direct naar inhoud van Artikel 21 Algemene aanduidingsregels
Plan: Recreatiegebieden Wemeldinge
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0678.bvrecreatiegebied-VAST

Artikel 21 Algemene aanduidingsregels

21.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop
  • a. Ter plaatse van het besluitvlak vrijwaringszone - molenbiotoop gelden de volgende regels:
    • 1. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 2. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek.
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op:
    • 1. een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht;
    • 2. een bouwwerk ter vervanging van bestaande bebouwing dat voldoet aan het bepaalde op de verbeelding en in hoofdstuk 2.
  • c. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, indien de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad, zij wegen daarbij de belangen van de nieuw op te richten bebouwing af tegen de molenbelangen; alvorens af te wijken vraagt he t bevoegd gezag schriftelijk advies bij de molendeskundige.
  • d. Indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge lid a, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.

21.2 Geluidzone - industrie
21.2.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

Binnen het besluitvlak 'geluidszone-industrie' is het bouwen van nieuwe geluidsgevoelige objecten, in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 2 in dit plan, uitsluitend toegestaan, indien voor de vaststelling van deze beheersverordening een hogere grenswaarde conform de Wet geluidhinder is verleend.

21.3 Vrijwaringszone - dijk
21.3.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken
  • a. De in het besluitvlak 'Vrijwaringszone - dijk' gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik.
  • b. Bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

21.3.2 Aanvulling ten aanzien van het GEBRUIK

De voor 'vrijwaringszone - dijk' aangewezen gronden zijn  – behalve voor de daar voorkomende functies – mede aangeduid voor waterstaatkundige voorzieningen.

21.3.3 Aanvulling ten aanzien van het BOUWEN

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 21.3.2 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    • 1. terreinafscheidingen: 3 m;
    • 2. verlichtingsmasten en andere masten: 15 m;
    • 3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 6 m;
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende besluit(sub)vlakken mag met inachtneming van de voor de betrokken besluit(sub)vlakken geldende (gebieds)regels uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

21.3.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 21.3.3 onder c, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bij de betrokken functie behorende gebiedsregels worden in acht genomen;
  • b. de waterstaatkundige belangen worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad;
  • c. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten in het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.