| Plan: | Bedrijvenpark Remon |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0689.BP6103-vast |
Aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is meerledig. Enerzijds is het voornemen om een bedrijvenpark te realiseren aan de westzijde van Schelluinen. Daarnaast is de reeds vergunde de uitplaatsing van de bestaande KIA-garage uit de kern Schelluinen in dit plan opgenomen. Op de huidige KIA-locatie aan de Kerkweg / Jan Snouckstraat is woningbouw voorzien. Om de woningbouw hier mogelijk te kunnen maken voorziet dit bestemmingsplan in een woonbestemming ter plaatse.
Het plangebied is in de gemeentelijke structuurvisie aangewezen als kantorenlocatie. De realisatie van kantoren is op basis van het provinciale beleid echter niet toegestaan. Daarom is voor de locatie een plan ontwikkeld dat voorziet in bedrijfsverzamelgebouwen.
Voor het plangebied aan de Sportlaan te Schelluinen is een plan ontwikkeld dat voorziet in kleinschalige bedrijfsruimtes in een parkachtige omgeving. Het partycentrum Remon zal hiervoor worden afgebroken. Het bestaande kantoor zal worden gehandhaafd en in het plan worden opgenomen. Daarnaast voorziet het plan eveneens in de noodzakelijke 'groene afronding' van het dorp door het realiseren van een aantrekkelijke inpassing in de zone langs de N216.
De gewenste ontwikkelingen zijn niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Op basis van de benodigde onderzoeken wordt de gewenste ontwikkeling door middel van dit bestemmingsplan juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
Het plangebied bestaat uit twee delen. Enerzijds het bedrijvenpark aan de westzijde van Schelluinen met daarin de nieuwbouwlocatie voor autobedrijf KIA van Muijlwijk. Daarnaast is de vertreklocatie van autobedrijf KIA van Muijlwijk aan de Kerkweg / Jan Snouckstraat in het plan opgenomen. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Hoofdstuk 2 geeft een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ruimtelijke analyse aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de relevante milieuaspecten en de overige onderzoeken beschreven. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling. Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de uitvoerbaarheid van het plan.
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante vigerende beleidskader. Paragraaf 2.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal en regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 2.3 In paragraaf 2.4 wordt het gemeentelijk beleid behandeld, waarna in paragraaf 2.5 conclusies ten aanzien van het beleidskader voor het plangebied worden gegeven.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (maart 2012)
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor Giessenlanden relevante belangen zijn:
Deze belangen zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro (voorheen AMvB Ruimte) bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco). Het Barro is niet van invloed op dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten standaard een aantal stappen zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Ruimtelijke besluiten moeten aandacht besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (SER ladder). Bij de ladder moet de regionale behoefte aangetoond worden, of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden, en of de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten.
Toetsing
Conclusie met betrekking tot rijksbeleid
De ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, passen binnen de beleidskeuzes en de leidende principes uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Barro. Het beleid is gericht op herstructurering en uitplaatsing van milieuhinderlijke bedrijven uit woonkernen.
Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland' (inclusief actualisatie 2012)
In de 'Visie op Zuid-Holland' beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De structuurvisie geeft een doorkijk naar 2040 en de visie voor 2020 met bijbehorende uitvoeringsstrategie.
De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.
Visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
De Provinciale Structuurvisie loopt tot 2020, met een doorkijk naar 2040. Veel van het bestaande beleid wordt voortgezet. Daarnaast zijn er nieuwe accenten, zoals:
De provincie zet haar beleid voort om de woningbehoefte en (niet-agrarische) bedrijfsactiviteiten op te lossen binnen bestaand stads- en dorpsgebied.
De provinciale structuurvisie wordt momenteel integraal herzien (vaststelling verwacht medio 2014).
Om het stedelijk netwerk te versterken kiest de provincie het uitgangspunt om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Om dit te bereiken zijn het stedelijk netwerk en alle daarbuiten gelegen kernen in Zuid-Holland voorzien van bebouwingscontouren. Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren zijn strak getrokken om het bestaand stedelijk gebied en kernen, rekening houdend met en de reeds vastgelegde streekplangrenzen en plannen waar de provincie reeds mee heeft ingestemd. Verstedelijking buiten deze bebouwingscontouren is in principe niet toegestaan.
Het plangebied is aangewezen voor nieuwe functies passend bij stedelijk groen buiten de bebouwingscontour, zoals sportvelden, volkstuinen en begraafplaatsen. Enkel binnen de op kaart (zie figuur 2.1) aangewezen gebieden, zijn gebouwen toegestaan die in relatie staan tot de functie met een omvang en verschijningsvorm die passen in de omgeving.
Figuur 2.1 A: Visie Ruimte, uitsnede functiekaart
Figuur 2.1 B: Verordening Ruimte, uitsnede kaart bebouwingscontouren
Provinciale Verordening Ruimte (inclusief herziening januari 2013)
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte vastgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende artikel is relevant voor het bestemmingsplan:
Artikel 2 Algemene regels ter zake van bestemmingsplannen
Lid 1 regionale afstemming
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen voorziet in een aantoonbare behoefte en is gebaseerd op een regionale visie op het programma terzake of is tenminste regionaal afgestemd. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording.
Lid 2 ladder voor duurzame verstedelijking
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen houdt rekening met de navolgende voorkeursvolgorde:
De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording.
Toetsing aan artikel 2
Het plangebied ligt buiten de rode contour. Daarmee is toevoeging van nieuwe stedelijke functies in principe niet toegestaan. Echter door de realisatie van Schelluinen-West is het plangebied ingesloten komen te liggen tussen twee verstedelijkte zones en is er sprake van een zeer gemengd gebied. Bovendien is er binnen het plangebied reeds bebouwing aanwezig en is er sprake van een herontwikkeling van de bestaande stedelijke functie. Daarnaast is de nieuwe KIA-garage een uitplaatsing van de bestaande garage uit de woonkern van Schelluinen. Het is voor de gemeente zeer wenselijk deze (overlast gevende) bedrijfsactiviteiten te saneren in de woonkern. De nieuwe locatie aan de Sportlaan is een goed alternatief.
Tenslotte wordt het gehele bedrijvenpark en daarmee ook de KIA-garage groen ingepast, zodat er een gemengde groene omzoming van het dorp Schelluinen ontstaat.
Voor het plan is door GS is ontheffing verleend van de Verordening Ruimte waardoor realisatie van het plan mogelijk is.
Regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden
In de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden wordt een groot belang gehecht aan de leefbaarheid van de kleine kernen en het behoud van een basisvoorzieningenniveau. De kernenprofilering biedt hiervoor een helder kader. In de kernenprofilering wordt de kern Schelluinen aangeduid als kleine woonkern, gericht op vernieuwing binnen de huidige streekplancontour.
De structuurvisie zegt hierover dat de basisvoorzieningenfunctie van vooral de verzorgingskernen moet worden versterkt. Schelluinen zelf is geen verzorgingskern en is voor voorzieningen aangewezen op o.a. Gorinchem en Giessenburg.
De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien.
De opvolgende visie 'open voor elkaar' (2012) benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden.
Transformatievisie Merwedezone (2009)
Gemeenten, waterbeheerders en provincie schetsen met het opstellen van de Transformatievisie Merwedezone de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de Merwedezone tussen Gorinchem en Alblasserdam. De visie geeft randvoorwaarden voor een gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2015 met een doorkijk naar de verdere toekomst. De transformatievisie is bedoeld als basis voor verdere uitwerking op projectniveau. De transformatievisie zet onder andere in op het benutten van gebiedsspecifieke kwaliteiten voor woonmilieus. Het plangebied is niet aangemerkt als specifiek project.
Structuurvisie 'Giessenlanden buitengewoon' (2008)
In de structuurvisie wordt ingegaan op de bijzondere positie van Schelluinen. Ondanks de verstedelijkingsdruk door de nabijheid van de grote infrastructuur en de ontwikkelingszone Merwedecorridor neemt Schelluinen, vanwege de toegankelijkheid van het Groene Hart en de goede bereikbaarheid vanaf de snelweg, een bijzondere positie in. Schelluinen moet zich ontwikkelen als de 'poort van de Alblasserwaard'.
Om de relatie met het Groene Hart te versterken is het van belang om groene functies in de kern te trekken. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat rode functies het open veenweidegebied 'binnenwandelen'. De ontwikkeling van het kantorenpark onderstreept de poortfunctie van Schelluinen maar houdt door de ligging wel rekening met de kwaliteiten van het Groene Hart. De ontwikkeling van een kantorenpark kan, op basis van het provinciaal beleid, niet worden gerealiseerd.
Diverse groenzones moeten de relatie van Schelluinen met het Groene Hart versterken. Deze groengebieden dienen ook als visuele afscherming en als ruimtelijke barrière voor milieuhinder veroorzakende activiteiten (bijvoorbeeld van rijks- en provinciale wegen en het transportcentrum Schelluinen-West). Bij de inrichting van de groenzones kan gedacht worden aan sport- en recreatievoorzieningen, waar nodig geluidsschermen, beperkte lichte bedrijvigheid, weidegronden en ecologische verbindingen. De terreininrichting van bedrijvenpark Remon maakt deel uit van de in de structuurvisie beoogde westelijke groenstructuur. De ontwikkeling van het Remonpark vormt een uitwerking van de beoogde 'bedrijvigheid in een groene setting' zoals opgenomen in de structuurvisie.
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeert bestemmingsplan "Giessen - Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen" welke op 25 oktober 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied aangewezen voor 'Horeca', 'Kantoor', 'Verkeer', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Groen' (zie figuur 2.2). Binnen de aangewezen bouwvlakken is bebouwing met een goothoogte van 5 meter toegestaan.
Figuur 2.2 Uitsnede verbeelding ter plaatse van Bedrijvenpark Remon (plangrens rood omkaderd)
De vertreklocatie binnen de kern Schelluinen heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Bedrijf'. Voor de bestaande aanwezige bebouwing is een bouwvlak opgenomen waarbinnen tot een goothoogte van 5 meter gebouwd mag worden. Ten behoeve van het tankstation is de specifieke functieaanduiding 'verkoop motorbrandstoffen zonder lpg' toegekend (zie figuur 2.3).
Figuur 2.3 Uitsnede verbeelding ter plaatse van 'Vertreklocatie' KIA Van Muijlwijk (plangrens rood omkaderd).
De realisatie van de gewenste bedrijfsbebouwing ter plaatse van Bedrijvenpark Remon en de realisatie van 4 woningen ter plaatse van de Vertreklocatie is niet mogelijk op basis van de opgenomen bestemmingen. Daarnaast gelden voor het plangebied verschillende archeologische beschermingsregimes. Deze zijn aangegeven door middel van de verschillende archeologische dubbelbestemmingen.
Omgevingsvergunning 'KIA van Muijlwijk'
Vooruitlopend op dit bestemmingsplan is, gezien de tijdsdruk die is gemoeid met het verplaatsen van de KIA-garage, besloten om de nieuwbouw van autobedrijf KIA van Muijlwijk door middel van een uitgebreide Wabo-procedure mogelijk te maken. De omgevingsvergunning is vastgesteld op 14 januari 2014. De nieuwbouw van autobedrijf KIA van Muijlwijk is als zodanig opgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Voor de geplande ontwikkelingen geldt geen direct relevant rijksbeleid. Op provinciaal niveau schrijft de Verordening ruimte voor dat verstedelijking buiten de bebouwingscontouren in principe niet is toegestaan. Het plangebied is echter aangewezen als 'stedelijk groen buiten de bebouwingscontour', waarbinnen gebouwen zijn toegestaan met een omvang en verschijningsvorm die passen in de omgeving. Het gemeentelijk beleid schrijft voor dat ontwikkeling van lichte bedrijvigheid in groene setting de poortfunctie van Schelluinen onderstreept en rekening houdt met de kwaliteiten van het Groene Hart. Er is gekozen voor een invulling tot bedrijvenpark in overeenstemming met de gemeentelijke doelstelling.
De kern Schelluinen ligt ten westen van Gorinchem aan de noordzijde van de A15 en de Betuwelijn. De oude kern van Schelluinen is ontstaan langs het gegraven water van de Schelluinse Vliet en bestaat uit de bebouwing rond het Kerkplein met de aanliggende Nederlands Hervormde Kerk en het oude kasteel. De kern ontstond in de zuidwesthoek van de Kwakernaaksche Polder, daar waar het noordelijk deel van de (Groote) Schelluinse Vliet met een bijna haakse bocht overgaat in het oostelijk deel. De grootste uitbreidingen van Schelluinen vonden pas na de Tweede Wereldoorlog plaats; eerst vooral oostelijk van het bebouwingslint van de Voordijk, maar vanaf het einde van de 20e eeuw ook aan de westzijde van de Schelluinse Vliet binnen het grondgebied van het voormalig zelfstandige Giessen-Nieuwkerk. In dit westelijk gelegen gebied bevindt zich ook het sportpark 'Scalune' wat grenst aan het plangebied.
Inleiding
Het bedrijvenpark wordt ontwikkeld in Schelluinen, in het gebied gelegen tussen de Sportlaan / N216 en de sportvelden van het sportpark Scalune. Het bedrijvenpark ligt daardoor op enige afstand (circa 200 m) van de woonkern van Schelluinen en wordt daarvan gescheiden door het sportpark Scalune.
Het sportpark vormt een belangrijke groenvoorziening voor Schelluinen. Het sportpark omvat onder meer tennisbanen, voetbalvelden en volkstuinen. Het sportpark ligt direct ten oosten en noorden van het bedrijvenpark. Bij de ontwikkeling van het bedrijvenpark wordt uitgegaan van het behoud van de sportvoorzieningen. Het sportpark en het toekomstig bedrijvenpark zijn vanuit de woonkern bereikbaar via de route Voordijk, Zandkade en Sportlaan.
Kwaliteitsverbetering van de dorpsrand is al geruime tijd de ambitie van zowel gemeente als provincie. Uitgangspunt daarbij is om een groene dorpsrand te realiseren, die door een kleinschalige invulling een goede overgang vormt tussen het dorp en het grootschalige bedrijvencomplex van Schelluinen-West. Herontwikkeling van Remonpark kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren.
Uitgaande hiervan is een plan ontwikkeld dat voorzag in kleinschalige kantoren in een groene omgeving. Dit plan dat goed aansloot op de ruimtelijke ambities van het gebied heeft echter vanwege de functie, kantoren, uiteindelijk geen positief oordeel van de provincie meegekregen.
Alternatieve invulling
Om toch te komen tot een kwaliteitssprong op de locatie en zo de doelstellingen ten aanzien van de dorpsrand van Schelluinen te halen is gezocht naar een alternatieve invulling/functie. Gelet op diverse omgevingsfactoren en (on)mogelijkheden elders, is gekozen voor de realisatie van kleinschalige bedrijfsunits. Het bestaande kantoor zal in het plan worden gehandhaafd. Belangrijk daarbij is dat juist die keuze/functie ook kan bijdragen aan het uitplaatsen van (door)startende bedrijven uit de kernen en de linten. Op die wijze kan sprake zijn van een dubbele kwaliteitsimpuls. Een voorbeeld hiervan is autobedrijf KIA van Muijlwijk, die zich op deze locatie gaat vestigen.
Uitgangspunten
Om een zorgvuldige opzet en inpassing te garanderen is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke uitgangspunten voor de dorpsrand en randvoorwaarden en suggesties vanuit het (provinciale) gebiedsprofiel Alblasserwaard & Vijfheerenlanden. Het ontwerp is globaal van opzet om in te kunnen spelen op specifieke wensen van bedrijven, zowel in volume als in positionering en uitstraling.
In eerste instantie zijn twee schetsmodellen voor een mogelijke invulling van de locatie met bedrijfsbebouwing gemaakt, één meer gericht op de kavelrichting en één meer gericht op de N216. Uitgaande van randvoorwaarden uit het gebiedsprofiel en de wens om het terrein als kleinschalig overgangsgebied in te richten is het eerste model verder uitgewerkt.
De gekozen hoofdopzet van de locatie is gebaseerd op de ruimtelijke kenmerken van de dorpsrand die worden bepaald door enerzijds de agrarische kavelstructuur en anderzijds de doorsnijding hiervan door de N216. Terecht wordt in het gebiedsprofiel aangeven dat die laatste geen (natuurlijke) grens vormt en in die zin ook geen landschappelijke betekenis of beeldversterking zou moeten krijgen. Wel moet worden bedacht dat juist door de aanleg van Schelluinen-West de ruimtelijke betekenis als grens en als “podium” voor de nieuwbouw is versterkt.
Het aanvullen en doortrekken van de groene singels langs de kavelgrenzen vormt de basis voor de inpassing van de bedrijven in de dorpsrand. Door de introductie van een extra groensingel wordt een schaalsprong gerealiseerd die voor de gewenste kleinschaligheid zorgt en ook weer de kenmerkende langgerektheid van de oorspronkelijk (agrarische) kavels terugbrengt. De bedrijfsgebouwen worden in twee stroken binnen deze groene kaders geplaatst.
Langs de N216 wordt de deels bestaande vrij dichte groenstrook (bomen met ondergroei) vervangen door ruim uiteen staande grote bomen. Op die wijze wordt meer aangesloten bij de oorspronkelijke ruimtelijk “onbepaalde” richting van deze weg. Op plekken waar de oude kavelrichting de N216 kruist worden groene driehoeken ingericht, deels vergelijkbaar met de kenmerkende situaties elders langs deze weg. Bij de inrichting van deze driehoeken wordt de oude kavelrichting dominant gemaakt. De bedrijfsbebouwing presenteert zich aan de N216, echter door de parallelweg en tussenliggend groen en parkeren niet zeer prominent. De hoofdrichting van de bebouwing is bewust geënt op de kavelrichting en buigt niet mee met de weg.
Gezien vanuit het dorp wordt de bedrijfsbebouwing gemaskeerd door de groene singels rondom de sportvelden. Keuze voor een donkere kleurstelling van de bedrijfsbebouwing en eventueel toepassing van hagen kan deze inpassing nog versterken.
Door de realisering van de centrale groene as en de open lijnen haaks daarop kan de recreatieve wandelstructuur die wordt aangelegd in de dorpsrand worden doorgetrokken over de locatie. De gezonde “tussen de middag” wandeling voor werknemers wordt zo ook aantrekkelijk gemaakt.
Met de bedrijfsmatige invulling van de locatie zal de herontwikkeling een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteitsambities voor de dorpsrand van Schelluinen.
Het bouwplan voorziet in de realisatie van een nieuwe autogarage met werkplaats, showroom en overige aanhorigheden. De showroom is gelegen aan de voorzijde (zijde N216) van het gebouw en bestaat uit twee bouwlagen, waarbij de tweede bouwlaag te bereiken is via een buiten het pand gelegen hellingbaan.
Figuur 3.2 Impressie nieuwbouw autobedrijf KIA van Muijlwijk
Het gebouw heeft een rechthoekige plattegrond met, ter plaatse van de showroom, een afgeschuinde punt. De showroom is volledig voorzien van glazen gevels, om de exposure zo groot mogelijk te maken. De werkplaats, wasplaats en dergelijke zijn voorzien van een overwegend gesloten gevel met overheaddeuren. Het gebouw heeft een oppervlakte van circa 1.000 m2 en een bouwhoogte van circa 8 meter.
De belangrijkste ontsluitingswegen van en naar Schelluinen en naar het bedrijvenpark betreffen de A15-A27 en de daarbij aansluitende Provinciale Weg N216. Het bedrijvenpark ligt aan de Sportlaan, in de binnenbocht van de N216. De Sportlaan vormt een parallelweg aan de N216 en sluit met rotondes ter hoogte van de zuidelijke entree van de dorpskern en ter hoogte van het tankstation aan op de provinciale weg.
De N216 loopt onderlangs rond Schelluinen en sluit noordwaarts aan op Nieuwpoort en oostwaarts op de toe- en afritten van de A15. Deze toe- en afritten liggen op iets meer dan 1 km uit het kantorenpark. Direct ten oosten van de toe- en afritten ligt het grote klaverbladknooppunt Gorinchem. Hier sluit de A15 van Rotterdam naar Arnhem/Nijmegen aan op de A27 van Breda naar Almere. Deze wegenstructuur draagt bij aan een goede bereikbaarheid van het kantorenpark vanaf het regionale en het rijkswegenstelsel.
De identiteit van de kern wordt in hoge mate bepaald door de directe nabijheid van meerdere landschappelijke elementen, op korte afstand, of zelfs binnen het dorpsgebied van de kern. Deze elementen betreffen onder meer donken, veenrivieren, weteringen, veenweidegebieden, boomgaarden, knotwilgen, elzensingels en wielen. Maar ook bijzondere elementen zoals een burcht of oude verbindings- of tolwegen. De landschappelijke inpassing van het bedrijvenpark refereert aan een deel van deze landschappelijke elementen.
Delen van de bestaande beplanting langs de N216 en het sportcomplex worden gehandhaafd. Voor het overige worden de bebouwing en terreinen landschappelijk ingepast door middel van bomenrijen bij de parkeerterreinen en knotwilgen. Ook de beplanting volgt in hoofdlijnen de noord-zuidwaarts gerichte structuur van het landschap en onderstreept daarmee de eveneens noord-zuid gerichte bebouwingszones. Aan de westzijde van het Remonpark wordt een haag voorgesteld als scheiding tussen de rijbaan van de Sportlaan en het privéterrein. Ter hoogte van de nieuwe KIA-garage zal ook een groene afscheiding worden gerealiseerd tussen de Sportlaan en het privéterrein. Het buitenterrein zal aan de voorzijde een open karakter krijgen.
Naast het plangebied zelf zal ook de groene ruimte tussen het plangebied en de kern Schelluinen ruimtelijk en landschappelijk worden ingepast. Een impressie van de inrichting van het totale gebied is opgenomen in Bijlage 1.
De gemeente Giessenlanden is overeengekomen dat het autobedrijf aan de Kerkweg 10 verplaatst zal worden naar het terrein aan de Sportlaan 2. De gemeente hecht belang aan een tijdige en volledige ontruiming en herbestemming van de vertreklocatie.
Binnen 6 maanden na oplevering van het bedrijfspand zal de vertreklocatie zijn ontruimd. Hierbij zal de benzinepomp worden verwijderd, inclusief alle toebehoren. De gestalde auto's ten behoeve van de verkoop zullen worden verwijderd, evenals alle verwijzingen naar het huidige autobedrijf. Alle overige bedrijfsobjecten die op het terrein zijn opgeslagen zullen worden verwijderd.
De ontwikkelingsplannen voor deze gronden worden in een later stadium (na 2020) gerealiseerd. Voor deze gronden geldt daarom op basis van dit bestemmingsplan een uitwerkingsplicht. De realisatie is pas mogelijk nadat een uitwerkingsplan is vastgesteld. Dit uitwerkingsplan moet voldoen aan de regels die zijn gesteld binnen de bestemming 'Woongebied - Uit te werken'.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan te worden aangetoond en moet worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
Gelet op de kenmerken van de ontwikkelingen in het plangebied (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van de ontwikkelingen en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor het voorliggende bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Het verdwijnen van het bestaande partycentrum en de bouw van de nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen en het pand voor de autogarage op deze locatie, zorgt voor een verandering in het verkeersaanbod. Aan de ene kant zorgt het verdwijnen van het partycentrum voor een afname van de verkeersintensiteiten op het omliggend wegennet en aan de andere kant zorgen de bouw de nieuwe functies weer voor een toename van de intensiteiten. Het bestaande kantoorgebouw blijft gehandhaafd. Deze zal niet zorgen voor meer of minder verkeersafwikkeling. De verkeersgeneratie van het partycentrum en de ontwikkelingen is bepaald aan de hand van kencijfers uit CROW publicatie 317 ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Deze kencijfers zijn per gebiedstype bepaald. Voor dit onderzoek wordt het gebiedstype 'niet stedelijk' in het buitengebied gehanteerd (bron: CBS Statline).
In de huidige situatie bedraagt het bruto vloeroppervlak van het partycentrum circa 2.565 m2. Voor partycentra of soortgelijk locaties zoals evenementhallen en beurs- of congresgebouwen bestaan geen kencijfers voor het berekenen van de verkeersgeneratie. Daarom wordt uitgegaan van de kencijfers die bekend zijn voor discotheken. Verwacht wordt dat de verkeersgeneratie van een partycentrum hieraan gelijkwaardig is. Binnen het genoemde gebiedstype geldt voor deze functie een minimaal kencijfer van 17,2 mvt/weekdagetmaal en maximaal 20,8 mvt/weekdagetmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Omdat discotheken, in tegenstelling tot partycentra, voornamelijk alleen in de avonduren geopend zijn, wordt aangesloten bij het minimale kencijfer. Zodoende wordt voor de afname van de verkeersgeneratie gerekend met een zo laag mogelijke aftrek en betreft de berekening een worst case benadering. Uitgaande van het genoemde minimale kencijfer bedraagt de verkeersgeneratie van het partycentrum circa 440 mvt/weekdagetmaal.
Het bruto vloeroppervlak van de bedrijfsverzamelgebouwen bedraagt, verdeeld over drie bouwlagen, maximaal 9.042 m2. Uitgaande van het gebiedstype 'niet stedelijk' in het buitengebied geldt een minimale verkeersgeneratie van 7,0 mvt/weekdagetmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak en een maximale verkeersgeneratie van 8,7 mvt/weekdagetmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Op basis van deze cijfers bedraagt de verkeersgeneratie van de bedrijfsverzamelgebouwen maximaal circa 790 mvt/weekdagetmaal. Voor de berekening van de verkeersgeneratie van de autogarage is aangesloten bij de verkeersgeneratiecijfers voor arbeidsintensieve/bezoekersextensieve bedrijvigheid. Hiervoor geldt een minimaal kencijfer van 9,1 mvt/weekdagetmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak en een maximaal kencijfer van 10,9 mvt/weekdagetmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak. De garage heeft een bruto vloeroppervlak van 2.160 m2, verdeeld over twee bouwlagen. De totale verkeersgeneratie van de autogarage bedraagt zodoende maximaal 240 mvt/weekdagetmaal.
Op basis van deze berekeningen kan worden geconcludeerd dat alle ontwikkelingen samen (verdwijnen partycentrum en ontwikkeling bedrijfsverzamelgebouwen en autogarage) een netto verkeerstoename van circa 590 mvt/weekdagetmaal tot gevolg hebben. Omgerekend naar een werkdag, conform een omrekenfactor van 1,33, bedraagt deze toename 785 mvt/etmaal.
Uit provinciale verkeerstellingen blijkt op de N216, waarop het plangebied ontsluit, een verkeersintensiteit van circa 7.500 mvt/etmaal in 2005. Op basis van een autonome groei van 1,5% bedraagt deze intensiteit in het prognosejaar 2024 bijna 10.000 mvt/etmaal. Inclusief ontwikkeling ligt deze etmaalwaarde op circa 10.800 mvt/etmaal. De provinciale weg N216, uitgevoerd in 1 x 2 rijstroken en vrijliggende (brom)fietsvoorzieningen biedt voldoende capaciteit om deze verkeersintensiteiten te kunnen verwerken.
Waterbeheer en watertoets
Bij een planontwikkeling dient in een vroeg stadium overleg met de waterbeheerder te worden gevoerd over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
Het Waterbeheerplan 2010-2015 (2009) heeft een integraal en strategisch karakter. De koers voor de komende jaren wordt hierin vastgelegd. In deze periode staan de volgende aspecten centraal:
Het Waterbeheerplan 2010-2015 borduurt voort op de verschillende beleidsplannen die in de afgelopen jaren zijn vastgesteld. Er is dus geen sprake van een breuk in het waterbeleid maar wel van een verdere intensivering. Het is het eerste volledig integrale waterbeheerplan van het Waterschap. Alle beleidsaspecten van waterkeringen, watersysteem en afvalwaterketen zijn in dit plan verwoord. Ook zijn voor het eerst de nationale, de provinciale en waterschapsplannen tegelijkertijd opgesteld. Omdat deze verschillende plannen elkaar beïnvloeden is er veel geïnvesteerd in een goede afstemming tussen de verschillende overheden.
In de Keur heeft het Waterschap een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m³ waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 20 cm stijgen in de Alblasserwaard. In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m² verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m².
Vertreklocatie
Voor de vertreklocatie is nog geen waterparagraaf opgesteld. De vereiste tot nader onderzoek is opgenomen in de voor deze locatie opgenomen uitwerkingsregels. Het aspect water staat hierdoor de vaststelling van het bestemmingsplan, met betrekking tot de vertreklocatie, niet in de weg.
Bedrijvenpark
Huidige situatie
Algemeen
Het terrein van Partycentrum Remon bestaat grotendeels uit bebouwing en verharding. Daar waar KIA zich nieuw heeft gevestigd bestond grotendeels uit grasland.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit klei. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand minder dan 0,40 m beneden maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,80 m en de 1,20 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -0,65 m.
Waterkwantiteit
Langs de randen van het bedrijvenpark liggen zogenaamde B-watergangen. Door het bedrijvenpark loopt een watergang die behoort tot de categorie overig water. De sloten rondom het sportveld maken onderdeel uit van een onderbemaling, welke nabij de Sportlaan middels een gemaal op het watersysteem lost.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
De kwaliteit van het oppervlaktewater laat te wensen over. Als gevolg van veenoxidatie, de aanvoer van gebiedsvreemd water en agrarische activiteiten (gebruik van bemesting- en bestrijdingsmiddelen) is het water sterk met voedingsstoffen verreikt.
Veiligheid en waterkeringen
Het bedrijvenpark is niet gelegen binnen een kern- en/of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het bedrijvenpark is aangesloten op het gemengde rioleringssysteem.
Toekomstige situatie
Algemeen
Het plangebied wordt herontwikkeld, daarbij wordt een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt en worden bedrijfsgebouwen in een parkachtige omgeving gerealiseerd. ook wordt er een KIA-garage gerealiseerd.
Waterkwantiteit
In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Een groot deel van de reeds aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. De oppervlakte aan verharding zal toenemen. Door deze toename zal extra water gerealiseerd moeten worden. Met betrekking tot deze watercompensatie heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap.. Een uitwerking van de oppervlaktebalans en watercompensatie voor de totale bedrijvenpark, inclusief KIA-garage, is opgenomen in Bijlage 3. In deze bijlage is tevens opgenomen waar en hoe deze watercompensatie zal plaatsvinden.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Om diffuse verontreinigingen van water en bodem zullen geen zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen gebruikt worden.
Veiligheid en waterkeringen
Het plan is niet van invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Regelgeving en beleid
Een bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna Ffw) nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend.
Onderzoek
Bedrijvenpark
Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk is binnen de kaders van de Ffw is ter plaatse van het bedrijvenpark een quickscan naar de flora en fauna uitgevoerd. Onderstaande paragraaf geeft de conclusies van deze quickscan. De volledige rapportage van deze quickscan is opgenomen in Bijlage 4.
Tijdens de veldbezoeken zijn in en rond het plangebied geen beschermde plant en/of diersoorten aangetroffen. Ook op basis van de aanwezige biotoop worden er geen beschermde plant en/of diersoorten (vleermuizen) verwacht. Op basis van de Ffw zijn er geen bezwaren tegen de herinrichting met het daarbij behorende kappen van bomen, verwijderen van groenstructuren (borders en hagen) en het dempen van de watergangen.
Vertreklocatie
Voor de vertreklocatie is nog geen ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het vereiste tot nader ecologisch onderzoek is opgenomen in de voor deze locatie opgenomen uitwerkingsregels. De huidige ecologische waarden staan hierdoor de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Conclusie
Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Wegen en Basisnet Water opgenomen in de circulaire.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.
Onderzoek
Risicovolle inrichting
Uit de risicokaart blijkt dat ten westen van het plangebied, aan de Provinciale weg N216, het tankstation Deltabrug is gelegen. Bij het tankstation vindt verkoop van lpg plaats, waardoor sprake is van een Bevi-inrichting. Bij de inrichting is sprake van verschillende PR 10-6 risicocontouren, te weten een contour van 45 m rondom het vulpunt, van 25 m rond het ondergrondse reservoir en van 15 m rond de afleverinstallatie. Het plangebied is op circa 75 m vanaf het lpg-vulpunt gelegen. Dit is buiten de PR 10-6 risicocontour.
Naast het plaatsgebonden risico moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Het invloedsgebied voor het groepsrisico, dat wordt begrensd door de 1% letaliteiteffectafstand, bedraagt 150 m rond het vulpunt. Een deel van het plangebied is dan ook binnen het invloedsgebied van het groepsrisico is gelegen. Er vindt volgens de risicokaart in de huidige situatie geen overschrijding van het groepsrisico plaats. In de huidige situatie is binnen het plangebied een partycentrum gevestigd. Dit partycentrum maakt plaats voor bedrijfsgebouwen. Op grond van de Handreiking verantwoordingsplicht GR moet in de nieuwe situatie rekening worden gehouden met de aanwezigheid van circa 200 werknemers (b.v.o van circa 6.000 m2 binnen de GR contour met 1 werknemer per 30 m2 b.v.o). In de huidige situatie is in het gebied sprake van een personendichtheid van circa 220 personen. Er vindt dus een lichte afname van de personendichtheid en daarmee het groepsrisico plaats. De aanwezigheid van het tankstation levert dan ook geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Wel is een verantwoording van het groepsrisico nodig.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg
Over de N216 ten oosten van het plangebied vindt daarnaast vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit tellingen blijkt dat over de weg 131 GF3 transporten per jaar plaatsvinden. Pas bij 500 transporten of meer is sprake van een PR 10-6 risicocontour. Hiervan is bij deze weg dus geen sprake. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de weg (230 m). De hoeveelheid transporten van GF3 is echter dusdanig laag vergeleken met de drempelwaarden uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Ministerie van infrastructuur en milieu, d.d. 1 november 2011) dat er geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. De aanwezigheid van de weg vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel is een verantwoording van het GR noodzakelijk.
Over de A15 vindt eveneens vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit het Basisnet blijkt dat voor het wegvak ter hoogte van het plangebied rekening moet worden gehouden met een veiligheidszone van 46 m vanaf het hart van de weg en een plasbrandaandachtsgebied van 30 m vanaf de rand van de weg. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 270 m zodat ter plaatse van het plangebied aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Tevens blijkt uit het Basisnet Weg dat ter hoogte van het plangebied sprake is van een groepsrisico dat meer dan 0,1 maal de oriënterende waarde bedraagt. Het invloedsgebied voor het groepsrisico wordt niet weergegeven in het Basisnet. Dit invloedsgebied wordt bepaald door het maatgevend ongevalsscenario. Voor de A15 bestaat dat scenario uit een zogenaamde warme BLEVE. De 1% letaliteiteffectafstand bedraagt 300 m. Omdat de kortste afstand tot de beoogde bebouwing relatief groot is (circa 270 m), is er geen sprake van een meetbare invloed op de hoogte van het groepsrisico. Wel is een verantwoording van het GR noodzakelijk.
Betuweroute
Ten zuiden van het plangebied vindt tevens vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute plaats. De afstand tot de gevoelige objecten in het plangebied bedraagt circa 230 m. In het Basisnet Spoor is voor de Betuweroute een veiligheidszone van 30 m opgenomen. De veiligheidszone, waarbuiten het plaatsgebonden risico niet meer dan PR 10-6 mag bedragen, reikt in geen geval tot in het plangebied. Ter hoogte van het plangebied wordt daarom voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico vanwege de Betuweroute.
Het maximaal berekende groepsrisico tussen Kijkhoek en de grens met Duitsland bedraagt 0,27 maal de oriënterende waarde, ter hoogte van Gorinchem. Er vindt ter plaatse van het plangebied dan ook geen overschrijding van de oriënterende waarde plaats. Gelet op de ruime afstand tot de Betuweroute en de omvang van de ontwikkeling heeft de ontwikkeling een zeer beperkte invloed op de hoogte van het groepsrisico. Dit zal in geen geval leiden tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Omdat het plangebied wel binnen het invloedsgebied va de Betuweroute is gelegen, is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Verder vindt er in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water of door buisleidingen dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied.
Verantwoording groepsrisico
Hierboven is reeds vermeld dat delen van het plangebied binnen de invloedsgebieden van een risicovolle inrichting, een weg en een spoorweg liggen. Tevens is reeds onderbouwd dat door de beoogde ontwikkeling een lichte afname van de personendichtheid en daarmee het groepsrisico plaatsvindt en dat er voor geen van de risicobronnen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Hierdoor kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het GR, waarin aandacht wordt besteed aan zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Over deze aspecten is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Dit advies is opgenomen in Bijlage 5.
Zelfredzaamheid
BLEVE
Binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation en de N216 is sprake van zowel een scenario voor koude als voor een warme BLEVE. Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geheel geen tijd voor zelfredding zijn, bij een warme BLEVE is dit wel enige tijd. Bij beide scenario's is sprake van dodelijke slachtoffers tot een afstand van ongeveer 230 m. Vanaf 230 m tot ongeveer 400 m zullen gewonden vallen. In deze zone zorgen maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid voor een daling van het aantal slachtoffers. De meest effectieve maatregel is afstand houden tussen de risicobron en de potentiële slachtoffers. Geadviseerd wordt om bij de inrichting van het plangebied en door functiewijziging van het aantal aanwezigen binnen 90 m (100% letaliteitcontour BLEVE) vanaf de risicobron te beperken en kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen deze zone alleen toe te staan na het treffen van maatregelen. Hier wordt reeds rekening mee gehouden door ter plaatse geen grootschalige kantoren toe te staan.
Toxische wolk
Binnen het invloedsgebied van de Betuweroute is sprake van het scenario van het vrijkomen van een toxische stof. Hierbij is het van belang dat de aanwezigen in het effectgebied binnen blijven en ramen, deuren en ventilatieopeningen sluiten. Het is daarom ten aanzien van de zelfredzaamheid belangrijk dat de omgeving tijdig door sirenes wordt gealarmeerd. Het sirenestelsel is voldoende dekkend voor het plangebied.
De functie-indeling, de infrastructuur en de bebouwing kan op verschillende manieren op de zelfredzaamheid inspelen:
Beheersbaarheid
Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de Veiligheidsregio de richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid" (Brandweer Nederland, november 2012).
Uit het advies van de Veiligheidsregio blijkt dat het plangebied van twee zijden goed bereikbaar is. Daarnaast zijn in de directe omgeving diverse ondergrondse brandkranen, secundair bluswater en open water aanwezig. Voor de provinciale weg en de Betuwelijn geldt echter dat de aanwezige hoeveelheid water naar verwachting niet voldoende is. In het plangebied en in de directe omgeving geldt echter dat de primaire bluswatervoorzieningen aan de normen voldoen.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Doordat door de beoogde ontwikkeling een lichte afname van de personendichtheid en daarmee het groepsrisico plaatsvindt, er voor geen van de risicobronnen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, de zelfredzaamheid door verschillende maatregelen kan worden verbeterd, het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten en de bluswatervoorzieningen in het plangebied voldoen aan de normen wordt het groepsrisico aanvaardbaar geacht. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | Grenswaarde | geldig |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 tot en met 2014 |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Door de ontwikkeling van het bedrijventerrein is er een toename van verkeer van 590 mvt/weekdagetmaal (zie onderbouwing paragraaf 4.3). Het aandeel vrachtverkeer hierin is beredeneerd op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 256 ('Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden'). Hierin is, ten aanzien van de te realiseren kantoorfunctie, opgenomen dat per kantoor 0,25 lichte en 0,4 zware vrachtbewegingen plaatsvinden. Een gemiddeld kantoor heeft een oppervlakte van circa 750 m2, op basis waarvan binnen het bedrijfsverzamelgebouw de vestiging van circa 12 kantoren mogelijk is. Op basis van deze gemiddelden genereert de kantoorfunctie circa 8 vrachtbewegingen per etmaal. Voor een bedrijf in de autobranche geldt per vestiging een gemiddeld aantal vrachtbewegingen van 3 tot 4 per etmaal. In totaal bedraagt het aandeel vrachtbewegingen ten aanzien van de toename van het verkeer 2%. Zekerheidshalve is uitgegaan van een worstcase benadering en is uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 5%.
Uit de Nimb-tool (versie 21-05-2013) blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,92 µg/m³ en van fijn stof van 0,18 µg/m³. Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht.
Aan de Kerkweg/Jan Snouckstraat is woningbouw voorzien. Op deze locatie zal ruim minder dan 1.500 woningen mogelijk gemaakt worden. Deze ontwikkeling is in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit NIBM dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2012 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de N216 en de Langeweg (als maatgevende doorgaande weg in de omgeving van de beide plangebieden) onder de grenswaarden uit de wetgeving lagen (N216: NO2 29,1 µg/m³; PM10 23,0 µg/m³ . Langeweg: NO2 32,5 µg/m³; PM10 23,4 µg/m³). Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:
Met het oog hierop is in het bestemmingsplan gezorgd voor voldoende afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Met behulp van een milieuzonering is in het plangebied aangegeven welke bedrijfsactiviteiten op een locatie kunnen worden uitgeoefend. De milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De milieuzonering en de gebruikte Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009).
Gevoelige bestemmingen en gebiedstypen; uitgangspunten milieuzonering
Ter plaatse van het plangebied wordt een regionaal bedrijventerrein gerealiseerd waar geen functiemenging gewenst is. Ook gaat voor dit bedrijventerrein geen geluidszone op grond van de Wet geluidhinder gelden. Daarom is in dit bestemmingsplan gebruikgemaakt van de Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten (hierna: Standaard SvB). Voor een nadere toelichting op de aanpak van de milieuzonering met behulp van de Standaard SvB wordt verwezen naar Bijlage 2. Bij de milieuzonering dient rekening te worden gehouden met de woningen in de omgeving van het plangebied.
Rustige woonwijken
De woonkern Schelluinen wordt als rustige woonwijk beschouwd. In deze woonwijk is geen sprake van functiemenging. Tussen deze woonwijken en het bedrijventerrein is een duidelijke ruimtelijke afscheiding in de zin van een groenstrook. Ten opzichte van deze woningen worden de richtafstanden uit de Standaard SvB dan ook onverkort gehanteerd teneinde een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Het bestaande kantoorgebouw is niet van invloed op de aan te houden richtafstanden.
Uitwerking milieuzonering
Op grond van de hier boven genoemde uitgangspunten is ter plaatse van het grootste deel van het plangebied bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 4.1 mogelijk. In een kleine rand aan de oostzijde van het terrein is bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk. Gezien de omgeving van het bedrijventerrein en de maximaal toelaatbare categorie op het bedrijventerrein Arkel (maximaal 3.2), wordt er echter voor gekozen om voor het gehele bedrijventerrein maximaal milieucategorie 3.2 toe te staan, met een afwijkingsbevoegdheid naar 4.1.
Inrichtingen die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken – zoals bedoeld in de Wet geluidhinder – worden van vestiging in het plangebied uitgesloten. Ook de vestiging van bedrijven die onder het Bevi vallen, worden in het plangebied uitgesloten.
Afwijken van de gebruiksregels
De toelaatbaarheid zoals deze hierboven is beschreven, betekent niet dat de uitoefening van activiteiten uit een hogere categorie in alle gevallen onaanvaardbaar is. De Standaard SvB geeft namelijk een vrij grove indeling van de hinderlijkheid van bedrijven. De situatie bij een specifiek bedrijf kan daarvan afwijken. Met name komt het voor dat een bedrijf als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze, minder hinder veroorzaakt dan in de Standaard SvB is verondersteld. In dat geval kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de algemene toelaatbaarheid. Op die manier kan een dergelijk bedrijf voor de desbetreffende activiteit toe worden gelaten. Dit geldt alleen voor bedrijven uit maximaal één categorie hoger dan de in het bestemmingsplan toegestane categorie.
Conclusie
In dit bestemmingsplan wordt door de gehanteerde milieuzonering zorggedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en worden de bestaande bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.
Normstelling en beleid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een ernstige verontreinigingen. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Onderzoek
Bedrijvenpark
Om de bodemgesteldheid ter plaatse van het bedrijvenpark vast te stellen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. Doel van dit onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater verontreinigingen bevatten die een belemmering zouden kunnen vormen bij de herinrichting van het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Onderstaande paragraaf geeft de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. Hierbij is het bedrijvenpark opgedeeld in het noordelijk-, midden- en zuidelijk deel.
Noordelijk deel:
Middengebied:
Zuidelijk deel:
Vertreklocatie
Voor de vertreklocatie is nog geen nader bodemonderzoek uitgevoerd. Wel is op basis van het bodeminformatiesysteem van de OZHZ informatie bekend over de bodemkwaliteit ter plaatse en de directe omgeving daarvan. Deze informatie wordt hieronder weergegeven.
Kerkweg 10
Uit het bodeminformatiesysteem blijkt dat ter plaatse van de Kerkweg 10 een aantal bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de bodem verontreinigd is met minerale olie en aromaten. Vervolgens is een bodemsanering uitgevoerd waarbij een restverontreiniging is achtergebleven met minerale olie. Deze restverontreiniging is in de periode van 2007-2011 gemonitoord. Op basis van de resultaten is de verontreiniging als stabiel beoordeeld en is vermoedelijk de monitoring stopgezet.
Riooltrace Singeltje Jan Snoek v/d Wielstraat
Uit het bodeminformatiesysteem blijkt dat ter plaatse van het riooltrace maximaal lichte verontreinigingen zijn aangetoond met de onderzochte parameters.
Bedrijfsactiviteiten en puntbronnen
Ter plaatse van de bestemmingsplanlocatie en de directe omgeving zijn de volgende bedrijfsactiviteiten en puntbronnen vermeld in het bestemmingsplan:
Beoogde nieuwbouw
Het vereiste tot nader bodemonderzoek is opgenomen in de voor deze locatie opgenomen uitwerkingsregels. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning (na sloop van de huidige bebouwing) zal nader bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Conclusie
Er zijn geen ernstige verontreinigingen aangetroffen. Op basis van deze onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit van het bedrijvenpark geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Voor de vertreklocatie is het vereiste tot nader bodemonderzoek opgenomen in de voor deze locatie opgenomen uitwerkingsregels.
Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Indien er sprake is van vrijkomende grond dient deze grond conform het Besluit bodemkwaliteit te worden gekeurd om de afvoerbestemming te bepalen.
Regelgeving en beleid
Wet archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Beleidsnota Archeologie
De acht gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Deze beleidsnota is onderdeel van een drieluik, dat verder bestaat uit een archeologische verwachtings-, een beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC.
In de nota worden de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta onderschreven. Behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem) en het beginsel 'de verstoorder betaalt' zijn de belangrijkste uitgangspunten van het regionaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Dat beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Als het voornemen bestaat om een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de zogenaamde Archeologische Monumentenzorgcyclus. Dit is een onderzoekscyclus die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorwaarden worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.
Onderzoek
Bedrijvenpark
Voor het bedrijvenpark is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 7). Doel van dit onderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Uit dit onderzoek blijkt dat binnen het plangebied naar verwachting komklei (formatie van Echteld) op veen (Hollandveen Laagpakket) aanwezig is. In de betrekkelijk jonge bodem worden drechtvaaggronden verwacht. Op grotere diepte (circa 10 m) bevinden zich pleistocene rivierafzettingen. Het gebied vormde vanwege de lage ligging in alle perioden waarschijnlijk geen geschikte bewoningslocatie. Er bevinden zich ook geen verhoogde huisplaatsen of terpen ter plaatse van de het bedrijvenpark. De verwachting voor vindplaatsen binnen het gebied is daarom laag. De voorgenomen ontwikkeling van het gebied zal geen bedreiging vormen voor archeologische resten, aangezien deze niet binnen de grenzen van het bedrijvenpark worden verwacht.
Vertreklocatie
Voor de vertreklocatie is nog geen nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. De vereiste tot nader archeologisch onderzoek is opgenomen in de voor deze locatie opgenomen uitwerkingsregels. Ter borging en conform het gemeentelijk archeologiebeleid zijn de bestaande archeologische dubbelbestemmingen gehandhaafd.
Conclusie
Voor het bedrijvenpark geldt een lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum als voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het bedrijvenpark geen vervolgonderzoek geadviseerd.
In de uitwerkingsregels voor de vertreklocatie is voorzien in een onderzoeksplicht naar de verwachte archeologische waarden. De archeologische en cultuurhistorische waarden staan de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Op basis van de sectorale aspecten worden geen bijzondere belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de herinrichting, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling.
De planopzet biedt flexibiliteit voor de beoogde herinrichting en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de diverse functies is vastgelegd op de verbeelding en in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd.
Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling is tevens afgestemd op het gemeentelijk handboek voor bestemmingsplannen.
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen toegekend aan het plangebied. Bij de bestemmingslegging is, voor zover mogelijk, aangesloten bij de bestemming systematiek van het vigerende bestemmingsplan "Giessen - Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen". Hieronder wordt ingegaan op deze bestemmingen.
Bedrijf
Voor het grootste gedeelte van het plangebied is de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. Binnen deze bestemming is een categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangegeven. De toelaatbaarheid van bedrijven is bepaald, mede aan de hand van de ligging in de directe omgeving van gevoelige functies.
Voor de KIA-garage is een nadere aanduiding opgenomen welke grootschalige detailhandel mogelijk maakt.
Binnen de bestemming zijn zelfstandige kantoren niet toegestaan. Kantooroppervlak behorende bij de bedrijfsvoering is conform de provinciale Verordening Ruimte wel toegestaan tot 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak met een maximum van 3.000 m2. Risicovolle inrichtingen zijn op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) binnen de bestemming niet toegestaan, evenals geluidshinderlijke inrichtingen.
De afstanden van gebouwen tot de erfafscheiding en tot elkaar alsmede de hoogte van bebouwing zijn gereguleerd in de regels en op de verbeelding. De gebouwen zijn toegestaan binnen een bouwvlak. Binnen de bestemming geldt tevens een gebruiksregel waarin onder meer de opslag van goederen op onbebouwde gronden is gereguleerd.
Binnen de bestemming 'Bedrijf' is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, zodat het bevoegd gezag bedrijven kan toestaan uit één categorie hoger en bedrijven die niet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, indien het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de toegelaten categorieën op die gronden. Tevens is het college van burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van de gebouwen, mede in verband met de inrichting van de onbebouwde terreinen voor wat betreft de aan- en afvoerroutes van goederen en de parkeerruimte voor (vracht)verkeer.
Groen
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de kantoren en de groene afronding van de kern Schelluinen zijn grote delen van het plangebied bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming worden groenvoorzieningen, water en wandelpaden gerealiseerd.
Kantoor
Het bestaande kantoorgebouw is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Kantoor'. In tegenstelling tot de naastgelegen bedrijfsbestemmingen is hier een zelfstandig kantoor toegestaan.
Verkeer
De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de Sportlaan. Ten behoeve van deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De bestemming is globaal geformuleerd. De reden daartoe is dat de exacte ligging van de verschillende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, water etc. in dit kader niet relevant is. Het herinrichten van wegen kan daardoor op een eenvoudige manier geschieden, zonder dat een bestemmingsplan onwenselijke en ongefundeerde barrières oproept.
Verkeer - Verblijfsgebied
Met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn met name de interne ontsluitingsstructuur en de parkeervoorzieningen vastgelegd. Net als de bestemming 'Verkeer' is deze bestemming globaal geformuleerd.
Woongebied - Uit te werken
Voor de gronden die vrijkomen na verplaatsing van de KIA-garage is een uit te werken woonbestemming opgenomen. Ontwikkelingen op deze gronden worden in een later stadium gerealiseerd. Voor deze gronden geldt een uitwerkingsplicht. De realisatie is pas mogelijk nadat een uitwerkingsplan is vastgesteld. Dit uitwerkingsplan moet voldoen aan de regels die zijn gesteld binnen de bestemming 'Woongebied - Uit te werken'. Deze bestemming is opgenomen teneinde de voorgenomen ontwikkelingsrichting te bestemmen. Een uitwerking hiervan wordt opgenomen in het vast te stellen uitwerkingsplan.
Waarde - Archeologie - 1 en 4 (dubbelbestemmingen)
Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen is voorzien in de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. De archeologische verwachtingswaarde, met bijbehorende regeling, is bepaald aan de hand van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Giessenlanden. Vanwege deze archeologische verwachtingswaarde, dient eventueel voorafgaand aan werkzaamheden een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau.
De realisering van het plan betreft een initiatief van een marktpartij. Met betrekking tot deze ontwikkeling is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Giessenlanden. Alle kosten van de herontwikkeling komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is tevens een planschadeovereenkomst afgesloten omtrent het uitkeren van eventuele planschadevergoedingen. De financieel-economische uitvoerbaarheid is daarmee gewaarborgd, zodat het plan kan worden gerealiseerd. Hiertoe is ook afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Hierbij is eenieder in de gelegenheid gesteld tot het indienen van een reactie. Daarnaast is het voorontwerpbestemmingsplan In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro aan de wettelijke overlegpartners voorgelegd.
Op het voorontwerpbestemmingsplan is een reactie van de provincie Zuid-Holland en een reactie van het waterschap Rivierenland ontvangen. In onderstaande paragrafen is een samenvatting van de reactie opgenomen, waarna deze zijn voorzien van een gemeentelijke reactie. De wijzigingen die voortvloeien uit deze vooroverlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
Provincie Zuid-Holland
De provincie geeft aan dat het voorontwerpbestemmingsplan op een ontheffing die Gedeputeerde Staten op 17 december voor de transformatie van het partycentrum Remon en de vestiging van de KIA-autoshowroom hebben afgegeven. De provincie geeft aan dat bij het overleg over deze ontwikkelingen voorstellen zijn gedaan voor de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van de plannen. Deze hadden betrekking op het terrein zelf én op het groene gebied tussen het plangebied en de rand van de kern Schelluinen.
In het voorontwerpbestemmingsplan zijn alleen de inpassingsmaatregelen voor het bedrijventerrein en de showroom opgenomen. De provincie verzoek om in de toelichting van het bestemmingsplan ook de andere afspraken over de ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen ten behoeve van deze ontwikkelingen in beeld te brengen en aan te geven hoe u deze gerealiseerd gaan worden. Het verzoek is een totaalbeeld in het bestemmingsplan op te nemen.
Reactie gemeente
Naar aanleiding van de overlegreactie is de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan aangevuld met een impressie van de toekomstige ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het totale gebied tussen de rand van het plangebied en de kern Schelluinen.
Waterschap Rivierenland
Het waterschap geeft aan in te kunnen stemmen met de verbeelding en regels van het voorontwerpbestemmingsplan. Het waterschap geeft wel aan dat er nog 212 m2 nieuw water moet worden gerealiseerd en dat hier een locatie voor moet worden gevonden. Indien nodig zal de bestemmingsplangrens moeten worden uitgebreid. Het verzoek is dit water in dezelfde procedure mogelijk te maken. De invulling van de wateropgave dient ook opgenomen en verwerkt te worden in de waterparagraaf en bijbehorende bijlage (oppervlaktebalans). Op de opgenomen waterparagraaf heeft het waterschap enkele opmerkingen gemaakt.
Het waterschap reageert positief over het plan, mits een goede invulling wordt gevonden voor de wateropgave.
Reactie gemeente
Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het waterschap is ruimte gezocht voor de benodigde watercompensatie. Ruimte voor deze watercompensatie is gevonden bij de volkstuinen en de ijsbaan. Deze aangepaste wateropgave is verwerkt in de waterparagraaf en de bijbehorende bijlage (oppervlaktebalans). De overig aangegeven tekstuele opmerkingen op de waterparagraaf zijn verwerkt in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf vrijdag 25 juli 2014 gedurende 6 weken (tot en met donderdag 4 september) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder bij de gemeenteraad zowel mondeling als schriftelijk gemotiveerd zienswijzen naar voren brengen tegen dit plan.
Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.