direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Beneden-Leeuwen, Waterstraat ong.
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Het voornemen bestaat om in het kader van de VAB-regeling agrarische bedrijfsbebouwing aan de Waterstraat 2 in Boven-Leeuwen te slopen en aan de overzijde een nieuwe woning te realiseren.

De ontwikkeling van een nieuwe woning past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Waterstraat op het bedrijventerrein Veesteeg Oost, tussen de kernen van Boven-Leeuwen en Beneden-Leeuwen. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0002.png"

Ligging plangebied in de omgeving (bron:openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen tussen de dorpen Beneden-Leeuwen en Boven-Leeuwen. Het plangebied bestaat uit twee delen: het agrarische bedrijf (rundvee) ligt aan de oostzijde van de Waterstraat op nr.2. De beoogde nieuwbouwlocatie is een onbebouwd perceel aan de andere zijde van de weg tussen de nrs. 1 en 3. De locaties liggen op het bedrijventerrein Veesteeg-Oost, een terrein met een mix van wonen, werken en enkele agrarische percelen. De Waterstraat kan worden getypeerd als 'gemengd lint'; een oude dorpsweg met veelal vrijstaande bedrijfspanden uit verschillende periodes afwisselend met vrijstaande woningen. Ten zuiden van het plangebied kruist de Waterstraat met de Van Heemstraweg, de doorgaande weg tussen de dorpen langs de Waal.

Bijgevoegde afbeelding geeft dit globaal aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied met de te slopen schuur (rode stip) (bron: pdok.nl)

De locatie aan de Waterstraat 2 is een rundveehouderij. Op het perceel bevinden zich de bedrijfswoning en meerdere bedrijfsgebouwen. Het bedrijf bevindt zich in een afbouwende fase.

Aan de overkant, tussen Waterstraat 1 en 3 in, ligt een perceel met een agrarische bestemming. De grond is nu in gebruik als grasland.

2.2 Toekomstige situatie

In de nieuwe situatie wordt de stal aan de Waterstraat 2 (1.058 m²) gesloopt ten behoeve van de bouw van één nieuwe woning aan de overzijde van het bedrijf. Het perceel aan de Waterstraat 2 behoudt een woonfunctie; de bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Op het noordelijke deel van het perceel wordt na het slopen van de agrarische bebouwing niet meer gebouwd, waardoor er een groene ruimte ontstaat die zorgt voor openheid in het lint. De schuur aan de weg blijft staan, deze vormt samen met het woonhuis een karakteristiek ensemble.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0004.png"

Woning met schuur Waterstraat 2 (bron: google streetview)

De nieuwe woning wordt gebouwd op het perceel aan de overzijde van de weg. Een nieuwe vrijstaande woning past goed in het straatbeeld ter plaatse en draagt bij aan de karakteristiek van het gemengde lint. De bestaande woning op Waterstraat 3 ligt relatief dicht bij de weg; de rooilijn van de nieuwe woning verspringt ten opzichte van de bestaande woningen van nr. 1 en 3. De nieuwe woning wordt uitgevoerd in één bouwlaag met kap.

De woning wordt ontsloten op de Waterstraat. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Het achterliggende terrein kan worden gebruikt als tuin. Dit terrein ligt ingeklemd tussen de tuinen van de naastgelegen panden. Door de aanwezige beplantingen en bosschages is de achtertuin niet zichtbaar vanuit de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0005.png"

Schetsontwerp nieuwe situatie perceel tussen Waterstraat 1 en 3 (Bron: Buro van Blijderveen)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.

Ladder duurzame verstedelijking

Het plan is dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de regionale woningbehoefte. Voorliggend plan is een rood-voor-roodontwikkeling. Dit is geen stedelijke ontwikkeling, omdat de hoeveelheid bebouwing verminderd wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

Algemeen

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Planspecifiek

Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk of Groene ontwikkelingszone. Het plan is dermate kleinschalig dat er geen provinciaal belang mee is gemoeid.

Het initiatief past in het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dorpen 2025

De Structuurvisie vormt het strategisch beleidsdocument dat de ruimtelijke ontwikkeling van West Maas en Waal tot 2023 op hoofdlijnen bevat. Centraal thema in de visie is de leefbaarheid in de dorpen. De komende jaren leiden sociale en economische ontwikkelingen tot veel veranderingen in de dorpen en in de relatie tussen de dorpen. Als uitwerking van de Visie Leefbaarheid Kernen 2030 wordt in de Structuurvisie voor de komende tien jaar aangegeven waarin moet worden geïnvesteerd. Er wordt ruimte geboden voor initiatieven die de identiteit en kwaliteit van de dorpen versterken.

De verwachting is dat er tussen 2010 en 2020 845 woningen bij moeten komen, waarbij rekening is gehouden met bijzondere factoren. De ontwikkelingen worden geconcentreerd in en om de kernen. Op rijks- en provinciaal niveau heeft inbreiding de voorkeur boven uitbreiding van de dorpen. Inbreiding kan echter alleen onder de voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. Uitbreiding wordt echter niet uitgesloten. In de periode tot 2030 zal inbreiding vooral plaatsvinden in de vorm van herontwikkeling. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om oude woningen of om andere vrijkomende functies zoals bedrijfsgebouwen en voorzieningen. Door herontwikkeling hiervan wordt de aanwezige ruimte optimaal benut, worden verpaupering en leegstand tegengegaan en kan een structurele versterking van het dorp plaatsvinden. Mede hierdoor blijft de leefbaarheid in de dorpen behouden.

In de Structuurvisie zijn ontwikkelingsplannen voor de verschillende dorpen opgenomen. Onderhavig plangebied wordt gerekend tot Beneden-Leeuwen. Voor Beneden-Leeuwen wordt ingezet op het herkenbaar maken van de ruimtelijke hoofdstructuur en de eigen identiteit. De revitalisering van bedrijventerreinen kan worden aangegrepen om de dorpskern en het bedrijventerrein rondom de Waterstraat een herkenbare eigen plek te geven in het dorp. De beleving van de landschappelijke ruimte tussen de dorpskern en het bedrijventerrein (langs Trambaan en Van Heemstraweg) moet als uitgangspunt worden genomen om de overgang tussen het bedrijventerrein en de dorpskern herkenbaar te maken.

Planspecifiek

De sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en bouw van een nieuwe woning binnen het bestaande dorpsgebied past in het beleid van de Structuurvisie, dat uitgaat van inbreiding vóór uitbreiding. Daarbij is een rundveebedrijf geen functie die goed past op een bedrijventerrein. Met het plan ontstaat er een betere overgang tussen het bedrijventerrein en de dorpskern. Daarmee geeft het plan invulling aan het beleid uit de Structuurvisie Dorpen 2025.

3.3.2 Beleid vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen

Het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen is opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal', maar omdat voorliggend plan ook een agrarisch bedrijf betreft, kan het hier ook van toepassing worden verklaard.

Het VAB-beleid biedt de mogelijkheid om vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen te slopen in ruil voor de oprichting van nieuwe bebouwing die beter geschikt is voor de nieuwe functie van het perceel en de bijbehorende bebouwing.

Deze bouwrechten kunnen onder andere worden gegeven bij de omzetting van een agrarisch bouwperceel in een woonbestemming (bestemming 'Wonen'). Belangrijke voorwaarden bij deze functiewijziging is dat de oppervlakte van de gesloopte gebouwen groter is dan de oppervlakte van de nieuwbouw. Bij sloop van meer dan 1.000 m² aan bedrijfsgebouwen mag een extra woning worden gebouwd met een inhoud van 800 m3.

Planspecifiek

In voorliggend plan wordt een rundveestal met een oppervlakte van 1.058 m² gesloopt. De agrarische activiteiten van het bedrijf op de Waterstraat 2 worden geheel beëindigd. Daarmee voldoet het aan de voorwaarden uit het VAB-beleid om een nieuwe woning te mogen bouwen.

Op het perceel Waterstraat 2 blijft de schuur aan de voorzijde van het perceel gehandhaafd. Deze schuur vormt samen met het woonhuis een karakteristiek ensemble en een herkenbare entree van de Waterstraat.

3.3.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen', dat is vastgesteld op 29 januari 2015. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch', waarin het agrarisch bedrijf is bestemd door gebouwen op te nemen in strak begrensde bouwvlakken. Langs de oost- en westzijde van het plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.

In het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' is geen regeling voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen opgenomen. De ontwikkeling van een woning is in strijd met het geldende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0006.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voorts geldt aanvullend ook het bestemmingsplan 'Archeologie West Maal en Waal' dat is vastgesteld op 3 december 2015. Het plangebied is aangeduid als 'waarde archeologie 1'. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het onderwerp archeologie.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Voor voorliggend plan is een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 en verkennend asbestonderzoek volgens NEN 5707 uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 1.

Uit de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek op asbest volgt dat de bodem van de onderzoekslocatie niet is verontreinigd met asbest. Voor de bovengrond zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarden voor enkele metalen en PAK aangetroffen. De concentraties liggen echter beneden het toetsingscriterium voor de uitvoering van een nader bodemonderzoek. In het grondwater zijn de gehalten aan barium en molybdeen licht verhoogd. Van de onderzochte bestrijdingsmiddelen is alleen DDE aangetroffen, zij het in een gehalte beneden de achtergrondwaarde. In het onderzoek op PFAS zijn inderdaad PFOA en PFOS aangetroffen waarbij het gehalte PFOA de achtergrondwaarde van 0,8 µg/kg d.s. overschrijdt.

Volgens de toetsingssystematiek van de Regeling bodemkwaliteit en het tijdelijke Handelingskader PFAS, valt de grond indicatief in de kwaliteitsklassen ‘achtergrondwaarde’ en ‘wonen’.

 

Op basis van de onderzoeksresultaten waarbij ten hoogste lichte verontreinigingen zijn aangetroffen is er geen aanleiding om te verwachten dat ter sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is dan ook geen aanleiding tot het instellen van een vervolgonderzoek. Uit oogpunt van de bodemkwaliteit zijn er geen bezwaren tegen het beoogd gebruik van de onderzoekslocatie voor woondoeleinden.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15555692 (aan de Maas en Waalweg (N322) ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2017 (µg/m3)   24,9 µg/m3   19,8 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Aangezien de ontwikkeling van één nieuwe woning ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen ligt, draagt het project 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien leidt de beëindiging van het agrarisch bedrijf tot een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Met de bouw van een woning wordt een nieuw geluidgevoelig object gerealiseerd. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidsbelasting op de nieuwe woning te bepalen. Dit rapport is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

Planspecifiek

Op onderstaande kaart is de achtergrondbelasting van geur weergegeven, gebaseerd op de vergunde situatie. Deze kaart is afkomstig uit de milieueffectrapportage die is opgesteld voor het bestemmingsplan "Buitengebied West Maas en Waal". Uit de kaart blijkt dat de milieukwaliteit in relatie tot geur in Beneden Leeuwen en Boven Leeuwen goed is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0007.png"

Achtergrondbelasting (Bron: Plan MER Bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal')

Volgens het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' is op het naastgelegen perceel aan de Waterstraat 3 een agrarisch bedrijf toegestaan. Daar worden echter geen dieren meer gehouden. De voormalige bedrijfswoning wordt als burgerwoning gebruikt. Er is geen sprake van geurbelasting. De geurbelasting in de omgeving wordt verder verminderd door de beëindiging van het voorliggend agrarisch bedrijf op Waterstraat 2.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

Ten noorden en oosten van het plangebied liggen gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein'. Volgens het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' zijn hier bedrijven tot maximaal categorie 3.1 toegestaan. Volgens de VNG-publicatie hoort hierbij een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk. De Waterstaat en omgeving is echter geen 'rustige woonwijk'. Er is sprake van een oud dorpslint met een verscheidenheid aan functies als bedrijven, burgerwoningen, agrariërs en horeca. De omgeving kan worden getypeerd als een 'gemengd gebied'. Zoals in de VNG publicatie (editie 2009) staat vermeld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd.

In navolgende tabel zijn de dichtstbijzijnde bedrijven/inrichtingen opgenomen:

Adres   Inrichting   SBI-2008   Milieucategorie   Richtafstand gemengd gebied   Afstand tot nieuwe woning  
Waterstraat 6*   3b meubel bv. industrie. Groothandel in bouwmaterialen   5153   2   10   50  
Tesstraat 3*   Groothandel in bouwmaterialen   5153   2   10   95  
           
Van Heemstraweg 29   Oriental wokrestaurant,
logies-, maaltijd- en drank-
verstrekking  
561   1   0   116  
Van Heemstraweg 31   Restaurant   561   1   0   125  
Waterstraat 7**   Cultuur en ontspanning: theater   9004   2   10   145  
Waterstraat 7a t/m n**   Bedrijfsverzamelgebouw     2   10   125  

* In het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' zijn hier bedrijven tot maximaal categorie 3.1 toegestaan. Bij een bedrijf van de milieucategorie 3.1 betreft de richtafstand 30 meter in gemengd gebied.

** In het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' zijn hier bedrijven tot maximaal categorie 2 toegestaan.

In de laatste kolom is de afstand van de diverse bedrijven/functies opgenomen tot de nieuwe woning, gemeten vanaf de bestemmingsgrenzen. Uit de tabel blijkt dat wordt voldaan aan de richtafstanden. Omdat er al meerdere woningen op kortere afstand van deze bedrijven zijn gelegen, leidt de nieuwe woning niet tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. De bestaande woningen zijn in dat geval reeds maatgevend. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De woning op Waterstraat 2 hoeft niet te worden getoetst, omdat dit al een bestaande woning is.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BENWaterstraatong-BOH1_0008.png"

Uitsnede risicokaart van de omgeving van het plangebied (bron: risicokaart.nl)

Ten zuiden van de kern ligt een buisleiding op een afstand van ca. 610 meter van het plangebied. Op een afstand van ca. 160 meter ligt een LPG station aan de Van Heemstraweg. Andere inrichtingen liggen nog verder weg. De Waal is een binnenvaartroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het plangebied ligt in geen van de invloedszones van deze inrichtingen, buisleidingen en transportroutes.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Beleid Waterschap Rivierenland

Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.

Planspecifiek

Watertoets

Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld (zie bijlage 3). Voor het plan dient de normale watertoetsprocedure te worden doorlopen. Dit heeft te maken met de aanwezigheid binnen het plangebied van een watergang die in beheer is bij het waterschap.

Watercompensatie

De gemeente ziet het benutten van afkoppelkansen als een belangrijke bijdrage om knelpunten in de waterhuishoudkundige situatie te verminderen. Met voorliggend plan wordt agrarische bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van 1.058 m2 gesloopt, wordt bijbehorende erfverharding verwijderd en mag als compensatie een nieuwe woning worden teruggebouwd. Per saldo vermindert het verhard oppervlak. Er geldt derhalve geen compensatieplicht.

Oppervlaktewater

In de watertoets komt naar voren dat zowel de oostelijke grens van het bestaande bouwperceel als de westgrens van het perceel waar de nieuwe woning wordt gebouwd, worden begrensd door een watergang. Deze watergang en de beschermingszones liggen aan de randen van het perceel waar geen bouw- of andere werkzaamheden plaats zullen vinden. De beschermingszones zijn in voorliggend bestemmingsplan overgenomen.

Loskoppelen afvoer van vuil water en schoon hemelwater

Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater is van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen. De doelstelling is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het lokaal verwerken van het schone hemelwater. Op het nieuwe woonperceel zal hemelwater gescheiden worden opgevangen en afgevoerd. Op welke wijze dit zal gebeuren zal worden bepaald bij de verdere uitwerking van de bouwplannen.

Hydrologisch neutraal bouwen

Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen,

waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie.

Voorliggend initiatief vermindert de verharding door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Resultaat daarvan is dat de hydrologische situatie sterk verbeterd wordt.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Om de effecten van voorliggend plan op beschermde flora en fauna te onderzoeken, is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4.

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op ca. 0,7 km afstand. Deze afstand is per definitie te groot om effecten te ondervinden als gevolg van geluid, trillingen, optische verstoring etc.

Een toename van stikstofdepositie kan mogelijk wel effect hebben op de natuurwaarden ter plaatse. Met voorliggend plan wordt echter een veehouderijbedrijf beëindigd. Volgens de vergunning mogen hier 72 stuks rundvee en 87 stuks jongvee worden gehouden. Op voorhand kan worden gesteld dat de beëindiging van de agrarische activiteiten leidt tot een substantiële afname van stikstofemissie, die vele maten groter is dan de stikstofemissie als gevolg van de bouw en het gebruik van een woning. Daarom is geen stikstofberekening uitgevoerd.

Soortenbescherming

Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
  • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundige gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ecologie.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Voorliggend plan heeft geen effect op de verkeerssituatie. Door beëindiging van het agrarisch bedrijf vinden er minder verkeersbewegingen plaats. Zowel de bestaande als de nieuwe woning worden ontsloten op de Waterstraat. Bij beide woningen is op eigen terrein voldoende ruimte om te parkeren. De parkeernorm van de gemeente West Maas en Waal bedraagt 2,3 parkeerplaatsen per woning (zie Nota Parkeernormen 2019). Aan deze norm kan zonder meer worden voldaan.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

De Waterstraat is een oud gemengd lint. De bestaande boerderij met de schuur aan de Waterstraat 2 is geen monument, maar wel een karakteristiek ensemble. Dat blijft met voorliggend plan in stand.

Archeologie

Voor voorliggend plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 5. Op basis van de landschappelijke ligging en resten die in de omgeving zijn aangetroffen heeft het plangebied een hoge verwachting op resten uit de periode IJzertijd – Nieuwe tijd. Het plangebied bevindt zich op de oevers van de Leeuwen stroomrug. Deze oevers vormden vanaf het begin van de activiteit van de rivier een gunstige locatie voor bewoning. De oeverafzettingen hebben bovendien enkele oudere, natuurlijke lagen overdekt. Van erosie van de oudere niveaus bleek geen sprake te zijn. Hier zijn Pleistocene beddingafzettingen, en Pleistocene en Holocene komafzettingen bewaard gebleven. In het westen van het plangebied is een 160 cm dik ophoogpakket aangetroffen, met daarnaast een gedempte watergang. In zowel het ophoog- als het dempingspakket van de watergang zijn aardewerkfragmenten aangetroffen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het oosten van het plangebied zijn geen (overduidelijke) ophooglagen en/of woongronden aangetroffen. Ook archeologische indicatoren ontbreken. De verwachting is echter dat er erfgerelateerde resten en/of sporen van landgebruik behorende bij de ten westen gelegen huisplaats te verwachten zijn. Ook in dit deel van het plangebied geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

De vastgestelde hoge archeologische verwachting voor de perioden van de IJzertijd tot en met Nieuwe tijd leidt ertoe dat er in het hele plangebied rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van archeologische resten. Geadviseerd worden om een aanvullend onderzoek uit te voeren om de aard, omvang en kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. Dit kan plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor elk archeologisch gravend veldonderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente West Maas en Waal dient te worden beoordeeld en goedgekeurd.

Een andere mogelijkheid is om archeologiesparend te bouwen. Bij de verder uitwerking van het bouwplan zal worden bepaald voor welke mogelijkheid wordt gekozen. In onderhavig bestemmingsplan is vooralsnog de geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' overgenomen.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voor dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de plansystematiek en de regels van het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen'. Voorliggend plan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Wonen - 1': deze bestemming ligt op het perceel tussen Waterstraat 1 en 3 en op de gronden van de woning en de schuur op Waterstraat 2. De situering van de woning is vastgelegd met een bouwvlak. Binnen de bestemming wordt er onderscheid gemaakt tussen de aanduiding 'tuin' (vóór de woning) en 'bijgebouwen' (achter de woning) waar bijgebouwen mogen worden gebouwd. De te handhaven karakteristieke schuur aan de voorzijde van het perceel Waterstraat 2 is apart aangeduid.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het waterschap Rivierenland is via de digitale watertoets op de hoogte gesteld van het plan. Het plangebied ligt deels binnen de beschermingszone van een watergang. Binnen deze zone worden echter geen ingrepen gedaan. De nieuwe woning wordt gebouwd op afstand van de beschermingszone.

In het kader van het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd naar het waterschap Rivierenland en de Gasunie. Het verslag hiervan is opgenomen in bijlage 6. Dit heeft niet geleid tot aanpassing van het plan.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 30 april tot en met 10 juni 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er is één inspraakreactie binnengekomen. In het inspraakverslag in bijlage 6 is deze kort samengevat en van antwoord voorzien. Naar aanleiding van de inspraak is de bijgebouwenregeling in het plan aangepast door een maximale afstand op te nemen tussen hoofdgebouw en bijgebouwen.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 20 augustus tot en met 30 september 2020 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.