Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Recreatiepark Stelleplas 2010
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0654.BPSP2010-9999

Artikel 4 Recreatie



4.2 Bouwregels



4.2.2

Voor het bouwen gelden de volgende regels:
  1. Recreatiewoningen
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken; 
    2. ter plaatse van de bouwvlakken met de aanduiding ‘recreatiewoning’ (rw) mogen uitsluitend vrijstaande recreatiewoningen met de daarbij behorende aan-en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
    3. per bouwperceel mag maximaal één hoofdgebouw worden opgericht;
    4. de oppervlakte van een bouwperceel voor een recreatiewoning bedraagt minimaal 250 m2;
    5. indien in een bouwvlak een maximum aantal is aangeduid mogen binnen dat bouwvlak maximaal het op de verbeelding aangegeven aantal recreatiewoningen worden gebouwd;
    6. in afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 onder b[1] en artikel 4 lid 2.2 onder c[1]  mogen ter plaatse van de bouwvlakken met de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ gecombineerd met de bouwaanduiding ‘twee-aan-een’ [tae] uitsluitend twee-aan-een-gebouwde recreatiewoningen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
    7. het bebouwde oppervlak per bouwperceel bedraagt, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, ten hoogste 75 m2, waarbij de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen maximaal 20 m2 bedraagt;
    8. de afstand van een recreatiewoning, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen, tot de achterste en zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2,50 meter;
    9. de goothoogte van een recreatiewoning bedraagt ten hoogste 4,00 meter, de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6,50 meter;
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
    2. binnen de op de verbeelding met ‘kampeerterrein’(kt) aangeduide bouwvlakken mogen uitsluitend vrijstaande kampeermiddelen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd of geplaatst;
    3. per bouwperceel mag maximaal één hoofdgebouw worden opgericht;
    4. indien in een bouwvlak een maximum aantal is aangeduid mogen binnen dat bouwvlak maximaal het op de verbeelding aangegeven aantal kampeermiddelen worden gebouwd of geplaatst;
    5. de oppervlakte van een bouwperceel/standplaats voor een kampeermiddel bedraagt
      minimaal 150 m2;
    6. het bebouwde oppervlak per bouwperceel/standplaats bedraagt, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, ten hoogste 70 m2, waarbij de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen maximaal 20 m2 bedraagt;
    7. de afstand van een kampeermiddel, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen, tot de achterste en zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2,50 meter;
    8. de bouwhoogte van kampeermiddelen bedraagt maximaal 4,00 meter;
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
    2. op de met ‘specifieke vorm van recreatie- recreatiewoning of kampeerterrein’ (sr-rwkt) aangeduide gronden gelden de bouwregels zoals weergegeven onder artikel 4 lid 2.2 onder I óf de bouwregels zoals weergeven onder artikel 4 lid 2.2 onder II met dien verstande dat beide sets bouwregels (I en II) niet binnen één bouwperceel mogen worden gecombineerd.
  2. Centrumvoorzieningen
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
    2. binnen de op de verbeelding met ‘centrum’(c) aangeduide bouwvlakken mogen uitsluitend bouwwerken en gebouwen worden gebouwd of geplaatst ten behoeve van de centrumvoorzieningen behorende bij het recreatiepark;
    3. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van de in de centrumvoorzieningen aanwezige horecavoorzieningen mag in totaal maximaal 1400 m2 bedragen;
    4. in het bouwvlak met de aanduiding ‘vrijstaand’ [vrij] mag uitsluitend 1 vrijstaand hoofdgebouw worden gebouwd;
    5. in totaal mogen binnen de met ‘centrum’(c) aangeduide bouwvlakken maximaal 2 dienstwoningen ten behoeve van het recreatiepark worden gebouwd;
    6. in de bouwvlakken met de aanduiding ‘centrum’ (c) bedraagt de maximale goothoogte voor gebouwen 6,00 meter, de maximale bouwhoogte bedraagt 10,00 meter;
    7. de afstand van hoofdgebouwen tot de naastgelegen bebouwing bedraagt minimaal 5,00 meter;
    8. het bouwvlak aangeduid met ‘centrum’(c) mag maximaal voor 50% worden bebouwd, tenzij op de verbeelding een ander maximum bebouwingspercentage is aangegeven;
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
    2. in een bouwvlak aangeduid met ‘nutsvoorziening’ (nv) mogen uitsluitend bouwwerken en gebouwen ten behoeve van collectieve nutsvoorzieningen voor het recreatiepark worden gebouwd;
    3. binnen de bouwvlakken met de aanduiding (nv) geldt een maximum bouwhoogte van 3,50 meter;
    4. in de bouwvlakken met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie-voorzieningenbouw’ (sr-vg) mogen uitsluitend bouwwerken en gebouwen worden gebouwd ten behoeve van voorzieningen die ten dienste staan van het recreatiepark
      (waaronder een receptiegebouw, onderhoud en opslag en sanitaire voorzieningen) met uitzondering van horeca en detailhandel;
    5. in de bouwvlakken met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie-voorzieningengebouw’ (sr-vg) bedraagt de maximale goothoogte 3,50 meter en de maximale bouwhoogte 5,00 meter;
    6. een bouwvlak aangeduid met (sr-vg) of (nv) mag 100% worden bebouwd, tenzij op de verbeelding een ander maximum bebouwingspercentage is aangegeven;
    7. op de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – waterrecreatie’ (sr-wr) mogen vrijstaande gebouwen en overkappingen worden gebouwd ten behoeve van de dagrecreatie of ten behoeve van sportieve of recreatieve activiteiten op de Stelleplas;
    8. de bouwhoogte van de gebouwen in het bouwvlak met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – waterrecreatie’ (sr-wr) bedraagt maximaal 3,50 meter en de oppervlakte van deze bouwwerken bedraagt maximaal 15 m2.
    9. de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – waterrecreatie’ (sr-wr) mogen voor maximaal 30% worden bebouwd met gebouwen of overkappingen.
    1. aan- en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
    2. per bouwperceel mag maximaal 20 m2 worden bebouwd met bijgebouwen;
    3. overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de op verbeelding aangegeven bouwvlakken alsmede op de gronden aangeduid met ‘specifieke vorm van recreatie -waterrecreatie’ (sr-wr);
    4. op de gronden aangeduid met ‘verblijfsrecreatie’ (vr) mogen uitsluitend aan- en bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd indien op hetzelfde bouwperceel een zomerwoning of kampeermiddel aanwezig is;
    5. de goot- en bouwhoogte van aanbouwen bedraagt maximaal de voor hoofdgebouwen toegestane goot- en bouwhoogte;
    6. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen of overkappingen bedraagt ten hoogste 2,50 meter.
    1. buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken zijn binnen de onder artikel 4 lid 1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde toegestaan die verband houden met de bestemming, zoals terrassen, erfafscheidingen, muurtjes, speeltoestellen, steigers en bruggen;
    2. de hoogte van erfscheidingen mag buiten de bouwvlakken ten hoogste 1,00 meter en binnen de bouwvlakken maximaal 2,00 meter bedragen;
    3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde waaronder pergola’s bedraagt maximaal 2,50 meter.

4.3 Ontheffing van de bouwregels


4.3.1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde inartikel 4 lid 2.2 onder g[1] tot een totaal bebouwd oppervlak van maximaal 85 m2. Deze ontheffing mag ook worden toegepast op het entreeperceel (artikel 4 lid 2.2 onder b[3]) voor zover de planregels van sub I worden toegepast.

4.3.2

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 onder f[2] tot een totaal bebouwd oppervlak van maximaal 80 m2. Deze ontheffing mag ook worden toegepast op het entreeperceel (artikel 4 lid 2.2 onder b[3]) voor zover de planregels van sub II worden toegepast.

4.3.3

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 onder c[5] en artikel 4 lid 2.2 onder d[5] tot een hoogte van maximaal 10,00 meter.


4.3.5

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 onder h[1] en artikel 4 lid 2.2 onder g[2], voor het bouwen van recreatiewoningen of kampeermiddelen dichter dan 2,50 meter op de achterste of zijdelingse perceelsgrens.



4.4 Specifieke gebruiksregels


4.4.1

Parkeren ten behoeve van de recreatiewoningen of kampeermiddelen dient op het eigen bouwperceel of de standplaats te worden opgelost, in ieder geval moet per bouwperceel één parkeerplaats op eigen terrein worden ingericht.


4.5 Aanlegvergunningen





4.5.4

Overtreding van het bepaalde in artikel 4 lid 5.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van de Wet Economische Delicten (WED).

4.6 Wijzigingsbevoegdheden