direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Berghuizen 3 Maasbommel
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaar van een voormalige boerderij met bedrijfswoning inclusief deel en vrijstaande oude koeienstal aan Berghuizen 3 te Maasbommel heeft het college van burgemeester en wethouders verzocht om de bestemming van de gronden ter plaatse te wijzigen van 'Agrarisch met waarden - Uiterwaard' naar 'Bedrijf'. De eigenaar exploiteert thans in de gemeente Druten het bedrijf Brievenbuswinkel BV en wil dit bedrijf verplaatsen naar Berghuizen 3 te Maasbommel. Het bedrijf voorziet in de montage van en detailhandel (via internet) in brievenbussen.

In het ter plaatse geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid voor het college opgenomen om het bouwvlak van het bestaande agrarische bedrijf onder voorwaarden te wijzigen in een bedrijfsfunctie. Het college is bereid hier medewerking aan te verlenen, mits aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Ten behoeve van de beoogde wijziging is onderhavig wijzigingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is ten westen van de kern Maasbommel gelegen. Het gebied bestaat uit het bouwvlak van het perceel kadastraal bekend als gemeente Maasbommel, sectie C, nr. 1147. Het plangebied grenst aan:

  • Noordzijde: Berghuizen;
  • Oostzijde: de zijdelingse perceelsgrens van het perceel Berghuizen 1;
  • Zuidzijde: de Maas;
  • Westzijde: de uiterwaarden.

Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0001.png" Afbeelding 1.1: globale ligging plangebied (rode druppel)

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0002.jpg" Afbeelding 1.2: begrenzing plangebied (= bouwvlak)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor de in dit wijzigingsplan begrepen gronden geldt momenteel het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal', door de gemeenteraad vastgesteld op 27 juni 2013. Ook gelden hierbij de bestemmingsplannen 'Buitengebied West Maas en Waal correctie 2014' en 'Buitengebied West Maas en Waal correctie 2016'. Ter plaatse van het plangebied geldt – tot het voorliggende wijzigingsplan in werking is getreden - de bestemming 'Agrarisch met waarden - Uiterwaard'.

Daarnaast geldt het bestemmingsplan 'archeologie West Maas en Waal' waar de gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 1'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0003.png" Afbeelding 1.3: uitsnede geldend bestemmingsvlak met globale begrenzing plangebied (rode omkadering = bouwvlak)

1.4 Leeswijzer

Het wijzigingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het wijzigingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het wijzigingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het wijzigingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen:

Inleiding en beschrijving plangebied
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planwijziging beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit gedeelte worden het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Ook wordt hier de wijzigingsbevoegdheid getoetst.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Bestaande situatie

Zoals te zien op navolgende afbeelding, ligt het plangebied in een agrarisch gebied in de uiterwaarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0004.png" Afbeelding 2.1: Uitsnede Basisregistratie grootschalige topografie met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

In het voorliggende plangebied bevindt zich een kleinschalig (voormalig) agrarisch bedrijf met bedrijfswoning inclusief deel en aan de deel gebouwde stal. De voormalige bedrijfswoning is gelegen direct aan de straat Berghuizen. Ten westen van het (voormalig) agrarisch bedrijf is een vrijstaande oude koeienstal gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0005.png" Afbeelding 2.2: Foto voormalige boerderij met bedrijfswoning in het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0006.jpg" Afbeelding 2.3: Foto vrijstaande oude koeienstal in het plangebied

2.2 Toekomstige situatie

Het wijzigingsplan betreft een functiewijziging van de al bestaande (voormalige) agrarische bebouwing naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van de vestiging van de Brievenbuswinkel BV. Het bedrijf voorziet in de montage van en detailhandel (via internet) in brievenbussen. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Om dit mogelijk te maken moet de huidige agrarische bestemming worden omgezet naar een bestemming 'Bedrijf'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0008.png"

Beoogde toekomstige situatie

De opzet van het erf blijft gehandhaafd. De vrijstaande oude koeienstal van ongeveer 600 m2 zal - na aanpassingen aan gevels en dak - worden verbouwd tot een bedrijfsgebouw van maximaal 500 m2. Daartoe zal de gevel naar binnen worden gezet, zodat ook de karakteristieke houten spantconstructie zichtbaar wordt gemaakt.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & Barro

Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid met name vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Mobiliteit (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. Er zijn echter enkele onderwerpen die van nationaal belang zijn, zoals de grote rivieren, die door het Rijk worden geregeld.

Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in de directe nabijheid van de Maas. Ontwikkelingen in de rivierbedden van de grote rivieren dienen te voldoen aan de Beleidslijn grote rivieren. Deze bestaat uit een beleidsbrief, beleidsregels, kaarten en een handreiking.

De Beleidslijn grote rivieren heeft enerzijds doorwerking middels het Barro. Zo is titel 2.4, meer in het bijzonder artikel 2.4.3 (rivierbed) en 2.4.4 (stroomvoerend deel rivierbed) van toepassing.

Artikel 2.4.3 (rivierbed) luidt als volgt:

  • 1. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van:
  • a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
  • b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
  • c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en
  • d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.
  • 2. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd.
  • 3. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd.

Ingevolge artikel 2.4.4 (stroomvoerend deel rivierbed) van het Barro kan, onverminderd artikel 2.4.3, een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het rivierbed ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan uitsluitend een wijziging mogelijk maken, voor zover daarbij een of meer voornamelijk riviergebonden activiteiten worden mogelijk gemaakt of sprake is van een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing (onderdeel l).

Onderhavige wijziging naar een bedrijfsbestemming voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 2.4.3 en 2.4.4 onder l van het Barro. Het betreft immers slechts een functiewijziging van al bestaande bebouwing en geen oprichting van nieuwe bebouwing. De beoogde omvang van de bedrijfsbebouwing wordt zelfs verkleind van 600 m2 tot 500 m2. Volgens Rijkswaterstaat is hier inderdaad correct aan getoetst (zie de zienswijze van Rijkswaterstaat van 6 mei 2020 met kenmerk RWS-2020/29785).

Anderzijds werkt de Beleidslijn grote rivieren door via de Waterwet. Op grond van artikel 6.12 Waterbesluit zijn de beleidsregels grote rivieren (Bgr) van toepassing. Op grond van artkel 3 onder b Bgr is het slopen en vervangen van bebouwing door bebouwing van gelijke omvang in beginsel mogelijk. Volgens Rijkswaterstaat voldoet het onderhavige initiatief aan deze voorwaarden en is aldus uitvoerbaar op grond van de Waterwet (zie de zienswijze van Rijkswaterstaat van 6 mei 2020 met kenmerk RWS-2020/29785). Mocht sprake zijn van een gewijzigd of nieuw initiatief dan zal opnieuw bekeken moeten worden of dit initiatief voldoet aan de eisen van Barro en Waterwet.

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de SVIR geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is alleen van toepassing als er een stedelijke ontwikkeling is. In het Bro wordt hiervoor een definitie gegeven: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Planspecifiek
In voorliggend wijzigingsplan neemt de bestaande bebouwing zelfs af, hierdoor is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

3.1.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen het relevante nationale ruimtelijke beleid.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden.

De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Juist door de bijzondere kwaliteiten en veelzijdigheid van Gelderland – haar natuur, groene steden op menselijke schaal, kennisinfrastructuur, cultuur, recreatie en toerisme en sport – kan zij zich verder ontwikkelen als ideale vestigingsplek en uitvalslocatie om te werken en te wonen. Met onze brede blik op de leefomgeving geven wij dan ook een krachtige impuls aan de regionale economie en arbeidsmarkt. Zo kunnen mensen in Gelderland zich ontplooien, ontspannen en ontwikkelen.

De Gelderse economie heeft grote behoefte aan voldoende en kundige mensen. De concurrentie op de arbeidsmarkt is groot. We willen onze strategische ligging en de aantrekkingskracht van onze Gelderse regio’s vergroten, zodat mensen hier willen (blijven) wonen en zich willen binden aan Gelderland. Hierbij stimuleren we het omvormen van bestaande gebouwen en locaties, zodat deze weer aansluiten bij de wensen van bedrijven en werknemers. We zorgen dat bedrijven die zich hier willen vestigen of die willen uitbreiden snel en effectief geholpen worden bij het vinden van een zo optimaal mogelijke locatie. We stimuleren (kleinschalig) ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. Zeker wanneer ondernemers een duurzaam Gelderland dichterbij brengen.

Planspecifiek
In het wijzigingsplan is sprake van functieverandering van al bestaande bebouwing. In lijn met de Omgevingsvisie wordt vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied benut voor werken c.q. niet-agrarische bedrijvigheid.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Planspecifiek
Ingevolge artikel 2.12, lid 1 van de Omgevingsverordening mag een bestemmingsplan geen vestiging mogelijk maken in het buitengebied van vormen van bedrijvigheid die naar huidige planologische inzichten wat betreft de ruimtelijke aanvaarbaarheid thuishoren op een bedrijventerrein. Lid 2 voegt daar aan toe dat in afwijking van het eerste lid een bestemmingplan nieuwvestiging toch mogelijk kan maken als:

  • a. sprake is van functieverandering, of
  • b. het vigerende Regionaal programma werklocaties hierover afspraken bevat.

In het wijzigingsplan is sprake van een brievenbuswinkel die zal worden geëxploiteerd in al bestaande bebouwing. Om aan de wijzigingsvoorwaarden te voldoen wordt de bestaande bebouwing zelfs kleiner van omvang (maximaal 500 m2). Er is sprake van functieverandering (lid 2 onder a). Dit betekent dat de Omgevingsverordening geen regels stelt die beperkingen oplegt aan de beoogde ontwikkeling.

3.2.3 Regionaal VAB-beleid

Het aantal agrarische bedrijven in Nederland neemt af. Een bijkomend negatief effect van de afname van het aantal bedrijven is dat agrarische bedrijfsbebouwing haar oorspronkelijke functie verliest. Voor het hergebruik van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied heeft de regio Rivierenland daarom het ‘Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied’ (2009) opgesteld. Hergebruik voor bedrijfsmatige doeleinden is mogelijk. In 2016 is het beleidskader geactualiseerd.

Het doel van het VAB-beleid is door hergebruik en functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied de vitaliteit en de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied behouden en vergroten, zonder daarbij de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven te beperken.

Gemeenten zijn van mening dat de vestiging van bedrijvigheid in vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen een impuls kan geven aan de aantrekkelijkheid en vitaliteit in het buitengebied. In de visie van de gemeenten zou in het buitengebied onder voorwaarden plaats moeten zijn voor bedrijvigheid die agrarisch verwant of aan het buitengebied gebonden is, recreatieve voorzieningen en overige kleinschalige bedrijvigheid die qua karakter en uitstraling in het buitengebied past. In paragraaf 4.3 is deze bedrijvigheid opgesomd:

  • agrarische verwante bedrijven;
  • aan het buitengebied verwante bedrijven;
  • ambachtelijke bedrijven en kunstnijverheid;
  • extensieve verblijfsrecreatie;
  • kleinschalige horeca die gerelateerd is aan de recreatieve functie van het buitengebied;
  • extensieve dagrecreatie;
  • zorg;
  • opslagbedrijven;
  • overige bedrijven.

Om te waarborgen dat bedrijvigheid qua karakter en uitstraling past in het buitengebied wordt voor een aantal soorten bedrijvigheid een maximale omvang opgelegd, zoals bij overige bedrijven 500 m2.

Daarnaast willen de gemeenten het vrijkomen van agrarische bedrijfsgebouwen ook aangrijpen voor het vergroten van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied waaronder het slopen van een deel van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbewoning.

Planspecifiek

In het voorliggende plangebied is sprake van kleinschalige bedrijvigheid in de categorie: overige bedrijven. Bovendien is de beoogde omvang van de bedrijvigheid maximaal 500 m2. Hiermee past de functiewijziging binnen het regionale VAB-beleid.

3.2.4 Conclusie

De wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan, is afgeleid van het regionale VAB-beleid uit 2009. Omdat alle voorwaarden zijn opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid zelf, hoeft niet apart getoetst te worden aan het VAB-beleid. De beoogde ontwikkeling past binnen het relevante provinciale ruimtelijke beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied 2020

De gemeenteraad heeft de Structuurvisie Buitengebied 2020 op 25 februari 2010 vastgesteld. De visie bevat een brede visie op de toekomst van de gemeente en vormt een toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven. De hoofddoelstelling voor de toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied, is het realiseren van een leefbaar en economisch goed functionerend buitengebied, dat recht doet en respect heeft voor de landschappelijke kwaliteiten en karakteristieke identiteit van het rivierengebied.

Wat de uiterwaarden betreft, staat natuur, landschap en water voorop en moet zeer terughoudend worden omgegaan met het toevoegen van nieuwe bebouwing. Hoewel het VAB-beleid niet van toepassing is op de uiterwaarden, wil de gemeente onder een aantal voorwaarden mogelijkheden bieden om vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing te gebruiken voor bedrijfsmatige doeleinden. Niet alle soorten bedrijvigheid zijn geschikt voor de uiterwaarden. Er moet plaats zijn voor bedrijvigheid die aan het buitengebied is gebonden, recreatieve voorzieningen en overige kleinschalige bedrijvigheid die qua karakter en uitstraling past bij het gebied. Daarbij is het van belang dat de functies ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten toevoegen aan het buitengebied. Dit dient onder andere te geschieden via sloop van een deel van de bestaande bebouwing, met uitzondering van karakteristieke en/of monumentale panden, buitenopslag is niet toegestaan, de functie mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en ook geen onevenredige milieuhinder voor de omgeving of natuur veroorzaken.

Planspecifiek
In het voorliggende plangebied is sprake van overige kleinschalige bedrijvigheid (brievenbuswinkel) die qua uitstraling past bij het buitengebied. Zodoende past de functiewijziging binnen de structuurvisie.

3.3.2 Toetsing Wijzigingsbevoegdheid

In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal' is in artikel 6.8.3 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van het bestaande agrarisch bouwvlak ten behoeve van de functieverandering van een agrarisch bedrijf in een niet-agrarische functie. Ingevolge artikel 6.8.3 'Wijziging agrarisch bedrijf in niet-agrarische functie' gelden de volgende voorwaarden:

  • a. De regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor recent vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen maar ook voor eerder vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen (al dan niet met een woonbestemming) en minstens vijf jaar rechtmatig in agrarisch gebruik zijn geweest;
  • b. Functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven.
  • c. Bij functieverandering moet de bestaande infrastructuur toereikend zijn voor de nieuwe functie; nieuwe functies mogen geen grote verkeersaantrekkende werking hebben;
  • d. Nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied;
  • e. Buitenopslag van goederen en stalling buiten is niet toegestaan;
  • f. De vestiging van bepaalde typen bedrijvigheid wordt alleen toelaatbaar geacht wanneer een deel van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De hoeveelheid te slopen bedrijfsgebouwen is afhankelijk van de functie van het bedrijf dat zich er wil vestigen;
  • g. Bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde mag volledig worden hergebruikt voor de nieuwe bedrijfsfunctie;
  • h. De belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • i. In de onderstaande tabel zijn de soorten bedrijvigheid vermeld waarvoor de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden benut en de maximaal toegelaten oppervlakte van de gebouwen voor de nieuwe bedrijfsfunctie.
    Categorie bedrijvigheid   Omvang hergebruik  
    1. Verblijfsrecreatie (geldt uitsluitend voor extensieve verblijfsaccommodatie)   500 m2  
    2. Dagrecreatie   500 m2 (voor horeca max. 250 m2)  
    3. Agrarisch verwante bedrijven   100%  
    4. Overige aan het buitengebied gebonden bedrijven   100%  
    5. Opslagbedrijven   geen mogelijkheden  
    6. Overige bedrijven   500 m2  
  • j. De lijst van categorieën van bedrijvigheid, die opgenomen is in lid j, is nader uitgewerkt in een bedrijvenlijst die als bijlage 7 'Toegelaten functies' aan deze regels is toegevoegd;
  • k. Vooraf dient een positief advies van Rijkswaterstaat te zijn verkregen;
  • l. De bestemming 'Agrarisch met waarden - Uiterwaard' vervalt;
  • m. De regels van bestemming 'Bedrijf' zijn overeenkomstig van toepassing.

Planspecifiek
De vereisten van de bovenstaande regeling zijn vervolgens per onderdeel getoetst.

  • Ad a: het gaat hier om legale agrarische bedrijfsgebouwen die minstens vijf jaar rechtmatig in gebruik zijn geweest;
  • Ad b en h: de functieverandering leidt niet tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven. In dit geval zijn de omliggende woningen maatgevend, het plangebied is vrijwel helemaal omgeven door burgerwoningen. Andere burgerwoningen liggen dichterbij het bouwvlak van andere agrarische bedrijven. Verder worden de belangen van overige in de omgeving aanwezige functies en waarden niet onevenredig geschaad;
  • Ad c: de bestaande infrastructuur is toereikend voor de nieuwe functie. Laden en lossen evenals parkeren kan op eigen terrein;
  • Ad d: er is geen sprake van nieuwe bebouwing, maar van aanpassing van bestaande bebouwing (dak en vloer). De oppervlakte van de voormalige stal wordt teruggebracht tot 500 m2;
  • Ad e: er is geen sprake van buitenopslag;
  • Ad f: er is enkel sprake van aanpassing van vloer en dak;
  • Ad g: de boerderij heeft karakteristieke waarde en wordt hergebruikt als bedrijfswoning;
  • Ad i: de categorie bedrijvigheid is 'overige bedrijven' (6); de beoogde omvang van de bedrijvigheid is maximaal 500 m2;
  • Ad j: het gaat om een brievenbuswinkel die qua uitstraling past bij de bedrijven die zijn opgesomd in bijlage 7 (toegelaten functies) bij de regels van het bestemmingsplan Buitengebied West Maas en Waal;
  • Ad k: er is een positief advies verkregen van Rijkswaterstaat (zie de zienswijze van Rijkswaterstaat van 6 mei 2020 met kenmerk RWS-2020/29785);
  • Ad l en m: de bestemming 'Agrarisch met waarden - Uiterwaard' met bouwvlak komt te vervallen en wijzigt in de bestemming 'Bedrijf'.

Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders een wijzigingsplan vast kunnen stellen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming van het bouwvlak in de bestemming 'Bedrijf'.

3.4 Conclusie

Het wijzigingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Besluit milieueffectrapportage

4.1.1 Regelgeving

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet bekeken worden of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen in ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:

  • 1. het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. (inclusief bijlagen) zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht;
  • 2. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht;
  • 3. m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht;
  • 4. vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve 'drempelwaarden'. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben. Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.- (beoordelings)procedure worden doorlopen.

4.1.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Het wijzigingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. (inclusief bijlagen) zijn genoemd (zie hierboven onder 1). De ontwikkeling in het plangebied is niet aan te merken als een activiteit genoemd onder D.11.2 (stedelijke ontwikkelingsproject). Het betreft immers geen wijziging van (de grootte van) het bouwvlak en ook neemt de hoeveelheid bebouwing niet toe. Evenmin is sprake van een andere activiteit, zoals genoemd in de C-lijst en/of D-lijst bij het Besluit m.e.r.

Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een ruimtelijk plan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

4.2.2 Doorvertaling wijzigingsplan

De oude koeienstal is geheel van een betonnen verharding voorzien. Deze wordt niet verwijderd en er vinden geen graafwerkzaamheden plaats voor de verbouwing. Het dak van de koeienstal, bestaande uit golfplaten, is aan de zuidzijde niet voorzien van een dakgoot. Daarom is door Verhoeven Milieutechniek een bodemonderzoek conform NEN 5707 ter plaatse van de druppelzone van het dak uitgevoerd (zie Bijlage 1). Dit onderzoek is vervolgens in een adviesnotitie (4 juni 2020 met kenmerk 0214139908) beoordeeld door Omgevingsdienst Rivierenland. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen vervolgonderzoek nodig is en dat er geen belemmering is voor de voorgenomen wijziging van de bestemming van de koeienstal en de bedrijfswoning.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Regelgeving
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk).

4.3.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in een functiewijziging van agrarisch naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming. De bebouwing, waaronder het bestaande geluidsgevoelig object in de vorm van een agrarische bedrijfswoning, staat er al jaren. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Dit betekent dat niet opnieuw getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder.

Los hiervan zal er gezien de maximumsnelheid van 60 km/u op de straat Berghuizen ter plaatse van de woning sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het betreft een smalle weg, waarbij, in het geval van tegenliggers, auto's elkaar met gepaste snelheid moeten passeren. Hierdoor zal de gereden snelheid in de praktijk vaak lager liggen dan de maximum snelheid. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is hierdoor niet noodzakelijk.

Het plangebied is tevens niet gelegen in de nabijheid van een gezoneerd industriegebied.

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.4 Lucht

4.4.1 Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Deze getalsmatige grenzen zijn echter niet van toepassing op onderhavige bedrijfsbestemming.

4.4.2 Doorvertaling wijzigingsplan

De bebouwing in het plangebied blijft gelijk en er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Wel zal het brievenbusbedrijf evenals het huidige agrarische bedrijf voor verkeersbewegingen zorgen. Aangetoond dient te worden dat deze verkeersbewegingen niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Via de NIMB-tool kan dit eenvoudig worden berekend.

In het brievenbusbedrijf zijn exclusief de eigenaar twee personen werkzaam. Dit levert per week 2x5x2=20 verkeersbewegingen op. Verder is uitgegaan van maximaal 5 showroombezoeken en 5 vrachtwagenbezoeken per week, terwijl dit volgens opgave van de initiatiefnemer respectievelijk 1-2 showroombezoeken en 1-2 vrachtwagenbezoeken betreft. Dit levert nog eens 20 verkeersbewegingen per week extra op. In totaal is sprake van 40 verkeersbewegingen per week. Omgerekend naar een weekdaggemiddelde komt dit neer op 5,7 verkeersbewegingen per weekdag. Het aandeel vrachtwagenverkeer is 25%.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0009.png"

Het aspect 'lucht' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.5 Milieuzonering

4.5.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

4.5.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Voorheen was in het plangebied een agrarisch bedrijf van milieucategorie 3.2 (rundveebedrijf) gevestigd. Dit wijzigingsplan beoogt de verhuizing van het bedrijf Brievenbuswinkel BV en wil dit bedrijf verplaatsen naar Berghuizen 3 te Maasbommel. Het bedrijf voorziet in de montage van en detailhandel (via internet) in brievenbussen. Daarbij worden de verschillende onderdelen (halffabricaten) aangevoerd en ter plaatse in elkaar gezet. Er vindt geen bewerking van onderdelen plaats.

In de VNG-handreiking is geen specifieke categorie opgenomen die passend is bij de Brievenbiswinkel BV. Derhalve is gekeken naar in omvang en naar aard van de activiteiten vergelijkbare activiteiten die wel in de handreiking zijn opgenomen. Daaruit volgt dat de Brievenbuswinkel BV. wat hinderuitstraling te vergelijken is met de activiteiten 'vervaardiging van kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie', 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven', 'fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie' en/of een 'muziekinstrumentenfabriek'. Allen zijn dit zogenaamde milieucategorie 2 activiteiten. Dit betekent dat met dit wijzigingsplan de hinderuistraling lager wordt in vergelijking met het nu toegestane planologische gebruik.

De richtafstand die behoort bij milieucategorie 2 is 30 m, indien uitgegaan wordt van het omgevingstype rustig buitengebied. In onderhavig geval is sprake van rustig buitengebied. Binnen een straal van 30 m van het bedrijf zijn geen milieugevoelige functies (woningen) gelegen. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op 40 m (aan de overzijde van Berghuizen). Derhalve is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voorts zal, aangezien dit plan niet voorziet in een nieuwe (bedrijfs)woning, de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet belemmerd worden door de komst van de brievenbuswinkel.

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³   max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Tabel 4.5: Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente beschikt over een 'Verordening Geurhinder en veehouderij Gemeente West Maas en Waal'. Het plangebied is gelegen binnen gebied 'E, Woerdsestraat en omgeving'. Ter plaatse geldt een geurnorm van 8,0 ouE/m³.

Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn de niet-vergunningplichtige agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor deze agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Voor vergunningplichtige veehouderijen gelden overigens nog steeds de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIBerghuizen3-BOH1_0010.png"

Uitsnede 'achtergrondbelasting huidige situatie'

4.6.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Er is sprake van meerdere burgerwoningen aan de overzijde van de straat Berghuizen. Voor deze woningen zal op het gebied van geur sprake zijn van een verbetering van de bestaande situatie. Er was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd en er komt een niet-agrarisch bedrijf voor terug. Verder is de woning in het plangebied een al bestaande (bedrijfs)woning en geen nieuw (geur)gevoelig object. De functiewijziging leidt daarmee niet tot een nadeligere situatie.

Uit toetsing van de achtergrondbelasting aan de huidige situatie (zie kaart 3 geurverordening 'Milieukwaliteit huidige situatie achtergrondgeurbelasting Wgv-normen') blijkt bovendien dat ter plaatse van de straat Berghuizen e.o. sprake is van een (geur)milieukwaliteit die goed is.

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant.

Op 1 april 2015 is de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking getreden. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.7.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid niet relevant is vanwege in de directe nabijheid van het plangebied gelegen risicovolle inrichtingen en buisleidingen. Externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone en een plasbrandaandachtsgebied, maar wel binnen de 200 meter zone van de Maas. De kortste afstand is hier ongeveer 100 meter. Omdat het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden kan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden volstaan.

  • Op grond van artikel 7 van het Bevt moet hierdoor worden ingegaan op de mogelijkheden voor:de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 11 februari 2020 aangegeven dat in dit geval de onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.8 Water

4.8.1 Regelgeving

Nationaal beleid
Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Beleid waterschap
Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016 - 2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen. De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn:

  • Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd. Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiënter werken.
  • Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater.
  • Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de aandachtspunten in het beheerprogramma.


Watertoets
In de brochure “Partners in Water” is het beleid van het waterschap Rivierenland verwoord. De brochure gaat in op de inhoud van de watertoets en behandeld de volgende thema’s:

  • waterneutraal inrichten;
  • schoon inrichten;
  • veilig inrichten;
  • bijzondere wateren en voorzieningen.

Ten aanzien van het thema Waterneutraal inrichten wordt ingegaan op de benodigde waterberging bij verschillende projecten.

4.8.2 Doorvertaling wijzigingsplan

In het voorliggende plan is er alleen sprake van een functiewijziging van al bestaande bebouwing. Onderhavig plan voorziet noch in de nieuwbouw van gebouwen, noch in de toename van het verhard oppervlak. Ook zal de omvang van de bestaande bebouwing worden teruggebracht van 600 m2 tot 500 m2.

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een ruimtelijk plan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

Gebiedsbescherming
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.9.2 Doorvertaling wijzigingsplan

In het kader van de functiewijziging zullen geringe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Enkel de vloer en het dak van de voormalige oude koeienstal zullen worden aangepast. Beplantingen zullen niet worden verwijderd. Hierdoor zijn geen negatieve effecten te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen vanuit de Wet natuurbescherming of ander ecologisch beleid.

Daarnaast ligt het plangebied niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied en vormt het geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Doordat er na het vaststellen van onderhavig wijzigingsplan niet langer bedrijfsmatige agrarische activiteiten in het plangebied mogen plaatsvinden, zal de stikstofdepositie in de praktijk afnemen. De functiewijziging heeft verder geen invloed op het aantal voertuigbewegingen van en naar het perceel. Deze zal qua aantal bewegingen nagenoeg gelijk blijven, maar het aantal zware landbouwvoertuigen neemt af. Ook vindt er geen uitbreiding van de hoeveelheid bebouwing plaats.

Wel geldt altijd een algemene zorgplicht, die inhoudt dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.10 Cultureel Erfgoed

4.10.1 Regelgeving

Erfgoedwet
De Erfgoedwet bundelt sinds 2016 de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen golden, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden.

In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

  • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.
  • Verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.
  • Bescherming van stads- en dorpsgezichten.


Cultuurhistorische waarden
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.10.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan en de karakteristieke boerderij blijft gehandhaafd.

Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

Archeologie
Ingevolge de Erfgoedwet dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de in de grond aanwezige/ dan wel te verwachten archeologische monumenten. Op grond van het paraplubestemmingsplan archeologie West Maas en Waal heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 1' (zie paragraaf 1.3). Het wijzigingsplan voorziet niet in een bouwplan, maar alleen in de functieverandering van bestaande bebouwing en in een verkleining van de oppervlakte. Er vinden zodoende geen bodemingrepen plaats.

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer

In het brievenbusbedrijf zijn exclusief de eigenaar twee personen werkzaam. Dit levert per week 2x5x2=20 verkeersbewegingen op. Verder is uitgegaan van maximaal 5 showroombezoeken en 5 vrachtwagenbezoeken per week, terwijl dit volgens opgave van de initiatiefnemer respectievelijk 1-2 showroombezoeken en 1-2 vrachtwagenbezoeken betreft. Dit levert nog eens 20 verkeersbewegingen per week extra op. In totaal is sprake van 40 verkeersbewegingen per week. Omgerekend naar een weekdaggemiddelde komt dit neer op 5,7 verkeersbewegingen per weekdag. Het aandeel vrachtwagenverkeer is 25%.

De functiewijziging leidt niet tot een (significante) toename van de voertuiggeneratie. Bovendien zijn de voertuigen die de brievenbuswinkel aandoen minder zwaar van aard zijn dan de landbouwvoertuigen van een agrarisch bedrijf. Voor het overige verandert de verkeerssituatie niet; de bestaande inrit blijft gehandhaafd en de voertuigen zullen op eigen terrein manoeuvreren.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.11.2 Parkeren

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. 

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere ruimtelijke plannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

In de volgende paragraaf worden de regels kort toegelicht.

5.2 Wijzigingsplan

Dit wijzigingsplan regelt een functiewijziging van de gronden in het plangebied van 'Agrarisch met waarden - Uiterwaard' met bouwvlak naar 'Bedrijf'. Voor de regels van dit wijzigingsplan wordt verwezen naar de volgende bestemmingsplannen:

  • het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal' (NL.IMRO.0668.BUIWestMenW-BOH1);
  • het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal correctie 2014' (NL.IMRO.0668.BUIcorrectie2014-BVA1);
  • het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal correctie 2016' (NL.IMRO.0668.BUIcorrectie2016-BVA1) en
  • het bestemmingsplan 'Archeologie West Maas en Waal' (NL.IMRO.0668.WMWArcheo-BVA1)

die onverkort van toepassing zijn.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor zowel onderhavige procedure, als de kosten voor de realisering van het plan zelf, zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele claims met betrekking tot planschade zijn voor rekening van initiatiefnemer die daartoe een overeenkomst met de gemeente West Maas en Waal zal sluiten. De gemeente West Maas en Waal hoeft geen gelden te reserveren. De economische uitvoerbaarheid is hierdoor aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg

Vanwege de beperkte ruimtelijke effecten en het ontbreken van bovengemeentelijke belangen bij dit wijzigingsplan wordt afgezien van het bieden van inspraak en vooroverleg.

6.2.2 Ontwerpfase

Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 2 april 2020 tot en met 13 mei 2020 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is er bij het college van burgemeester en wethouders één zienswijze door Rijkswaterstaat ingediend. In de zienswijze wordt aangegeven dat ontwikkelingen in rivierbedden van de grote rivieren dienen te voldoen aan de Beleidslijn grote rivieren. Deze beleidslijn heeft een doorwerking in het Barro. Hieraan is volgens Rijkswaterstaat correct getoetst. Ook werkt de beleidslijn door via de Waterwet en wel in de Beleidsregels grote rivieren (Bgr). Rijkswaterstaat is van oordeel dat het onderhavige initiatief uitvoerbaar is op grond van de Waterwet. Het kan echter zijn dat bij een wijziging van het initiatief dit laatste niet het geval is. Dus een eventueel nieuw initiatief zal moeten voldoen aan de eisen in beide wettelijke sporen. De inhoud van de zienswijze is verwerkt in paragraaf 3.1.1.

6.2.3 Vaststellingsfase

Op 16 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten het wijzigingsplan (gewijzigd) vast te stellen. Dit besluit is aangehecht.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.