| Plan: | Kern Heinkenszand, gedeelte Platepolder fase 1, 2022 |
|---|---|
| Status: | voorontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0654.BPHZPP2022-0001 |
De afgelopen jaren is woonwijk Over de Dijk in Heinkenszand gerealiseerd. Deze wijk is inmiddels nagenoeg gereed, maar de vraag naar woningen en bouwgrond blijft. Daarom is de gemeenteraad in september 2018 akkoord gegaan met de aankoop van circa 14,7 hectare grond in de Platepolder, met als doel hier een nieuwe (woon)wijk te realiseren.
Begin 2019 is een projectgroep bestaande uit een brede vertegenwoordiging van ambtelijke professionals aan de slag gegaan met de planvorming van de nieuwe woonwijk Platepolder. Deze planvorming heeft op interactieve wijze plaatsgevonden, waarbij op verschillende momenten overleg is gepleegd met omwonenden, geïnteresseerden en andere betrokkenen. Dit traject heeft geleid tot een stedenbouwkundig plan voor geheel Platepolder, waarvan de eerste fase in dit bestemmingsplan wordt vastgelegd.
De Platepolder bevindt zich aan de zuidoostkant van Heinkenszand. De Platepolder ligt ingeklemd tussen de Oudekamersedijk (west) en de Zuidzaksedijk (oost). Aan de noordzijde grenst de polder aan de Stenevate en aan de zuidzijde vormt de Heinkenszandseweg de grens van de toekomstige woonwijk Platepolder.
In het voorliggende bestemmingsplan wordt fase 1 van de woonwijk Platepolder vastgelegd. Dit betekent dat de zuidelijke begrenzing van het bestemmingsplangebied niet wordt gevormd door de Heinkenszandseweg maar halverwege de agrarische gronden. In figuur 1 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Om een, ruimtelijk gezien, logische begrenzing aan te houden zijn ook de gronden die behoren bij de bestaande woningen aan de Stenevate meegenomen in het plangebied.
Figuur 1: Ligging en begrenzing plangebied
Het grootste deel van het plangebied, onderdeel van Platepolder fase 1, wordt gevormd door de volgende kadastrale percelen: gemeente Borsele, sectie Z, nummers 1517 en 1456. Deze gronden zijn in eigendom van de gemeente Borsele en worden op dit moment agrarisch gebruikt. De overige kleinere percelen zijn in eigendom van de gemeente Borsele, het Waterschap Scheldestromen of van de bewoners aan de Stenevate.
Op het plangebied zijn meerdere bestemmingsplannen van toepassing. Zo gelden er op deze planlocatie de volgende bestemmingsplannen:
De gronden welke zijn bestemd voor de realisatie van Platepolder fase 1 mogen gebruikt worden voor agrarische doeleinden en zijn gelegen in het deelgebied Kleinschalige polders. Verder zijn er ook archeologische waarden van toepassing op deze gronden. Het betreft de Waarde-Archeologie – 3. In hoofdstuk 4 zal nader op deze archeologische waarden worden ingegaan. De gronden ten behoeve van de bestaande woonpercelen gelegen aan de Stenevate kennen een woonbestemming, met daaromheen een groenbestemming. Er is geen archeologische waarde of andere dubbelbestemming van toepassing op de woonpercelen.
De gemeente Borsele wil middels het voorliggende bestemmingsplan de vigerende bestemmingsplannen herzien om ruimte te bieden aan de beoogde ontwikkeling.
Figuur 2: Uitsnede verbeelding van de vigerende bestemmingsplannen. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) (In het rood globaal de begrenzing van het plangebied aangegeven)
De toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit zes hoofdstukken. In Hoofdstuk 2 komt het ruimtelijk relevante beleid uit de geldende beleidskaders aan bod. In Hoofdstuk 3 wordt het project toegelicht. Vervolgens worden in Hoofdstuk 4 de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Hoofdstuk 5 bevat de beschrijving van de juridische aspecten. In Hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Tot slot komt in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.
De beoogde ontwikkeling, de realisatie van de nieuwe woonwijk Platepolder fase 1, mag niet in strijd zijn met het beleid van het Rijk, de provincie Zeeland en de gemeente Borsele. In dit hoofdstuk wordt verantwoord dat de ontwikkeling past binnen de geldende beleidskaders. Voor het conserverende deel van het plan, de woningen aan de Stenevate, is geen nadere afweging nodig.
Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie op 2050 gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Figuur 3: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten
De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten:
Drie afwegingsprincipes
Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:
In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken:
Voor wat betreft de volgende nationale belangen 'Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving', 'Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit' en 'Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving' wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving aan de orde komen.
Het realiseren van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften behelst een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zie verder onder paragraaf 2.1.3.
Voor de nationale belangen 'Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid “en “Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater' wordt verwezen naar paragraaf 4.6.
In paragraaf 4.4 en 4.5 wordt aandacht besteed aan onder andere cultureel erfgoed in het plangebied; dit raakt aan nationaal belang 'Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang'.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het Rijksbeleid, door middel van normstelling gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van overheden ten aanzien van ruimtelijke plannen inperken, daar waar de nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is op 30 december 2011 in werking getreden.
Het Rijksbeleid bevat geen specifiek beleid voor de beoogde ontwikkeling.
Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, mits er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit de jurisprudentie, die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de Ladder, blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen en of er daarbij sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de bouw van 94 woningen mogelijk. Er is dan ook sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij woningbouwplannen die aangemerkt worden als nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt dat een toets aan de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking plaatsvindt. Volgens deze toets dienen de volgende vragen beantwoord te worden:
Ad1.
De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 94 woningen. Het planvoornemen valt daarmee onder het begrip 'stedelijke ontwikkeling.'
Ad2.
Het bestemmingsplan heeft als scope de termijn van 10 jaar. Vaststelling van het bestemmingsplan wordt voorzien eind 2021. De behoefte wordt derhalve bepaald voor de periode 2021-2031. In dit kader is het relevante woningbouwbeleid en de afbakening van de regionale woningmarkt getoetst.
Kwantitatieve opgave
De ontwikkeling is onderdeel van de Bevelandse woningmarktafspraken. Het beleid van de gemeenten binnen deze regio is om zoveel mogelijk in te spelen op woonwensen die leven. In dat kader is de keuze gemaakt om op verschillende aantrekkelijke locaties een aanbod te creëren, zodat er keuzemogelijkheden zijn. Dit is ook verwerkt in de Bevelandse woningmarktafspraken. De locatie Platepolder is een van de locaties waar bouwmogelijkheden worden geboden in de regio De Bevelanden. In het woningbouwprogramma van de gemeente Borsele zijn voor deze locatie voor de komende 10 jaar in totaal 150 nieuw te realiseren woningen opgenomen. Deze planningslijst is in regionaal verband afgestemd met de gemeenten Noord-Beveland, Goes, Kapelle en Reimerswaal en met de provincie Zeeland. Hiermee zijn in regionaal verband de woningbouwaantallen afgestemd en is de regionale intergemeentelijke vraag in beeld gebracht.
Het voorliggende bestemmingsplan betreft fase 1 van de nieuwe woonwijk Platepolder. In deze fase worden maximaal 94 woningen mogelijk gemaakt. Het woningaantal past derhalve in de regionale woningbouwplanning.
Resumerend wordt gesteld dat voorliggend plan voorziet in de kwantitatieve behoefte en past binnen de woningbouwprogrammering van de gemeente Borsele.
Kwalitatieve opgave
Op basis van de woonwensen/marktvraag zijn de Bevelandse woningmarktafspraken opgesteld. Onder andere het 'Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland 2019' (KWOZ) ligt ten grondslag aan de Bevelandse woonvisie en de Bevelandse woningmarktafspraken. Voor de gemeente Borsele is een Factsheet opgesteld als lokale verdieping op de KWOZ-rapportage. Uit deze rapportage blijkt dat:
De Stec-groep heeft daarbij voor de opgaven 2019-2029 een doorstroommodel opgesteld. Dit doorstroommodel geeft de Borselse woonopgave weer (de behoefte en de theoretische overschotten). Het model houdt rekening met de huidige woonsituatie, verhuisgeneigdheid en woonwensen van bestaande huishoudens, maar ook met de ontwikkeling van doelgroepen. In de onderstaande figuur is het doorstroommodel weergegeven.
Figuur 4: Doorstroommodel opgave 2019-2029 (bron: Stec-groep)
De gemeente wil zo veel mogelijk rekening houden met het doorstroommodel en de woningbouwopgave zoals opgenomen in de Factsheet 2019-2029 en de Bevelandse Woonvisie 2019-2023 bij het toevoegen van nieuwe woningen. De gemeente toetst zowel het huidige woningbouwprogramma als nieuwe initiatieven op de passendheid bij de behoefte.
Zoals te zien in het doorstroommodel is er een specifieke vraag naar grondgebonden sociale huurwoningen en grondgebonden koopwoningen. Voorliggend plan voorziet in een variatie van woningtypen, omvang en prijsklassen dat aansluit op de voorliggende kwalitatieve vraag.
Resumerend wordt gesteld dat voorliggend plan voorziet in een kwalitatieve behoefte en zorgt voor bevordering van de woningdifferentiatie.
Ad3.
Uit de definitie 'bestaand stedelijk gebied' volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Voor het bepalen van de grens van het bestaand stedelijk gebied moet worden gelet op de feitelijke situatie, de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Het nieuwbouwplan 'Platepolder' valt gezien deze begripsomschrijving grotendeels buiten bestaand stedelijk gebied.
De geprognotiseerde woningbehoefte voor de kern Heinkenszand kan niet in zijn geheel binnen het bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. De uitbreidingslocatie 'Platepolder' biedt als aanvulling op de locaties binnen bestaand stedelijk gebied voldoende ruimte om grondgebonden aaneengesloten-, patio-, vrijstaande-, geschakelde- en twee-onder-een-kapwoningen, gestapelde woningbouw en betaalbare (huur)woningen in een rustige groene woonomgeving te realiseren. De mogelijkheden om dit programma (in aantal en woningtype) binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren, ontbreken. Met het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals voorgeschreven in artikel 3.1.6, lid 2, Bro, is aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan de criteria van zorgvuldig ruimtegebruik. Het realiseren van de woningbouwontwikkeling 'Platepolder' buiten het bestaand stedelijk gebied, wordt op grond van deze onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking, aanvaardbaar geacht.
Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
In het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening Zeeland 2018, vastgesteld door Provinciale Staten van Zeeland op 21 september 2018, geeft de provincie haar beleidsvisie op de toekomst van Zeeland. Naast het centrale thema duurzame ontwikkeling zijn een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied sleutelbegrippen. Verder zet de provincie zich in voor het toekomstbestendig maken van het Zeeuwse voorzieningenstelsel. Bovengemeentelijke voorzieningen worden afgestemd met de desbetreffende regio. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt daarmee primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.
Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat- en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdend impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens.
De provincie Zeeland heeft op 21 september 2018 een nieuwe Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld. Ten aanzien van het onderwerp 'wonen' is uitsluitend een regeling opgenomen voor kleinschalige locaties in het buitengebied. Daarvan is hier geen sprake. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening.
Provinciaal beleid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Regio De Bevelanden heeft een historie opgebouwd met beleidsmatige samenwerking op het gebied van wonen. In 2013 zijn de eerste woningmarktafspraken opgesteld voor De Bevelanden en in 2016 zijn deze geactualiseerd met een nieuw regionaal woningbouwprogramma. In deze Agenda Wonen De Bevelanden 2025 zijn afspraken vastgelegd over woningbouw en inhoudelijke zaken ten aanzien van het wonen, zoals herstructurering, wonen en zorg, huisvesting van arbeidsmigranten en prestatieafspraken met de corporaties. De afspraken worden jaarlijks binnen de regio gemonitord. De woondoelen die zijn opgenomen in de Agenda Wonen zijn:
De regio gaat nu een stap verder in de vorm van een volwaardige Regionale Woonvisie. De Regionale Woonvisie betreft een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. Wat deze visie concreet beoogt is inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen. Aan de hand daarvan én de regionale afspraken uit de Agenda Wonen biedt de visie een helder kader voor politiek, dorpsraden, corporaties, zorgpartijen, marktpartijen en inwoners.
De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. Tot 2035 wordt groei van het aantal huishoudens verwacht. Het realiseren van het bouwprogramma, met behoud van bestaande kwaliteiten en de regionale identiteit, is een belangrijke regionale opgave voor de komende periode.
Actuele woningmarktafspraken tot 2030
Het nieuwbouwprogramma voor de Bevelanden bevat voor de periode tot 2025 circa 2.500 woningen. Van 2025 tot 2035 blijft een uitbreiding van de voorraad nodig om de groei van het aantal huishoudens op te vangen. Die uitbreiding kan plaatsvinden binnen de huidige plancapaciteit. De woningmarktafspraken tot 2030 zullen worden geactualiseerd en geven daarmee een doorkijk naar de langere termijn. Er wordt uitgegaan van de eigen identiteit en dynamiek van de kernen binnen De Bevelanden. Grofweg kent de regio drie woonmilieus: Landelijk, dorps en stedelijk wonen. Belangrijk wordt gevonden dat mensen kunnen (blijven) wonen waar ze willen wonen, maar dat dit tegelijkertijd niet het draagvlak voor voorzieningen ondermijnt. De stad Goes en de kernen met een (centrum-) dorps woonmilieu (zoals Heinkenszand) hebben een sterke voorzieningenstructuur en zijn bovendien goed bereikbaar. Hier zijn het draagvlak voor en de bereikbaarheid van voorzieningen het grootst. Het is belangrijk dat deze bestaande voorzieningenstructuur behouden blijft, en in de stad zelfs versterkt wordt, er wordt daarom ingezet op concentratie van woningbouw in deze kernen.
In het woningbouwprogramma 2020-2030 zijn diverse woningbouwprojecten in Heinkenszand opgenomen, waaronder de realisatie van 150 woningen in het plan 'Platepolder' in de eerstkomende 10 jaar. In het voorliggende bestemmingsplan zijn maximaal 94 nieuwe woningen voorzien en is derhalve passend in de regionale woningbouwplanning.
De kern Heinkenszand kan aangemerkt worden als een kern met een centrumdorps woonmilieu waardoor er in deze kern ruimte benodigd is de woningbouw voor de komende 10 jaar op te vangen. Ook in de regionale woningbouwplanning is het woningbouwplan 'Platepolder' opgenomen. Het voorliggende bestemmingsplan sluit daarom aan bij het regionale beleid en de regionale uitgangspunten voor woningbouw.
Op 11 december 2014 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2015-2020 vastgesteld. De structuurvisie geeft een beeld van de gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente, met als achterliggend doel behoud en ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente, zowel om te wonen, te werken als te recreëren. De structuurvisie dient niet alleen als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Borsele, maar ook als inspiratiebron voor mogelijke nieuwe ontwikkelingen en kansen. Het gaat er om de bestaande en toekomstige kwaliteiten van de gemeente in duurzaam evenwicht met elkaar te behouden en te versterken.
In het dorpsprofiel Heinkenszand is de volgende strategie opgenomen:
Het bedrijventerrein Noordzak wordt met de 3e fase nog beperkt uitgebreid. Hierbij is slechts de vestiging van 'lichte bedrijvigheid' aan de orde, gezien de ligging nabij de aangrenzende woonbebouwing. Na de afronding van Noordzak 3e fase zijn er in Heinkenszand geen bedrijfsterreinontwikkelingen meer voorzien.
Figuur 5: Strategiekaart Heinkenszand, bron: Structuurvisie gemeente Borsele 2015-2020
Het planvoornemen sluit aan op de structuurvisie. In de structuurvisie geeft men planmatige uitbreidingsmogelijkheden weer aan de zuidoostzijde van de kern. Het planvoornemen past dan ook in de 'Structuurvisie gemeente Borsele 2015-2020'.
Het 'Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan', vastgesteld op 6 april 2014, heeft als doel dat alle in beheer zijnde wegen voldoen aan de landelijke 'Basiskenmerken Wegontwerp'. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet naar het verkeersveiligheidsdoel 'Op weg naar nul vermijdbare ernstige verkeersslachtoffers'.
In 2012 zijn de nieuwe basiskenmerken voor de inrichting van wegen vastgesteld. Voor drie verschillende typen wegen, stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen, zijn basiskenmerken vastgesteld waaraan deze wegen moeten voldoen.
Conclusie
Voor het planvoornemen is een verkeersonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek komen in paragraaf 3.3 aan de orde.
De Beeldkwaliteitsnota, vastgesteld in januari 2013, hanteert diverse beeldkwaliteitscriteria: algemene beeldkwaliteitscriteria, gebiedsgerichte criteria, themagerichte criteria en sneltoetscriteria. Deze criteria maken inzichtelijk aan welke criteria een bouwplan dient te voldoen. Ze zijn erop gericht het karakter van het gebied te behouden en mogelijk te versterken.
Het gedeelte van de straat Stenevate ten hoogte van het plangebied valt onder de historische dorpslinten. Het kent over het algemeen een meer open bebouwingsbeeld dan de historische kern van Heinkenszand. De uitstraling van de straat is ook groener, omdat een kleiner percentage van de straat bebouwd is.
Aan de zuidzijde van de Stenevate staan een aantal panden die qua functie, vormgeving en bebouwingsmassa afwijken van het reguliere bebouwingsbeeld van de historische linten. Het gaat onder meer om het gemeentehuis, de brandweer en een detailhandelszaak. Voor toekomstige herstructurering is het advies dat er teruggegrepen dient te worden op het historische (meer kleinschalige) bebouwingsbeeld.
Conclusie
Een gedeelte van het bestemmingsplan wordt conserverend bestemd. Deze conserverende bestemming geldt voor de woningen welke direct grenzen aan de Stenevate. Voor deze woningen geldt dat rekening moet worden gehouden met de karakteristiek van de nabij gesitueerde waardevolle bebouwing. Tegelijkertijd zijn, als aanvulling op de gemeentelijke welstandsnota, destijds beeldkwaliteitrichtlijnen voor deze locatie vastgesteld. De richtlijnen, die een kader vormen voor de bouwplantoetsing, zijn gebaseerd op de karakteristieken van de Zeeuwse schuurboerderij en nog steeds van toepassing op deze locatie.
Voor het nieuwbouwplan Platepolder is een interdisciplinaire projectgroep ingesteld die de planvorming heeft begeleid, wat heeft geleid tot het stedenbouwkundig plan voor Platepolder. Aanvullend op de beeldkwaliteitsnota wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor Platepolder, welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld
Tussen Walcheren en het oude Zuid-Beveland (De Breede Watering Bewesten Yerseke) lag een ca. 10 km breed gebied van geulen, schorren, slikken en zandplaten. Tussen twee scheidingsgeulen lag een opwas, die als Ouwelandpolder rond 1289 werd bedijkt. Vervolgens werden rondom de Ouwelandpolder verschillende aanwassen bedijkt en ontstond het 'Eiland van Heinkenszand'. Rond 1400 werd de eerste vaste verbinding met Zuid-Beveland aangelegd, in de vorm van een afsluitdam in de Zuidelijke Schengetak tussen de Platepolder en de Noord- en Zuid-Danielpolder. Al snel werd aan beide zijden van de dam land ingepolderd (Zuidzakpolder met Schouwersweel en de Noordzakpolder) en werd het voormalige eiland Heinkenszand definitief aan Zuid-Beveland verbonden.
Figuur 6: Ontstaansgeschiedenis polders
Vanaf het begin werd het eiland Heinkenszand bewoond. In 1405 is er sprake van een kapel, waarschijnlijk op de plaats waar nu de Dorpskerk staat. Er is dan ook bebouwing ontstaan langs de noordoostelijke scheidingsdijk van de Oosterpolder: de 's-Heerendijck (de huidige Dorpsstraat). Heinkenszand groeit als er meer polders worden ingepolderd. Voor 1600 bestaat Heinkenszand uit 18 polders, waarvan er drie gedeeld worden met een ander ambacht. Alleen aan de oostkant is nog water, totdat in 1612 de Nieuwe Kraaijert wordt ingepolderd.
In 1694 heeft Heinkenszand ongeveer 800 inwoners en staan er circa 162 huizen. De bebouwing concentreert zich vooral rond de Dorpsstraat en enkele zijstraten zoals het Stenen Slop (nu Stenevate) en het Aarden Slop (Het Dijkje). Pas in de 20e eeuw ontstaat er nieuwe bebouwing in zijstraten van de Dorpsstraat. Eind jaren zestig ontstaat de wijk Oosterguite en vanaf de jaren zeventig begint men met de bouw van de wijk Watervliet. Eind jaren '90 wordt er gestart met de bouw van een woonwijk in de Noordzakpolder. Deze wijk krijgt de naam 'Over de Dijk'.
Omgeving
Heinkenszand is met ongeveer 5.400 inwoners de grootste kern van de gemeente Borsele. Het is tevens het bestuurlijke centrum van de gemeente Borsele en beschikt over een groot aantal voorzieningen, zoals diverse winkels en restaurants, sport- en ontmoetingscentrum De Stenge, diverse voorzieningen voor ouderen en drie basisscholen. Vlakbij het dorp ligt recreatiegebied Stelleplas, met zwembad, camping en bungalowpark.
Het dorp ligt in de Zak van Zuid-Beveland, een karakteristiek, kleinschalig poldergebied met slingerende dijken, kreekrestanten en heggen. Hier is het aangenaam wandelen en fietsen. Nieuwbouwwijk Platepolder grenst direct aan dit karakteristieke landschap, ook wel bekend als Landschapspark Borsele.
Heinkenszand ligt ingeklemd tussen een aantal belangrijke wegen: aan de noordzijde rijksweg A58, aan de oostzijde de N665 Drieweg en aan de zuidzijde de N667 Heinkenszandseweg. Middels een directe aansluiting op de A58 is Heinkenszand aangesloten op het (boven)regionale en nationale verkeersnet. De binnensteden van zowel Goes als Middelburg liggen op minder dan 20 minuten rijden. Ook steden als Rotterdam, Breda, Antwerpen en Gent zijn in een uur te bereiken.
Figuur 7: Heinkenszand en omgeving, met in rood het plangebied van de woonwijk en in blauw de Platepolder
Locatie
De planlocatie bevindt zich aan de zuidoostkant van Heinkenszand. De Platepolder ligt ingeklemd tussen de Oudekamersedijk (west) en de Zuidzaksedijk (oost). Aan de noordzijde grenst de polder aan de Stenevate en aan de zuidzijde vormt de Heinkenszandseweg de grens. Alleen het noordelijke deel (fase 1) van de nieuwbouwwijk vormt onderdeel van dit bestemmingsplan. Zie hiervoor ook figuur 1.
Het plangebied wordt, uitgezonderd het bestaande bebouwingslint aan de Stenevate, momenteel agrarisch gebruikt. Door het gebied loopt het historische Platewegje, wat zowel gebruikt wordt om de agrarische percelen te bereiken als door wandelaars en fietsers. Verder bevinden zich in het gebied enkele sloten en greppels.
Vrijwel direct grenzend aan de locatie bevinden zich aan de westzijde van het plangebied het gemeentehuis en een supermarkt. Naar alle waarschijnlijkheid zal daar binnenkort een tweede supermarkt bijkomen. Winkels, scholen en overige voorzieningen zijn aan/nabij de Dorpsstraat gelegen, het Van der Biltplein en Stengeplein bevinden zich op loop- of fietsafstand van de planlocatie.
Bebouwingslint Stenevate
De gronden gelegen aan de Stenevate zijn allemaal uitgegeven. Deze gronden worden conform de huidige bestemming en inrichting van de percelen bestemd.
Figuur 8: Stedenbouwkundige hoofdstructuur
Woonwijk Platepolder fase 1
Hoofdopzet
Platepolder wordt de nieuwe, groene woningbouwlocatie van Heinkenszand. De twee dijken aan weerszijden van de polder en het van oudsher aanwezige Platewegje geven richting aan het stedenbouwkundig plan van de wijk. De hoofdstructuur van de wijk gaat uit van een centrale ontsluiting in de vorm van een laan met bomen, aangesloten op de Heinkenszandseweg. Deze laan volgt eerst de polderstructuur, om vervolgens af te buigen richting de kerk van Nisse. Aan de noordzijde gaat de laan op in een parkzone met woonhoven.
De laan wordt aan weerszijden geflankeerd door woonvelden met ruimte voor grondgebonden woningen van verschillende typologieën. De woningen zijn gesitueerd aan korte woonstraatjes met een groen profiel. Vanuit iedere straat is er direct zicht op één van beide dijken en/of op het omringende polderlandschap.
Tussen de Oudekamersedijk en het Platewegje ontstaat een bijzonder woonmilieu van zogenaamde urban villa's: appartementengebouwen in een groene omgeving. Vanuit de appartementen is er zicht op het aangrenzende landschap. Tegelijk zorgen de bomen op de dijk ervoor, dat de gebouwen vanuit de omgeving beperkt zichtbaar zijn.
Tegen de Heinkenszandseweg aan wordt een flinke waterpartij aangelegd. Enerzijds schept dit afstand tussen de woonwijk en de weg. Anderzijds geeft het de mogelijkheid om hemelwater op te vangen en ontstaat er een mooie plek om aan te wonen en recreëren.
Deelgebieden
In het stedenbouwkundig plan van de woonwijk valt een aantal deelgebieden te onderscheiden, namelijk:
Deze deelgebieden hebben elk hun eigen sfeer, ruimtelijke kenmerken en architectuurstijl, maar vormen samen één wijk.
Fasering
De hoofdstructuur is flexibel van opzet en biedt volop ruimte voor vrije kavels, projectmatige bouw, collectief particulier opdrachtgeverschap en andere initiatieven. De wijk zal gefaseerd tot ontwikkeling gebracht worden, startend aan de zijde van de Stenevate. De flexibele hoofdstructuur biedt de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige woonwensen en marktvragen. In iedere fase zullen meerdere woningtypes in verschillende deelgebieden worden aangeboden.
De eerste fase van Platepolder wordt aangesloten op de Stenevate, maar vanaf de tweede fase wordt het autoverkeer omgeleid via de Heinkenszandseweg. Voor fietsers en voetgangers blijven er diverse korte aansluitingen/verbindingen met het dorpshart.
Platepolder wordt een woonwijk die inspeelt op de toekomst, met duurzaamheid als belangrijk uitgangspunt. In de planvorming is er dan ook veel aandacht voor woningisolatie, circulair bouwen en klimaatbestendigheid. Het plan biedt ruimte voor en nodigt uit om in te spelen op nieuwe technieken en inzichten.
Figuur 9: Stedenbouwkundig plan Platepolder fase 1
Verkeer en parkeren
Ontsluiting
De woonwijk Platepolder zal voor gemotoriseerd verkeer ontsloten worden via de Heinkenszandseweg (provinciale weg), omdat het Platewegje en de Stenevate niet voldoende geschikt zijn om 300 tot 350 woningen te kunnen ontsluiten. Door de ontsluiting “buitenom” te realiseren wordt bovendien voorkomen dat autobewegingen van de ene wijk/buurt naar de andere wijk/buurt in Heinkenszand door het dorp plaatsvinden met extra verkeersdruk in het dorp tot gevolg. Daarnaast worden bewoners op deze manier gestimuleerd om voor korte afstanden in het dorp te wandelen en/of de fiets te pakken.
De eerste fase daarentegen kan – gezien het relatief lage aantal autobewegingen – nog wel via het Platewegje op de Stenevate aangesloten worden. Hiertoe wordt ter plaatse van het parkeerterrein van het gemeentehuis een tijdelijke aansluiting op de Stenevate gerealiseerd. Deze aansluiting alleen gebruikt voor het ontsluiten van 94 woningen in de eerste fase. Zodra er met de tweede fase wordt begonnen, wordt de aansluiting op de Heinkenszandseweg gemaakt en zal de ontsluitingsstructuur worden 'omgeklapt'. De aansluiting op de Stenevate kan dan worden afgewaardeerd tot een route voor langzaam verkeer en calamiteiten.
Middels een verkeerskundig onderzoek, uitgevoerd door Westzuidwest op 22 februari 2021 is bekeken wat de verkeersproductie is als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en of de afwikkeling hiervan via het Platewegje op de Stenevate mogelijk is. De conclusie uit het verkeerskundig onderzoek luidt als volgt:
Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze toelichting.
Parkeerbehoefte
De parkeerbehoefte is op basis van publicatie 381 van het CROW 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen' als volgt in beeld te brengen. Het plangebied is gelegen in de categorie 'schil centrum', in een niet stedelijk gebied. In totaal worden er in het plangebied maximaal 94 woningen gerealiseerd van verschillende typologieën. Iedere typologie heeft een eigen minimale en maximale parkeernorm. In Platepolder wordt een gemiddelde norm per woningtype gehanteerd:
| Woningtype | gem. parkeernorm |
| Koop, huis, vrijstaand | 2,1 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 2,0 |
| Koop, huis, tussen/hoek | 1,8 |
| Koop, appartement, midden | 1,7 |
In totaal worden er in het plangebied maximaal 94 woningen gerealiseerd. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van gemiddeld 173 parkeerplaatsen. In het plangebied is ruimte voor 196 parkeerplaatsen, waarvan 136 in de openbare ruimte en 60 op eigen terrein (er is gerekend met maximaal 1 parkeerplaats op eigen terrein). Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gemiddelde parkeernorm. De volledige parkeerberekening is te vinden in bijlage 2 behorende bij deze toelichting.
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten.
De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals scholen, woningen etc). De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woon- en leefomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.
Toetsing
Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek d.d. 4 december 2020 uitgevoerd naar de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeer op de beoogde woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van geen van de gezoneerde wegen (Drieweg, Heinkenszandseweg en Stenevate) de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Er hoeft derhalve geen hogere waarde, als bedoeld in de Wgh, vastgesteld te worden. Daarnaast blijkt dat, om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen, de afstand van de as van de nieuw aan de leggen ontsluitingsweg tot de gevels van de woningen ten minste 7 meter dient te bedragen indien de ontsluiting van een elementenverharding in keperverband wordt voorzien en 5 meter indien de weg voorzien wordt van regulier asfalt.
De genoemde afstand wordt in de regels behorende bij deze toelichting vastgelegd zodat er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde zal plaatsvinden. Het aspect geluidhinder staat het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.
Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Toetsing
Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit in het plangebied voldoet aan de gestelde eisen zijn er diverse bodemonderzoeken ter plaatse van het plangebied uitgevoerd, namelijk:
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740, Inpijn-Blokpoel Milieu B.V., 22 november 2017.
In de Platepolder is 2017 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt het volgende:
De resultaten van het onderzoek geven geen reden voor nader onderzoek en geven geen belemmering voor de geplande nieuwbouw.
Verkennend (water- en asbest)bodemonderzoek, Inpijn-Blokpoel Milieu B.V., 3 Augustus 2020.
Het plangebied Platepolder te Heinkenszand, gemeente Borsele, is, in navolging van op het verkennend onderzoek in 2017, aanvullend onderzocht. Hierbij zijn de volgende aspecten beschouwd:
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat, behoudens de stookplaats op het noordelijke terreindeel, geen of 'slechts' lichte verhogingen aan onderzochte stoffen (NEN), PFAS of asbest zijn aangetroffen. Ter plaatse van de stookplaats is PAK in de bovengrond sterk verhoogd. Vanuit de Wet bodembescherming (Wbb) is een nader onderzoek naar PAK ter plaatse van de stookplaats aan de orde.
Aanvullend bodemonderzoek aan de Platepolder te Heinkenszand, Inpijn-Blokpoel Milieu B.V., 15 januari 2021.
In het aanvullende onderzoek zijn de volgende aspecten beschouwd:
Op basis van onderhavig aanvullend onderzoek is vastgesteld dat:
Conclusie
De kwaliteit van de bodem is voldoende onderzocht en vormt geen belemmering voor de verdere planvorming. Alle genoemde bodemonderzoeken zijn opgenomen in bijlage 4.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid (soortbescherming) of wettelijk beschermde gebieden (gebiedsbescherming) in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk Nederland van belang. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000-gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Het ligt ook niet binnen het Natuurnetwerk. Wel is op korte afstand NNN gebied in de vorm van de Zuidzaksedijk (een waardevolle binnendijk) aanwezig. Op basis van de Provinciale Omgevingsverordening 2018 gelden de regels voor de afwegingszone van 100 meter rond natuurgebieden niet voor zones langs binnendijken. Het beleid dat van toepassing is op de bovengenoemde natuurgebieden heeft dan ook geen betrekking op het plangebied.
Stikstof
De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder meer onderzoek plaats moet vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de vernieuwde Aeriuscalculator (d.d. 15 oktober 2020) is voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000- gebieden door Econsultancy berekend. In bijlage 5 is de totale rapportage en de berekening opgenomen.
Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het nieuwe woningbouwplan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan.
De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 15 oktober 2020). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming.
Onderzoek
In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is er een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd in 2018. Dit onderzoek is uitgevoerd door Buijs Eco Consult B.V.
Het doel van deze quickscan is het analyseren of de in het plangebied beschermde natuurwaarden in het geding zijn. Het doel van voorliggende toetsing is enerzijds het opsporen van eventuele strijdigheden van de voorgenomen ingreep/ontwikkeling met de huidige (per 01/01/2017 van kracht geworden) Wet natuurbescherming en anderzijds het bepalen of de aanvraag van een ontheffing danwel het werken volgens een goedgekeurd gedragscode noodzakelijk is. Kort samengevat is het resultaat van de quickscan als volgt:
In 2020 en 2021 is heeft er een nader onderzoek ecologie plaatsgevonden op basis van de resultaten uit de Quickscan uit 2018. Uit het nader onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Conclusie
Vanuit de beide onderzoeken kan worden geconcludeerd dat met in achtneming van de adviezen het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. De onderzoeksrapportages zijn opgenomen in bijlage 6.
In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Op basis van de provinciale kaart 'cultuurhistorie' uit het online geoloket zijn de volgende cultuurhistorische waarden aan het plangebied te koppelen:
Conclusie
In het plangebied en in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig waarmee in het plan rekening moet worden gehouden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.
De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd.
De Erfgoedwet vormt straks samen met de nieuwe nog vast te stellen Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden te zijner tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook de gemeentelijke plicht om bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige archeologische waarden. Ten behoeve hiervan heeft de gemeente Borsele reeds op 11 oktober 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In 2016 heeft een evaluatie van het archeologiebeleid plaatsgevonden. Op basis hiervan heeft de Borselse gemeenteraad op 6 april 2017 besloten dat gebieden met een lage verwachtingswaarde worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek en dat voor deze gebieden geen beschermende maatregelen meer hoeven te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Met het archeologisch beleid wil de gemeente niet alleen voldoen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie, maar ook een formeel afwegingskader bieden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij de invulling van het gemeentelijk archeologiebeleid wordt onderscheid gemaakt tussen gewaardeerde terreinen en archeologische verwachtingszones. Op terreinen met een archeologische waarde is de aanwezigheid van archeologische sporen en resten bekend. De archeologische verwachtingszones doen een voorspelling over de kans dat er archeologische waarden voorkomen. De waarden- en verwachtingenkaart bestaan uit vier op elkaar te projecteren kaartbeelden die corresponderen met elkaar in tijd opvolgende landschappen waaraan archeologische betekenis kan worden gehecht:
Op kaartlaag 1 Walcheren heeft het plangebied een gematigde verwachtingswaarde. Op de overige kaartlagen heeft de locatie geen verwachtingswaarde. Op de verbeelding en in de regels behorende bij het 'Chw bestemmingsplan Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018' is voor het plangebied de categorie 'Waarde-Archeologie – 3' opgenomen. Voor terreinen met een gematigde verwachtingswaarde, zoals gronden die zijn aangemerkt met een 'Waarde -Archeologie -3', geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Voor het noordelijk deel van het plangebied, gelegen aan de Stenevate, is geen archeologisch waarde bestemmingsplanmatig verankerd. Er worden op dit deel van het plangebied ook geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Een nader onderzoek voor dit deel van het plangebied is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient er op basis van het gemeentelijke archeologisch beleid voor de rest van het plangebied een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Figuur 10: Uitsnede kaartlaag 1 Archeologiebeleid gemeente Borsele
Onderzoek
In 2003 is door Sagro Milieu Advies zeeland B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen direct aanwijzingen zijn gevonden die een nader onderzoek noodzakelijk maken. De vondstdichtheid van het aangetroffen materiaal is gering. Deze vondsten kunnen afkomstig zijn uit uitgereden mest of uit grond, die is gebruikt voor het dempen van sloten. Er is hier geen botmateriaal gevonden wat in verband kan worden gebracht met het voormalige kerkhof.
In 2017/2018 is door het Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband het archeologisch bureauonderzoek uit 2003 getoetst. Uit deze toetsing blijkt dat op basis van het bureauonderzoek en een beschouwing van de eerder uitgevoerde onderzoeken het voldoende aannemelijk is gemaakt dat geen archeologische verwachting bestaat voor alle perioden vóór de 14e eeuw. Vanaf 1400 is bewoning mogelijk, maar niet aangetoond. Hierdoor is de archeologische verwachting vanaf 1400 laag. Archeologisch vervolgonderzoek is binnen het plangebied niet noodzakelijk.
Ondanks het feit dat geen aanvullend archeologisch onderzoek wordt geadviseerd, bestaat de mogelijkheid dat tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen. Deze dienen conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet worden gemeld.
Het archeologisch onderzoek en het bijbehorende advies zijn opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting.
Conclusie
Het plangebied is voldoende archeologisch onderzocht. Een nader archeologisch onderzoek is niet nodig. Een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' zal derhalve niet meer worden opgenomen op de verbeelding. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Wetgeving
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteiten van het oppervlakte- en grondwater. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. De Implementatiewet EG-kaderrichtlijn vertaalt de KRW in Nederlandse wetgeving.
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de volgende uitgangspunten:
Stroomgebiedsplan Schelde 2016-2021
Dit plan beschrijft de doelen en maatregelen in het stroomgebied van de Schelde voor schoon en ecologisch gezond water voor duurzaam gebruik.
Omgevingsplan Zeeland 2018
Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat beleid voor grondwater, oppervlaktewater en waterveiligheid. Vooral de waterfunctiekaart is een belangrijk hulpmiddel bij het beoordelen van nieuwe initiatieven. Door klimaatsverandering is sprake van toenemende kans op overstroming, wateroverlast, langdurige droogte en extreme hitte.
Doelstellingen zijn:
De provincie heeft een duurzame ontwikkeling voor ogen door aan te sluiten op hedendaagse behoeften en hierbij de behoeften van toekomstige generaties niet in gevaar te brengen.
Om de economische veerkracht te versterken wil de provincie het gebruik van energie en grondstoffen uit hernieuwbare bronnen bevorderen en het sluiten van kringlopen van water en grondstoffen op lokaal en regionaal niveau.
In het kader van de kwaliteit van de woonomgeving wordt in het omgevingsplan onder meer gestreefd naar het terugdringen van regionale wateroverlast in het landelijke en stedelijk gebied. Bij de uitvoering geldt de trits vasthouden-bergen-afvoeren als uitgangspunt.
Bij nieuwe bebouwing wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van het watersysteem. Op de waterkansenkaart is dat globaal inzichtelijk gemaakt. Deze kaarten zijn een hulpmiddel bij de watertoets.
Waterbeheersplan 2016-2021
Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. Ruimtelijke plannen moeten daartoe getoetst worden op de gevolgen voor de waterhuishouding.
Gemeentelijk rioleringsplan Borsele 2018-2022
Het vijfde Gemeentelijk rioleringsplan (GRP5) heeft als hoofddoel: het continueren van de hoofddoelen van de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen zoals het bereiken van een goede waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast. Het rioleringssysteem moet tegen zo laag mogelijke kosten klimaatbestendig worden gemaakt waarbij er gestreefd wordt naar het te allen tijde voorkomen van waterschade. Het hoofddoel is uitgewerkt in vier subdoelen:
Het voorliggende voldoet aan de richtlijnen van het GRP5. In het gemeentelijke rioleringsplan wordt meer dan voorheen aandacht besteed aan de eigen verantwoording van de lozers.
Stedelijk waterplan Borsele 2016-2022
In het waterplan staan normen genoemd ten aanzien van de waterkwaliteit, waterkwantiteit, voorkomen van grondwateroverlast, afkoppelen van regenwater, beheer en onderhoud van stedelijk oppervlaktewater, ruimtelijke ordening en de inrichting van openbaar water.
Het waterplan besteed extra aandacht aan de klimaatverandering, vooral aan extreme en langdurige buien, en rioolvreemd water. Rioolvreemd water is regenwater en grondwater wat ten onrechte op de riolering en niet op het oppervlaktewater geloosd wordt.
Het voorliggende plan voldoet aan de uitgangspunten van het Stedelijk waterplan Borsele.
Watertoets
Nagegaan is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen of het beoogde planvoornemen strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen.
De onderstaande tabel is enkel ingevuld voor het nog te ontwikkelen deel van het voorliggende bestemmingsplan. Het conserverende deel van het bestemmingplan, de woningen gelegen aan de Stenevate, maakt hier geen onderdeel van uit.
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Onderzoek
In het plangebied zijn geen milieuhinderlijke bedrijven en/of voorzieningen beoogd. De functie wonen betreft een gevoelige functie waardoor er ook gekeken dient te worden of er in de omgeving milieuhinderlijke bedrijven en/of voorzieningen aanwezig zijn. In de directe omgeving van de te ontwikkelen locatie ligt het gemeentehuis. Voor het overige wordt het plangebied omgeven door woningen en agrarische gronden. Een gemeentehuis kent op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' een zonering van 10 meter. Deze afstand wordt niet overschreden.
Spuitzone boomgaard
Op basis van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 dient voor nieuwe (gevoelige) bebouwing een afstand van 50 m aangehouden te worden tot een boomgaard. Dit heeft te maken met de drift die op kan treden bij het bespuiten van de boomgaard. In de nabijheid van het plangebied zijn enerzijds agrarische gronden aanwezig waarop het bestemmingsplanmatig mogelijk is een boomgaard op te richten, anderzijds is er ten westen van het plangebied ook een bestaande kleinschalige boomgaard aanwezig.
De beoogde woningbouwontwikkeling is binnen de eerder genoemde 50 meter zone van boomgaarden gelegen. Op grond van vaste rechtspraak is het mogelijk op basis van een locatie specifiek onderzoek een kleinere afstand dan 50 meter aan te houden.
In de navolgende tekst wordt aangegeven waarom in de voorliggende situatie afgeweken kan worden van deze afstand:
Gelet op de ligging en aanwezigheid van de gevoelige objecten en functies waarvan reeds een beperkende invloed uitgaat alsmede de feitelijke ligging ten opzichte van de agrarische bestemde gronden en privaatrechtelijke afspraken die over de mogelijke aanwending tot fruitboomgaard zijn en worden gemaakt, wordt deze situatie aanvaardbaar geacht en zijn er vanuit de milieuzonering geen belemmeringen te verwachten. Verder zal met betrekking tot de feitelijk aanwezige kleinschalige boomgaard gelegen ten westen van het plangebied nader onderzoek moeten uitwijzen of woningbouw binnen deze afstand mogelijk is en welk aspect hierbij maatgevend is. Uitgangspunt daarbij is dat de belangen van de betrokken eigenaar en/of gebruiker van deze gronden niet onevenredig zullen worden geschaad.
Vooruitlopend op het nog uit te voeren onderzoek is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor dat deel van het woongebied dat is gelegen binnen de milieucontour van de nog aanwezige boomgaard. Deze voorwaardelijke verplichting regelt dat het gebruiken van de gronden en de daarop aanwezige bebouwing uitsluitend is toegestaan indien en voor zover benodigd locatiespecifiek onderzoek naar de spuitzone aantoont dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Na uitvoering van het onderzoek zal deze voorwaardelijke verplichting verder worden geconcretiseerd.
Conclusie
Milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Wetgeving
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving voor het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Twee begrippen staan in dit beleidsveld van de externe veiligheid centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het groepsrisico heeft als doel de maatschappelijke ontwrichting te beperken als zich een calamiteit met gevaarlijke stoffen voordoet. In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden.
Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen
Het doel van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond een dergelijk bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). In de bijbehorende 'Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen' zijn de bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen uitgewerkt.
Onderzoek
De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. De risicokaart van de omgeving van het plangebied toont de verschillende bedrijven die een verhoogd risico hebben. Onderstaande afbeelding maakt inzichtelijk welke risico's zich nabij het plangebied bevinden.
Figuur 11 Uitsnede risicokaart Zeeland
Inrichtingen
Het doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een inrichting. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het plangebied zelf zijn, zoals eerder vermeld, geen inrichtingen aanwezig die van belang zijn in het kader van externe veiligheid. Volgens de risicokaart bevinden zich wel diverse inrichtingen in de verdere omgeving van het plangebied. Het betreft het bedrijf Gebr. Van Oosten en de Kerncentrale Borssele.
Gebr. Van Oosten
Op 400 meter van het plangebied bevindt zich een opslaglocatie van butaan met een inhoud van 5 m³ (bedrijf: gebr. Van Oosten). Het plangebied ligt op circa 400 meter afstand, oftewel ver buiten het invloedsgebied.
Kerncentrale Borssele
De kerncentrale Borssele heeft een schuilzone van 20.000 meter en een evacuatie- /ontruimingszone van 5000 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 7.000 meter en daarmee binnen de schuilzone en buiten de evacuatie-/ontruimingszone.
Transportroutes
Voor het transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. Tevens is de Regeling basisnet in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Nabij het plangebied is de snelweg A58 en een bovengrondse hoogspanningsverbinding gelegen. In de nabijheid zijn geen buisleidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig.
A58
De afstand tot de A58 bedraagt circa 1.500 meter. Het PR-Plafond is 5 meter, er is geen GR-Plafond bekend op dit wegvak. Het volgende wegvak welke hierop aansluit (Knp. De Poel - afrit 35) kent een GR-plafond van 82 meter. De weg is daarbij aangemerkt als plasbrandaandachtsgebied. Hiervoor geldt dat het desbetreffende wegvak, onderscheidenlijk baanvak, vermeerderd met een zone van 30 meter aan weerszijden van het wegvak, onderscheidenlijk baanvak, als plasbrandaandachtsgebied is aangemerkt. De beoogde ontwikkeling ligt ruimschoots buiten alle genoemde zones. Een nadere afweging is derhalve niet noodzakelijk.
Hoogspanning
Een bovengrondse hoogspanningsverbinding (150 Kv) van het N.V. Delta Nutsbedrijf ligt op ca 450 meter afstand van het plangebied. Op dit moment is men daarnaast bezig met het aanleggen van een gecombineerde bovengrondse 150 kV/380 kV-hoogspanningsverbinding dan wel een bovengrondse 380/380 kV-hoogspanningsverbinding. Deze nieuwe hoogspanningsverbinding komt 50 meter verder vanaf het plangebied te liggen. Een hoogspanningsverbinding is als zodanig geen risico veroorzakend object. In het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is wel relevant dat in sommige situaties hoogspanningsmasten nabij buisleidingen en bedrijven wél risico verhogende objecten kunnen zijn. In dit geval is hier geen sprake van. Een nadere afweging is niet noodzakelijk.
Er zijn geen andere risicobronnen in de nabijheid van de nieuwe woonwijk aanwezig. De woonwijk vormt gelet op de aard van de activiteit en vice versa ook geen risico voor zijn omgeving.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig waarmee in het plan rekening moet worden gehouden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt betreft de bouw van 94 woningen. Daarmee wordt ruim onder de 1.500 woningen gebleven en is er sprake van een project dat Niet In Betekende Mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet nodig.
Wettelijk kader
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien onder de drempelwaarde wordt gebleven dan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Sinds 7 juli 2017 geldt ook voor die beoordelingen dat een aanmeldnotitie moet worden gemaakt. Het moet dan gaan om plannen met enige te verwachten milieueffecten.
Toetsing
In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2000 of meer woningen. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is mede afhankelijk van de aard en omvang van het project en het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In onderhavig plan is er sprake van de realisatie van een woonwijk met 94 woningen. Er kan derhalve gesproken worden over een stedelijk ontwikkelingstraject. De voorgenomen activiteit blijft met 94 woningen ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of 100 hectare en/of bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.- beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.
In dit kader is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld en opgenomen als losse bijlage bij deze toelichting.
In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht verkregen in de milieugevolgen van het project. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie en de kenmerken van de effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige milieugevolgen'. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure.
Conclusie
Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling kan het college van burgemeester en wethouders beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit is hier aan de orde.
Het voorliggende bestemmingsplan kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd ontwikkelingsplan en vormt de juridische regeling voor de realisatie van 94 aaneengesloten woningen en het conservatief bestemmen van een aantal percelen aan de Stenevate.
Het bestemmingsplan kent een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwregels. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een geometrische plaatsbepaling van het plangebied en van de daarin aangewezen bestemmingen (verbeelding) met regels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. In paragraaf 5.2 wordt de inhoud nader toegelicht. Bij het opstellen van de regels en de verbeelding is uitgegaan van de richtlijnen 'Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen'.
Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.
Wijze van meten
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Bestemmingsregels
Artikel Groen
Het openbaar groen wordt in dit artikel gereguleerd. Het realiseren van parkeerplaatsen en een ontsluiting is alleen toegestaan daar waar hiervoor een aanduiding op de verbeelding is opgenomen. Binnen de bestemming 'Groen' mogen gebouwen en overige bouwwerken worden opgericht. De bouwregels zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 15 m2 bedragen.
Artikel Verkeer
De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor verhardingen, wegen, voet- en fietspaden, rabatten, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut. Er mogen alleen kleine gebouwen en overige bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de verkeersbestemming.
Artikel Wonen, Wonen-1 en Wonen -2
De gronden met de bestemming 'Wonen', 'Wonen -1' en 'Wonen-2' zijn bedoeld voor de huisvesting van personen en voor tuinen, erven, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. Er is onderscheid gemaakt in drie woonbestemmingen vanwege de specifieke bestemmingsregeling die van toepassing is op de verschillende deelgebieden. De bestemming 'Wonen' is van toepassing op de woningen gelegen aan de Stenevate. De bestaande situatie wordt in deze bestemming conserverend overgenomen. De nieuw te realiseren woningen in de Platepolder kunnen verdeeld worden in twee zones. Enerzijds de noordelijke zone waarin de patio- en rijwoningen zijn opgenomen. Deze hebben de bestemming Wonen-1 gekregen. Anderzijds de zuidelijke zone waarin de diverse woningtypologieën aan de woonstraten samen met gestapelde zijn bestemd middels Wonen-2.
Voor alle regelingen geldt in hoofdlijnen het volgende:
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene bouwregels
In dit artikel is het maximum aantal toegestane woningen binnen de bestemmingen Wonen – 1 en Wonen – 2 bepaald. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de plaatsing en vormgeving van overige bouwwerken.
Algemene gebruiksregels
In deze regels zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Middels deze voorwaardelijke verplichtingen wordt enerzijds de parkeernorm gereguleerd en anderzijds de spuitzone behorende bij de bestaande boomgaard.
Algemene afwijkingsregels
Dit artikel bevat een aantal algemene afwijkingsregels. Deze afwijkingen bij omgevingsvergunning betreffen het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen én het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte.
Algemene wijzigingsregels
In deze regels zijn algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut en beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen mogelijk te maken.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Dit artikel beschrijft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig afgeweken worden bij omgevingsvergunning tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
Slotregel
Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de regels.
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen.
Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Deze bepaling brengt met zich, dat, indien alle gronden binnen een gebied, waarvoor een bestemmingsplan wordt vastgesteld en op basis waarvan bouwplannen mogelijk zijn, in eigendom zijn van de gemeente, er geen exploitatieplan nodig is. De gemeente regelt het kostenverhaal via de uitgifte van de bouwgrond. Ook de fasering en inrichting bepaalt de gemeente zelf. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet vereist. Bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zal dit worden besloten.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Realisatie van het plan valt binnen de financiële mogelijkheden van de gemeente Borsele.
De gemeente Borsele hecht grote waarde aan het belang van burgerparticipatie in ontwikkelingsgerichte plannen. De gemeente Borsele heeft hier tijdens het ontwerpproces van de nieuwe woonwijk Platepolder invulling aan gegeven door gedurende het gehele ontwerpproces in overleg te treden met omwonenden, geïnteresseerden en andere belangstellenden. Daartoe zijn de volgende overlegmomenten en bijeenkomsten georganiseerd:
Van alle bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt. Deze zijn – samen met de diverse presentaties – beschikbaar via de gemeentelijke website (www.borsele.nl/platepolder). De klankbordgroep zal ook bij de verdere planvorming van Platepolder worden betrokken.
Op basis van de Inspraakverordening gemeente Borsele 2008 zal het voorontwerpbestemmingsplan gedurende vier weken (van 13 mei tot en met 19 juni 2021) te raadplegen zijn via www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast zal er een analoog exemplaar in te zien in het gemeentehuis. Gedurende de periode van raadpleging kan een ieder schriftelijk een inspraakreactie indienen bij het college van Burgemeester en Wethouders.
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, met Rijks- en provinciale diensten etc. Voor dit plan zal overleg worden gepleegd met: