direct naar inhoud van Artikel 1 Begrippen
Plan: Recreatiegebieden Wemeldinge
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0678.bvrecreatiegebied-VAST

Artikel 1 Begrippen

1.1 verordening

Recreatiegebieden Wemeldinge overeenkomstig de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in GML-bestand NL.IMRO.0678.bvrecreatiegebied-VAST met bijbehorende bestanden.

1.2 agrarisch bedrijf

een bedrijf gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van:

  • het telen of veredelen van gewassen, waaronder begrepen houtteelt en fruitteelt;
  • het houden of fokken van vee, pluimvee of pelsdieren;

nader te onderscheiden in:

  • a. grondgebonden bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel en waar (nagenoeg) geheel gebruik wordt gemaakt van open grond of plat glas dan wel ander lichtdoorlatend materiaal met een hoogte van niet meer dan 1 meter;
  • b. kassenbedrijf: een bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
  • c. niet-grondgebonden bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) niet afhankelijk is van agrarische grond als productiemiddel en waar (nagenoeg) geen gebruik wordt gemaakt van daglicht, waaronder begrepen intensieve veehouderij.

1.3 agrarische randzone

agrarisch gebied gelegen in de directe nabijheid van aanwezige woonkernen of verblijfsrecreatieve terreinen dan wel te verwachten uitbreidingen hiervan.

1.4 archeologisch deskundige

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.

1.5 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.6 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.

1.7 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde dan wel de aan een gebied toegekende hoge of middelhoge verwachtingswaarde ten aanzien van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.8 bebouwingsvlak

een aaneengesloten oppervlakte met één bestemmingsaanduiding en voorzien van een hoogteaanduiding en eventueel een percentage, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

1.9 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een maatvoeringsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.10 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

1.11 besluitvlak en besluitsubvlak

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge deze verordening regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.12 bestaand
  • a. bestaand gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken, zoals aanwezig op het moment van vaststelling van de verordening; daaronder valt niet het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;
  • b. bestaande bouwwerken: bouwwerken, die op het moment van de vaststelling van de verordening aanwezig zijn en bij of krachtens de algemene bepalingen omgevingsrecht zijn gebouwd of nog kunnen worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen;
  • c. bestaande afmetingen: afstands-, hoogte-, inhoud- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de verordening tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • d. bestaande bouwhoogte: bouwhoogtematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.13 bewoonbaar vloeroppervlak

de oppervlakte van de gezamenlijke ruimten in een woning, gemeten binnen de afgewerkte omtrekwanden - in voorkomende gevallen binnen de balustrade - onder aftrek van uitspringende onderdelen van het gebouw, zoals schoorsteenstoelen en -kanalen en kasten, doch zonder aftrek van plinten en vast meubilair, zoals aanrechten en verwarmingslichamen; vloeroppervlak waarboven minder dan 1.50 meter hoogte aanwezig is, wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.

1.14 bijgebouw

een (vrijstaand of aangebouwd) gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw zoals bijvoorbeeld garages, hobbyruimten, werkruimten voor aan huis gebonden beroepen, bergingen en huisdierenverblijven.

1.15 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond dat een eenheid vormt in gebruik en waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.16 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is.

1.17 centrumvoorzieningen

detailhandel, bedrijfs- en dienstverleningsactiviteiten en horeca met een overwegend publieksaantrekkend karakter.

1.18 cottage

een bouwwerk in de vorm van een recreatieverblijf voor (nacht)verblijf en niet permanente bewoning door passanten.

1.19 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.20 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.21 geluidsproducerende inrichtingen

inrichtingen zoals genoemd in het Inrichtingen en vergunningenbesluit Wet milieubeheer juncto artikel 41 Wet geluidhinder zoals deze luidt op het moment van ter visielegging van de ontwerp beheersverordening.

1.22 horecabedrijf

een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • e. het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken;
  • f. het exploiteren van zaalaccommodatie;
  • g. het verstrekken van nachtverblijf.

1.23 kampeermiddel
  • h. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  • i. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;
  • j. één en ander voorzover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeercentrum waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst.

1.24 kassen

bouwwerken geheel of grotendeels van glas of ander lichtdoorlatend materiaal met een hoogte van 1 meter of meer ten behoeve van de teelt of veredeling van gewassen.

1.25 landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur.

1.26 landschapswaarde

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.

1.27 milieudeskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu.

1.28 molendeskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake molens.

1.29 natuurwaarde

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.30 niet-permanente verblijfsrecreatie

verblijfsrecreatie in een kampeermiddel, waarvan het ruimtegebruik van voorbijgaande aard is, waaronder wordt verstaan het innemen van een standplaats op hetzelfde terrein uitsluitend gedurende het zomerseizoen.

1.31 peil
  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van een hoofdtoegang;
  • b. bij ligging in het water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld.

1.32 permanente verblijfsrecreatie

verblijfsrecreatie, waarbij het ruimtegebruik een bestendig karakter draagt zoals bij een zomerhuis, logeergebouw of pension of bij kampeermiddelen die langer dan gedurende het zomerseizoen een standplaats innemen op hetzelfde terrein.

1.33 standplaats

het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor ten hoogste één kampeermiddel onderverdeeld in:

  • a. permanente standplaats: een standplaats ten behoeve van een kampeermiddel waarvan het ruimtegebruik een bestendig karakter heeft en langer duurt dan een zomerseizoen;
  • b. niet-permanente standplaats: een standplaats ten behoeve van een kampeermiddel waarvan het ruimtegebruik uitsluitend plaatsvindt gedurende het zomerseizoen.

1.34 trekkershut

een bouwwerk in de vorm van een recreatieverblijf van eenvoudige constructie en beperkte omvang, voor (nacht)verblijf en niet permanente bewoning door passanten.

1.35 uitbouw

een uit de gevel uitspringend ondergeschikt deel van een hoofdgebouw zoals bijvoorbeeld erkers, toegangsportalen, (bij)keukens en woon- of slaapgedeelten van een woning.

1.36 wet/wettelijke regelingen

indien in dit plan, de begrippen in de regels daaronder begrepen, wordt verwezen naar een wet, een wettelijke regeling (Algemene Maatregel van Bestuur of ministeriële regeling), een keur of een verordening dienen deze te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van de beheersverordening.

1.37 zomerseizoen:

het tijdvak van 15 maart t/m 31 oktober.