Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Middelblok 11-13
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0644.BP1322MI004-VG01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan

Het wijzigingsplan Middelblok 11-13 met identificatienummer NL.IMRO.0644.BP1322MI004-VG01 van de gemeente Ouderkerk.

1.2 Wijzigingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.3 Aan- of uitbouw

Een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een woning dat door haar indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van een woning.

1.4 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Achtererf

Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw

1.7 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.8 Bebouwingspercentage

Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

1.9 Bed & breakfast

Een nevenactiviteit in een bestaande woning waar logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden worden verstrekt aan gasten.

1.10 Bedrijf

Een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, niet zijnde zelfstandige detailhandel.

1.11 Bedrijfsgebouw

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer (agrarische) bedrijfsactiviteiten.

1.12 Bedrijfsactiviteiten in of bij een woning

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, geen zakelijke dienstverlening zijnde, en ambtelijke bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van bedrijfsactiviteiten in een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

1.13 Beroepsactiviteiten in of bij een woning

Het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een woning zodanig is dat deze activiteiten in een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

1.14 Bestaand

Ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsplan.

1.15 Bijgebouw

Een bij een woning behorend gebouw, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte of hobbyruimte, dat niet in directe verbinding staat met de woning en dat niet voor bewoning is bestemd;

1.16 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak

1.17 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.18 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.19 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.20 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.21 Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

1.22 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.23 Bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.24 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.25 Erf

Al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat, blijkens de kadastrale gegevens behoort tot het perceel waarop dat gebouw is geplaatst.

1.26 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.27 Hobbymatige agrarische activiteiten

Het op kleine schaal en niet voor bedrijfsmatige doeleinden uitvoeren van agrarische activiteiten, waaronder het houden van vee.

1.28 Hoofdgebouw

Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.29 Karakteristieke bebouwing

Bebouwing met bijzondere kenmerken, welke kunnen zijn gelegen in de situering op de kavel, de kapvorm, dakhelling en kaprichting, de gevelindeling/bouwstijl, het materiaalgebruik en de kleur, het gebruik van versieringen en ornamenten, de massa en de verspringingen in de gevels.

1.30 (Mest)bassin

Een reservoir voor de opslag van dunne mest in de vorm van een foliebassin of mestsilo.

1.31 Onderkomen

Een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voorzover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent.

1.32 Overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

1.33 Overig bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.34 Pand

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.35 Paardenbak

Een niet overdekt terrein aangelegd, ingericht en omheind ten behoeve van het paard- of ponyrijden, met daarbij behorende voorzieningen.

1.36 Paardenhouderij

  1. het fokken van veulens en de opfok van jonge paarden en/of pony’s met de daaraan verbonden basistraining tot een leeftijd van 2 à 3 jaar;   
  2. het stallen van (pension)paarden en/of pony’s;    
  3. het trainen en africhten van paarden en/of pony’s;
  4. het handelen in dan wel verhuren van paarden en/of pony’s.

1.37 Peil

  1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg, ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het bestaande terrein, zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan, ter plaatse van die hoofdtoegang;
  3. het Nieuw Amsterdams Peil (NAP) indien het gebouw of het bouwwerk, geen gebouw zijnde, is gelegen in of op de grens van het water.

1.38 Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.39 Twee-aaneen

Blokken van twee aaneengebouwde woningen die door middel van één gemeenschappelijke wand met elkaar zijn verbonden.

1.40 Voorerf

Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.

1.41 Voorgevel

De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

1.42 Voorgevelrooilijn

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.43 Vrijstaand

Een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning.

1.44 Woning

Een hoofdgebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.2 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.3 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woningen, met inbegrip van beroepsactiviteiten in of bij de woning;
  2. aan- of uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken, zoals pergola’s en erfafscheidingen;
  3. wegen, parkeervoorzieningen, waterlopen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming;
alsmede voor:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch': hobbymatige agrarische activiteiten;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen': bijgebouwen;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek': behoud en herstel van karakteristieke bebouwing;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': paardenhouderij;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing': vrijkomende agrarische bebouwing;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - paardenbak': paardenbak.

3.2 Bouwregels

 Voor het bouwen gelden de volgende regels:
3.2.1 Hoofdgebouwen
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak worden opgericht;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen uitsluitend twee aaneen gebouwde hoofdgebouwen worden gebouwd;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande hoofdgebouwen worden gebouwd;
  4. de maximum inhoud van een woning, inclusief aan- en uitbouwen en exclusief bijgebouwen en ondergrondse kelders (met uitzondering van ruimten aanwezig tussen de begane grondvloer en het aansluitend afgewerkt terrein) bedraagt 715 m3, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' de bestaande inhoud van de woning als maximum inhoud geldt;
  5. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' is aangegeven;
  6. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven.
3.2.2 Aan- , uitbouwen en bijgebouwen
  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak alsmede ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden opgericht;
  2. het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50% van het achtererf;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak en behorende bij het hoofdgebouw met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' en bedraagt ten hoogste 170 m2;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak en behorende bij het hoofdgebouw met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' bedraagt ten hoogste 50 m2, behalve indien:
    1. het achtererf van de woning groter is dan 500 m2, bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 75 m2;
    2. het achterf van de woning groter is dan 750 m2 , bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 100 m2;
  5. de goothoogte van een aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3,3 meter;
  6. de bouwhoogte van een aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 6 meter.
3.2.3 Overige bouwwerken
  1. overige bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht, met dien verstande dat buiten het bouwvlak en de aanduiding 'bijgebouwen' geen overkappingen mogen worden opgericht;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste:
bouwwerken                                                  
maximum bouwhoogte
overkappingen en pergola’s
3 m
bouwwerken voor hooibergen of (mest)bassin
8 m
silo's
8 m
erfafscheidingen achter de voorgevel van de woning
2 m
overige erfafscheidingen
1 m
andere overige bouwwerken
5 m

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering, de vorm, de afmetingen, dakbeëindiging, kapvorm en bouwhoogte van bebouwing indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is, vanuit:
  1. milieuhygiënisch, verkeerskundig, ecologisch, landschappelijk, natuurwetenschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt, één en ander mede gelet op de aard van de bedrijfsvoering en de ligging, alsmede de omvang van het bedrijf;
  2. het voorkomen van aantasting van karakteristieke bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  3. het behoud van de bebouwingskarakteristiek van de omgeving;
  4. het behoud van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;

3.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 2.1, onder a voor een andere vorm of locatie van het bouwvlak ten behoeve van herbouw of vergroting van bestaande woningen tot een inhoud van ten hoogste 715 m3, inclusief aan- en uitbouwen en exclusief ondergrondse kelders, mits:
  1. de woning niet op kortere afstand van de dijk komt te liggen en is aangetoond dat de belangen van de waterkering dat gedogen;
  2. de massa van de bebouwing is afgestemd op de omgeving;
  3. de aanwezige landschappelijke, ecologische en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  4. uit onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Wet geluidhinder of de conform deze wet verleende hogere waarden;
  5. geen verslechtering van de milieuhygiënische situatie optreedt;
  6. omliggende bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
  

3.5 Specifieke gebruiksregels

 
3.5.1 Uitoefening beroepsactiviteiten
De gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening beroepsactiviteiten binnen een woning en de daarbij horende aan- of uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 35% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, en in ieder geval niet meer dan 50 m2;
3.5.2 Uitoefening bedrijfsactiviteiten
De uitoefening van bedrijfsactiviteiten, andere dan beroepsactiviteiten in of bij een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen, bijgebouwen en vrijkomende agrarische bebouwing als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, is uitsluitend toegestaan indien:
  1. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de beroepsactiviteiten;
  2. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet;
  3. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens bewoner van de woning;
  4. er wordt geen afbreuk gedaan aan het woonkarakter van de buurt;
  5. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit die verband houdt met de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten alsmede goederen die ter plaatse in het kader van diezelfde activiteiten zijn vervaardigd;
  6. er ontstaat geen ernstige of onevenredige hinder voor het woonmilieu en er vinden geen activiteiten plaats waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van milieuwetgeving verplicht is;
  7. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden;
    2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
  8. er is geen sprake van buitenopslag.
3.5.3 Vrijkomende agrarische bebouwing
In de bestemmingsvlakken met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – vrijkomende agrarische bebouwing' zijn de volgende activiteiten toegestaan:
  1. hobbymatige agrarische activiteiten, zoals het stallen van vee;
  2. verkoop van zelfgemaakte, bewerkte, gekweekte of geteelde producten en detailhandel in agrarische streekproducten, zoals bij een (Groene Hart) landwinkel, tot een oppervlak van ten hoogste 50 m2, waarvan tenminste 95% uit het Groene Hart komt;
  3. natuur- en landschapsbeheer;
  4. logies en Bed & Breakfast in het hoofdgebouw en in bestaande gebouwen binnen het bouwvlak, mits;
    1.  sprake is van maximaal 8 slaapplaatsen;
    2. het gebruik niet leidt tot belemmering voor de omliggende functies;
    3. de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt;
    4. het gebruik geen nadelinge invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
    5. in voldoende parkeergelegenheid op egen terrein wordt voorzien (1 parkeerplaats per 2 gerealiseerde slaapplaatsen);
    6. de bedrijfsvoering van de Bed & Breakfast uitsluitend door de bewoners(s) wordt uitgeoefend. 
met dien verstande dat de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing in oppervlak (m2) en in inhoud (m3) niet mag worden vergroot en geen opslag van goederen in de openlucht plaatsvindt.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels

 
3.6.1 Vrijkomende agrarische bebouwing
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 5.3 voor activiteiten genoemd in bijlage 1 'Lijst van activiteiten vrijkomende agrarische bebouwing', in vrijkomende agrarische bebouwing aangeduid als 'specifieke vorm van wonen – vrijkomende agrarische bebouwing', met dien verstande dat:
  1. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijkomende agrarische bebouwing van het perceel niet mag worden vergroot;
  2. de omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd mogen worden;
  3. de hoeveelheid extra verkeer past bij de wegstructuur;
  4. het parkeren behorende bij het andere gebruik dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;
  5. er mag geen opslag van goederen, behorende bij het andere gebruik in de openlucht plaatsvinden;
  6. het andere gebruik dient qua aard en schaal te passen bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties;
  7. het andere gebruik betreft geen detailhandel, met uitzondering van detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of –geteelde producten;
  8. per bouwvlak zijn maximaal 2 bedrijven toegestaan.
3.6.2 Bouwmogelijkheid
Het gestelde onder artikel 3, lid 6.1, onder a ten behoeve van gebouwen voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 3, lid 5.2 en Bijlage 1 'Lijst van activiteiten vrijkomende agrarische bebouwing' is niet van toepassing voor een bouwmogelijkheid van ten hoogste 100 m2 en een maximale inhoud van 300 m3, onder de volgende voorwaarden:
  1. de noodzaak van de extra bebouwing moet worden aangetoond;
  2. de openheid van het omliggende landschap niet onevenredig wordt aangetast;
  3. de bebouwing landschappelijk moet worden ingepast;
  4. de bebouwing moet direct aansluiten op de bestaande bebouwing en hiermee één geheel vormen.

3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Algemene gebruiksregels

5.1 Algemeen verbod op strijdig gebruik

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.

5.2 Bijzonder gebruiksverbod

Het is in ieder geval verboden bouwwerken en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken:
  1. als seksinrichting;
  2. als standplaats voor onderkomens, alsmede wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel;
  3. als kampeerterrein, caravanterrein en dagcamping;
  4. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  5. als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  6. als terrein voor het al dan niet ten verkoop opslaan en opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, danwel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorvoertuigen of aanhangwagens c.q. onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn;
  7. voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport, alsmede voor het crossen met motorvoertuigen en bromfietsen;
  8. voor (mest)bassins;
  9. voor bewoning ter plaatse van vrijstaande bijgebouwen;
behoudens voor zover anders is bepaald in de specifieke gebruiksregels zoals opgenomen in de artikelen in hoofdstuk 2.

5.3 Uitzonderingen bijzonder gebruiksverbod

Het in het artikel 5, lid 2 bepaalde is niet van toepassing op:
  1. het (tijdelijke) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden;
  2. het gebruik van gebouwen ten behoeve van detailhandel in goederen, die in het kader van het agrarisch bedrijf geproduceerd zijn of gewonnen worden, mits de detailhandel een niet-zelfstandig onderdeel uitmaakt van het agrarisch bedrijf.

5.4 Algemene afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder artikel 5, lid 1 indien strikte toepassing van die bepalingen zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels

6.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van de regels in dit wijzigingsplan voor:
  1. afwijkingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, met uitzondering van de inhoud van woningen, mits de afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;
  2. het aanbrengen van geringe aanpassingen in de plaats en de richting van bouwgrenzen, geen bestemmingsgrens zijnde, mits deze nodig zijn in verband met afwijkingen en onnauwkeurigheden van de verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie, dan wel nodig zijn in verband met de juiste inpassing van de gebouwen binnen bouwvlakken, waarbij de grenzen met niet meer dan 5 m worden verschoven;
  3. het overschrijden van de grenzen van het bouwvlak naar iedere zijde grenzend aan het openbare gebied door:
    1. erkers, balkons en bordessen tot maximaal 2 m;
    2. ingangspartijen tot maximaal 2 m, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m2 en de bouwhoogte maximaal 3 m zal bedragen;
  4. voor zover deze overschrijding van grenzen niet leidt tot wijziging van bestemmingen of onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  5. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 25 m2 en een goothoogte van niet meer dan 4 m ten dienste van het openbaar nut, zoals schakelhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen en gasdrukregel- en gasdrukmeetstations;
  6. het oprichten van antennes en masten tot een bouwhoogte van 15 meter.

6.2 Procedureregels

  1. Bij het afwijken van de regels als bedoeld in artikel 6, lid 1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.

Artikel 7 Algemene wijzigingsregels

7.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen ten behoeve van:
  1. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bouwvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen in verband met de ingekomen bouwaanvragen nodig zijn, ter uitvoering van een bouwplan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwvlak, met niet meer dan 10% wordt gewijzigd;
  2. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bestemmingsgrens, behalve die van de bestemmingen 'Verkeer', te veranderen, indien bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan redelijk gewenst of noodzakelijk is, mits de grenzen met niet meer dan 10 m worden verschoven

7.2 Procedureregel

  1. Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 7 lid 1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 8 Overgangsrecht

8.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10 %.
  3. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

8.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het wijzigingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende wijzigingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

8.3 Ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten

  1. Indien afstanden ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
  2. In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.
  3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 8, lid 4, onder a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 9 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het wijzigingsplan 'Middelblok 11-13'