Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22j Boven-Leeuwen, Bernhardstraat 8, 28 en Kampsestraat ongenummerd
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0668.BOVbernhstrkampstr-TOH1

Regels

 
Dit TAM omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22j Boven-Leeuwen, Bernhardstraat 8, 28 en Kampsestraat ongenummerd.  Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22j Boven-Leeuwen, Bernhardstraat 8, 28 en Kampsestraat ongenummerd dient als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22j) opgenomen te worden in het omgevingsplan van de Gemeente West Maas en Waal.   
 
Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet wenselijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de Gemeente West Maas en Waal. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22j’ gelezen worden.
 

1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

 
2.1 TAM-Omgevingsplan
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22j Boven-Leeuwen, Bernhardstraat 8, 28 en Kampsestraat ongenummerd;
 
2.2 Omgevingsplan 
Het omgevingsplan van de Gemeente West Maas en Waal;
 
2.3 Aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
2.4 Aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
2.5 Agrarisch bedrijf:
een akkerbouw-, bloementeelt-, sierteelt-, fruitteelt- of ander tuinbouwbedrijf, alsmede een pluimvee-, varkens-, mestrund- en mestkalverenhouderij, paarden- en geitenhouderij danwel een uit twee of meer van genoemde bedrijfstakken samengesteld bedrijf;
 
2.6 Agrarisch verwant bedrijf;
een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden zoals dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, stalhouderijen, instellingen voor agrarische praktijkonderwijs, proefbedrijven, pensionstalling;
 
2.7 Agrarisch technisch hulpbedrijf;
een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden en/of (medisch) verzorgen van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, met uitzondering van mestverwerking, zoals: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven;
 
2.8 Archeologische verwachting:
een gebied met een daaraan toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachtingswaarde in verband met de in de ondergrond aangetroffen sporen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;
 
2.9 Archeologische waarde:
een gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;
 
2.10 Archeologisch monument:
terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd archeologisch monument;
 
2.11 Archeologisch onderzoek:
onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 MW en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
 
2.12 Bebouwde oppervlakte van een perceel of ander terrein:
de som van de oppervlakten van alle op een perceel of terrein gelegen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken 1 m boven peil en buitenwerks gemeten;
 
2.13 Bebouwing:
eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  
2.14 Bebouwingspercentage:
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel;
 
2.15 Bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;
 
2.16 Bedrijf aan huis:
een bedrijf, waaronder een kappersbedrijf, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
  
2.17 Bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke;
 
2.18 Bedrijfswoning:
één woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming;
 
2.19 Beroep aan huis:
een dienstverlenend beroep, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk uitgeoefend wordt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
2.20 Bestaand:
bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;
 
2.21 Bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
2.22 Bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
2.23 Bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerken met een dak;
 
hieronder worden begrepen:
 
aanbouw:
een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag al dan niet met kap, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw, een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat;
 
aangebouwd bijbehorend bouwwerk:
een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag al dan niet met kap, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw, een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat;
 
vrijstaand bijbehorend bouwwerk:
een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat;
 
2.24 Bijgebouw
een vrijstaand danwel aangebouwd gebouw, behorend bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
 
2.25 Bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
 
2.26 Bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
2.27 Bouwlaag:
een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en ruimte onder de kap;
 
2.28 Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
2.29 Bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
 
2.30 Bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
 
2.31 Bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
2.32 Carport:
een bouwwerk, al dan niet een gebouw zijnde, die dient voor de stalling van een (motor)voertuig;
 
2.33 Detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
2.34 Dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;
 
2.35 Gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
2.36 Hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
 
2.37 Horeca:
een bedrijf dat gericht is op het verstrekken van nachtverblijf en/of voedsel en dranken en/of exploiteren van zaalaccommodatie, niet-zijnde een coffeeshop;
 
2.38 Kantoor:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;
 
2.39 Landschappelijke waarde:
waarde van een gebied in landschappelijk-esthetische en/of geomorfologische zin;
 
2.40 Loonwerkbedrijf:
een bedrijf dat in opdracht hoofdzakelijk agrarische werkzaamheden uitvoert;
  
2.41 Mantelzorg:
langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar;
 
2.42 Meergeneratiewoning:
meergeneratiewoning is een gebouw met geschakelde, zelfstandige of onzelfstandige wooneenheden, appartementen of huizen met inpandige verbinding voor ouderen of mensen met een handicap en hun familie, waarbij de familie mantelzorg verleent. De zorgvrager woont in een aparte wooneenheid, maar staat in directe verbinding met zijn of haar mantelzorger;
 
2.43 Nevenfuncties:
activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel;
 
2.44 Ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 2,6 m beneden peil;
 
2.45 Overkapping:
een bijbehorend bouwwerk, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak;
 
2.46 Overkluizing
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ter overdekking, op maaiveldniveau, van water;
 
2.47 Peil:
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw;
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;
 
2.48 Perceelgrens:
een grenslijn tussen bouwpercelen onderling;
 
2.49 Prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
 
2.50 Ruimtelijke kwaliteit:
de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van die ruimte.
 
2.51 Seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
2.52 Uitbouw:
een bijbehorend bouwwerk dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw;
 
2.53 Voorgevellijn:
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;
 
2.54 Voorzieningen van openbaar nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
2.55 Vrijstaande woning:
een bouwmassa bestaande uit één vrijstaand hoofdgebouw;
 
2.56 Woning
een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  1.   Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locaties Bernhardstraat 8, 28 en Kampsestraat ongenummerd, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0668.BOVbernhstrkampstr-TOH1.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1.

4.1 Aanvullende meet- en rekenbepalingen

  1. afstand tot de bouwperceelsgrens: tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
  2. bebouwingspercentage: het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden, tenzij in de regels anders vermeld staat;
  3. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  4. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  5. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  6. horizontale diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel;
  7. de inhoud van een bouwwerk:
    1. tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
    2. in aanvulling op het bepaalde onder 1 geldt voor woningen dat bouwlagen met gevelopeningen (opening in een gevel voor o.a een deur, een venster, etc.), die geheel of gedeeltelijk boven peil gelegen zijn, meegerekend worden bij de bepaling van de inhoud van een bouwwerk.
  8. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 

2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 6 Agrarisch - Oeverwal

6.1 Toepassingsomschrijving

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch - Oeverwal'.

6.2 Functieomschrijving

De voor 'Agrarisch - Oeverwal' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
  1. agrarische doeleinden en grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven met bijbehorende erven;
  2. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en ecologische waarden;
  3. ondergeschikte detailhandel in eigen vervaardigde producten en streekgeproduceerde producten;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. water, waterberging, oevers en waterhuishoudkundige voorzieningen en meer specifiek waterberging ter plaatse van de aanduiding 'waterberging';
met daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken.
 

6.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsplanvergunning

6.3.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan. Deze mogen worden opgericht in de periode 1 maart t/m 30 november voor een maximale duur van 7 maanden. De verankerde palen en constructies mogen permanent aanwezig zijn. De hoogte van deze voorzieningen bedraagt maximaal 6,0 m;
  2. de hoogte van andere bouwwerken zoals steigers, banken, picknicktafels, informatievoorzieningen, bewegwijzering ten behoeve van recreatief medegebruik bedraagt maximaal 2,0 m;
  3. de hoogte van andere bouwwerken, als bedoeld in artikel 3.1 onder sub f, bedraagt maximaal 2,5 m en de oppervlakte maximaal 6 m²;
  4. de hoogte van perceelafscheidingen bedraagt maximaal 2,0 m.

6.4 Gebruiksactiviteit

6.4.1 Gebruiksverbod
  1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in lid 6.2  genoemde functies van de gronden.

6.5 Specifieke bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag toestaan om een paardenbak te realiseren onder de voorwaarden:
  1. Een paardenbak kan worden gerealiseerd binnen of direct aansluitend aan het bouwvlak, het bedrijfsperceel of het aanduidingsvlak;
  2. De aanleg van een paardenbak in het Natuurnetwerk Nederland is alleen toegestaan als is aangetoond dat de aanleg de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland ter plaatse niet aantast;
  3. De aanleg van de paardenbak vindt plaats binnen een afstand van 50 meter van de woning, maar niet tussen de woning en de openbare weg of aan de overzijde van die weg;
  4. De afstand tot de naastgelegen woningen van derden bedraagt minimaal 50 meter;
  5. De afmeting van de bak bedraagt maximaal 20 x 60 meter;
  6. De hoogte van de afrastering en verlichtingsmasten bedragen respectievelijk maximaal 1,4 meter en 4 meter. Lichtmasten zijn niet toegestaan indien de paardenbak binnen het Natuurnetwerk Nederland is gelegen.

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden

6.6.1 Aanwijziging vergunningplichtige gevallen
De volgende werkzaamheden zijn alleen toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde toegelaten functies:
  1. het beplanten van gronden met houtgewas;
  2. het vellen en/of rooien van houtgewas en waardevolle houtopstanden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kunnen hebben;
  3. het afgraven, egaliseren, aanvullen of ophogen van gronden;
  4. het aanleggen en verharden van (bedrijfs)wegen, paden, het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen. Tot een omvang van 250 m2 is geen vergunning nodig;
  5. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  
6.6.2 Uitzondering vergunningplichtige gevallen
Geen omgevingsvergunning is vereist voor werken van geringe omvang en werken:
  1. die in het kader van het normale agrarische beheer en onderhoud worden verricht of ter uitvoering van het Landschapontwikkelingsplan;
  2. die worden uitgevoerd binnen een bouwvlak;
  3. waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
6.6.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend indien de in de bestemmingsomschrijving van deze bestemming omschreven waarden niet onevenredig worden aangetast en de werken voor de naast liggende gebieden geen onevenredig nadelige gevolgen hebben.

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

7.2 Functieomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies: 
  1. wonen in woningen;
  2. uitsluitend vrijstaande woningen, ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand';
  3. uitsluitend twee-onder-een-kap woningen, ter plaatse van de aanduiding 'twee-aan-een'; 
met de daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, erven en tuinen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
 
Alvorens de gronden in gebruik genomen worden voor de functie wonen als bedoeld in lid 7.2, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden:
  1. dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit en indien aangegeven aangelegd ter plaatse van de aanduiding 'Waterberging' binnen de functie Agrarisch - Oeverwal;
  2. De gronden en gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 2', mogen pas geroerd danwel bebouwd worden voor de beoogde functie nadat het asbest ter plaatse gesaneerd is en de locatie na sanering is vrijgegeven door het bevoegd gezag, zodat blijkt dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie.

7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning

7.3.1 Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: 
  1. de woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de bestaande woning, met dien verstande dat indien een bouwvlak is opgenomen, de woning uitsluitend binnen dat bouwvlak gebouwd mag worden;
  2. de voorgevel van een woning mag uitsluitend worden gebouwd in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak;
  3. het aantal woningen mag per aanduidingsvlak niet meer bedragen dan 1, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  4. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan bestaand, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  5. ter plaatse van de voorwaardelijke verplichting -3 mag de verstoringsdiepte van de bouwwerkzaamheden niet meer bedragen dan 0,65 onder maaiveld;
  6. de inhoud mag niet meer bedragen dan 800 m³, waarbij geldt dat voor een bestaand boerderijgebouw de huidige inhoud de maximale inhoud bedraagt.
  7. in afwijking van het bepaalde onder f geldt dat de inhoud van de totale bestaande bouwmassa ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen niet vergroot mag worden.
7.3.2 Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden de volgende regels: 
  1. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  3. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 150 m²;
  4. ter plaatse van de 'voorwaardelijke verplichting -3' mag de verstoringsdiepte van de bouwwerkzaamheden niet meer bedragen dan 0,65 onder maaiveld.
7.3.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 
  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gesitueerde gebouw op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
7.3.4 Voorwaardelijke verplichting klimaatadaptatie
Bij de aanvraag voor een bouwvergunning van een nieuw te realiseren woning, aangeduid met de aanduiding specifieke vorm van 'wonen - voorwaardelijke verplichting 1', moet voldaan worden aan het beleid zoals vastgelegd in het paraplubestemmingsplan Klimaat, Water en Riolering van 26 juni 2025 of diens rechtsopvolgers. Maatregelen kunnen ontleend worden uit de Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving van 23 maart 2023 of diens rechtsopvolgers.
7.3.5 Voorwaardelijke verplichting bodem
De sloop, de grondwerken en de vergunning voor de bouw van de nieuw te realiseren woningen op de locatie Bernhardstraat 8, aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting 2', kan pas worden uitgevoerd danwel verleend nadat het bevoegd gezag heeft geaccepteerd dat de bodemkwaliteit voldoende is. Hiertoe moeten bewijsstukken van de sanering worden overlegd aan het bevoegd gezag.
7.3.6 Voorwaardelijke verplichting hemelwaterberging
  1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarbij toename van verhard oppervlak plaatsvindt, staat vast dat wordt voorzien in een waterberging voor hemelwater op het eigen terrein.
  2. In afwijking van het eerste lid mag de waterberging voor hemelwater ook worden gerealiseerd binnen het plangebied van een ruimtelijke ontwikkeling als dit op eigen terrein onmogelijk is.
  3. De waterberging heeft een minimale capaciteit per m2 verhard oppervlak conform hoofdstuk 5, artikel 16, van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland of de opvolger daarvan.
  4. De waterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze na 96 uur maar niet sneller dan 48 uur weer volledig beschikbaar is, met een maximale afvoer conform hoofdstuk 5, artikel 16, van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland of de opvolger daarvan.
  5. De waterberging wordt niet aangelegd als een ondergrondse voorziening.

7.4 Gebruiksactiviteit

7.4.1 Gebruiksverbod
  1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in lid 7.2 genoemde functies van de gronden.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
  1. Het gebruik van de nieuw te realiseren woningen op de locatie Bernhardstraat 8 is toegestaan, mits de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het in bijlage 1 van de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan, uiterlijk binnen een jaar na het gereedmelding van een woning is gerealiseerd. De landschappelijke inpassing dient na realisatie duurzaam te worden beheerd en in stand gehouden.
  2. Het gebruik van de nieuw te realiseren woningen op de locatie Bernhardstraat 28, aangeduid met de aanduiding specifieke vorm van woning - voorwaardelijke verplichting 4, is toegestaan, mits de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het in bijlage 2 van de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan, uiterlijk binnen een jaar na het gereedmelding van een woning is gerealiseerd. De landschappelijke inpassing dient na realisatie duurzaam te worden beheerd en in stand gehouden.
  3. Het gebruik van de nieuw te realiseren woningen op de locatie Kampsestraat ongenummerd, aangeduid met de aanduiding specifieke vorm van woning - voorwaardelijke verplichting 5, is toegestaan, mits de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het in bijlage 3 van de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan, uiterlijk binnen een jaar na het gereedmelding van een woning is gerealiseerd. De landschappelijke inpassing dient na realisatie duurzaam te worden beheerd en in stand gehouden.
7.4.3 Voorwaardelijke verplichting slopen
Het gebruik van de nieuw te realiseren woningen op de locatie Bernhardstraat 28 is toegestaan, mits de bebouwing van ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - te slopen bebouwing', uiterlijk binnen een jaar na het in werking treden van het plan is gesloopt.

7.5 Specifieke bouwregels

7.5.1 Recreatieve nevenfunctie
Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag toestaan dat een bed and breakfast en/of een theetuin kunnen worden toegelaten onder de volgende voorwaarden: 
  1. het aantal overnachtingsplaatsen bedraagt maximaal 10;
  2. op eigen terrein dient in voldoende mate te worden voorzien in parkeergelegenheid.
7.5.2 Paardenbak
Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag toestaan om een paardenbak te realiseren onder de voorwaarden: 
  1. Een paardenbak kan worden gerealiseerd binnen of direct aansluitend aan het bouwvlak, het bedrijfsperceel of het aanduidingsvlak;
  2. De aanleg van een paardenbak in het Natuurnetwerk Nederland is alleen toegestaan als is aangetoond dat de aanleg de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland ter plaatse niet aantast;
  3. De aanleg van de paardenbak vindt plaats binnen een afstand van 50 meter van de woning, maar niet tussen de woning en de openbare weg of aan de overzijde van die weg;
  4. De afstand tot de naastgelegen woningen van derden bedraagt minimaal 50 meter;
  5. De afmeting van de bak bedraagt maximaal 20 x 60 meter;
  6. De hoogte van de afrastering en verlichtingsmasten bedragen respectievelijk maximaal 1,4 meter en 4 meter. Lichtmasten zijn niet toegestaan indien de paardenbak binnen het Natuurnetwerk Nederland is gelegen.

7.6 Afwijken van de gebruiksregels

7.6.1 Mantelzorg/meergeneratiewoning
Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag toestaan een deel van de woning of bijbehorende bouwwerken bij een woning als afhankelijke woonruimte (inwoning) gebruikt wordt, met dien verstande dat: 
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;
  2. op het perceel al een woning aanwezig is;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  4. per woning maximaal één omgevingsvergunning ten behoeve van inwoning voor mantelzorg mag worden verleend;
  5. inwoning in beginsel dient plaats te vinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning dient te hebben;
  6. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als afhankelijke woonruimte is uitsluitend toegestaan indien realisering van de inwoning in of aan de bedrijfswoning vanwege bouwtechnische, financieel-economische of sociaal-medische redenen onmogelijk is;
  7. maximaal 75 m² van de woning en/of bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning;
  8. geen eigen nutsvoorziening is toegestaan.

Artikel 8 Waarde - Archeologie

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie.

8.2 Functieomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden

8.3.1 Aanwijziging vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
  1. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  2. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondings-vergunning is vereist;
  3. het verlagen van het waterpeil;
  4. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  5. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  6. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  7. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
8.3.2 Uitzonderingen vergunningsplicht
Het verbod van subsubparagraaf 8.3.1 geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
  1. uitgevoerd worden ter plaatse van de aanduiding 'waarde -archeologie 1' voor zover de werkzaamheden in de bodem een maximale oppervlakte hebben van 100 m² en niet dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen van maximaal 100 m² en niet hoger dan 70 cm;
  2. uitgevoerd worden ter plaatse de aanduiding 'waarde -archeologie 2' voor zover de werkzaamheden in de bodem een maximale oppervlakte hebben van 500 m² en niet dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen van maximaal 500 m² en niet hoger dan 70 cm;
  3. uitgevoerd worden ter plaatse de aanduiding 'waarde -archeologie 3' voor zover de werkzaamheden in de bodem een maximale oppervlakte hebben van 1.000 m² en niet dieper dan 100 cm of/dan wel ophogen van maximaal 1.000 m² en niet hoger dan 70 cm; 
  4. voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aangetast' voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 60 cm onder het bestaande maaiveld;
  5. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die te maken hebben met het plant- en zaaiklaar maken en oogsten, overeenkomstig het huidig gebruik ten behoeve van de laanboomteelt;
  6. voor het plaatsen van palen om bomen of hagelnetten vast te zetten;
  7. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, het rooien van bestaande boomgaarden en vervanging door nieuwe bomen;
  8. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend.
 
8.3.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
8.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in lid 8.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal dan wel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd, waarbij voorschriften kunnen worden opgenomen ten aanzien van:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Bestaande maten

10.1.1 Afwijkende hogere maten
De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in Wonen,  is voorgeschreven én niet in strijd zijn met het voorheen geldend plan, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.
10.1.2 Herbouw
In geval van herbouw is het bepaalde in lid 10.1.1 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

10.2 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen

10.2.1 Algemeen
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
10.2.2 Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  2. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  3. in aanvulling op het bepaalde sub a en b is per perceel maximaal 1 niet - overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 m van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
    2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regelingen voor bijbehorende bouwwerken als bedoeld in dit plan in acht worden genomen;
    3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
  4. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt minimaal 2,6 m en maximaal 4 m onder peil;
  5. bij het berekenen van de blijkens de deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen. 

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van: 
  1. staan- of ligplaats voor onderkomens;
  2. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
  3. al dan niet tijdelijke buitenopslag voor gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen daarvan, indien deze opslag hoger is dan 3 meter of gelegen is voor de voorgevel aan de wegzijde;
  4. stortplaats voor puin, zand en grind, grond, mest- of afvalstoffen;
  5. seksinrichting of ten behoeve van prostitutiedoeleinden;
  6. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten (zoals motorcross, quadrijden, modelvliegtuigen, etc.) anders dan de daarvoor door de gemeente aangewezen gronden;
  7. het aanleggen van meer verhard oppervlakte dan aangeduid op de verbeelding;

11.2 Uitzondering van verboden gebruik

Het bepaalde in lid 11.1 is niet van toepassing op (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de functies of het normale onderhoud van de gronden en/of bouwwerken.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

12.1 Algemeen

12.1.1 Vergunningplicht
Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag toestaan: 
  1. het oprichten van bouwwerken voor algemeen nut (zoals abri's, telefooncellen, transformatorhuisjes, gasregel- en drukstations, conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m3 en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 m;
  2. het in geringe mate aanpassen van enig onderdeel van het plan, zoals een bebouwingsgrens, indien bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan gewenst of noodzakelijk is, waarbij de grenzen met niet meer dan 3 meter worden verschoven;
  3. het oprichten van masten ten behoeve van mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter.
12.1.2 Beoordelingsregels
Van de bevoegdheid van lid 12.1.1 kan slechts gebruik worden gemaakt indien het bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast.

12.2 Bedrijf aan huis

12.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een bedrijf aan huis in het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken.
12.2.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: 
  1. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
  2. bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat:
    1. geen ontheffing wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van de Wet milieubeheer valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is;
    2. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
    3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
  3. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;
  4. parkeren dient zoveel mogelijk op eigen terrein plaats te vinden;
  5. voor wat betreft detailhandel er geen duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur van de gemeente West Maas en Waal mag ontstaan;
  6. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van aan huis gebonden beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, zulks met een absoluut maximum van 80 m2;
  7. detailhandel is uitsluitend op de begane grondvloer toegestaan.

4 Overgangsregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  3. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 

13.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.