direct naar inhoud van Regels
Plan: Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0654.BPSG2017-0003

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan 'Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018' van de gemeente Borsele;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.BPSG2017-0003 met de bijbehorende regels;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 archeologisch deskundige

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders of ander bevoegd gezag aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie;

1.5 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid alsook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de KNA en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

1.6 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten;

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of overige bouwwerken;

1.8 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een maatvoeringsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.9 bedrijfsvloeroppervlak

de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte;

1.10 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke slechts bestemd is voor huisvesting van (het huishouden van) een persoon, wiens aanwezigheid daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein;

1.11 beperkt kwetsbaar object

een beperkt kwetsbaar object zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.12 bestaand

aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

1.13 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.14 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.15 bevoegd gezag

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.16 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.17 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.18 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel;

1.19 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.20 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct of duurzaam met de aarde is verbonden;

1.21 CROW-publicatie

de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', van oktober 2012 (ISBN nummer 9789066286115);

1.22 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.23 Erfgoedwet

de Erfgoedwet zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

1.24 objecten met functionele binding

onder objecten met functionele binding wordt verstaan, objecten behorende tot:

  • a. bedrijven die havengebonden activiteiten uitvoeren, zoals op- en overslagactiviteiten/stuwadoors, koel- en vriesvemen, scheepswerven en een douanekantoor;
  • b. bedrijven die grondstoffen over het water krijgen aangevoerd, zoals een houtdrogerij en een graanhandel;
  • c. bedrijven die zwaar milieubelastend zijn (bijvoorbeeld vanuit het aspect geluid of geur) en daarom niet elders in Zeeland gevestigd kunnen worden. Dit betreft op het Zeehaven- en industrieterrein Sloe met name afvalverwerkers (bijv. composteerinrichting);
  • d. bedrijven die (uitsluitend of in hoofdzaak) diensten voor risicovolle bedrijven uitvoeren, zoals technische inspectiebureaus, installatiebedrijven, een afvalwaterzuiveringsinstallatie en energieproductiebedrijven;
  • e. bedrijven die koelwater nodig hebben, dan wel een grote energiebehoefte hebben;
  • f. een horecabedrijf dat uitsluitend en in hoofdzaak is bedoeld voor de werknemers uit het gebied en voor chauffeurs van af- en toeleverende bedrijven;
  • g. maatschappelijke functies met alleen dagactiviteiten, die uitsluitend en in hoofdzaak zijn bedoeld voor de werknemers uit het gebied en voor chauffeurs van af- en toeleverende bedrijven;
  • h. bedrijven die (uitsluitend en in hoofdzaak) diensten voor gebiedsgebonden bedrijven uitvoeren, zoals transportbedrijven;
  • i. bedrijven die vanuit de historie logischerwijs gevestigd zijn op het Zeehaven- en industrieterrein Sloe, bijvoorbeeld doordat ze zijn afgesplitst van een risicovol bedrijf;
  • j. kantoren die een binding hebben met gevestigde bedrijven op het Zeehaven- en industrieterrein Sloe;

alsmede:

  • k. schepen die diensten leveren aan of afnemen van op het Zeehaven- en industrieterrein Sloe gevestigde bedrijven.
1.25 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26 geprojecteerd kwetsbaar object

een nog niet aanwezig kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of specifiek kwetsbaar object dat op grond van het voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is;

1.27 gezoneerd industrieterrein

een terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van bedrijven en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken;

1.28 groepsrisico (GR)

cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is;

1.29 horecabedrijf

een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het verstrekken of het exploiteren van zaalaccommodaties; zoals een chauffeursrestaurant;

1.30 hulpdiensten

een instantie, al dan niet van de overheid, met een hulpverlenende taak bij ongevallen en rampen;

1.31 kantoor(ruimte)

het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in beperkte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals een administratiekantoor, een ontwerp-technisch bureau, een makelaarskantoor of een assurantiekantoor;

1.32 kwetsbaar object

een kwetsbaar object zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.33 landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur;

1.34 landschapswaarde

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;

1.35 leidingbeheerder

de beheerder van een in dit plan bestemde kabel of leiding;

1.36 maaiveld
  • a. het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land;
  • b. de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft;
1.37 maatvoeringsvlak

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar een bepaalde maatvoering geldt;

1.38 milieudeskundige

een door burgemeester en wethouders of ander bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu;

1.39 Minister

de minister van Economische Zaken en Klimaat of diens rechtsopvolger;

1.40 natuurwaarde

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;

1.41 natuur- en landschapsdeskundige

een door burgemeester en wethouders of ander bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van landschappelijke waarden en natuurwaarden;

1.42 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;

1.43 opleidings- en oefencentrum

centrum waar een opleiding wordt verstrekt;

1.44 oriëntatiewaarde

de richtwaarde voor het groepsrisico zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.45 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.46 peil
  • a. de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt;
  • b. bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein;
1.47 restaurant

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van etenswaren voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken;

1.48 risicovolle inrichtingen

bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.49 veiligheidsdeskundige

een door burgemeester en wethouders of ander bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van externe veiligheid van inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen;

1.50 Wabo

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

1.51 weg

een weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

1.52 Wgh-inrichting

bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke

mate geluidhinder kunnen veroorzaken;

1.53 windturbine

een machine met rotorbladen, waarmee door middel van windkracht elektriciteit wordt opgewekt;

1.54 woning

een gebouw, dat dient voor de huisvesting van personen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand:

van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.2 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 het bebouwde oppervlak:

van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald;

2.7 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.8 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de tip (uiteinde) van het bovenste verticaal staande rotorblad.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - Nutsbedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Nutsbedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een hoogspanningsstation, zijnde een geluidzoneringsplichtige inrichting, met de daarbij behorende voorzieningen;
  • b. voorzieningen ten behoeve van de aansluiting op een hoogspanningsnet;
  • c. voorzieningen ten dienste van het beheer en de besturing van de vier offshore windparken die onderdeel uitmaken van windenergiegebied Borssele;

met de daarbij behorende:

  • d. kabels en leidingen;
  • e. groenvoorzieningen en water;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. wegen, paden en verhardingen.
3.2 Bouwregels

Op de gronden met de bestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf' mogen gebouwen en overig bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de in artikel 3.1 bedoelde bestemming met in achtneming van de volgende regels:

  • a. voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte mag ten hoogste 45 m bedragen;
    • 2. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
  • b. voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 3 m bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag ten hoogste 30 m bedragen.

Artikel 4 Bedrijventerrein – Zeehaven

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Bestemming

De voor 'Bedrijventerrein – Zeehaven' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2': bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in ten hoogste categorie 4.2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 5.1': bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in ten hoogste categorie 5.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 5.2': bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in ten hoogste categorie 5.2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 5.3': bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in ten hoogste categorie 5.3 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein';
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 6': bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in ten hoogste categorie 6 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein';
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kerncentrale': tevens een kerncentrale;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kolencentrale': tevens een kolengestookt elektriciteitsproductiebedrijf;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - olieraffinaderij': tevens een olieraffinaderij;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opleidings- en oefencentrum hulpdiensten': tevens een opleidings- en oefencentrum voor hulpdiensten;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag radioactief afval': tevens opslag en verwerking van radioactief afval;
  • k. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met e is een vuilstortplaats uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vuilstort';
  • l. ter plaatse van de specifieke vorm van bedrijf - laad-, los- en overslagbedrijf zeeschepen'; tevens een laad-, los- en overslagbedrijf (52241 - 3) uit categorie 5.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein';
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden': tevens natuurwaarden en landschapswaarden;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine': tevens een windturbine;
  • o. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met e zijn een gasontvangststation en een gasdrukmeet- en regelstation uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen respectievelijk 'specifieke vorm van bedrijf - gasontvangststation' en 'specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet- en regelstation;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark': tevens een zonnepark;
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - café-restaurant' - tevens een café-restaurant;
  • r. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals:
    • 1. andere bijbehorende voorzieningen waaronder begrepen nutsvoorzieningen;
    • 2. geluidwerende voorzieningen;
    • 3. groenvoorzieningen;
    • 4. havens;
    • 5. kaden met laad- en losfaciliteiten;
    • 6. ontsluitingswegen;
    • 7. parkeervoorzieningen;
    • 8. spoor- en railverbindingen;
    • 9. kraanopstelplaatsen, transformatoren en schakelkasten, kabels en leidingen en het overdraaien van de rotorbladen van de windturbine.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 4.1.1 bedoelde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. overige bouwwerken.

4.2.2 Voorwaardelijke verplichting - bouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan uitsluitend worden verleend indien ten behoeve van het bouwplan voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand gehouden, waarbij het volgende geldt:

  • a. personenparkeren geschiedt op eigen terrein of elders in het plan, maar niet op de openbare weg, met uitzondering van een daartoe aangewezen parkeerterrein, waarbij de maximum parkeerkencijfers van de CROW-publicatie, weinig stedelijk, rest bebouwde kom leidend zijn;
  • b. vrachtwagenparkeren geschiedt op eigen terrein of elders in het plan, maar niet op de openbare weg, met uitzondering van een daartoe aangewezen parkeerterrein.

4.2.3 Gebouwen

Gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m;
  • b. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 2 m.

4.2.4 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt:
    • 1. ter plaatse gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1': ten hoogste 100 m;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' en de 'specifieke bouwaanduiding - 3': ten hoogste 145 m;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' de bouwhoogte van windturbines:
    • 1. voor de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' en 'specifieke bouwaanduiding - 2': ten hoogste 100 m;
    • 2. voor de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3': ten hoogste 175 m;
  • c. voordat het bevoegd gezag overgaat tot het verlenen van een omgevingsvergunning bouwen met een bouwhoogte, hoger dan aangegeven binnen de contouren in bijlage 3 behorende bij deze regels, stelt het bevoegd gezag het Ministerie van Defensie in de gelegenheid schriftelijk advies uit te brengen over de vraag of:
    • 1. de werking van de zend- en ontvangstinstallatie op het terrein van de Marinierskazerne, zoals vastgelegd in het Inpassingsplan Marinierskazerne Buitenhaven, vastgesteld op 4 juli 2014, op basis van een door de aanvrager omgevingsvergunning aan te leveren rapportage door TNO, negatief beïnvloedt;
    • 2. de gevraagde vergunning, op basis van de onder 1 aangeleverde rapportage, verleend kan worden.
4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijken bouwhoogte van gebouwen en afstand van gebouwen tot de perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 4.2.3 sub a, tot een grotere bouwhoogte tot 60 m;
  • b. lid 4.2.3 sub b, voor een kortere afstand tot de perceelsgrens.

4.3.2 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning

De in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

4.3.3 Afwijken voor hogere windturbines
  • a. Voor de gronden waar de aanduiding 'windturbine' en 'specifieke bouwaanduiding - 2' samenvallen, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.4, sub b1, tot een bouwhoogte van maximaal 150 m;
  • b. de omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan uitsluitend worden verleend indien aangetoond is dat:
    • 1. de kans op een ernstig ongeval, waarbij brandbare, explosieve of toxische gassen vrijkomen vanwege een falende windturbine, de wettelijke vereisten niet te boven gaat; onder falen van de windturbine wordt verstaan het (om)vallen van de mast, de turbine of een (deel van een) wiek;
    • 2. natuurwaarden en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
    • 3. de windturbine geen onevenredige belemmering vormt voor de gebruiksmogelijkheden van percelen aan de kade voor zeehaven- en industriegebonden activiteiten;
    • 4. de windturbine de werking van de zend- en ontvangstinstallaties op het terrein van de Marinierskazerne, zoals vastgelegd in het Inpassingsplan Marinierskazerne Buitenhaven, vastgesteld op 4 juli 2014, niet in onaanvaardbare mate negatief beïnvloedt;
    • 5. geen onevenredige toename van geluidhinder optreedt;
    • 6. geen onevenredige schaduweffecten optreden;
  • c. alvorens omtrent het afwijken te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van:
    • 1. de veiligheidsdeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren kwantitatieve risicoanalyse, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b1 wordt voldaan;
    • 2. de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren beoordeling, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b2 wordt voldaan;
    • 3. de milieudeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren beoordeling, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder sub c en d wordt voldaan;
    • 4. het Ministerie van Defensie, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren rapportage door TNO, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b4 wordt voldaan;
    • 5. de netbeheerder, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren kwantitatieve risicoanalyse, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b1 wordt voldaan;
    • 6. de leidingbeheerder dan wel de netbeheerder voor zover een nabijgelegen leiding of hoogspanningsverbinding komt te liggen binnen het invloedsgebied van de windturbine omtrent de vraag of het belang van de leiding dan wel de hoogspanningsverbinding niet wordt geschaad.
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Algemeen

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. activiteiten van Wgh-inrichtingen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gezoneerd industrieterrein';
  • b. bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gezoneerd industrieterrein' mogen niet meer geluid produceren dan aan hen is toegekend in de beleidsregel zonebeheersysteem industrieterrein Vlissingen-Oost 2008 zoals opgenomen in bijlage 2 Akoestisch inrichtingsplan en zonebeheersysteem bij deze regels;
  • c. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan;
  • d. detailhandel is niet toegestaan;
  • e. het lozen en onttrekken van koelwater is uitsluitend toegestaan in de haven en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - koelwaterin- en uitlaat';
  • f. nachtverblijf is niet toegestaan, met dien verstande dat nachtverblijf van de eigen bemanning op het eigen schip wel is toegestaan, gedurende de tijd dat het schip in het plangebied moet verblijven;

4.4.2 Kantoren

Met betrekking tot kantoren gelden de volgende regels:

  • a. zelfstandige kantoren zijn niet toegestaan;
  • b. het bedrijfsvloeroppervlak van niet-zelfstandige kantoren die meer bedraagt dan 50% van het bedrijfsvloeroppervlak met een maximum oppervlakte van 1.500 m² per bedrijf, is niet toegestaan.

4.4.3 Voorwaardelijke verplichting - voldoende parkeerplaatsen

Het gebruiken of laten gebruiken van een bouwplan als bedoeld in lid 4.2.1 is slechts toegestaan indien voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn overeenkomstig het bepaalde in lid 4.2.2 onder a en b.

4.4.4 Voorwaardelijke verplichting - voldoende milieugebruiksruimte

Nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van bedrijfsactiviteiten is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. de bedrijfsactiviteiten vergund zijn door middel van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (of diens voorganger: de Natuurbeschermingswet 1998), dan wel;
  • b. de bedrijfsactiviteiten niet leiden tot een toename van stikstofdepositie, of de toename van stikstofdepositie niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000, dan wel;
  • c. nog voldoende ontwikkelingsruimte binnen het segment 'onder grenswaarde' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) beschikbaar is voor de betreffende bedrijfsactiviteiten, dan wel;
  • d. nog voldoende ontwikkelingsruimte binnen het segment 'vrije ontwikkelingsruimte' (segment 2) binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is voor de betreffende bedrijfsactiviteiten, dan wel;
  • e. nog voldoende ontwikkelingsruimte binnen het segment 'prioritair project' (segment 1) binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is voor de betreffende bedrijfsactiviteiten.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Afwijken Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein'

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1:

  • a. om bedrijven toe te laten twee categorieën hoger dan in lid 4.1, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 4.1 genoemd;
  • b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd bedrijventerrein' zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 4.1 genoemd.

4.5.2 Afwijken voor zelfstandig kantoor

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4.2:

  • a. voor het toestaan van een zelfstandig kantoor als object met functionele binding;
  • b. het zelfstandig kantoor heeft een bruto vloeroppervlak van ten hoogste 1.500 m².
4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de in lid 4.1.1 onder m bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aantasten van aanwezige natuurwaarden en landschapswaarden;
  • b. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van struiken of bomen.

4.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 4.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

4.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de in lid 4.1.1 onder m genoemde aanwezige natuurwaarden en landschapswaarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

4.6.4 Advisering

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid
4.7.1 Wijzigingsbevoegdheid windturbines

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen teneinde tevens windturbines toe te staan op gronden zonder de aanduiding 'windturbine', met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1': 100 m;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2': 150 m;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3': 175 m;
  • b. toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan indien aangetoond is dat:
    • 1. de kans op een ernstig ongeval, waarbij brandbare, explosieve of toxische gassen vrijkomen vanwege een falende windturbine, de wettelijke vereisten niet te boven gaat; onder falen van de windturbine wordt verstaan het (om)vallen van de mast, de turbine of een (deel van een) wiek;
    • 2. natuurwaarden en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
    • 3. de windturbine geen onevenredige belemmering vormt voor de gebruiksmogelijkheden van percelen aan de kade voor zeehaven- en industriegebonden activiteiten;
    • 4. geen onevenredige toename van geluidhinder optreedt;
    • 5. geen onevenredige schaduweffecten optreden;
  • c. alvorens omtrent wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van;
    • 1. de veiligheidsdeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren kwantitatieve risicoanalyse, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b.1 wordt voldaan;
    • 2. de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren beoordeling, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b.2. wordt voldaan;
    • 3. de milieudeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren beoordeling, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b4 en b5 wordt voldaan;
    • 4. de leidingbeheerder dan wel de netbeheerder voor zover een nabijgelegen leiding of hoogspanningsverbinding komt te liggen binnen het invloedsgebied van de windturbine omtrent de vraag of het belang van de leiding dan wel de hoogspanningsverbinding niet wordt geschaad.

4.7.2 Wijzigingsbevoegdheid begrenzing 'specifieke bouwaanduiding - 1', 'specifieke bouwaanduiding - 2' en 'specifieke bouwaanduiding - 3'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de begrenzing van de aanduidingsvlakken 'specifieke bouwaanduiding - 1', 'specifieke bouwaanduiding - 2' en 'specifieke bouwaanduiding - 3' te wijzigen indien de ruimtelijke situatie daartoe aanleiding geeft met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan indien aangetoond is dat er na wijziging geen sprake zal zijn van een onevenredige verslechtering van de visueel-ruimtelijke beleving van het industrieterrein gezien van buiten het plangebied zoals die is of kan ontstaan voor de planwijziging;
  • b. alvorens omtrent wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige.

4.7.3 Wijzigingsbevoegdheid akoestisch inrichtingsplan

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen en het akoestisch inrichtingsplan in bijlage 2 Akoestisch inrichtingsplan en zonebeheersysteem van deze regels te vervangen door een actuele versie van het akoestisch inrichtingsplan dat is vastgesteld in overeenstemming met de provincie Zeeland, de gemeente Borsele en de gemeente Vlissingen.

Artikel 5 Groen

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Bestemming

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. plantsoen, bermstroken, paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair, abri's, afvalverzamelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen en andere tot de bestemming behorende groenvoorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie': tevens een zend- en ontvangstinstallatie voor telecommunicatie;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark': tevens een zonnepark.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 5.1.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. overige bouwwerken.

5.2.2 Gebouwen

Gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen bedraagt ten hoogste 15 m²;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
  • c. de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt ten minste 5 m.

5.2.3 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' bedraagt ten hoogste 30 m;
  • b. de bouwhoogte van zonnepanelen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. de bouwhoogte van overig bouwwerken bedraagt ten hoogste 15 m.
5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Afwijken voor hogere bouwhoogte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.3, sub a tot een hoogte van ten hoogste 20 m.

5.3.2 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

De in lid 5.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 6 Horeca

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 Bestemming

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum': uitsluitend een congres-, restaurant en partycentrum met bijbehorende bedrijfswoning;
  • b. verhardingen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, terrassen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 6.1.1 bedoelde bestemming worden gebouwd:

6.2.2 Gebouwen

Met betrekking tot het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • b. de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • c. het bebouwingspercentage van het onder a genoemde aanduidingsvlak bedraagt ten hoogste 30%.

6.2.3 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel: de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 15 m.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Bestemming

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verhardingen, wegen, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden': tevens natuurwaarden en landschapswaarden;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark': tevens een zonnepark.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 7.1.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. overige bouwwerken.

7.2.2 Gebouwen

Gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen bedraagt ten hoogste 15 m²;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
  • c. de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt ten minste 5 m.

7.2.3 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van zonnepanelen bedraagt ten hoogste 3 m.
  • b. de bouwhoogte van overig bouwwerken bedraagt ten hoogste 20 m.
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de in lid 7.1.1 onder b bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aantasten van aanwezige natuurwaarden en landschapswaarden;
  • b. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van struiken of bomen.

7.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 7.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

7.3.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de in lid 7.1.1 onder b genoemde aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

7.3.4 Advisering

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige.

Artikel 8 Waterstaatswerken

8.1 Bestemmingsomschrijving
8.1.1 Bestemming

De voor 'Waterstaatswerken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterstaatkundige voorzieningen, waaronder begrepen de waterkering en de waterbeheersing door dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen voor de waterkering, bestaande wegen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - koelwaterin- en uitlaat': tevens een koelwaterin- en uitlaat.
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonnepark': tevens een zonnepark.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de in lid 8.1.1 bedoelde bestemming worden gebouwd.

8.2.2 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van zonnepanelen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • b. de bouwhoogte van overig bouwwerken bedraagt ten hoogste 10 m.

Artikel 9 Leiding - Gas 1

9.1 Bestemmingsomschrijving
9.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 1' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 5 inch en een werkdruk van ten hoogste 40   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 9.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
9.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
9.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 9.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

9.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 9.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 9.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

9.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 9.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 10 Leiding - Gas 2

10.1 Bestemmingsomschrijving
10.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 2' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 7 inch en een werkdruk van ten hoogste 40   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
10.3 Afwijken van de bouwregels
10.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
10.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
10.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 10.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

10.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 10.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 10.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

10.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 10.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 11 Leiding - Gas 3

11.1 Bestemmingsomschrijving
11.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 3' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 9 inch en een werkdruk van ten hoogste 40   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

11.2 Bouwregels
11.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 11.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
11.3 Afwijken van de bouwregels
11.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2.1 sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
11.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
11.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 11.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
11.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

11.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 11.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 11.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

11.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 11.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 12 Leiding - Gas 4

12.1 Bestemmingsomschrijving
12.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 4' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 11 inch en een werkdruk van ten hoogste 40   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

12.2 Bouwregels
12.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 12.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
12.3 Afwijken van de bouwregels
12.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
12.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
12.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
12.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

12.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 12.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 12.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

12.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 12.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

 

Artikel 13 Leiding - Gas 5

13.1 Bestemmingsomschrijving
13.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 5' aangewezen gronden zijn –  behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 13 inch en een werkdruk van ten hoogste 40   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

13.2 Bouwregels
13.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 13.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
13.3 Afwijken van de bouwregels
13.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
13.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
13.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 13.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
13.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

13.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 13.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 13.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

13.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 13.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 14 Leiding - Gas 6

14.1 Bestemmingsomschrijving
14.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 6' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 13 inch en een werkdruk van ten hoogste 67   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

14.2 Bouwregels
14.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
14.3 Afwijken van de bouwregels
14.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
14.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
14.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 14.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
14.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 6' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

14.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 14.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 14.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

14.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 14.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 15 Leiding - Gas 7

15.1 Bestemmingsomschrijving
15.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 7' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 16 inch en een werkdruk van ten hoogste 67   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

15.2 Bouwregels
15.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 15.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
15.3 Afwijken van de bouwregels
15.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
15.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
15.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 15.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
15.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 7' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

15.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 15.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 15.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

15.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 15.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 16 Leiding - Gas 8

16.1 Bestemmingsomschrijving
16.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 8' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 18 inch en een werkdruk van ten hoogste 67   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

16.2 Bouwregels
16.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 16.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
16.3 Afwijken van de bouwregels
16.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
16.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.

16.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 16.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
16.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 8' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

16.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 16.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 16.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

16.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 16.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 16.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 17 Leiding - Gas 9

17.1 Bestemmingsomschrijving
17.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 9' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 8 inch en een werkdruk van ten hoogste 80   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

17.2 Bouwregels
17.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 17.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
17.3 Afwijken van de bouwregels
17.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
17.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.

17.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 17.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
17.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
17.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 9' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

17.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 17.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 17.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

17.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 17.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 17.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 18 Leiding - Gas 10

18.1 Bestemmingsomschrijving
18.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 10' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 10 inch en een werkdruk van ten hoogste 80   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

18.2 Bouwregels
18.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 18.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
18.3 Afwijken van de bouwregels
18.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
18.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
18.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 18.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
18.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
18.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 10' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

18.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 18.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 18.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

18.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 18.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 18.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 19 Leiding - Gas 11

19.1 Bestemmingsomschrijving
19.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Gas 11' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 48 inch en een werkdruk van ten hoogste 80   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

19.2 Bouwregels
19.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 19.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
19.3 Afwijken van de bouwregels
19.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning;

met dien verstande dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor een kwetsbaar object.

  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
19.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van goederen is niet toegestaan, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen is niet toegestaan indien daardoor een kwetsbaar object ontstaat.
19.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 19.1.1 om de in dat lid genoemde aardgastransportleiding te vervangen door een aardgastransportleiding met een andere druk en/of diameter.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in onder a, zal een risicoanalyse met betrekking tot het aspect externe veiligheid moeten worden aangeleverd, waaruit blijkt dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
19.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
19.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas 11' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

19.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 19.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 19.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen, mits voor graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken een graafmelding is gedaan;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

19.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 19.6.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 20 Leiding - Hoogspanning

20.1 Bestemmingsomschrijving
20.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen van ten hoogste 380 kV.

20.2 Bouwregels
20.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 20.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
20.3 Afwijken van de bouwregels
20.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leiding- c.q. netbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanning' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ontginnen en ophogen;
  • f. het permanent opslaan van goederen.

20.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 20.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 20.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

20.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 20.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leiding- c.q. netbeheerder.

Artikel 21 Leiding - Hoogspanningsverbinding 1

21.1 Bestemmingsomschrijving
21.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor bovengrondse hoogspanningsleidingen van ten hoogste 380 kV.

21.2 Bouwregels
21.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 21.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, dan wel de (bouw)hoogte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid of vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
21.3 Afwijken van de bouwregels
21.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leiding- c.q. netbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ontginnen en ophogen;
  • f. het permanent opslaan van goederen.

21.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 21.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 21.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

21.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 21.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leiding- c.q. netbeheerder.

Artikel 22 Leiding - Hoogspanningsverbinding 2

22.1 Bestemmingsomschrijving
22.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor bovengrondse hoogspanningsleidingen van ten hoogste 150 kV.

22.2 Bouwregels
22.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 22.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, dan wel de (bouw)hoogte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid of vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
22.3 Afwijken van de bouwregels
22.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 22.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leiding- c.q. netbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
22.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ontginnen en ophogen;
  • f. het permanent opslaan van goederen.

22.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 22.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 22.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

22.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 22.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 22.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leiding- c.q. netbeheerder.

Artikel 23 Leiding - Olie 1

23.1 Bestemmingsomschrijving
23.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Olie 1' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een olietransportleiding met een diameter van ten hoogste 14 inch en een werkdruk van ten hoogste 30 bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

23.2 Bouwregels
23.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 23.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
23.3 Afwijken van de bouwregels
23.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 23.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad. .
23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
23.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Olie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

23.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 23.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 23.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

23.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 23.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 23.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 24 Leiding - Olie 2

24.1 Bestemmingsomschrijving
24.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Olie 2' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een olietransportleiding met een diameter van ten hoogste 21 inch en een werkdruk van ten hoogste 30   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

24.2 Bouwregels
24.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 24.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
24.3 Afwijken van de bouwregels
24.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 24.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
24.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Olie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

24.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 24.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 24.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

24.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 24.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 24.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 25 Leiding - Olie 3

25.1 Bestemmingsomschrijving
25.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Olie 3' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een olietransportleiding met een diameter van ten hoogste 11 inch en een werkdruk van ten hoogste 30   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

25.2 Bouwregels
25.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 25.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
25.3 Afwijken van de bouwregels
25.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 25.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Olie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

25.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 25.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 25.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

25.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 25.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 25.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 26 Leiding - Olie 4

26.1 Bestemmingsomschrijving
26.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Olie 4' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een olietransportleiding met een diameter van ten hoogste 24 inch en een werkdruk van ten hoogste 60   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

26.2 Bouwregels
26.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 26.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
26.3 Afwijken van de bouwregels
26.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Olie 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

26.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 26.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 26.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

26.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 26.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 26.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 27 Leiding - Olie 5

27.1 Bestemmingsomschrijving
27.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Olie 5' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een olietransportleiding met een diameter van ten hoogste 9 inch en een werkdruk van ten hoogste 60   bar, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

27.2 Bouwregels
27.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 27.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
27.3 Afwijken van de bouwregels
27.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 27.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de veiligheid en de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
27.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Olie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

27.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 27.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 27.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

27.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 27.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 27.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 28 Leiding - Water - drinkwater

28.1 Bestemmingsomschrijving
28.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Water - drinkwater' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een transportleiding voor drinkwater met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

28.2 Bouwregels
28.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 28.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
28.3 Afwijken van de bouwregels
28.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 28.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
28.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
28.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'bevoegd gezag' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

28.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 28.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 28.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

28.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 28.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 28.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 29 Leiding - Water - industriewater

29.1 Bestemmingsomschrijving
29.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Water - industriewater' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een watertransportleiding voor de industrie met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

29.2 Bouwregels
29.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 29.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
29.3 Afwijken van de bouwregels
29.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 29.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
29.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water - industriewater' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

29.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 29.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 29.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

29.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 29.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 29.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 30 Leiding - Water - afvalwatertransport

30.1 Bestemmingsomschrijving
30.1.1 Bestemming

De voor 'Leiding - Water - afvalwatertransport' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een transportleiding voor afvalwater, met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstroken.

30.2 Bouwregels
30.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 30.1 genoemde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
30.3 Afwijken van de bouwregels
30.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 30.2.1, sub b, indien:
    • 1. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
    • 2. het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
    • 3. uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan alleen worden verleend indien uit schriftelijk overleg met de betrokken leidingbeheerder is gebleken dat het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
30.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water - afvalwatertransport' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen en/of verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

30.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 30.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 30.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

30.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 30.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 30.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 31 Waarde - Archeologie 2

31.1 Bestemmingsomschrijving
31.1.1 Bestemming

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemmingen(en) – mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de ter plaatse in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden.

31.2 Bouwregels
31.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. overige bouwwerken uitsluitend ten dienste van de in lid 31.1.1 genoemde bestemming;
  • b. bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en), uitsluitend onder voorwaarde van het bepaalde in lid 31.2.3 en 31.3.

31.2.2 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel: de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 2 m.

31.2.3 Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en)

Met betrekking tot het bouwen van bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemmingen gelden, met inachtneming van de voor de betreffende bestemming(en) geldende (bouw)regels, de volgende regels:

  • a. reeds bestaande bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid als wordt voldaan aan ten minste één van de volgende voorwaarden:
    • 1. de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 250 m²;
    • 2. de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.
31.3 Afwijken van de bouwregels
31.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 31.2.2, sub a tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 m;
  • b. lid 31.2.3, sub b voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken, waarbij de oppervlakte van de bodemverstoring groter is en de bodem dieper geroerd wordt dan de aangegeven maximale maat, indien:

31.3.2 Procedureregel

Het bevoegd gezag wint ter beoordeling van het rapport, zoals bedoeld in lid 31.3.1, sub b, onder 2 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

31.3.3 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover het oprichten van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in lid 31.3.1, sub b, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
31.4 Specifieke gebruiksregels
31.4.1 Verboden gebruik

Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c Wabo wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden als opslagplaats voor bagger en grondspecie.

31.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
31.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm;
  • c. het omzetten van grasland in bouwland;
  • d. het planten of verwijderen van houtgewas;
  • e. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het aanleggen van drainage;
  • h. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.

31.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 31.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan;
  • b. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  • c. betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 250 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

31.5.3 Werken of werkzaamheden slechts onder voorwaarden toelaatbaar

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 31.5.1 is slechts toelaatbaar indien:

  • a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
  • b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate blijkt dat:

31.5.4 Procedureregel

Het bevoegd gezag wint met betrekking tot het bepaalde in lid 31.5.3 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

31.5.5 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover de in artikel 31.5.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kan het bevoegd gezag aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
31.6 Wijzigingsbevoegdheid
31.6.1 Wijzigen archeologische waardering gronden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken van de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden te wijzigen in die zin dat een bestemmingsvlak met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' mag worden gewijzigd naar 'Waarde - Archeologie 3' indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de betreffende gronden van een lagere archeologische waarde zijn.

31.6.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken van de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien:

  • a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op grond van archeologisch onderzoek het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

31.6.3 Procedureregel

Alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging zoals bedoeld in lid 31.6.1 en 31.6.2 te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

Artikel 32 Waarde - Archeologie 3

32.1 Bestemmingsomschrijving
32.1.1 Bestemming

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemmingen(en) – mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de ter plaatse in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden.

32.2 Bouwregels
32.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. overige bouwwerken uitsluitend ten dienste van de in lid 32.1.1 genoemde bestemming;
  • b. bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en), uitsluitend onder voorwaarde van het bepaalde in lid 32.2.3. en 32.3.

32.2.2 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel: de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 2 m.

32.2.3 Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en)

Met betrekking tot het bouwen van bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemmingen gelden, met inachtneming van de voor de betreffende bestemming(en) geldende (bouw)regels, de volgende regels:

  • a. reeds bestaande bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid als wordt voldaan aan ten minste één van de volgende voorwaarden:
    • 1. de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 500 m²;
    • 2. de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.
32.3 Afwijken van de bouwregels
32.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 32.2.2, sub a tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 m;
  • b. lid 32.2.3, sub b voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken, waarbij de oppervlakte van de bodemverstoring groter is en de bodem dieper geroerd wordt dan de aangegeven maximale maat, indien:
    • 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van een archeologisch deskundige, waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken gronden niet nodig is; of
    • 2. op basis van archeologisch onderzoek , waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.

32.3.2 Procedureregel

Het bevoegd gezag wint ter beoordeling van het rapport, zoals bedoeld in lid 32.3.1, sub b, onder 2 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

32.3.3 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover het oprichten van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in lid 32.3.1, sub b, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
32.4 Specifieke gebruiksregels
32.4.1 Verboden gebruik

Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c Wabo wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden als opslagplaats voor bagger en grondspecie.

32.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
32.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. Het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm;
  • c. het omzetten van grasland in bouwland;
  • d. het planten of verwijderen van houtgewas;
  • e. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het aanleggen van drainage;
  • h. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.

32.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 32.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan;
  • b. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  • c. betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 500 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

32.5.3 Werken of werkzaamheden slechts onder voorwaarden toelaatbaar

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 32.5.1 is slechts toelaatbaar indien:

  • a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
  • b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate blijkt dat:

32.5.4 Procedureregel

Het bevoegd gezag wint met betrekking tot het bepaalde in lid 32.5.3 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

32.5.5 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover de in artikel 32.5.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kan het bevoegd gezag aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
32.6 Wijzigingsbevoegdheid
32.6.1 Wijzigen archeologische waardering gronden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken van de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden te wijzigen in die zin dat een bestemmingsvlak met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' mag worden gewijzigd naar 'Waarde - Archeologie 2' indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de betreffende gronden van een hogere archeologische waarde zijn.

32.6.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken van de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien:

  • a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op grond van archeologisch onderzoek het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

32.6.3 Procedureregel

Alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging zoals bedoeld in lid 32.6.1 en 32.6.2 te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

Artikel 33 Waarde - Archeologie Waterbodems

33.1 Bestemmingsomschrijving
33.1.1 Bestemming

De voor 'Waarde - Archeologie Waterbodems' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemmingen(en) – mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de ter plaatse in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden.

33.2 Bouwregels
33.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. overige bouwwerken uitsluitend ten dienste van de in lid 33.1.1 genoemde bestemming;
  • b. bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en), uitsluitend onder voorwaarde van het bepaalde in lid 33.2.3 en 33.3.

33.2.2 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel: de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 2 m.

33.2.3 Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en)

Met betrekking tot het bouwen van bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemmingen gelden, met inachtneming van de voor de betreffende bestemming(en) geldende (bouw)regels, de volgende regels:

  • a. reeds bestaande bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande oppervlakte, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en de maat van de bestaande fundering;
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid indien:
    • 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van een archeologisch deskundige, waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken gronden niet nodig is; of
    • 2. op basis van het archeologisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige hierdoor niet onevenredig worden geschaad.

33.2.4 Procedureregel

Het bevoegd gezag wint ter beoordeling van het rapport, zoals bedoeld in lid 33.2.3, sub b onder 2 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

33.2.5 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover het oprichten van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in lid 33.2.3. sub b, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
33.3 Afwijken van de bouwregels
33.3.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag is bevoegd om bij omgevingsvergunning af wijken van het bepaalde in: lid 33.2.2, sub a tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 m.

33.4 Specifieke gebruiksregels
33.4.1 Verboden gebruik

Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c Wabo wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden als opslagplaats voor bagger en grondspecie.

33.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
33.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie Waterbodems' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, ontginnen, baggeren, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • a. het aanleggen, verbreden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

33.5.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 33.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan;
  • b. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen.

33.5.3 Werken of werkzaamheden slechts onder voorwaarden toelaatbaar

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 33.5.1 is slechts toelaatbaar indien:

  • a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
  • b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate blijkt dat:
    • 1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • 2. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • 3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.

33.5.4 Procedureregel

Het bevoegd gezag wint met betrekking tot het bepaalde in lid 33.5.3 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

33.5.5 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken.

Voor zover de in artikel 33.5.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kan het bevoegd gezag aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
33.6 Wijzigingsbevoegdheid
33.6.1 Wijzigen archeologische waardering gronden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken van de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden te wijzigen in die zin dat:

33.6.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsvlakken van de bestemming 'Waarde - Archeologie Waterbodems' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien:

  • a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op grond van archeologisch onderzoek het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

33.6.3 Procedureregel

Alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging zoals bedoeld in lid 33.6.1 en 33.6.2 te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

Artikel 34 Waterstaat - Waterkering

34.1 Bestemmingsomschrijving
34.1.1 Bestemming

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering en de waterbeheersing.

34.2 Bouwregels
34.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op de gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de in lid 34.1.1 genoemde doeleinden worden gebouwd.

34.2.2 Verboden bebouwing

Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en) zijn op deze gronden niet toelaatbaar, met uitzondering van reeds bestaande bouwwerken.

34.2.3 Overige bouwwerken

Overige bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel: de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 10 m.

34.3 Nadere eisen

Reeds bestaande bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en) mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande omvang niet wordt vergroot.

34.4 Afwijken van de bouwregels
34.4.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 34.2.2 voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken van de voor deze gronden andere aldaar geldende bestemmingen(en), mits de waterstaatswaarden van de gronden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  • b. lid 34.2.3, sub a tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 m.

34.4.2 Procedureregel

Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 34.4.1 meldt het bevoegd gezag schriftelijk het bouwplan bij het Waterschap.

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 35 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 36 Algemene bouwregels

36.1 Bestaande afstanden en andere maten
36.1.1 Bestaande afstanden

Indien afstanden op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangenomen.

36.1.2 Bestaande maten en hoeveelheden

In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de inwerkingtreding van dit plan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.

Artikel 37 Algemene aanduidingsregels

37.1 Veiligheidszone - bevi 1
37.1.1 Veiligheidszone - bevi 1
  • a. kwetsbare en beperkt kwetsbare opbjecten zijn binnen de aanduiding 'veiligheidszone - bevi 1' slechts toegelaten voor zover het gaat om objecten met functionele binding; beperkt kwetsbare objecten zonder objecten met functionele binding zijn tevens toegelaten voor zover deze op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig waren;
  • b. het bepaalde onder a is niet van toepassing op kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten die behoren tot een inrichting als bedoeld in artikel 2 eerste lid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • c. de 10-6/jaar-contour van risicovolle inrichtingen die zijn gelegen binnen de aanduiding 'veiligheidszone - bevi 1', mag niet liggen buiten de aanduiding 'veiligheidszone - bevi 1';
  • d. het totale groepsrisico (GR) van alle risicovolle activiteiten binnen de aanduiding 'veiligheidszone - bevi 1' mag niet boven de oriëntatiewaarde komen.

37.1.2 Afwijken van veiligheidszone - bevi 1

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 37.1.1, sub c, met dien verstande dat daarover een advies van de regionale brandweer is ontvangen die wordt meegenomen in de belangenafweging;
  • b. lid 37.1.1, sub d, met dien verstande dat daarover een advies van de regionale brandweer is ontvangen die wordt meegenomen in de belangenafweging en uit de belangenafweging blijkt dat het GR aanvaardbaar wordt geacht.
37.2 Veiligheidszones - gasontvangststation
  • a. binnen de aanduiding 'Veiligheidszone - gasontvangststation 1' zijn geen beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten toegestaan;.
  • b. binnen de aanduiding 'Veiligheidszone - gasontvangststation 2' zijn geen kwetsbare objecten toegestaan.
37.3 Vrijwaringszone - dijk
37.3.1 Aanduidingsomschrijving

De voor 'vrijwaringszone - dijk' aangewezen gronden zijn – behalve voor de daar voorkomende bestemmingen – mede aangeduid voor waterstaatkundige voorzieningen.

37.3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 37.3.1 genoemde bestemming overige bouwwerken worden gebouwd;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. voor de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en geldende bouwregels mag uitsluitend worden gebouwd, als het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

37.3.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 37.3.2, onder c met inachtneming van de volgende regels:

  • a. bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen;
  • b. de waterstaatkundige belangen worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad.

37.3.4 Procedureregel

Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

37.4 Vrijwaringszone - straalpad

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - straalpad' bedraagt de hoogte van gebouwen of overige bouwwerken in geen geval meer dan 65 m.

37.5 Vrijwaringszone - radar
37.5.1 Aanduidingsomschrijving

In afwijking van Hoofdstuk 2 bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - radar' de bouwhoogte van een bouwwerk in geen enkel opzicht meer dan 113 m.

37.5.2 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 37.5.1 mits:

  • a. de grotere hoogte in overeenstemming is binnen de overige bouwregels die gelden voor de betreffende bestemming(en);
  • b. de werking van de radar niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed;
  • c. voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van het radarverstoringsgebied.
37.6 Zoekgebied - kerncentrale

De voor 'zoekgebied - kerncentrale' aangewezen gronden zijn – behalve voor de daar voorkomende bestemmingen – mede aangeduid als onderzoeksgebied voor de vestiging van een tweede kerncentrale.

37.7 Overige zone - inpassingsplan Net op Zee Borssele

Ter plaatse van deze aanduiding geldt tevens het inpassingsplan Net op Zee Borssele.

37.8 Overige zone - inpassingsplan Zuid-West 380 kV West

Ter plaatse van deze aanduiding geldt tevens het inpassingsplan Zuid-West 380 kV West.

Artikel 38 Algemene afwijkingsregels

38.1 Afwijkingsbevoegdheid
38.1.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit plan voor:

  • a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en overige bouwwerken van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 100 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 10 m;
  • b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bebouwingsgrens met maximaal 30 m toelaatbaar.

38.1.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De in lid 38.1.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend indien:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

dit niet leidt tot wijziging van de op de verbeelding aangegeven bestemming.

Artikel 39 Overige regels

39.1 Voorrangsregeling dubbelbestemmingen

Artikel 40 Algemene wijzigingsregels

40.1 Algemeen
40.1.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Het bevoegd gezag kan de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 50 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 41 Overgangsrecht

41.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan éénmalig in afwijking van lid 41.1, sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 41.1, sub a met maximaal 10%.
  • c. Lid 41.1, sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
41.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 41.2, sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in lid 41.2, sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Lid 41.2, sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 42 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Zeehaven- en industrieterrein Sloe 2018'.