een afstand van 3 km. Daarbuiten is het effect van wegverkeer per definitie 0. De Biesbosch ligt op iets meer dan 3 km van het plangebied af. Met betrekking tot de voorgenomen plannen worden negatieve effecten op beschermde gebieden in het kader van de Nbw 1998 dan ook niet verwacht.
Gezien de aard van het plan, de terreinomstandigheden en de ligging van het plangebied, worden verder met betrekking tot de voorgenomen plannen geen negatieve effecten op NNN-gebieden in het kader het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid verwacht.
Wel is het plangebied onderdeel van een 'Belangrijk weidevogelgebied'. In de rapportage van Grontmij Nederland bv (20073) wordt daarom aangegeven dat naar aanleiding van de plannen compensatie nodig voor het verlies van leefgebied voor de weidevogels grutto en tureluur. We gaan er in deze rapportage vanuit dat de compensatie ten aanzien van weidevogels al is afgerond. Indien dit niet het geval is, dient alsnog een compensatieplan ontwikkeld te worden om het verlies van een deel van een 'Belangrijk weidevogelgebied' te compenseren.
Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat een Voortoets voor de Nbw 1998, dan wel een analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk is. Voor het plan is geen vergunning op grond van de Nbw 1998 nodig en het plan is op het punt van natuur niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid, tenzij de compensatie ten aanzien van weidevogels nog niet is afgerond. Indien de compensatie van het verlies van 'Belangrijk weidevogelgebied' nog niet heeft plaatsgevonden, moet alsnog een compensatieplan opgesteld worden.
Indien er concrete plannen zijn voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein aan de westrand van het plangebied dient uitstraling van licht en/of geluid naar het aan het plangebied grenzende perceel te worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient nader onderzoek te worden gedaan naar het voorkomen van steenuil. Aan de hand daarvan kan bepaald worden of de plannen negatieve effecten hebben op steenuil en of het aanvragen van een ontheffing op de Ffw noodzakelijk is.
Met betrekking tot de streng beschermde rugstreeppad wordt geadviseerd te voorkomen dat geschikt vestigingsklimaat ontstaat tijdens werkzaamheden. Wanneer rugstreeppadden worden aangetroffen op een bouwlocatie kunnen de werkzaamheden voor langere periode worden stilgelegd.
Indien ontheffingsplichtige handelingen voor heikikker, kamsalamander, bittervoorn en grote modderkruiper nog niet zijn uitgevoerd, dient nader onderzoek te worden gedaan om het voorkomen van deze soorten. Aan de hand daarvan kan bepaald worden of het aanvragen van een ontheffing op de Ffw noodzakelijk is.
Verder moet rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels.
Aangezien in het plangebied geen sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen), is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Ten aanzien van eventuele geluidsuitstraling van de bedrijven richting omliggende woningen geldt dat bij het toekennen van de maximale milieucategorieën rekening is gehouden met de richtafstanden van de VNG.
In 2006 is aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd voor het plangebied. Hieruit bleek dat de luchtkwaliteit voor de componenten stikstofdioxode (NO2) en fijnstof (PM10) bij de beoogde ontwikkeling van transportcentrum Schelluinen-West voldeed aan de normen van het Besluit Luchtkwaliteit.
Er is in 2015 onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in de kern Schelluinen. Hiervoor zijn de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof berekend. Hierbij is ook de specifieke bijdrage van lokale bronnen bepaald. In het onderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat:
Op basis van deze voorgaande onderzoeken, en vanwege het feit dat voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe of andere functies mogelijk maakt anders dan het geldende plan, is er geen aanleiding tot een (nieuw) onderzoek met betrekking tot luchtkwaliteit.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) in werking getreden. Het Bevi geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aan grenswaarden moet altijd worden voldaan, van richtwaarden kan om gewichtige reden worden afgeweken. Zowel de grenswaarde als de richtwaarde liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning moet aan de grenswaarde worden voldaan en met de richtwaarde rekening worden gehouden, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft.
Op basis van het Bevi geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. Als oriëntatiewaarde voor het GR geldt:
De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Ook bedrijven waarop het Bevi niet van toepassing is, kunnen risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Voor nieuwe situaties geldt voor het PR in principe een norm van 10-6 per jaar en voor bestaande situaties 10-5 per jaar. Voor het GR geldt de hierboven genoemde norm.
In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn de bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen uitgewerkt. Voor 'categoriale inrichtingen' geeft de Revi tabellen met vaste veiligheidheidsafstanden. De Revi is onlangs, op 29 juni 2016 gewijzigd. Door de wijziging van de Revi zijn de veiligheidsafstanden voor LPG tankstations verkleind. De volgende afstanden gelden nu:
De verkleinde afstanden gelden ook voor LPG tankstations in nieuwe situaties, zoals de vaststelling van het bestemmingsplan Schelluinen-West.
Besluit externe veiligheid transportroutes
Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes in werking getreden. Het besluit stelt regels aan transportroutes en de omgeving. De risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen bestaat uit de volgende 3 stappen:
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Bevi. Daarbij zijn de voormalige toetsings- en bebouwingsafstand vervangen door een afstand voor het PR en een afstand voor het invloedsgebied van het GR. Voor het PR geldt dat er binnen de 10-6-risicocontour geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarden als een richtwaarde.
In deze paragraaf wordt de externe veiligheid van het plangebied beschreven. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied weer.
Uitsnede risicokaart plangebied, bron: www.risicokaart.nl
Voor het vigerende bestemmingsplan 'Schelluinen-West' is in 2005 door Grontmij een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. In dit onderzoek zijn de volgende zones onderzocht:
Geconcludeerd wordt dat binnen het plangebied wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor externe veiligheid. Wel is van belang dat het bestemmingsplan een regeling bevat om te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de veiligheidszone van het tankstation.
In het kader van het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden is onderzoek verricht naar het transport van gevaarlijke stoffen door leidingen in het plangebied en de directe omgeving. Ten noorden van het onderhavige plangebied is de aardgasleiding W-528-01-KR gelegen. De PR 10-6 risicocontour van deze leiding ligt buiten het plangebied. De destijds uitgevoerde Kwantitatieve Risicoanalyse gasleidingen houdt rekening met de ontwikkeling van het transportcentrum. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico voor de leiding W-528-01 toeneemt. Ook na deze toename is het groepsrisico echter vele malen kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarom is er geen sprake van onaanvaardbare risico's als gevolg van deze leiding.
Het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.
De toegestane milieucategorieen in het geldende bestemmingsplan 'Schelluinen-West' zijn gebaseerd op de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG publicatie 'bedrijven- en milieuzonering'. In vergelijking met het geldende plan biedt voorliggend bestemmingsplan geen aanleiding dit uitgangspunt te wijzigen.
Zoals in de inleiding is gesteld, is het bestemmingsplan hoofdzakelijk actualiserend van aard, waarbij een globale wijze van bestemmen is toegepast. Recente ontwikkelingen (vergunde bouwplannen) zijn daarbij voorzien van een passende regeling.
Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend.
Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemming. In het bestemmingsplan is echter de nodige flexibiliteit ingebracht door middel van de opname van (algemene) afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Deze opzet biedt flexibiliteit voor perceelsgewijze ontwikkelingen die mogelijk zijn ingevolge de vigerende bestemmingsplannen en biedt tegelijkertijd rechtszekerheid voor de bewoners en gebruikers van de aangrenzende gebieden. De omvang van de diverse functies is verankerd in de bestemmingslegging. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd.
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen opgenomen. In deze paragraaf wordt in alfabetische volgorde kort ingegaan op de inhoud van de verschillende bestemmingen waarbij eerst alle enkelbestemmingen worden behandeld en vervolgens de dubbelbestemmingen conform de landelijke standaarden. In het bestemmingsplan is bewust een onderscheid gemaakt tussen de bestemmingen 'Wonen' en 'Woongebied'. Hieronder wordt hierop nader ingegaan
Deze bestemming is toegekend aan de agrarische gronden aan de randen van het plangebied. De gronden aan de zuidzijde van het plangebied kunnen door middel van een wijzigingsbevoegdheid eventueel worden ingezet voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein en het omringende groen en water.
Binnen de bestemming bedrijventerrein zijn uitsluitend knelpuntbedrijven uit de regio toegestaan. Om ruimte te laten voor een goede ontwikkeling van het bedrijventerrein naar de toekomst toe is gekozen voor een globaal flexibele bestemming. Daartoe zijn ruime bouwvlakken opgenomen die aansluiten op de bouwregels van het vigerende bestemmingsplan. De afstand tussen gebouwen en de erfgrens is 5 meter en de afstand tussen de bebouwing op de percelen aan de noordzijde, grenzend aan de groenstrook langs de Landscheiding en de perceelsgrens langs de groenstrook bedraagt 10 meter. Hiermee wordt aangesloten bij het Beeldkwaliteitsplan, zie Bijlage 1.
Voorts bevat het plan regels omtrent een maximale bouwhoogte, de afstand tussen gebouwen en de maximale omvang van bebouwingsclusters.
De tweede fase van het bedrijventerrein heeft de bestemming Bedrijventerrein - uit te werken. Hiervoor dient eerst een planologische procedure doorlopen te worden voordat dit deel kan worden ontwikkeld. Op deze wijze kan ingestoken worden op een gefaseerde ontwikkeling.
De bestemming Bedrijventerrein - uit te werken is opgenomen om de doelstelling van het bedrijventerrein zoals verwoord in dit bestemmingsplan te kunnen verwezenlijken, namelijk het realiseren van een bedrijventerrein voor transportbedrijven met aanverwante logistieke activiteiten als regionaal opvangterrein voor knelpuntbedrijven uit de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden.
Binnen deze uit te werken bestemming is middels het opnemen van een aanduiding 'groen' vastgelegd dat aan de zuidzijde als begrenzing van het bedrijventerrein een zone met groen en water moet worden ingericht.
Dit betreft de gronden rondom het bedrijventerrein waar de landschappelijke inpassing dient plaats te vinden .
Deze bestemming is gebruikt voor een deel van een perceel, dat onderdeel uitmaakt van een Bedrijf. De bestemming Tuin is gekozen in aansluiting op de bestemming die de aansluitende gronden op dit perceel hebben gekregen in het bestemmingsplan buitengebied.
Binnen het plangebied is de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Binnen deze bestemming is ook ruimte voor nuts-, groen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ten behoeve van deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Binnen deze bestemming zijn de watergangen opgenomen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen die ten dienste staan aan de bestemming, zoals constructies voor bruggen, kademuren en duikers, zijn toegestaan.
De gemeente Giessenlanden heeft in 2009 de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Giessenlanden vastgesteld. Het plangebied omvat zones met een hoge archeologische verwachting en met een lage archeologische verwachting. De zones met archeologische verwachtingen zijn doorvertaald in de regels. De naamgeving van de dubbelbestemmingen sluit aan op de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden.
In het bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en Waarde - Archeologie 8' opgenomen in de regels met de van toepassing zijnde bouwregels uit het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden.
Het plangebied wordt aan de noordzijde fysiek begrensd door de landscheiding. Dit dijklichaam met bijbehorende sloten is een belangrijk cultuurhistorisch element in het landschap. Om dit dijklichaam zichtbaar te houden, is in samenspraak met de provincie een aantal landschappelijke randvoorwaarden bepaald. Deze randvoorwaarden zijn vertaald naar inrichtingsvoorschriften die zijn opgenomen in de dubbelbestemming Waarde - Landscheiding uit het vigerende bestemmingsplan. Op deze wijze wordt getracht om de bestaande kwaliteiten van de landscheiding zo goed mogelijk te laten aansluiten op de komst van het bedrijventerrein. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn de openheid van het landschap en de wijze waarop het bedrijventerrein wordt ingepast in dit karakteristieke landschap.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wro aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, et cetera.) maar ook de economische uitvoerbaarheid van het plan dient aangetoond te worden.
Voor de ontwikkeling van Schelluinen-West nemen de gemeenten uit de regio en een marktpartij deel in een Regionale Ontwikkelingsmaatschappij. De partners van deze Regionale Ontwikkelingsmaatschappij hebben gezamenlijk een grondexploitatie opgesteld, waarin de inkomsten en uitgaven op een rij worden gezet. Hieruit is gebleken dat de uitvoerbaarheid van het plan, ook vanuit het perspectief van de marktpartij, afdoende gewaarborgd is.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een ieder vanaf 13 januari 2017 zes weken ter inzage gelegen. Hieruit zijn twee zienswijzen ingediend welke gedeeltelijk tot aanpassing op het ontwerpbestemmingsplan hebben geleid. In de zienswijzennota in Bijlage 3 zijn deze zienswijzen samengevat en voorzien van beantwoording door de gemeente.