| Plan: | Buitengebied, Lageweg 17 Dreumel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0668.WIJZDRELagewe17-BOH1 |
Op de locatie Lageweg 17 in 6621 BR Dreumel is een aardbeienkwekerij gevestigd. Hier zijn een glastuinbouwkas met bijbehorende bedrijfswoning en enkele opstallen aanwezig.
De wens is om de bestaande bedrijfsvoering op de locatie aan de Lageweg 17 te beëindigen. In dat kader zullen de kassen en de overige bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Met gebruikmaking van het beleid inzake vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, zoals opgenomen in het bestemmingsplan, zouden de initiatiefnemers een nieuwe woning willen realiseren op het eigen perceel aan de overzijde van de Lageweg.
Voorts wil de initiatiefnemer het perceel wil middels een planwijziging de agrarische woning aan de Lageweg 17 bestemmen tot burgerwoning. Door een bestemmingswijziging kan verpaupering in verband met leegstand of onjuist gebruik van de kas, bedrijfsgebouw en bedrijfswoning in de toekomst worden voorkomen.
Met behulp van voorliggende bestemmingsplan kan de functiewijziging van de aardbeienkwekerij naar wonen, met toevoeging van een woning aan de overzijde van de weg, planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt.
De oudste vermelding van het dorp Dreumel dateert uit de 9e eeuw. De bewoning zal destijds hebben bestaan uit een reeks boerderijen langs wegen op een brede noord-zuid lopende oeverwal.
Tot diep in de 19e eeuw bleef de bebouwing op deze locatie geconcentreerd. De oude structuur op de dorpsheuvel, een grillig patroon van wegen, bleef gehandhaafd.
De geschiedenis van Dreumel is goed zichtbaar in de structuur van het dorp. Een groot aantal gebouwen heeft de status van monument gekregen. Zo zijn er monumentale boerderijen, een molen, een klooster en een kerkruïne. De kerken vallen onder het religieus erfgoed. De Polstraat, Hogeweg en Lageweg zijn de bebouwingslinten aan de noordzijde van het dorp. Het landschap tussen de linten is afwisselend.
Het plangebied wordt doorkruist door de Lageweg. Ten noorden van het plangebied ligt een glastuinbouwbedrijf en een aantal burgerwoningen. Ten zuiden van het plangebied liggen ook burgerwoningen en -meer op afstand- een industrieterrein. Het westen en oosten van het plangebied bestaat momenteel nog uit een open onbebouwd weilandgebied.
Het gebied heeft geen eenduidige functie en kenmerkt zich door een mengeling van niet stedelijke functies (glastuinbouwbedrijven) en stedelijke functies (een kleine concentratie woningen langs de Lageweg).
Voor onderhavig plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:
Binnen het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch – Oeverwal’ met de functieaanduiding ‘bouwvlak’. Per agrarisch bouwperceel is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. De als "Agrarisch — Oeverwal" op de kaart bestemmingen aangegeven gronden zijn bestemd voor agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik.
Daarnaast is het plangebied in zijn geheel gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Verwachtingswaarde Middel’. Voorts heeft het plangebied een bouwvlak met de functie-aanduiding "glastuinbouw".
Het vigerende bestemmingsplan maakt het mogelijk door middel van een wijzigingsbevoegdheid om na het beëindigen van het bedrijf van de agrarische woning een burgerwoning te maken. Voorts voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid om een nieuwe woning op de bedrijfslocatie te realiseren ter compensatie van de sloop van bedrijfsopstallen.
In de navolgende figuur is een uitsnede van de vigerende verbeelding opgenomen.
Vigerend bestemmingsplan Buitengebied West Maas en Waal, plangebied met groene contour
In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten en volgen de randvoorwaarden die voortkomen uit planologische- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.
Het voorliggende plangebied aan de Lageweg 17 te Dreumel is gelegen in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal, in het stroomgebied van de rivieren ‘Maas’ en ‘Waal’. Door de gemeente stroomt de in kleinere omvang, rivier de ‘Grote Wetering’.
De ligging tussen de rivieren is duidelijk terug te vinden in het landschap. Het krachtig stromende water heeft telkens de vorm van het land veranderd. Het gebied tussen de rivieren stond constant onder water, op enkele hoger gelegen plekken na: de oeverwallen, waar ook onderhavig plangebied zich op bevindt. De oeverwallen werden als eerst benut voor bebouwing en intensief grondgebruik. Het gebied tussen de oeverwallen en de rivieren werd gevormd door de uiterwaarden. Voordat de rivieren ingeperkt waren door de dijken overspoelden ze bij hoogwater het omringende land.
De lager gelegen delen vormde diepen kommen waarin zware klei is afgezet. Na het bedijken van het landschap werden deze komgronden ontgonnen.Tegenwoordig zijn de landschapstypen oeverwal, kom en uiterwaard nog steeds goed te herkennen door de verschillende manieren waarop ze worden gebruikt. De uiterwaarden kennen een extensief gebruik en staan vooral in het teken van natuurontwikkelingen met hier en daar extensieve landbouw. Daarnaast vangen de uiterwaarden bij piekmomenten van de rivier, het water op. De komgronden kennen nog steeds hun open karakter en worden gekenmerkt door grote landschappelijke eenheden bedoeld voor landbouw. Vooral doordat het door allerlei technieken tegenwoordig mogelijk is om overal te bouwen en infrastructuur aan te leggen wordt er steeds vaker afgeweken van het bouwen op de van oudsher daarvoor gebruikelijke plekken.
De dijken vormen de begrenzing tussen de oeverwal en de uiterwaard en vormen duidelijk herkenbare karakteristieke lijnen in het landschap. De dijken vormen belangrijke routes in de beleefbaarheid van het landschap voor de bewoners, de recreant en de toerist.
Lageweg ter hoogte van het plangebied (in zuidelijke richting)
Onderhavig plangebied bevindt zich in een lint van woonbebouwing langs de Lageweg. Aan de Lageweg bevinden zich aan de zijde van het agrarisch bouwvlak van Lageweg 17 nog een aantal glastuinbouwbedrijven. Aan de overzijde bevinden zich een aantal burgerwoningen.
Het plangebied omvat het perceel aan de Lageweg 17 en Lageweg ong. (tegenover 17) te Dreumel, kadastraal bekend gemeente Dreumel, sectie G, nummers 1246, 1247, 1514, 1515, 62, 1470, 1471, 58. Het plangebied beslaat de gronden binnen het vigerende bouwvlak uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied West Maas en Waal’ zoals weergegeven in onderstaande figuur en de tegenover gelegen agrarische, onbebouwde, gronden.
Topografische kaart, plangebied met groene contour
Plangebied, oprit van de kwekerij
Plangebied, wandelkappen aan de zuidwestzijde van de kwekerij
Plangebied, bouwlocatie VAB-woning
Het planvoornemen is gericht op het aanwenden van de bedrijfswoning Lageweg 17 voor niet-agrarische woondoeleinden. De bestaande bedrijfswoning wordt voor woondoeleinden bestemd. Achter het woonhuis staat een vrijstaande garage (met een oppervlak van ca 65 m2), welke wordt aangewend als bijgebouw bij de woning.
Een extra woning zal worden gerealiseerd op het perceel aan de overzijde van de woning aan de Lageweg 17. In dat kader dient het kassencomplex aan de Lageweg 17 te worden gesloopt. Het deel van het bouwvlak waar de huidige kassen staan, wordt omgezet in agrarische gebiedsbestemming.
De ontwikkeling draag bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De kassen en overige opstallen hebben tezamen een oppervlakte van circa 10.000 m2 (bestaande uit 6.000 m2 glasopstanden en 4.000 m2 bedrijfsopstallen). Op grond van de bepalingen in het bestemmingsplan is het aanvaardbaar dat in ruil voor de sloop van de glastuinbouwopstallen een woning van maximaal 800 m3 wordt gerealiseerd.
Behalve de gebouwen zullen de voorzieningen (wandelkappen, containervelden en waterbassin) worden verwijderd, zie Bijlage 1.
Het bestemmingsplan geeft aan dat de extra woning moet worden gerealiseerd daar waar dat uit ruimtelijke oogpunt het meest passend is. Voorts wordt nieuwe bebouwing alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied. Een goede landschappelijke inpassing door streekeigen beplanting moet zijn gewaarborgd door een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan.
Uit landschappelijke en stedenbouwkundig oogpunt kan de nieuwe woning beter aan de oostzijde van de Lageweg gerealiseerd worden. De westzijde van de Lageweg is een open gebied waarin landschappelijke elementen beter tot hun recht komen. De sloop van de kassen zal ertoe leiden dat er een vrij uitzicht ontstaat naar de Waaldijk. Aan de oostzijde van de Lageweg is intensiever bebouwd. Uit landschappelijk en stedenbouwkundig opzicht past een woonhuis daar beter.
De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Dreumel. Dreumel behoort tot de landschappelijke zone oeverwal. Voor de oeverwallen karakteristiek is het kleinschalig halfopen landschap met een afwisseling van open weiden, boomgaarden en bebouwing.
Om de ontwikkeling in te passen in deze landschappelijke zone is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt (zie Bijlage 2) waarbij rekening is gehouden met de landschappelijke karakteristieken. Door het aanbrengen van streekeigen erfbeplanting rondom het erf (notenbomen, fruitbomen) en kleine landschapelementen (struweelhagen) wordt de kleinschaligheid versterkt. De sloop van opstallen en verharing draagt daar ook aan bij.
Landschappelijk inpassingsplan, Blom Ecologie
In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Deze AMvB is het juridisch beleidskader van het Rijk en geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang.
Het Barro bewerkstelligt dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of met het vrijwaren van functies.
Nieuw is de grotere aandacht die het Rijk in het kader van de ruimtelijke ordening wil besteden aan het behoud van het historische erfgoed van het land. Deel van het historische erfgoed is het landschap van een bepaald gebied dat zijn huidige vorm mede te danken heeft aan de wijze waarop de generaties vóór ons van het land gebruik konden maken. Dat levert een grote ruimtelijke afwisseling op. Het behoud daarvan op een wijze die ook nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt is een van de nieuwe uitdagingen van de ruimtelijke ordening. Tegenwoordig worden ook gebouwen, bouwwerken en landschappen tot het historische erfgoed gerekend die in de wederopbouwperiode (1940-1965) zijn ontstaan en die getuigenis afleggen van de toenmalige maatschappelijke en ruimtelijke dynamiek. De gehele gemeente West Maas en Waal staat op de lijst van 30 door het Rijk aangewezen aangewezen wederopbouwgebieden.
Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in het Barro. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.
De doorwerking van dit nationaal beleid voor het plan waarvoor voorliggende bestemmingsplan is opgesteld, is opgenomen in 3.1.4
Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geactualiseerd in juni 2017. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".
Ten aanzien van het vorenstaande wordt opgemerkt dat de Raad van State in diverse uitspraken richting heeft gegeven aan wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden verstaan. In een uitspraak van 24 december 2014 (201405237/1/R2) heeft de Raad van State geoordeeld dat een woningbouwontwikkeling van 8 woningen buiten de bebouwde kom niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Om die reden werd de ontwikkeling van 8 woningen buiten de bebouwde kom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.
Ook in het Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is aangegeven dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.
Het beleidsvoornemen met betrekking tot een betere bescherming van het historische erfgoed via de ruimtelijke ordening is, nader uitgewerkt in de visie "Kiezen voor karakter, visie erfgoed en ruimte". Deze visie van het kabinet isgepubliceerd op 15 juni 2011.
Het kabinet geeft op twee manieren invulling aan deze doelstelling. In de eerste plaats wordt het Besluit ruimtelijke ordening aangepast in die zin dat in dit besluit de passage wordt opgenomen dat bij besluiten over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (bij het opstellen van bestemmingsplannen) bijzondere aandacht moet worden besteed aan de waarden van cultureel erfgoed, onder en boven de grond.
Verder wil het Rijk duidelijke prioriteiten stellen en aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven van (inter)nationaal belang zijn. Het gaat om de volgende prioriteiten in het gebiedsgerichte erfgoedbeleid:
De beleidsvisie 'Kiezen voor karakter, visie erfgoed en ruimte'vult de 'Structuurvisie infrastructuur en ruimte' aan. Het beleid uit de beide visies draagt in samenhang bij aan een aantal doelen die het kabinet zich in het regeerakkoord heeft gesteld. De nationale belangen met betrekking tot cultureel erfgoed worden naar voren gebracht, zodat andere overheden deze belangen al in een vroeg stadium kunnen betrekken bij de ontwikkeling van hun ruimtelijk beleid en ruimtelijke plannen.
Verder maakt het kabinet heldere keuzes ten aanzien van de rijksrol in de gebiedsgerichte zorg voor het erfgoed en de taakverdeling tussen overheden. Daarbij geeft het kabinet aan welke zaken het Rijk zelf doet, wat de taken zijn van andere overheden en op welke onderwerpen het Rijk wil samenwerken met andere overheden en particuliere organisaties. Tenslotte geeft het kabinet een duidelijke invulling aan de verantwoordelijkheden die het Werelderfgoedverdrag met zich meebrengt.
Voor de borging van een zorgvuldige omgang met de 30 cultuurhistorisch waardevolle wederopbouwgebieden uit de periode 1940-1965 kiest het Rijk voor het maken van bestuurlijke afspraken met de betrokken gemeenten over de ontwikkeling en planologische bescherming van deze gebieden. Het Rijk wil de betrokken gemeenten daarbij zoveel mogelijk inhoudelijk ondersteunen. Deze werkwijze komt in de plaats van het inzetten van het instrument 'Beschermd stad- en dorpsgezicht' uit de Monumentenwet. De bestaande aangewezen stads- en dorpsgezichten blijven onverminderd beschermd krachtens de Monumentenwet.
Onderhavig projectgebied is niet gelegen binnen de in de door het rijk aangeduide gebieden met een nationaal belang. De SVIR en Barro hebben zodoende geen consequenties voor dit plan.
Gezien het planvoornemen voor de sanering van een voormalig agrarisch aardbeienkwekerijbedrijf waarvoor in ruil twee nieuwe woningen worden gerealiseerd, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is derhalve niet van toepassing op dit plan. Daarnaast is er, vanwege het beperkte karakter en lokale effect, geen sprake van een ontwikkeling waar nationale belangen, zoals verwoord in de SVIR en verankerd in het Barro, mee zijn gemoeid.
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de bijbehorende Omgevingsverordening Gelderland. De Omgevingsvisie en -verordening, vastgesteld in 2014, worden tweemaal per jaar geactualiseerd.
Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en het ontwerp-actualisatieplan 6 Omgevingsverordening zijn op dit moment nog niet te raadplegen.
Naast de Omgevingsvisie is een Omgevingsverordening opgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn vertaald in concrete regels.
In de Omgevingsvisie wordt niet langer strikt vastgelegd wat wel en wat niet mag, maar is ruimte voor initiatieven in een veranderende omgeving. De hoofdthema's zijn:
De Omgevingsvisie beschrijft hoe de provincie Gelderland in de komende jaren wil omgaan met ontwikkelingen en initiatieven. In de Omgevingsvisie wordt een sterker accent gelegd op de stedelijke netwerken als economische kerngebieden van Gelderland. Zowel in de stedelijke gebieden als op het vitaal platteland ligt de focus voornamelijk op de kwaliteit van het bestaande. De regionale afspraken over wonen en werken blijven het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen. Bij nieuwbouw in het landelijk en stedelijk gebied is daarbij per geval een goede afweging van belang.
De provincie wil en durft hierin te variëren: grote ontwikkelingen dienen in principe in of dichtbij stedelijke gebieden plaatsvinden, maar kleinschaligere ontwikkelingen zijn ook in het landelijk gebied mogelijk, mits de ontwikkeling iets toevoegt ('een plus is'). De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is een belangrijk hulpmiddel om tot een goede locatiekeuze te komen. Deze ladder is gebaseerd op de rijksladder voor duurzame verstedelijking en is een richtinggevend instrument om te komen tot goed gemotiveerde ruimtelijke keuzes. In de Omgevingsverordening, vastgesteld op 24 september 2014, is vastgelegd dat in de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt aangegeven dat er sprake is van een actuele behoefte waarin wordt voorzien. Vervolgens geldt de volgende voorkeursvolgorde:
Voor woningbouwlocaties geldt aanvullend dat de woningen dienen te passen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma voor de regio respectievelijk het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Regionaal Programma Wonen.
In het Streekplan 2005 waren zoekzone en rode contouren de provinciale leidraad waar verstedelijking vanuit het provinciaal belang mag plaatsvinden. Met de komst van de Omgevingsvisie Gelderland zijn niet meer de contouren maar een beleidsprincipe leidend, waaruit moet blijken dat met de nieuwe ontwikkeling sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Belangrijke criteria voor duurzame verstedelijking is dat stedelijke ontwikkelingen zoveel als mogelijk plaatsvinden in stedelijke gebieden. Voorkomen dient te worden dat voor een ontwikkeling uitbreiding ruimte wordt gebruikt terwijl dit binnen het bestaand gebied op te lossen is.
Ingevolge de omgevingsvisie Gelderland, dienen functieveranderingen in het buitengebied te voldoen aan het beleidskader 'hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied' van de regio rivierenland. De toets van het planvoornemen aan het regionale beleidskader (zoals geintegreerd in het bestemmingsplan Buitengebied) is weergegeven in paragraaf 3.3.4 van deze toelichting. Uit deze paragraaf komt naar voren dat het planvoornemen voldoet aan genoemd beleid.
In de Omgevingsverordening Gelderland van 16 oktober 2014, vastgesteld naar aanleiding van de omgevingsvisie, en geactualiseerd in juni 2017, staan de regels die de provincie Gelderland stelt aan de bestemmingsplannen van gemeenten. Een omgevingsverordening is een juridische vastlegging van de provinciale omgevingsvisie.
De regels in een omgevingsverordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied of delen daarvan. In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels over onderwerpen die van provinciaal belang zijn:
Al deze kwaliteiten wil de provincie behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken, zonder de leefbaarheid van het gebied aan te tasten. Alleen door een goed samenspel tussen grondgebruikers en overheden kan een duurzaam landgebruik en een aantrekkelijk landschap worden gerealiseerd.
In de Woonvisie worden VAB-woningen buiten het toetsingskader gelaten: "Ook de zogenaamde VAB-woningen worden niet meegenomen in het toetsingskader. Wanneer opstallen gesloopt worden in het buitengebied, waardoor de kwaliteit van het buitengebied toeneemt, is het niet realistisch de toe te voegen woning (als compensatie voor de gesloopte opstallen) ook te beoordelen op de volkshuisvestelijke kwaliteit die wordt toegevoegd. Dit zou kunnen betekenen dat de gewenste ontwikkeling om financiële redenen niet wordt uitgevoerd. Deze woningen tellen wel mee als het gaat om de aantallen. Ervaringen uit het verleden laten zien dat het slechts om een beperkt aantal gaat". De realisatie van twee woningen in ruil voor de sloop van bedrijfsgebouwen op grond van het VAB-beleid past derhalve in de regionale afspraken over regio totalen.
Op 12 mei 2016 heeft de raad van de gemeente West Maas en Waal de Woonvisie vastgesteld. In het uitvoeringsprogramma van de Woonvisie is als eerste maatregel opgenomen dat een toetsingskader woningbouw wordt opgesteld. Hierin wordt het in de Woonvisie opgenomen principe "de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment" verder uitgewerkt. Doel van het toetsingskader woningbouw is helder te krijgen welke woningen vallen binnen het toetsingskader, hoeveel woningen er tweejaarlijks verdeeld kunnen worden en welke ingediende woningbouwinitiatieven gehonoreerd kunnen worden.
In de Woonvisie (blz. 5) worden VAB-woningen buiten het toetsingskader gelaten: "Ook de zogenaamde VAB-woningen worden niet meegenomen in het toetsingskader. Wanneer opstallen gesloopt worden in het buitengebied, waardoor de kwaliteit van het buitengebied toeneemt, is het niet realistisch de toe te voegen woning (als compensatie voor de gesloopte opstallen) ook te beoordelen op de volkshuisvestelijke kwaliteit die wordt toegevoegd. Dit zou kunnen betekenen dat de gewenste ontwikkeling om financiële redenen niet wordt uitgevoerd. Deze woningen tellen wel mee als het gaat om de aantallen. Ervaringen uit het verleden laten zien dat het slechts om een beperkt aantal gaat".
Op 25 februari 2010 heeft de gemeenteraad van de gemeente West Maas en Waal de Structuurvisie Buitengebied 2020 vastgesteld. De Structuurvisie geeft de integrale ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het buitengebied.
De voorliggende visie is opgesteld met als hoofddoelstelling het realiseren van een leefbaar en economisch goed functionerend buitengebied, dat recht doet aan en respect heeft voor de landschappelijke kwaliteiten en karakteristieke identiteit van het rivierengebied. De visie kent een planperiode tot 2020. Ter verwezenlijking van deze doelstelling wil de gemeente binnen de planperiode medewerking verlenen aan particuliere initiatieven die een bijdrage leveren aan de gewenste ontwikkelingsrichting.
Hiermee draagt de visie zelf bij aan de verwezenlijking van deze ontwikkelingsrichting. Het plangebied is gelegen in de landschappelijke eenheid ‘oeverwal’. De oeverwal is een kleinschalig, halfopen landschap waarbij wonen, werken en agrarische activiteiten sterk met elkaar verweven zijn. Het mozaïekachtige karakter van het landschap, de afwisseling van verschillende functies, open weides, boomgaarden en bebouwing vormt de ruimtelijke basis voor ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen dienen binnen dezekarakteristiek te passen en deze te versterken. De verschillende landschapselementen dienen zoveel mogelijk behouden te worden. Met betrekking tot wonen op de oeverwal wordt in de structuurvisie het volgende beleid geformuleerd. Het omzetten van een agrarische bouwperceel naar wonen is passend op de oeverwal. Wel dient met de volgende voorwaarden rekening gehouden te worden:
Voorliggend plan waarbij in ruil voor de sanering van agrarisch bedrijfgebouwen een woning wordt opgericht past binnen de kaders van de Structuurvise. De nieuwe woning en bijgebouwen zullen qua maatvoering en verschijningsvorm aan moeten sluiten op de karakteristiek van een landelijke woning in deze regio. De nieuwe woning wordt tegenover het bouwperceel gerealiseerd. Vanwege de bestaande bebouwingskarakteristiek van de Lageweg is dit een meer geschikte plek dan op de plaatse van de bestaande bedrijfsgebouwen. Het nieuwe bouwperceel zal landschappelijk ingepast worden aan de hand van een erfbeplantingsplan. Daarbij zal aangesloten worden op de ruimtelijke karakteristiek van het oeverwallandschap.
Het landschapsontwikkelingsplan van de gemeente West Maas en Waal (LOP) heeft tot doel om als gemeente nadrukkelijk, in samenwerking met maatschappelijke organisaties die betrokken zijn bij het landschap en met particulieren, actief vorm te geven aan behoud en ontwikkeling van streekeigen landschapswaarden. In het kader van de Structuurvisie Buitengebied 2020, die is vastgesteld in februari 2010, is er tevens een visie opgesteld voor de landschappelijke en ruimtelijke structuur van de gemeente West Maas en Waal. Deze visie heeft de basis gevormd voor het LOP.
Het uitgangspunt bij de visie is dat het onderscheid tussen kom, oeverwal en uiterwaard behouden moet blijven en waar mogelijk versterkt moet worden om zo de eigenheid en leesbaarheid van het landschap te bewaren. De basisvisie richt zich op het waarborgen en behouden van de basiskwaliteit van het landschap. Daarbij staat het behouden en versterken van de karakteristieke elementen van de verschillende landschapstypen voorop.
Onderhavig plangebied is gelegen op een oeverwal. Het omzetten van een agrarisch bouwperceel naar burgerwoning, volgens de VAB-regeling, maar ook het omzetten van een burgerwoning naar agrarisch bouwperceel is passend op de oeverwal. Daarnaast zijn er mogelijkheden om bij vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing woningen te realiseren. Een voorwaarde is dat alle vrijgekomen (agrarische) bedrijfsgebouwen zonder karakteristieke of monumentale waarde worden gesloopt. De nieuwbouw dient in principe plaats te vinden op de plek van het voormalige hoofdgebouw. Nieuwbouw op een andere plek op het perceel kan uitsluitend plaatsvinden als daarvoor belangrijke stedenbouwkundige en landschappelijke argumenten ten grondslag liggen. In de handreiking “landschappelijke versterking en inpassing erven” worden de uitgangspunten en spelregels beschreven voor de landschappelijke inpassing op de oeverwal van bestaande, om te vormen en nieuwe erven.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het landschapsontwikkelingsplan. Om een goede landschappelijke inpassing te waarborgen is een landschappelijke inpassingsplan gemaakt. Het inpassingsplan is toegevoegd als Bijlage 2. In hoofdstuk 2 wordt hier nader op ingegaan.
In het bestemmingsplan “Buitengebied West Maas en Waal” is een wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.8.4 opgenomen om het bouwvlak te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Omdat het niet gewenst is om het volledige agrarisch bouwvlak te wijzigen naar Wonen, is gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid niet mogelijk. Hierom is een bestemmingsplan opgesteld. Desalniettemin is het plan getoetst aan de (overige) wijzigingsvoorwaarden omdat deze beschouwd kunnen worden
Toetsing aan de wijzigingsregels bestemmingsplan “Buitengebied West Maas en Waal”
Op basis van artikel 4.8.4. kunnen burgemeester en wethouders de bestemming 'Agrarisch - Oeverwal' van een bouwvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf wijzigen in 'Wonen' onder de volgende voorwaarden:
De kwekerij is in de jaren 80 opgericht en sindsdien rechtmatig in gebruik geweest.
Voor een onderbouwing van dit punt wordt verwezen naar paragraaf 4.1.1 en 4.1.5
De ontwikkeling draag bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Uit landschappelijke en stedenbouwkundig oogpunt past de nieuwe woning beter aan de oostzijde van de Lageweg. De westzijde van de Lageweg is een open gebied waarin landschappelijke elementen beter tot hun recht komen. De sloop van de kassen zal ertoe leiden dat er een vrij uitzicht ontstaat naar de Waaldijk. De oostzijde van de Lageweg is intensiever bebouwd. Uit landschappelijk en stedenbouwkundig opzicht past extra bebouwing daar beter.
Het inrichtingsplan wordt opgesteld
Er is geen sprake van bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde
Voor een onderbouwing van dit punt wordt verwezen naar paragraaf 4.1.5
| gesloopte oppervlakte glasopstallen in m2 | extra uitbreiding woning in m3 |
| 0-1000 m2 | 0,2 m3 per gesloopte m2 |
| > 1000 m2 | 0,05 m3 per gesloopte m2 |
Dit is niet van toepassing
| gesloopte oppervlakte glasopstallen in m2 | Volume extra woning in m3 |
| 0-5000 m2 | Bouw extra woning niet mogelijk |
| > 5000 m2 | Bouw woning van maximaal 800 m3 |
De kassen en overige opstallen hebben tezamen een oppervlakte van circa 10.000 m2 (bestaande uit 6.000 m2 glasopstanden en 4.000 m2 bedrijfsopstallen). Op grond van de bepalingen in het bestemmingsplan is het aanvaardbaar dat in ruil voor de sloop van de glastuinbouwopstallen een woning van maximaal 800 m3 wordt gerealiseerd.
Dit is niet van toepassing
Dit is niet van toepassing
Ter plaatse van de nieuwe bestemming Wonen zal de bestemming 'Agrarisch - Oeverwal' vervallen. Daarbuiten zal het bouwvlak vervallen.
De regels van de bestemming 'Wonen' zijn overeenkomstig van toepassing.
De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom.
Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object in de Wet geurhinder en veehouderij.
Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet).
De gemeente heeft in de geurverordening (vastgesteld op 1 juli 2010) normen voor de geurbelasting op de woningen in de verschillende deelgebieden gedifferentieerd. Dit geldt alleen voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De mogelijke geurbelasting van woningen en andere geurgevoelige objecten mag in het komgebied groter zijn dan elders in de gemeente. De reden is dat het ruimtelijke beleid voor het komgebied erop gericht is om de productieomstandigheden voor agrariërs zo gunstig mogelijk te maken. Een tweede reden is dat in het komgebied relatief minder geurgevoelige objecten voorkomen dan elders in het plangebied.
Er is geen sprake van een komgebied.
In onderstaande tabel zijn de vaste afstanden opgenomen.
| minimale afstand tot veehouderij [m] | ||
|
geurgevoelig object binnen bebouwde kom |
geurgevoelig object buiten bebouwde kom |
|
| geurgevoelig object van andere of (voormalige) veehouderij (art. 3 lid 2, Wgv) |
100 | 50 |
| veehouderij met een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (art. 4 lid 1, Wgv) |
100 | 50 |
| buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object (art. 5 lid 1, Wgv) | 50 | 25 |
De afstanden worden gemeten tussen het meest nabijgelegen emissiepunt voor veehouderijen met een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld en de gevels van de omliggende geurgevoelige objecten.
De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een veehouderij waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet-concentratie gebied. Op basis van artikel 3 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden de in de volgende tabel weergegeven wettelijke waarden (norm) voor de geurbelasting en bijbehorende bandbreedtes voor een gemeentelijke verordening.
| binnen bebouwde kom | buiten bebouwde kom | |||||
| Geurbelasting [ouE/m3] | min | norm | max | min | norm | max |
| concentratiegebied | 0,1 | 3 | 14 | 3 | 14 | 35 |
| niet-concentratiegebied | 0,1 | 2 | 8 | 2 | 8 | 20 |
Indien de berekende geurbelasting lager is dan de van toepassing zijnde norm, staat dit de realisatie van een nieuw geurgevoelig object niet in de weg.
De gemeente West Maas en Waal is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. Voor niet-concentratiegebieden geldt als standaard norm 2 OU/m3 voor locaties binnen de bebouwde kom en 8 OU/m3 voor locaties buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 8 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan.
De geurhinder die feitelijk in een bepal gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtegrondbelasting' genoemd.
Voorgrondbelasting
Onderzocht is welke veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn waarvoor de vaste afstanden gelden tot aan de nieuwe woning. De bestaande bedrijfswoning is reeds voor geur gevoelig en hoeft om die reden niet beschouwd te worden.
Voor de vleeskuikenhouderij aan de Hogeweg 26a is recentelijk een planologische procedure doorlopen voor beeindiging van het bedrijf en omzetting naar Wonen. Andere agrarisch bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor geldt zijn binnen een zone van 500 meter rondom het plangebied niet aanwezig. Wel zijn er een aantal grondgebonden veehouderijen in de nabijheid gevestigd, waarvoor een afstand van meer dan 50 meter aangehouden moet worden tussen emissiepunt en gevel van de nieuwe woning.
Het dichtstbijzijnde grondgebonden veehouderijbedrijf is gevestigd Van Heemstraweg 128. De afstand bedraagt circa 147 meter. Dit betreft een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld.
Deze afstand is groter dan de minimale afstand van 50 meter die geldt vanuit de wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij of Activiteitenbesluit milieubeheer), alsmede de geurverordeningen.
Weergave afstand nieuwe woning tot agrarisch bouwvlak Van Heemstraweg 128
Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom waardoor een norm van 8 OU/m3 voor de voorgrondbelasting geldt. Dit komt overeen met een milieukwaliteit die wordt gekwalificeerd als 'matig'.
In de omgeving van de planlocatie zijn de volgende veehouderijen met diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld.
Op een afstand van 1 kilometer en 820 meter vanaf de nieuw te realiseren woning bevinden zich 2 grote varkenshouderijen, te weten resepectcievelijk aan de Zijvond 2a en Bemerdweg 9, beide te Dreumel. Er liggen geurgevoelige objecten dichter bij de Zijvond 2a en Bemerdweg 9 (bijvoorbeeld Van Heemstraweg 121). Daar ligt de geurbelasting ruim onder de norm. Verwacht mag worden dat dit dus voor de nieuw te realiseren woning ook geen overschrijding van de geurnorm tot gevolgd heeft. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat wegens de voorgrondbelasting deze veehouderijen in hun belangen geschaad worden.
Achtergrondbelasting (beoordeling woon- en leefklimaat)
Op onderstaande kaart is de achtergrondbelasting van geur weergegeven, gebaseerd op de vergunde situatie. Deze kaart is afkomstig uit de milieueffectrapportage die is opgesteld voor het bestemmingsplan "Buitengebied West Maas en Waal" (2012). Uit de kaart blijkt dat de milieukwaliteit in relatie tot geur ter hoogte van het plangebied over het algemeen (redelijk) goed is. Hieruit wordt geconcludeerd dat er voor wat betreft de achtergrondbelasting van geur sprake is van een goed leefklimaat.
Achtergrondbelasting geur (bron: milieueffectrapportage bestemmingsplan "Buitengevbied West Maas en Waal"
Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten.
De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.
Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waardebesluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor day- evening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB).
Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer. Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen. In het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingwaarde Lden van 53 dB(A) (wgh art. 83, lid 1).
De bestaande woning is (reeds) een geluidgevoelig object.
Voor de nieuwe woning is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten optredende gevelbelastingen vanwege wegverkeerslawaai.
Het onderzoek is uitgevoerd om de geluidbelasting op de gevels van het bouwvlak te bepalen ten gevolge van N322 Van Heemstraweg en de Lageweg. Het plan ligt ook in de zone van de Melkweg, maar hiervan zijn geen verkeersintensiteiten bekend. Gezien de ligging ten opzichte van het bouwplan en het type weg, is het niet aannemelijk dat de intensiteit van de Melkweg een relevante bijdrage heeft aan de geluidbelasting op de woning.
De voorkeursgrenswaarde wordt ten gevolge van de N322 Van Heemstraweg niet overschreden. De Wet geluidhinder legt daarom vanwege deze weg geen restricties op aan het plan.
Wat betreft de geluidsbelasting als gevolg van de Lageweg wordt in de rapportage (zie Bijlage 2) het volgende opgemerkt:
Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Wel dient er een hogere waarde procedure te worden doorlopen. Het bevoegd gezag dient hiertoe een ontwerp besluit hogere waarde gelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:
Wet bodembescherming
Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
Op locaties waar ontwikkelingen plaatsvinden dient de bodem gesaneerd te worden als sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. In dat geval dient voorafgaand aan ontwikkelingen een saneringsplan opgesteld te worden dat goedgekeurd moet worden door de Omgevingsdienst zijnde het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb).
Aangezien sprake is van functiewijziging is verkennend bodemonderzoek voor dit bestemmingsplan noodzakelijk.
Bestaande bedrijfswoning Lageweg 17
Voor de onderzoekslocatie Lageweg 17 (rondom bestaande bedrijfswoning) werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.
Op basis van de onderzoeksresultaten (zie Bijlage 3) wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien in de grond maximaal licht verhoogde gehalten voor nikkel en PCB zijn aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De teeltlaag is niet verontreinigd met OCB.
Aangezien inpandig geen verdachte activiteiten aanwezig zijn (geweest) en geen calamiteiten hebben plaatsgevonden, is de uitpandige bodemkwaliteit ons inziens tevens representatief voor de kwaliteit van de grondlaag onder de bebouwing. Aanvullend inpandig onderzoek is niet noodzakelijk.
De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de achtergrondwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk.
Voor wat betreft asbest in de bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond. Middels het verkennend onderzoek naar asbest is vastgesteld dat er geen ernstige asbestverontreiniging aanwezig.
Met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Lageweg 17 te Dreumel in voldoende mate vastgesteld. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, is de eindsituatie afdoende vastgelegd en is de bestemmingsplanherziening geoorloofd.
Nieuwe woning tegenover Lageweg 17
Op basis van de onderzoeksresultaten (zie Bijlage 4) is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Voor de algemene bodemkwaliteit werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten aanwezig zijn.
Voor de teeltlaag werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bestrijdingsmiddelen, aangezien sterke verontreinigingen werden verwacht. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen aangezien in de teeltlaag maximaal licht verhoogde gehalten voor bestrijdingsmiddelen (OCB) zijn aangetoond.
De aangetoonde verontreiniging betreffen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk.
Met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van het kadastrale perceel G2247 aan de Lageweg te Dreumel in voldoende mate vastgesteld.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen nieuwbouw.
Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten: het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden.
Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen:
- het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi;
- de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;
- het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen;
- het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van
gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water.
Het aspect externe veiligheid is dus voor het plangebied niet relevant.
Regionale signaleringskaart externe veiligheid, plangebied gemarkeerd met gele ster
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering
In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.
Omgevingstype
In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat sprake is van een combinatie van milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. Meerdere agrarische bedrijven en woningen staan hier op korte afstand van elkaar. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, gereduceerd kunnen worden met één afstandsstap.
Categorie bedrijvigheid
In onderstaande tabel is weergegeven welke type inrichtingen in de omgeving van de locatie zijn gelegen, tot welke VNG-categorie deze behoren, wat de bijbehorende richtafstand tot de nieuwe woning tegenover Lageweg 17 is rekening houdende met omgevingstype ‘gemengd gebid’. De kolom ‘werkelijke afstand’ is de afstand van de inrichtings-/bedrijfsgrens tot de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woningen. Tevens is aangegeven wat het maatgevende aspect (geur, geluid of stof) is.
| SBI-Code | Adres | Omschrijving | VNG cat. |
Richt- afstand |
Afstand werkelijk |
maat- gevend aspect |
| 11,12,13 | Lageweg 17a | agrarisch bedijf, frambozenkwekerij | 2 | 10 | 10 | geluid |
| 11,12,13 | Lageweg 23 | Agrarisch bedrijf | 2 | 10 | 165 | geluid |
| 143 | Lageweg 25 | Paardenmelkerij | 3.1 | 30 | 280 | geur |
Uit het overzicht komt naar voren dat omliggende bedrijven geen hinder vormen voor de omzetting van de woning aan de Lageweg 17 naar een burgerwoning en de bouw van een nieuwe woning.
Op het bedrijventerrein zijn in algemene zin bedrijfsmatige activiteiten toegestaan die staan vermeld in de categorie 2 t/m 3.2 van de vng richtafstandenlijst. Gevestigd zijn onder andere een transportbedrijf op Van Heemstraweg 128e, handel in campers op Van Heemstraweg 128f een aannemersbedrijf op Melkweg 8 en een timmerfabriek op Melkweg 2. Alle gevestigde bedrijven kunnen worden aangemerkt als bedrijven in maximaal milieucategorie 3.2. Met een afstand van 80 meter vanuit de rand van het bedrijventerrein tot aan de grens van de nieuwe woonbestemming wordt voor alle bedrijven voldaan aan de bijbehorende richtafstand.
Daarentegen vormt de woningen van Lageweg 17 en de nieuwe woning ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering" vormt geen belemmering voor het plangebied van de nieuwe woning en vice versa.
De bestaande bedrijfswoning Lageweg 17 is reeds een gevoelig object. Door de functiewijziging is geen sprake van het toevoegen van een gevoelig object. Door de functiewijziging naar Wonen worden enerzijds de bestaande bedrijven in de directe omgeving niet belemmerd in hun activiteiten en vergunde. Tevens wordt anderzijds ter plaatse van het plangebied een voldoende woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Uit het onderzoek blijkt dat vng richtafstanden geldend voor de bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied niet over het plangebied van de nieuwe woninng zijn gelegen. Daardoor is er geen belemmering vanuit bestaande bedrijven.
Door de functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar Wonen worden de bestaande bedrijven in de directe omgeving niet belemmerd in hun activiteiten. Tevens wordt anderzijds ter plaatse van het plangebied een voldoende woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.
De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.
Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2.
Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.
Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
Beoordeling luchtkwaliteit
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van de realisatie van 1 nieuwe woning (en vervanging van 1 bestaande bedrijfswoning als burgerwoning).
Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied, Lageweg 17 Dreumel' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen1 .
In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen2 .
Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden.
De woning is een spuitzone gevoelige object. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Binnen de agrarische bestemming van het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk gronden voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt en/of bestaande boom- en sierteelt (met uitzondering van bestaand gebruik) te gebruiken waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet in een zone van 50 meter, gemeten vanaf de grens van de bestemming 'Wonen'.
Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. Nabij het plangebied is een boomgaard. De bestemming wonen voor de nieuwe woning is op een afstand van ruim 50 geprojecteerd.
Afstand nieuwe woonbestemming tot boomgaard
De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn:
Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening.
Erfgoedwet
De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van een locatie moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd als bij het project de ondergrond wordt verstoord. De gemeente West Maas en Waal heeft archeologisch beleid opgesteld (maart 2014 vastgesteld). Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en overstijgt daarmee de plangrenzen van de verschillende bestemmingsplannen.
Met het bestemmingsplan Archeologie is dit beleid in een juridisch regeling samengevoegd in één bestemmingsplan voor de gehele gemeente. In het bestemmingsplan Archeologie is het gebied aangeduid als "Waarde Archeologie".
De volgende gebieden worden onderscheiden binnen het plangebied waarbij de maatgevende minimale oppervlakte (in vierkante meters) wordt aangegeven als ook de maatgevende diepte (in strekkende centimeters):
'waarde archeologie 2' bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 500 m2 en hoger dan 70 cm;
'waarde archeologie 5' bodemingrepen groter dan 5.000 m² en dieper dan 40 cm of/ dan wel ophogen groter dan 5.000 m2 en hoger dan 70 cm;
In artikel 5 zijn de bouwregels en nadere eisen beschreven ten aanzien van gebied die vallen onder de zones waarde archeologie 2 en waarde archeologie 5.
In de regeling staat het begrip 'bodemingreep' centraal. Wat een bodemingreep is, wordt bepaald in artikel 1 van de planregels. Omdat bij het bouwen van gebouwen vaak ook geroerd wordt in de bodem geldt de beschermingsregeling ook voor het bouwen. Daartoe is onder het begrip 'bodemingreep' ook het bouwen van een fundering opgenomen. Onder het begrip bodemingreep wordt ook ophogen begrepen. Op basis van recent uitgevoerd onderzoek naar de effecten van zetting op archeologische vindplaatsen als gevolg van ophoging is nagegaan welke grens gehanteerd moet worden.
Grondverstoringen bij de bestaande bedrijfswoning Lageweg 17 zijn niet aan de orde. Ter plaatse van de te slopen kassen is de bodem reeds verstoord. Ten aanzien van de nieuwe woning kan worden opgemerkt dat de bebouwde oppervlakte een oppervlakte zal hebben van circa 200 m2. Er wordt immers een woning en een bijgebouw gerealiseerd. Een archeologisch onderzoek kan achterwege blijven omdat de ondergrens van 500 m2 voor onderzoek niet wordt overschreden.
De archeologische dubbelbestemming Waarde - Archeologie is overgenomen in de regels van voorliggende plan.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Modernisering Monumentenzorg (2009)
De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in een bestemmingsplan aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.
Erfgoedwet (2016)
De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Wederopbouwgebied
West Maas en Waal is één van de 'wederopbouwgebieden' waarvan het in die periode ontstane cultuurlandschap volgens het cultuurhistorische beleid van de Rijksoverheid herkenbaar dient te blijven. Dat cultuurhistorische beleid is neergelegd in de Rijksnota "Kiezen voor karakter, visie erfgoed en ruimte". De cultuurhistorische kernkwaliteiten van het ontginningslandschap van West Maas en Waal kunnen volgens die visie als volgt worden samengevat:
Er zijn (in de directe omgeving van) het plangebied geen rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten of archeologische rijksmonumenten aanwezig. De bestaande woning aan de Lageweg 17 betreft geen gemeentelijk of rijksmonument en is niet aangemerkt als beeldbepalend pand. Het plan betreft de realisatie van een woning. Er is geen sprake van een cultuurhistorische waarde op grond van de cultuurhistorische waardenkaart Gelderland. De ontwikkeling heeft geen effect op grootschalig, open, landbouwgebied of op de verkavelingsstructuur/ de kernkwaliteiten van het wederopbouwgebied zijn niet in het geding.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Nationaal Waterplan
Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2009 - 2015. Het Nationaal Waterplan is in december 2009 door de ministerraad vastgesteld.
Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening.
Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro.
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Nationaal Bestuursakkoord Water
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Kaderrichtlijn water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Waterbeheer 21e eeuw (WB21)
In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Beleid waterschap Rivierenland
Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Relevante waterbelangen (bron: dewatertoets.nl)
Watergangen
Langs de Lageweg ligt een A-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed, gemeten uit de insteek.
Het hemelwater wordt (nu en in de toekomst) afgevoerd op een bestaande sloot gelegen aan de voorzijde van het perceel.
Natuurwaarden
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur respectievelijk het gelderse natuurnetwerk en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur.
Veiligheid
In het plangebied is geen kern- en beschermingszone van een waterkering gelegen.
Waterkwaliteit (algemeen)
Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen:
Het perceel zal voor (huishoudelijk) afvalwater aangesloten worden op de gemeentelijke riolering.
Riolering en zuiveringswerken
In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.
Het vuilwater van Lageweg 17 is aangesloten op een persleiding.
De gemeente heeft enkele aandachtspunten gegeven voor het de nieuwe woning:
Er is sprake van een afname van het verharde oppervlak ondanks de nieuwbouw met een bestemmingsvlak van slechts 1230m2. Immers de kassen met een oppervlakte van circa 10.000 m2 (bestaande uit 6.000 m2 glasopstanden en 4.000 m2 bedrijfsopstallen zullen worden gesloopt.
In het kader van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling zal er een afname van het verhard oppervlak plaatsvinden, compensatie is niet aan de orde.
Dit plan beoogt de realisatie van woning met een bijgebouw en erfverharding. Met onderhavige plan is sprake van een toename van het verhard oppervlak, minder dan 1500m2, wat betekent dat niet gecompenseerd hoeft te worden.
Voor het plan is de digitale watertoets uitgevoerd op 22 juni 2018 via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets wordt de normale watertoetsprocedure gevolgd. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet.
De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Buitengebied, Lageweg 17 Dreumel' het volgende gemeld.
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. Door Blom Ecologie is een quickscan en voortoets uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 5.
De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of NNN structuur (Natuurnetwerk Nederland).
Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot Natura2000-gebieden is van externe werking geen sprake.
In de beoogde situatie is, ondanks de realisatie van een woning, sprake van een afname van stikstofuitstoot doordat er sprake is van beeindigding van een agarische bedrijfsvoering.
Met de stikstofberekening in Bijlage 1 wordt dit bevestigd. Ook blijkt hieruit dat de realisatiefase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr geeft.
In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie en de directe omgeving heeft (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. Vleermuizen maken mogelijk, in beperkte mate, gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. De bomen en struiken op en nabij de planlocatie zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.
Het saneren van de agrarische bebouwing (met uitzondering van de woning) aan de Lageweg 17 te Dreumel en de nieuwbouw van een woning op het tegenovergelegen perceel leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden en beschermde natuurwaarden. Voor Habitatrichtlijn-, Vogelrichtlijn- en overige soorten geldt dat, op basis van het voorliggende onderzoek, er geen effecten worden verwacht ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede functioneel leefgebied. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende/migrerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanherziening (vrijstellingsbesluit).
De realisatie van het plan leidt niet tot de aantasting van omliggende Natura2000-gebieden en de instandhoudingsdoelen.
De quickscan flora en fauna dient ter onderbouwing welke risico’s er zijn ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (Wro, art. 3.1.6). De beoogde bestemmingsplanherziening en uitvoering hiervan leidt niet tot de aantasting van het leefgebied van beschermde soorten. Een aanvullend onderzoek of ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk.
In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een agrarische bestemming naar wonen mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.
Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van agrarische grond naar wonen mogelijk. Dit levert een nauwelijks andere parkeer- en verkeerssituatie op.
Het plangebied wordt ontsloten op Lageweg. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden beeindigd met dit bestemmingsplan. Het beëindigen van de kwekerij leidt tot een aanzienlijke afname van het aantal verkeersbewegingen. Het project heeft geen directe invloed op de lokale infrastructuur. Het verkeer ten behoeve van de woonfunctie kan eenvoudig via de huidige weg en inritten worden afgewikkeld. Ten behoeve van de verandering komt de overbodige inrit, de meest westelijke, te vervallen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
Ten aanzien van het parkeren kan worden gesteld dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per burgerwoning. De parkeeropgaaf kan bij de woningen op eigen terrein worden gerealiseerd en de parkeernorm is in de regels geborgd.
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.
Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Derhalve dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderzins is verzekerd. De gemeente West Maas en Waal sluit met de initiatiefnemer een overeenkomst, waarin ook de verantwoordelijkheid voor sanering opstallen en verharding en verhaal van eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.
De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 27 februari 2020 6 weken ter inzage gelegen. Er is géén zienswijze ontvangen. Wel is er een ambtelijke wijziging. Deze aanpassing is terug te lezen in bijgevoegde nota (Bijlage 6).
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het wijzigingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de verbeelding. Vervolgens wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Daarna wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten.
Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het plangebied. Dit bestemmingsplan is afgestemd op het moederplan 'Buitengebied West Maas en Waal' van de gemeente West Maas en Waal. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan heeft in het moederplan de bestemming "Agrarisch — Oeverwal", de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Verwachtingswaarde Middel’ en de functie-aanduiding "glastuinbouw".
In onderhavig geval wordt de bestemming "Agrarisch — Oeverwal" ter plaatse van de bedrijfswoning en bijbehorende achtererf gewijzigd in "Wonen" en de aanduiding 'glastuinbouw' en het bouwvlak voor het overige deel van het bouwperceel worden verwijderd. Aan de overzijde van de weg wordt de bestemming "Agrarisch — Oeverwal" van een gedeelte van het kadastraal perceel gewijzigd in "Wonen".
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De opbouw is als volgt:
Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en bepalingen over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels;
Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen;
Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels;
Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregel met daarin de titel van het bestemmingsplan.
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden opgebouwd (voor zover relevant voor het betreffende artikel):
In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Agrarisch
De gronden, die zijn gelegen buiten het toegekende woonbestemmingsvlak zijn voorzien van de geldende bestemming ‘Agrarisch - Overwal’, waarbij de aanduiding voor glastuinbouw en het bouwvlak is verwijderd. Op deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan. Hier is uitsluitend agrarisch grondgebruik toegestaan, met de daarbij benodigde bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Wonen
De gronden binnen “wonen” zijn bestemd voor woondoeleinden. Voor de situering en maatvoering van de woningen zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot:
Voor de nieuwe woning is op de verbeelding een bouwvlak aangeduid. De woning is enkel toegelaten binnen het aangeduide bouwvlak. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn zowel binnen het bouwvlak als binnen de aanduiding bijgebouwen toegestaan.
De maximale goot- en bouwhoogte voor woningen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn in de regels vastgelegd. Voor de maximale inhoud, goot- en bouwhoogte is aangesloten bij het geldende bestemmingsplan Buitengebied.
Archeologie
Voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft een dermate geringe omvang, dat voor realisatie ervan geen nader onderzoek is vereist. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden ook te beschermen tegen eventuele toekomstige grootschaligere ingrepen is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen.