| Plan: | Alphen, Appelhoek fase 1b |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0668.ALPappelhoek1b-BOH1 |
De gemeente West Maas en Waal is voornemens om aan de noordoostzijde van de Sterappel te Alphen de realisatie van maximaal 27 woningen mogelijk te maken. In de huidige situatie bestaat dit gebied uit agrarische gronden in de vorm van grasland en is in het vigerende bestemmingsplan 'Dorpen' tevens als zodanig bestemd (Agrarisch).
Voorliggend plan betreft de realisatie van het tweede deel van het nieuwbouwplan 'Lindenlaan, eerste fase'. De gemeente West Maas en Waal heeft eind 2007 ten behoeve van dit woningbouwplan reeds een bestemmingsplan vastgesteld. Het eerste deel van dit woningbouwplan is voortgezet. Het tweede (en huidige) deel heeft als gevolg van de crisis en het ontbreken van voldoende vraag naar woningen dusdanig lang stilgelegen dat de bestemming weer is gewijzigd naar het oorspronkelijke agrarische gebruik.
Nu de woningmarkt dusdanig is gewijzigd, en de gemeente West Maas en Waal weer beschikt over voldoende woning contigenten, is de gemeente voornemens het bestemmingsplan te wijzigen ten einde de realisatie van maximaal 27 woningen mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passende juridisch-planologische verankering van dit voornemen.
Het plangebied ligt aan de noordzijde van het dorp Alphen en grenst direct aan de Sterappel en aan de achterzijden van bestaande woningen aan Het Gement. Het plangebied staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Appeltern, Sectie Q, nummers 505 en 506 (gedeeltelijk) en sectie K, nummers 825, 826, 858 (gedeeltelijk) en 859. Figuur 1.1 heeft de ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Figuur 1.1: ligging en begrenzing van het plangebied
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Dorpen' en het bestemmingsplan 'Archeologie West Maas en Waal'.
In het bestemmingsplan 'Dorpen' hebben de huidige agrarische gronden in het plangebied de bijbehorende bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn in de hoofdzaak bestemd voor de uitoefening van agrarische activiteiten. Het bestemmingsplan Archeologie West Maas en Waal wordt in paragraaf 4.8.1 Archeologische waarden toegelicht.
Figuur 1.2: uitsnede van het bestemmingsplan 'Dorpen'
Strijdigheid
De realisatie van de beoogde woningen met het bijbehorende openbare gebied (de woonwijk) is binnen deze bestemming 'Agrarisch' niet toegestaan.
Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader.
Het bestemmingsplan bestaat uit de drie planonderdelen verbeelding, regels en de voorliggende toelichting. De toelichting is als volgt opgebouwd:
Alphen maakt deel uit van de gemeente West Maas en Waal. In totaal liggen acht woonkernen verspreid over het grondgebied van de gemeente. Dit betreffen Altforst, Appeltern, Beneden-Leeuwen, Boven-Leeuwen, Dreumel, Maasbommel, Wamel en Alphen.
De structuur van Alphen wordt hoofdzakelijk bepaald door de ligging aan de Maas, direct tegen de dijk en de uiterwaarden, aan de oostzijde en de komgronden aan de westzijde. De eerste bebouwing werd langs de Kerk- en Greffelingsedijk gebouwd. Al medio 1850 ontstonden enkele dwarsstegen waarvan De Broek Steeg (de huidige Lindenlaan), de Melkstraat, Schoolstraat en de Driehuizenstraat de eerste aanzet gaven voor de vorming van de dorpskern. Het huidige Alphense wegenpatroon was echter in 1850 al grotendeels gevormd (zie figuur 2.1). Na de watersnood van 1926 zijn langs deze al bestaande stegen de eerste (watersnood) woningen gebouwd ter vervanging van 70 door de watersnood vernietigde woningen aan de dijk.
Pas omstreeks 1960 wordt aan de noordoostzijde van het dorp de Dijkgraaf de Leeuwweg aangelegd en nadien op de Sluisweg aangesloten. Hierdoor ontstaat de doorgaande ontsluitingsweg door Alphen die meerdere dorpen langs de Maas met de wijdere omgeving verbindt.
Het duurt nog tot medio 1960 alvorens de bebouwing langs deze bestaande wegen in het dorp zich langzaam verdichten. Pas na 1975 wordt de eerste planmatige uitbreiding in de vorm van een woonwijk gebouwd. Alphen wordt in noordwestelijke richting, richting de komgronden, uitgebreid. Aan de noordzijde van de Heuvelstraat worden in het verlengde van de Middendam de eerste woningen gerealiseerd en in de 10 jaar daarna wordt deze wijk in de richting van de Lindenlaan volgebouwd.
Figuur 2.1: historische topografische kaarten; de ruimtelijke ontwikkeling van Alphen
Het duurt nog tot medio 2010 alvorens de volgende uitbreiding - Lindenlaan c.q. Appelhoek - wordt ingezet. In 2007 is het bestemmingsplan vastgesteld, in 2009 zijn de eerste contouren waarneembaar en het duurt door de financiële crisis nog tot 2016 alvorens de eerste woningen in aanbouw zijn. Met onderhavig bestemmingsplan wordt de laatste uitbreiding van Alphen afgerond.
Figuur 2.2: woonwijk Lindenlaan / Appelhoek fase 1a in ontwikkeling
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit hoofdzakelijk uit agrarisch gebied in de vorm van grasland (zie figuur 2.3). Het oppervlak bedraagt circa 1,42 hectare.
Aan de zuidwestzijde en aan een deel van de noordoostzijde grenst het plangebied aan de achterzijden van respectievelijk de woonpercelen van de woningen aan Het Gement 29 tot en met 43 en de woonpercelen van de woningen van Lindenlaan 7 en 9. Enkele delen van deze woonpercelen aan Het Gement liggen in onderhavige plangebied. Deze percelen maken geen onderdeel uit van het woningbouwplan Appelhoek fase 1b, maar worden door middel van onderhavig bestemmingsplan voorzien van een passende bestemming conform het feitelijke gebruik.
Aan de noordzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden in het buitengebied van Alphen. Aan de westzijde grenst het plangebied direct aan de eerste fase van Appelhoek. Deze woonwijk is momenteel in de afrondende fase.
Figuur 2.3: luchtfoto van het huidige plangebied (zwarte lijn = kadastrale percelen, rode lijn = plangebied)
Ontsluiting
Het plangebied wordt via de bestaande ontsluitingsweg Appeltern van Appelhoek eerste fase ontsloten naar Het Gement.
Voorliggend bestemmingsplan maakt maximaal 27 woningen mogelijk. Dit mogen vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen zijn.
Woningen
De woningen die kunnen worden gebouwd sluiten aan op het bestaande bebouwde gebied van Alphen. Het oppervlak van het plangebied bedraagt circa 1,42 hectare. Op de verbeelding wordt weergegeven waar rijwoningen mogen worden gerealiseerd. Vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen mogen overal worden gerealiseerd. De toegestane maximum goothoogte varieert van 4 tot 6 meter, de bouwhoogte bedraagt maximaal 9,5 meter.
Infrastructuur
Ontsluiting
Het plangebied wordt via de huidige ontsluitingsweg van de woonwijk Appelhoek fase 1 (Sterappel) ontsloten. Aan de zuidwestzijde van het plangebied sluit de bestemming verkeer van de bestaande wijk reeds aan op het plangebied. Deze straat wordt doorgetrokken in het plangebied.
Vanaf de Sterappel wordt het plangebied via Het Gement in noordoostelijke richting ontsloten naar de Lindenlaan en via De Tijnagel in zuidwestelijke richting naar de Heuvelstraat.
In de meest oostelijke punt van het plangebied bestaat de mogelijkheid om een langzaamverkeer route aan te leggen direct naar Het Gement.
Parkeren
Parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woningen moet plaatsvinden binnen de begrenzing van onderhavig plan. Omdat het aantal parkeerplaatsen afhankelijk is van het aantal en type woning is nu nog niet bekend hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Bij de vrijstaande woningen en de twee-onder-een-kapwoningen moeten twee naast elkaar gelegen parkeerplaatsen worden aangelegd.
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden conform de 'Nota Parkeren 2019'. Hiermee is geborgd dat binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en dat dit niet op de omgeving wordt afgewenteld. Ter illustratie zijn onderstaand de parkeernormen opgenomen.
Tabel 1: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'
| Type woning | Parkeernorm per woning / kamer |
| Woningen | 2,3 |
| Seniorenwoningen | 1,5 |
| Sociale huurwoning | 1,8 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten) | 1 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (studenten) | 0,3 |
| Aanleunwoning | 1,3 |
Groenstructuren
Binnen het plangebied worden groenstructuren gemaakt, welke worden vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan en op de verbeelding. Door deze groenstructuren ontstaat een zachte overgang naar het buitengebied. De zachte overgang naar het buitengebied is in de regels geborgd.
Waterberging
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland waar hemelwater kan infiltreren in de bodem. Als gevolg van de realisatie van woningen en infrastructuur worden echter verhardingen aangelegd waardoor infiltratie van hemelwater gedeeltelijk niet meer mogelijk is. Binnen de grenzen van het plangebied dient derhalve voldoende waterberging te worden gerealiseerd. In de regels is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om voldoende waterberging te realiseren. De ontwikkelende partij(en) wordt vrijgelaten waar het de waterberging realiseert. Wel dient sprake te zijn van een door de gemeente geaccordeerd plan waarin de realisatie van waterberging volwaardig is meegenomen.
In dit bestemmingsplan wordt de hoofdstructuur vastgelegd. Binnen de woonbestemming is flexibiliteit mogelijk qua woningtype. Binnen het plangebied zijn maximaal 27 woningen mogelijk. De maximale goot- en bouwhoogte worden vastgelegd op de verbeelding. Hiermee is de kwaliteit van de wijk gewaarborgd.
Gelijktijdig met het bestemmingsplan wordt een globaal beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Hierin zijn (ruime) voorwaarden opgenomen zodat extremen uitgesloten kunnen worden en de te realiseren woningen passen binnen het dorpsbeeld van Alphen.
Smalle stroken grond aan de achterzijde (noordzijde) van woonpercelen aan Het Gement 39, 41 en 43 zijn in de feitelijke situatie in gebruik als woonperceel maar zijn nog bestemd als 'Agrarisch'. Deze percelen maken geen onderdeel uit van het woningbouwplan Appelhoek fase 1b, maar worden door middel van onderhavig bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Groen'.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is begin 2012 in werking getreden en geeft de ambities voor Nederland weer die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking beschrijft een aantal projecten en stelt per project regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.
Toetsing van het onderhavige plan
Het plangebied ligt niet binnen een gebied waarvoor in het Barro voor het plan relevante regels zijn opgenomen. Het plan raakt derhalve geen nationaal belang en is daarmee niet in strijd met het rijksbeleid.
In de Structuurvisie infrastructuur en Ruimte is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De juridische borging is wordt gevormd door artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving om te voorkomen dat de schaarse ruimte wordt volgebouwd met ontwikkelingen waar geen behoefte aan is. Als gevolg van de borging in het Bro is 'de ladder' een verplicht onderdeel geworden van iedere juridisch-planologische procedure waarmee nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk worden maakt.
Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 ingevoerd en als gevolg van veranderende woningmarktomstandigheden en juridische onduidelijkheden in 2017 gewijzigd. De oorspronkelijke drie treden van 'de ladder' zijn samengevoegd en vereenvoudigd tot:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
Toetsing van het onderhavige plan
Is sprake van een stedelijke ontwikkeling?
In de eerste plaats dient te worden getoetst of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) blijkt dat bij de realisatie van 12 of meer woningen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' in de zin van het Bro. In het onderhavige plan is sprake van de realisatie van maximaal 27 woningen. Het is derhalve noodzakelijk om te ladder te doorlopen ten einde de behoefte aan deze woningen aan te tonen.
Behoefte aan de ontwikkeling
Algemeen
In 2007 was ter plaatse van het onderhavige plangebied een bestemmingsplan vastgesteld voor de eerste fase van de eerste woonwijk Lindenlaan. Van deze eerste fase is als gevolg van de financiele crisis (en de daar aan gelieerde 'woningmarktcrisis') slechts de eerste helft tot ontwikkeling gebracht. De tweede helft, het onderhavige plangebied, is als gevolg van de verminderde woningbouwcontigenten in de crisis en als gevolg van het verlopen van de 10-jaars actualisatieplicht van bestemmingsplan weer terug bestemd naar 'Agrarisch'. Omdat de woningmarkt weer volledig is bijgetrokken, en de gemeente West Maas en Waal weer meer woningcontigenten is toebedeeld, wordt het tweede deel van dit oorspronkelijke nieuwbouwplan toch tot ontwikkeling gebracht. Heden genaamd 'Appelhof fase 1b'.
In tegenstelling tot vele andere sectoren wordt de woningmarkt op verschillende overheidsniveaus (aflopend het Rijk, provincie, regio Rivierenland en de gemeente West Maas en Waal) grondig onderzocht op zowel kwantitatieve behoeften als kwalitatieve behoeften. In deze uitgebreide onderzoeken wordt op basis van 'statistische analysen van bevolkingsontwikkelingen en woningbouwbestanden', 'marktanalyses', 'analyse van bestaande zachte en harde bouwplannen' en mogelijk 'behoefte onderzoeken onder de bewoners' zo nauwkeurig mogelijk in beeld gebracht waar behoefte aan is en waar niet. Voor de woningbouwmarkt zijn in feite reeds 'uitgebreide onderzoeken ladder voor duurzame verstedelijking' uitgevoerd. In deze ladder wordt gebruik gemaakt van deze onderzoeken die reeds voorhanden zijn.
Regionaal woningbouwprogramma
Het woningbouwprogramma van de gemeente West Maas en Waal is met omliggende gemeenten afgestemd in de 'Regionale woningbouwprogrammering Rivierenland'. Hierin zijn afspraken gemaakt over de kwantitatieve en de kwalitatieve nieuwbouwopgave. De kwantitatieve opgave voor de regio is door de provincie Gelderland vastgelegd op 7.000 tot 8.600 woningen voor de periode 2015-2025 (bestuurlijk overleg d.d. 30 mei 2016). Onderstaand is de laatste stand van zaken weergegeven, waarbij voor de gemeente West Maas en Waal nog een 'restant' van 699 woningen te vergeven is. Van dit aantal is reeds een deel vergeven. Op gemeentelijk niveau wordt dit nader beschreven.
Toetsingskader tranches woningbouw, gemeente West Maas en Waal (30 mei 2017)
In de in mei 2016 vastgestelde Woonvisie is opgenomen dat de gemeente bij nieuwe initiatieven uitgaan van de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment waardoor beter ingespeeld kan worden op veranderingen (flexibiliteit) op de woningmarkt. Om dat te kunnen beoordelen, is een toetsingskader woningbouw opgesteld en vastgesteld (oktober 2016) met als doel om met de toe te voegen woningen een zo groot mogelijke leefbaarheidswinst te halen mede omdat het aantal toe te voegen woningen beperkt is. Hierbij wordt gewerkt met tweejaarlijkse tranches zodat daarmee beter ingespeeld kan worden op een actuele vraag. De aantallen te realiseren woningen worden gebaseerd op de regionale woningbouwaantallen.
Kwalitatief
In de afgelopen jaren zijn binnen de gemeente meerdere bestemmingsplannen aangepast omdat de plancapaciteit dan wel de plankwaliteit niet aansloot bij de actuele vraag. Door te werken met tweejaarlijkse tranches en met flexibele bestemmingsplan wordt daadwerkelijk invulling gegeven aan 'de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment'. In het onderhavige bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden om op elk moment het programma aan te passen aan de vraag.
Kwantitatief
Rekening houdend met de regionale woningbouwafspraken, planuitval, restcapaciteit en reeds harde woningbouwplannen mogen in de gemeente West Maas en Waal tot en met 2024 nog 294 woningen worden gerealiseerd. Om te voorkomen dat in korte tijd het aantal woningen volledig geprogrammeerd wordt, is in de Woonvisie aangegeven dat gewerkt wordt met tranches van twee jaren waardoor we iedere twee jaar gemeente breed circa 60 woningen kunnen verdelen. De eerste 'tweejaarlijkse tranche' met woningen is reeds gepasseerd. De 27 woningen in 'Appelhof fase 1b' die middels het onderhavige bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt maken onderdeel uit van de tweede 'tweejaarlijkse tranche'. De woningen in Appelhof passen derhalve binnen zowel de regionale als de gemeentelijke woningbouwaantallen en -afspraken
Bestaand stedelijk gebied
Onderhavig plangebied bestaat in de huidige situatie uit agrarisch gebied in de vorm van grasland. In de huidige situatie ligt het dan ook buiten het bestaande gebied. De mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijke gebied van Alphen maximaal 27 woningen te realiseren zijn fysiek niet meer aanwezig. Bovendien, al is daar in de huidige situatie geen sprake meer van, maakte het onderhavige plangebied reeds onderdeel uit van harde woningbouwplannen waarvoor reeds een bestemmingsplan was vastgesteld. Als gevolg van de financiële crisis en de 10-jaarlijkse actualisatieplicht van bestemmingsplannen is deze locatie weer herbestemd naar agrarisch en is het aan de harde plancapaciteit onttrokken.
Resumerend kan worden gesteld dat er geen andere mogelijkheden meer zijn en dat onderhavige locatie vanwege het verleden en de ligging, de meest logische locatie is om, grenzend aan drie zijden van het bestaande bebouwde gebied van Alphen.
Conclusie
De ladder voor duurzame verstedelijking vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 de nieuwe Omgevingsvisie en geactualiseerde Omgevingsverordening vastgesteld. De omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. Met deze omgevingsvisie streeft Gelderland naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met hulp van 7 onderwerpen wordt daar richting aangegeven: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat.
Met de omgevingsvisie wordt gestreefd naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Eén van de ambities is bijvoorbeeld een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning.
Toetsing van het onderhavige plan
Onderhavig plan betreft de realisatie van woningen waarbij wordt gebouwd voor feitelijke vraag vanuit de markt. Hiermee wordt aangesloten bij de Provinciale omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
In de omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. In de omgevingsverordening staan regels met betrekking tot woonlocaties. In artikel 2.1 (regionale woonagenda) staat dat per regio de gemeentebesturen een regionale woonagenda dienen op te stellen en een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen deze door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Enkele voorwaarden daarbij zijn:
Toetsing van het onderhavige plan
De Ladder voor duurzame verstedelijking is eerder in dit hoofdstuk behandeld. Hierin is aangetoond dat onderhavig plan voldoet aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
In 2016 hebben de gemeenten in Regio Rivierenland een regionale ambitie opgesteld voor de periode 2016-2020. Dat zijn Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, NederBetuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en Zaltbommel. Met de regionale ambitie hebben deze 10 gemeenten een gezamenlijke focus gelegd op drie economische speerpunten: agribusiness, economie en logistiek en recreatie en toerisme.
Toetsing van het onderhavige plan
De ruimtelijke strategische visie Regio Rivierenland doet geen gedetailleerde beleidsuitspraken op concrete initiatieven. Een nadere toets van onderhavig plan aan de visie is dan ook niet nodig.
De gemeente West Maas en Waal heeft de structuurvisie voor de dorpen vastgesteld op 30
april 2015. Dit is een uitwerking van de Visie Leefbaarheid Kernen 2030 voor de komende 10 jaar. Voor verschillende thema's, zoals wonen, werken, voorzieningen, milieu en veiligheid, zijn speerpunten en ambities opgesteld. Op onderhavig plan is het thema wonen van belang. Daarnaast wordt er een visie geschetst op de ruimtelijke ontwikkeling per dorp.
Toetsing van het onderhavige plan
Het is een algemeen uitgangspunt dat er, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, wordt gebouwd naar behoefte. Voor woningbouw wordt het volgende gesteld:
Figuur 3.1: uitsneden illustraties 'Structuurvisie Dorpen 2025' met betrekking tot woningbouwbeleid
Conclusie
Onderhavig plangebied is in de structuurvisie aangewezen als nieuwe gewenste woningbouwlocatie. Hierbij dient te worden voorkomen dat een harde dorpsrand wordt gecreëerd. Om deze harde dorpsgrens te voorkomen wordt in onderhavig bestemmingsplan rekening gehouden door een zachte overgang van het bebouwde gebied naar het buitengebied in de regels te borgen. Het onderhavige plan voldoet hiermee aan de structuurvisie.
Elk dorp binnen de gemeente West Maas en Waal heeft zijn eigen ruimtelijke kwaliteit en identiteit, deze zijn daarom benoemd en vastgelegd in het dorpskwaliteitsplan en in de dorpspaspoorten. Nieuwe plannen dienen te passen binnen de kernen met recht aan de geschiedenis en identiteit van de kern. Het dorpskwaliteitsplan vormt een leidraad voor nieuwe ontwikkelingen en bevat daarnaast de zogenaamde welstandseisen waaraan omgevingsvergunningen voor bouwen wettelijk worden getoetst.
In het dorpspaspoort van Alphen wordt niet verder gekeken naar woningbouwlocaties na Appelhoek eerste fase. Hiervoor bevat de dorpspaspoort geen beleid. Bovendien bevat het geen kwaliteitskader voor 'ontwikkellocaties'. Wel wordt gesteld dat ter plaatse van de woningbouwlocatie Lindenlaan (Appelhoek eerste fase) aandacht besteed moet worden aan een groene dorpsrand. Het volgende is opgenomen:
"Bij de woningbouwlocatie Lindenlaan is een groene inpassing door middel van knotwilgen geschikt. Deze bomen zorgen voor een groene rand, maar hierbij blijft het zicht vanuit de wijk naar het landschap bestaan. De al aanwezige waterpartij, zoals ook hieronder in het stedenbouwkundig plan te zien is, vormt daarbij ook een mooie rand naar het open landschap. Bij de realisatie van eventuele volgende fasen van dit nieuwbouwproject, kan de waterpartij de basis vormen voor een grotere groene rand."
Toetsing van het onderhavige plan
In onderhavig bestemmingsplan wordt rekening gehouden met een zachte overgang tussen het bebouwde gebied van de dorpsrand en het buitengebied door een zachte overgang van het buitengebied naar het bebouwde gebied in de regels te borgen. Hiermee voldoet het onderhavige plan aan het beleid zoals gesteld in het Dorpskwaliteitsplan.
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingswaarden bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingswaarden. De onderzoeken die uitgevoerd zijn voor de milieu en omgevingswaarden zijn gebaseerd op situatietekeningen die beschikbaar waren ten tijden van onderzoek, deze situatietekeningen kunnen afwijken van de uiteindelijke verkaveling en situatietekening. De situatie en verkavelings tekeningen die gebruikt zijn in de bijlage hebben geen juridische status.
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een ‘goed woon- en leefklimaat’.
VNG-publicatie ‘Bedrijven & milieuzonering”
Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe ‘functiescheiding’. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een ‘goed woon- en leefklimaat’. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).
De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering (waaronder een onderzoek naar de feitelijke milieubelastende activiteiten) kan hiervan worden afgeweken.
Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden ‘richtafstand’ in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).
Toetsing van het onderhavige plan
De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als 'rustig buitengebied' en 'rustig woongebied'. De richtafstanden kunnen derhalve niet met één stap worden verkleind.
Een kleinschalig woonwijkje wordt niet gekenmerkt als een milieubelastende activiteit. Woningen betreffen wel milieuhinder gevoelige functies. Dit betekent dat omliggende functies geen milieuhinder ondervinden afkomstig van de woonwijk maar dat eventueel omliggende bedrijven wel belemmerd kunnen worden in de bedrijfsvoering. Bovendien dient te worden aangetoond dat in het plangebied sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.
Onderhavig plan als milieubelastende activiteit
Onderhavig plan betreft geen milieubelastende activiteit. Dit aspect wordt niet nader getoetst.
Onderhavig plan als milieuhinder gevoelige functie
Woningen betreffen milieuhinder gevoelige functies. Er dient derhalve te worden beoordeeld of in de omgeving van het plangebied relevante functies zijn gelegen waarvan de richtafstanden over het plangebied zijn gelegen. In de nabijheid zijn enkele functies aanwezig die nader beoordeeld moeten worden. In de onderstaande tabel zijn deze functies weergegeven. De richtafstanden in tabel 3 zijn gemeten vanaf het bestemmingsvlak van het bedrijf tot aan de woonbestemming in onderhavig plangebied.
Tabel 2: relevante functies in de nabijheid van het plangebied
Tabel 3: Richtafstandentabel
Lindenlaan 11a
De richtafstanden van het hoveniersbedrijf aan Lindenlaan 11a worden niet overschreden. Dit bedrijf vormt geen belemmering.
Lindenlaan 14
Conform de richtafstandenlijst dient een afstand aangehouden te worden van minimaal 100 meter. Deze afstand wordt niet overschreden. Dit bedrijf vormt geen belemmering. Dit aspect wordt daarnaast nog behandeld in in paragraaf 'geur' behandeld. Er worden geen richtafstanden overschreden.
Sluisweg 2a
De meest in de nabijheid gelegen intensieve veehouderij ligt op ruim 800 meter vanaf het plangebied. De richtafstanden behorend bij deze intensieve veehouderij worden niet overschreden. Dit bedrijf vormt vanwege de forse afstand geen belemmering.
Het Gement 43
Aan Het Gement 43 is in een klein bijgebouw behorend bij een woning detailhandel in motorfietsen en brommers gevestigd. Er is geen werkplaats aanwezig en is als gevolg van naastgelegen bestaande woningen ook niet mogelijk. Voor uitsluitend detailhandel geldt conform de VNG-publicatie een maximale richtafstand van 10 meter voor geluid. Voor overige milieuaspecten gelden geen richtafstand. De contour van de richtafstand ligt gedeeltelijk over het plangebied (zie figuur 3.1). Om deze bedrijvigheid niet in de bedrijfsvoering te belemmeren en om ter plaatse van de te realiseren woningen in onderhavig plangebied een 'goed woon- en leefklimaat' te garanderen wordt rekening gehouden met de contour, zoals die op figuur 3.1 is weergegeven, waarbinnen de realisatie van geluidgevoelige objecten niet zijn toegestaan.
Figuur 3.1: richtafstand contour Het Gement 43
Conclusie
De richtafstanden van de bedrijven aan Lindenlaan 11a, Lindenlaan 14 en Sluisweg 2a worden niet overschreden. Voor het bedrijf aan Het Gement 43 ligt de 10 meter-contour over het plangebied. De gronden binnen deze milieucirkel hebben geen woonbestemming, waardoor het bedrijf aan Het Gement 43 geen belemmering is voor de realisatie van de woningen. Op deze wijze wordt ter plaatse van de te realiseren woningen in onderhavig plangebied een 'goed woon- en leefklimaat' gegarandeerd en wordt het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect 'bedrijven en milieuzoneringen' vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
In de Wet geluidhinder (Wgh) worden normen gesteld tot welke maximale geluidsniveau geluidgevoelige functies belast mogen worden. In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden gerealiseerd, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting.
Indien gevoelige objecten binnen onderzoekszones worden gerealiseerd van wegen en/of spoorwegen is het noodzakelijk een onderzoek uit te voeren. In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Spoorwegen worden derhalve niet nader behandeld. Voor wegen geldt op geldende onderzoekszones voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
Daarnaast kan op basis van de Wet ruimtelijke ordening als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld, in het kader van het garanderen van een 'goed woon- en leefklimaat, toch een akoestisch onderzoek worden geëist .
Toetsing van het onderhavige plan
Is sprake van één of meerdere geluidsgevoelige objecten?
Onderhavig plan voorziet in realisatie van geluidgevoelige functies in de vorm van woningen. Het aspect geluid dient derhalve nader te worden verantwoord.
Wegverkeerslawaai
Het plangebied is niet gelegen binnen het onderzoeksgebied van wegen waar harder dan 30 km/u gereden mag worden. In het kader van een 'goed woon- en leefklimaat' is echter wel een onderzoek uitgevoerd naar gevelbelastingen. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen De gehele rapportage is als Bijlage 1 Akoestisch onderzoek toegevoegd aan dit plan.
Conclusie akoestisch onderzoek
Als gevolg van de omliggende wegen is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Het plangebied ligt niet in een geluidscontour van een gezoneerd industrieterrein. Deze geluidsaspecten zijn derhalve niet verder behandeld. Het plangebied ligt wel binnen de richtafstand van geluid behorend bij de brommerhandel aan Het Gement 43. Dit aspect is nader verantwoord in paragraaf 4.1 Bedrijven & milieuzonering.
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bovendien dient op basis van het bouwbesluit altijd een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien een woning wordt gerealiseerd. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.
Ten behoeve van het onderhavige plan is een bodemonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 2 Bodemonderzoek toegevoegd aan dit plan.
Conclusie bodemonderzoek
De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
De gestelde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten cq. concentraties aan diverse zware metalen in grond en grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie.
De gestelde hypothese dat de locatie ten aanzien van bestrijdingsmiddelen als verdacht kan worden beschouwd is op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten juist gebleken. Deze licht verhoogde gehalten zorgen echter niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de geplande planologische procedure, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:
De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:
Toetsing van het onderhavige plan
Niet in betekende mate
Het plangebied ligt niet binnen een afstand van 50 meter van een provinciale weg of binnen 300 meter van een Rijksweg. Het plan draagt gezien het beoogde woningaantal (maximaal 27) niet in betekende mate bij aan luchtverontreiniging, omdat het niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeer.
Achtergrondwaarden
Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (RIVM, NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen.
Op basis van de verscheidene bronnen blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof PM10 en PM2,5 en stikstofdioxide NO² ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 20205 bedraagt de achtergrondbelasting van deze stoffen 18,2 µg/m³ en 12,15 voor PM10 en PM2,5 en 17,4 µg/m³ voor NOx (zie figuur 3.2). Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³ voor Pm10 en NOx en 25 µg/m³ voor PM2,5.
Figuur 3.2: achtergrondwaarden conform de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De 'Wet geurhinder en veehouderij' (Wvg) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de 'Wet milieubeheer', waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren (voorgrondbelasting). Daarnaast heeft de wet als input gediend voor de 'Handleiding geurhinder en veehouderij' in verband met de zgn. 'omgekeerde werking' in het kader van een 'goed woon- en leefklimaat' (achtergrondbelasting) dat zijn juridische basis vindt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2013 zijn veel veehouderijen onder de werkingssfeer van dit besluit komen te vallen. In het Activiteitenbesluit is voor geurhinder van veehouderijen hetzelfde beoordelingskader opgenomen als in de Wgv. Op basis van de Wgv is de gemeente bevoegd af te wijken van de reguliere normen van de Wgv en voor het eigen grondgebied afwijkende geurnormen vast te stellen. De gemeente West Maas en Waal heeft hier geen gebruik van gemaakt. De reguliere normen uit de Wgv zijn derhalve leidend.
Naast wetgeving is ook de gemeente bevoegd om nadere regelgeving vast te stellen in een geurverordening. De gemeente West Maas en Waal heeft hier gebruik van gemaakt en heeft de 'Verordening Geurhinder en veehouderij Gemeente West Maas en Waal' vastgesteld.
Voorgrondbelasting
De Wgv biedt normen die gelden voor ontwikkelingen van veehouderij bedrijven. De wet maakt onderscheid in veehouderij bedrijven waarvoor een geuremissie factor is vastgesteld en in veehouderij bedrijven waarvoor dat niet is vastgesteld. Voor de soort bedrijven waarvoor dat wel is vastgesteld dienen de geurcontouren te worden berekend door middel van het programma V-Stacks. Voor de bedrijven waarvoor dat niet is vastgesteld zijn vaste afstanden opgenomen.
In de omgeving van het plangebied ligt de meest in de nabijheid gelegen agrarische bedrijf op aan afstand van 125 meter aan Lindenlaan 14 (van bestemmingsvlak van het bedrijf tot bestemmingsvlak 'Wonen' in het onderhavige plan). Dit betreft een melkveehouderij waarvoor een vaste afstand geldt van 100 meter tot aan geurgevoelige objecten. De gemeentelijke verordening heeft geen andere afstanden vastgesteld. Dit bedrijf vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige plan.
De meest in de nabijheid gelegen intensieve veehouderij ligt op een afstand van circa 830 meter vanaf het plangebied. Dit bedrijf, gevestigd aan Sluisweg 2a betreft een pluimveehouderij. De geurcontour van dit bedrijf moet worden berekend. Omdat de tussen het plangebied en deze onderneming andere geurgevoelige objecten zijn gelegen wordt dit bedrijf echter niet in de bedrijfsvoering belemmerd (het wordt al door woningen belemmerd die op kortere afstand zijn gelegen). Bovendien is de afstand dusdanig groot dat het niet waarschijnlijk is dat normen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat worden overschreden. Het uitvoeren van een onderzoek is niet nodig.
Achtergrondbelasting
In de omgeving zijn slechts een beperkt aantal intensieve veehouderij gelegen. Bovendien ligt de meest in de nabijheid gelegen intensieve veehouderij op een afstand van 830 meter. Als gevolg van de forse afstanden en het beperkte aantal bedrijven is het niet waarschijnlijk dat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting normen worden overschreden. Het uitvoeren van een onderzoek is hiervoor niet nodig.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect geur worden geen normen overschreden. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
Ten behoeve van het onderhavige plan is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De rapportage is als Bijlage 3 Flora en fauna onderzoek toegeveogd aan dit plan.
Conclusie flora & fauna onderzoek
Het onderhavige plangebied bestaat in de huidige situatie uit agrarisch gebied in de vorm van grasland. Dit grasland bestaat hoofdzakelijk uit een monocultuur van engels raaigras dat weinig ruimte biedt aan andere (beschermde) flora en fauna. Bovendien wordt het grasland intensief beheerd (maaien) en begraasd. In het onderhavige plan worden geen gebouwen gesloopt en er worden geen sloten gedempt. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, vormt het plangebied een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden) diersoorten en een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd.
Algemene zorgplicht
Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten kunnen bezette vogelnesten beschadigd en vernield worden en kunnen sommige beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieën soorten verwond en gedood worden.
Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden, en er geen bezette nesten beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met bezette vogelnesten, de voortplantingsperiode van zoogdieren en winterrustperiode van grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden.
Natura 2000-gebieden
Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als Natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermd gebied.
Figuur 3.3: ligging plangebied ten opzichte van N2000
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op een afstand van circa 4 kilometer. Het onderhavige plan is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Van oppervlakteverlies van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten is derhalve geen sprake. Het plangebied ligt op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden. Aanwezigheid van materieel en mensen tijdens de ontwikkeling is niet zichtbaar in deze Natura 2000-gebieden en ook van verstoring in de Natura 2000-gebied door geluid of licht is gelet op de grote afstand geen sprake. De emissie en depositie van stikstof reiken echter verder vanaf het plangebied. De stikstofdepositie als gevolg van de toevoeging van maximaal 27 wooneenheden en de toenemende verkeersgeneratie is in beeld gebracht middels een Aerius-berekening. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 4 Stikstofdepositieonderzoek toegevoegd aan dit plan.
Conclusie stikstofonderzoek in relatie tot N2000
Als gevolg van het onderhavige plan is zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake van een depositie hoger dan 0,0 mol/ha/jaar. Het aspect stikstof in relatie tot N2000 vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog wordt gehouden.
Beleid
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
In de omgevingsvisie Gaaf Gelderland is de ambitie benoemd dat Gelderland in 2050 klimaatbestendig is. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – worden de gevolgen van het veranderende klimaat mee genomen en worden er afspraken gemaakt over hoe met de risico's omgegaan moet worden.
Waterbeheerprogramma 2016-2021
Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. De doelen voor 2021 van het waterbeheerprogramma zijn waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Daarbij richt het programma zich op bescherming tegen hoog water, voldoende en schoon water en afvalwater. Waterschap Rivierenland speelt bij het waterbeheer in op veranderingen in de omgeving zoals klimaatverandering. De doelen richten zich op de lange termijn. Zo moeten bijvoorbeeld de dijken in 2050 voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen en de waterkwaliteit moet in 2027 aansluiten bij de doelen uit de Kaderrichtlijn Water. Hogere overheden als het rijk, de provincies en de Europese Unie hebben deze doelen voor het waterbeheer bepaald. Waterschap Rivierenland trekt in het Waterbeheerprogramma 2016-2021 de lijn door van het vorige waterbeheerplan.
De koers wordt niet gewijzigd, maar het werk wordt gecontinueerd. De doelen voor de lange termijn blijven het uitgangspunt. Om de inhoudelijke ambities te realiseren, wordt geanticipeerd op nieuwe ontwikkelingen en worden strategische allianties aangegaan. Het accent ligt in de periode 2016-2021 onder meer op:
Keur
Naast het beheerprogramma beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan o.a. regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen, regels voor onderhoud van sloten en beken, regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels en kan een watervergunning nodig zijn. Deze watervergunning wordt vervolgens door het waterschap verleend of geweigerd. Ook is het mogelijk dat nadere eisen worden gesteld aan de vergunningverlening. Via onderhavige watertoets heeft toetsing aan het waterschapsbeleid plaatsgevonden. Voor plannen met een toename van meer dan 500 m² verhard oppervlak in stedelijk gebied en 1.500 m² in landelijk gebied, is compenserende waterberging nodig. Voor kleine oppervlaktes hoeft niet te worden gecompenseerd. Bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes (500 m² of 1.500 m² ) in mindering worden gebracht op de totale toename aan verhard oppervlak. Voor stedelijke gebieden geldt dat 436 m² waterberging benodigd is bij 1 hectare netto verhard oppervlak.
Waterplan West Maas en Waal
De gemeente West Maas en Waal en Waterschap Rivierenland streven gezamenlijk naar een gezond en veerkrachtig watersysteem en een duurzame waterketen. Het Waterplan dient als input voor nieuw op te stellen wijzigingsplannen en de waterparagraaf. In de gemeente West Maas en Waal speelt een aantal problemen met betrekking tot de afvoer van kwel- en rioolwater via het watergangenstelsel en de waterkwaliteit in watergangen.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Ten behoeve van het onderhavige plan is een watertoets uitgevoerd. Daarnaast is de online watertoets doorlopen. Onderstaand worden de belangrijkste bevinden beschreven. De gehele rapportage is als bijlage 5 Waterhuishoudkundig plan opgenomen.
Ten behoeve van de toename van verhardingen dient compenserende waterberging te worden gerealiseerd. Omdat het bouwprogramma nog niet bekend is, is rekening gehouden met 27 woningen (worstcase). Omdat uit het infiltratie onderzoek is gebleken dat de infiltratiemogelijkheden slecht zijn, dient de voorziening voor water retentie voldoende capaciteit te bevatten. Op basis van de compensatie-regels van het waterschap moet voor de toename van het verharde oppervlak in onderhavig plangebied 308 m³ hemelwater extra worden geborgen in het watersysteem.
Het bestemmingsplan bevat een voorwaardelijke verplichting om voldoende waterberging te realiseren. De capaciteit van de waterberging is hierin vastgelegd en niet de locatie of de vorm waarin de voorziening wordt gerealiseerd.
Vergunningplicht
Daarnaast geldt een (mogelijke) watervergunningsplicht voor:
In het kader van de eventuele watervergunning is het advies om bij de verdere concretisering van plannen in overleg te treden met het waterschap.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Het archeologisch beleid is in de gemeente West Maas en Waal vastgelegd in het bestemmingsplan 'Archeologie West Maas en Waal'. Ter plaatse van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de nadere aanduiding 'Waarde archeologie 2' opgenomen. Binnen deze bestemming is het noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren indien bodemingrepen plaats vinden met een groter oppervlak dan 500 m² en over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 0,4 meter. Als gevolg van de realisatie van onderhavig plan wordt deze norm overschreden.
Omdat in het kader van het bestemmingsplan Lindenlaan reeds een onderzoek is uitgevoerd is in de eerste plaats een bureau onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 6 Archeologisch bureau onderzoek toegevoegd aan dit plan.
Conclusie bureau-onderzoek archeologie
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich voor een deel bevindt op een naamloze stroomgordel van de Maas (nr. 252) die actief was in het Neolithicum en op een stroomrugglooiing, aan de rand van de stroomrug. Deze elementen zijn bedekt met kalkloze poldervaaggronden. Het zand van de stroomgordel ligt volgens de zanddieptekaart dieper dan 3 m-mv. Uit een RAAP-rapport uit 200533 blijkt dat het huidige plangebied in zijn geheel is onderzocht met behulp van verkennende en karterende boringen. Uit het booronderzoek bleek dat er binnen het plangebied, in tegenstelling tot de zanddieptekaart, sprake is van oeverafzettingen in de eerste meter onder het maaiveld, wat wordt opgevolgd door komklei tot ca. 3 m-mv. Daarnaast bleek er op een aantal plaatsen een laklaag aanwezig te zijn, die gevormd is in komafzettingen op een diepte van 165 en 190 cm-mv. In de laklaag is ter plaatse van boring 12 (zie Afbeelding 13) op een diepte van 150 cm-mv een archeologische vindplaats aangetroffen, mogelijk een haardplaats uit het Neolithicum of de Bronstijd. Uit het huidige bureauonderzoek blijkt daarnaast dat de bodem verstoord kan zijn door landbouwwerkzaamheden en door een gebouw dat tussen 1978 en 2010 in het plangebied heeft gestaan. Uit een eerder uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek en een veldverkenning waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, blijkt echter dat de archeologische resten waarschijnlijk beschermd zijn door de aanwezigheid van een afdekkend landbouwdek.
Selectie advies
Uit het bureauonderzoek blijkt dat er binnen het plangebied nog intacte archeologische niveaus aanwezig kunnen zijn. Vervolgonderzoek achten wij dan ook noodzakelijk en graafwerkzaamheden dieper dan 1,35 m-mv kunnen niet zonder verdere maatregelen uitgevoerd worden.
In het plangebied is door RAAP in een eerder stadium al een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij is in één boring (boring 12) een archeologische laag aangetroffen in de basis van een vegetatiehorizont tussen 165 en 190 cm-mv, die wordt gekenmerkt door een sterke concentratie houtskool en verbrande leem. Het betreft mogelijk een haardkuil van een klein (jacht)kampement, die op grond van de diepe ligging gedateerd kan worden in de periode Neolithicum t/m Bronstijd. De gaafheid en conservering van de vindplaats lijken gezien de diepe ligging deels onder de laagste grondwaterstand goed te zijn.
Op grond van dit onderzoek adviseert RAAP om bij bodemingrepen ter plaatse van boring 12 die dieper reiken 1,5 m-mv een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren (zie Afbeelding 13). Deze aanbeveling heeft betrekking op de locatie van boring 12 en een straal van 10 m rond deze boring. Voorafgaand aan een proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden dat getoetst wordt door gemeente West Maas en Waal (dhr. R. Isarin). RAAP adviseert om het overige deel (m.u.v. boring 12 en een bufferzone van 12 meter rond deze boring) vrij te geven (geen vervolgonderzoek).
Hamaland Advies onderschrijft het advies van RAAP. Wij adviseren om de bodemingrepen in het plangebied te beperken tot maximaal 1,35 m-mv om boven de potentieel relevante archeologische niveaus te blijven. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk, tenzij bij boring 12 bodemingrepen voorzien zijn die dieper reiken dan 1,50 m-mv. Tevens adviseren wij om de door RAAP geselecteerde zone te beschermen tegen toekomstige bodemingrepen, door deze aan te wijzen als vindplaats (AMK-terrein) op de gemeentelijke beleidskaart en toekomstige bodemingrepen ter plaatse van de vindplaats te beperken tot maximaal 1,35 m-mv (30 cm bufferzone boven het archeologisch niveau van de vindplaats).
Dubbelbestemming
Als gevolg van de aangetroffen archeologische vindplaats is op de verbeelding een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van deze waarden. Indien ter plaatse van de dubbelbestemming niet aan de voorwaarden kan worden voldaan (niet dieper in de bodem graven dan 135 cm-mv) dient alsnog vervolg onderzoek uitgevoerd te worden.
Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Het plangebied
Het plangebied bestaat uit grasland en bevat geen cultuurhistorische elementen. Er zijn geen cultuurhistorische landschapsstructuren aanwezig en geen (Rijks-)monumenten.
Omgeving
In de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Eventuele cultuurhistorische waarden worden door het onderhavige plan derhalve niet geschaad.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).
Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Toetsing van het onderhavige plan
Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In figuur 3.4 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Hierop is onder andere informatie over risico's van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Ook is er informatie opgenomen over risico's van luchtvaartongevallen, ongevallen op het wegen-, spoorwegen- en waterwegennet en overstromingen met water en dergelijke.
Figuur 3.4: uitsnede risicokaart
Risicovolle bronnen
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen risico volle bronnen gelegen. Aan de andere kant van Alphen ligt op een afstand van circa 625 meter de Maas, waar over transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Omdat de afstand groter is dan 200 meter hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Naast de Maas zijn er in de omgeving van het plangebied geen relevante risicovolle bronnen gelegen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Externe ontsluiting
Het plangebied wordt via de huidige ontsluiting, Sterappel, van Appelhoek fase 1 ontsloten. Aan de zuidwestzijde van het plangebied sluit de bestemming verkeer van de bestaande wijk reeds aan op het plangebied. Deze straat wordt doorgetrokken in het plangebied. Vanaf deze ontsluitingsweg wordt het plangebied via Het Gement in noordoostelijke richting ontsloten naar de Lindenlaan en via De Tijnagel in zuidwestelijke richting naar de Heuvelstraat.
In de meest oostelijke punt van het plangebied bestaat de mogelijkheid om een langzaamverkeer route aan te leggen direct naar Het Gement.
Interne ontsluiting
De ontwikkelaar heeft de vrijheid om de wegen binnen het plangebied naar eigen inzicht te situeren. In het bestemmingsplan is echter geborgd dat iedere woning aan een straat dient te liggen. Hiermee wordt geborgd dat alle woningen worden ontsloten, maar dat de ligging van de weg verder vrij wordt gelaten.
Extra verkeersgeneratie
Het onderhavige plangebied kent in de huidige situatie geen verkeersaantrekkende werking. In de beoogde situatie wordt derhalve extra verkeer gegenereerd. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het onderhavige plan te berekenen kan gebruik worden gemaakt van kencijfers van de CROW publicatie ‘381’. Onderstaand zijn de berekeningen weergegeven. Omdat het programma nog niet bekend is wordt uitgegaan van een worstcase scenario wanneer 27 woningen worden gerealiseerd.
Tabel 4: verkeersgeneratie
Rest bebouwde kom, niet stedelijke gemeente
| Gemiddeld per eenheid | Aantal eenheden | Totaal | |
| Woningen | 8,2 | 27 | 222 |
In totaal worden per dag 222 extra auto's verwacht. Deze auto's worden verspreid over de straten Het maximaa en De Tijnagel. 10% hiervan vindt plaats tijdens de spits. Dit resulteert in 1 auto per 2,5 minuut. Dit is voor omringende wegen geen enkel probleem.
Parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woningen moet plaatsvinden binnen de begrenzing van onderhavig plangebied. Daarnaast wordt zoveel mogelijk op het eigen perceel geparkeerd. Wanneer parkeren op eigen perceel als gevolg van de omvang van de kavel of de type woning niet mogelijk is, moet in het openbaar gebied voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Omdat het aantal parkeerplaatsen afhankelijk is van het aantal en type woning is nu nog niet bekend hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. De vrijstaande woningen en de twee-onder-een-kapwoningen moeten twee parkeerplaatsen naast elkaar op eigen terrein aanleggen.
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden conform de 'Nota Parkeren 2019'. Hiermee is geborgd dat binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en dat dit niet op de omgeving wordt afgewenteld.
Ter illustratie zijn onderstaand de parkeernormen opgenomen.
Tabel 5: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'
| Type woning | Parkeernorm per woning / kamer |
| Woningen | 2,3 |
| Seniorenwoningen | 1,5 |
| Sociale huurwoning | 1,8 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten) | 1 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (studenten) | 0,3 |
| Aanleunwoning | 1,3 |
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.
Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
Toetsing van het onderhavige plan
Voor de voorbereiding van het mer-beoordelingsbesluit, is voor onderhavig plan een aanmeldnotitie opgesteld. Deze notitie is als Bijlage 7 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling toegevoegd aan dit plan. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze aanmeldnotitie wordt voorgelegd aan de gemeente. Op basis van deze aanmeldnotitie neemt de gemeente een formeel besluit dat een mer-procedure niet doorlopen hoeft te worden.
Conclusie
Op basis van deze aanmeldnotitie neemt de gemeente een formeel besluit dat een mer-procedure niet doorlopen hoeft te worden. Het aspect MER is vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Wabo, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:
De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en
de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan kent de volgende (dubbel)bestemming:
Daarnaast bevat dit bestemmingsplan een aanduiding waarbinnen geluidgevoelige functies niet zijn toegestaan.
Groen
De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor o.a. groenvoorzieningen, water, infiltratievoorzieningen en onverharde paden. Parkeren is niet toegestaan.
Verkeer - Verblijfsgebied
De gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor o.a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, groenvoorzieningen, watervoorzieningen, in- en uitritten en parkeervoorzieningen.
Wonen - 1
De gronden met de bestemming 'Wonen - 1' zijn bestemd voor o.a woningen, tuinen er erven, parkeervoorzieningen, in- en uitritten. In totaal zijn maximaal 27 woningen toegestaan. Er zijn uitsluitend vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte wordt op de verbeelding weergegeven. De goothoogte varieert van 4 tot 6 meter, de maximum bouwhoogte bedraagt 11 meter.
In het bestemmingsplan is voldoende waterberging en parkeerplaatsen in de regels geborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
Het onderhavige plan wordt in het kader van het vooroverleg aan de belanghebbende instanties toegezonden.
Het voorontwerpbestemmingsplan Alphen, Appelhoek fase 1b lag van 4 juni 2020 tot en met 15 juli 2020 voor belanghebbenden ter inzage. Er zijn 3 inspraakreacties binnengekomen.
Op basis daarvan zijn wijzigingen doorgevoerd zoals het verminderen van het maximaal aantal toegestane woningen van 30 naar 27 daarnaast is gestapelde bouw niet meer mogelijk.
Het gehele inspraakverslag is terug te vinden als Bijlage 8.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 1 april 2021 tot en met 12 mei 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn drie zienswijzen ingediend.
Naar aanleiding hiervan zijn de volgende wijziging doorgevoerd:
Voor het bestemmingsplan zijn de volgende ambtshalve aanpassingen doorgevoerd:
De nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve aanpassingen is als Bijlage 9 toegevoegd aan dit plan.
De gemeente West Maas en Waal is eigenaar van de gronden en is initiatiefnemer van onderhavig plan. De gemeente neemt de kosten voor haar rekening. Deze kosten komen ten laste van de verkoopopbrengst van de grond waardoor geen sprake is van verhaal van kosten maar sprake is van een verdienmodel.