Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing te verlenen van:
het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m2 en een bouwhoogte van maximaal 3,50 meter;
het overschrijden van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens bepaalde minimumafstand door:
entreeportalen tot maximaal 2,00 meter, mits de bebouwde oppervlakte maximaal. 6 m2 ende bouwhoogte maximaal 3,00 meter zal bedragen;
geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bebouwingsgrens van maximaal 3,00 meter toegestaan.
het oprichten van antennes en masten tot een bouwhoogte van 15,00 meter;
14.2
Een ontheffing als bedoeld in artikel 14 lid 1 wordt uitsluitend verleend indien:
bij het overschrijden van bouwgrenzen of minimale afstanden de brandweer een positief advies heeft afgegeven omtrent de brandveiligheid van het bouwwerk op zich en ten opzichte van omliggende gronden en gebouwen;
het bebouwingsbeeld op het recreatiepark niet onevenredig wordt aangetast;
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
dit niet leidt tot wijziging van de in het plan aangegeven bestemming;