Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Woerden Hoofdstuk 22e Leidsestraatweg 132-134
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0632.TAM22eLeidsestr132-bVA1

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Leidsestraatweg 132-134, Woerden en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Woerden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Woerden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22e.’ gelezen worden.
1 Algemene bepalingen
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
  1. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij onder b daarvan is afgeweken.
  2. Voor de toepassing van hoofdstuk 22e van dit omgevingsplan wordt, in aanvulling op het onder a bepaalde, verstaan onder:
    1. TAM-omgevingsplan Woerden H22e Leidsestraatweg 132-134: de onderhavig wijziging van het Omgevingsplan gemeente Woerden die volgens de technische standaarden van IMRO tot stand komt;
    2. ondergeschikt bouwdeel: een buiten de gevel of de dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een gebouw, zoals lift(opbouwen) en trappenhuizen, centrale verwarmings- en ventilatieinstallaties, zonnepanelen, lichtkappen, schoorstenen en antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen voor ondergeschikte bouwdelen
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
  1. De meet- en rekenbepalingen bedoeld in artikel 22.24 van het plan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het tweede lid tot en met het vijfde lid.
  2. De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  3. De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekanalen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  4. De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  5. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, gevelisolatie, reclameaanduidingen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken en dergelijke buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens niet meer bedraagt dan:
    1. 3 m voor balkons en erkers;
    2. 5 m voor luifels dienende als windschermen nabij hoge gebouwen en als markering van entrees van gebouwen;
    3. 1 m in overige gevallen.
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het vierde lid.
  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het besluit:
    1. bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeernormen Woerden”, met identificatienummer NL.IMRO.0632.bpparkeernormen-bVA1;
      onverminderd van toepassing op de locatie bedoeld in het vierde lid.
  3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  4. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Woerden H22e Leidsestraatweg 132-134, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand
    NL.IMRO.0632.TAM22eLeidsestr132-bOW1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
 
2 Functies en activiteiten
   
Artikel 6 Bedrijf
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Bedrijf’.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als ‘Bedrijf’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. de verkoop van motorbrandstoffen, met uitzondering van lpg, en daaraan gerelateerde detailhandel in onder meer benodigdheden en accessoires voor motorvoertuigen, weggebonden artikelen en voedingswaren die ter plaatse kunnen worden genuttigd;
  2. bij deze functies behorende voorzieningen, zoals parkeren, groen, water en nutsvoorzieningen.
 
6.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
6.3.1 Algemeen
Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Bedrijf de volgende regels voor bouwwerken:
  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;
  2. er zijn geen bedrijfswoningen toegestaan.
 
6.3.2 Goothoogte gebouwen
Voor gebouwen gelden de volgende maximale goothoogten:
  1. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte.
 
6.3.3 Bouwhoogte gebouwen
Voor gebouwen gelden de volgende maximale bouwhoogten:
  1. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte.
 
6.3.4 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.27 en 22.36 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    1. voor palen en vlaggenmasten: 6 m;
    2. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1 m op het voorerf en 3 m op het zij- en achtererf.
 
Artikel 7 Groen
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Groen’.
7.2 Functieomschrijving
Een als 'Groen' aangewezen locatie op de verbeelding heeft de volgende functies:
  1. groenvoorzieningen en water;
  2. voet- en fietspaden;
  3. speelvoorzieningen;
  4. straatmeubilair;
  5. nutsvoorzieningen en gemalen.
 
7.3 Regels voor het bouwen
7.3.1 Algemeen
Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie ‘Groen’ de volgende regels voor bouwwerken:
  1. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
 
7.3.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor gebouwen, geen gebouwen zijnde gelden de volgende maximale bouwhoogten:
  1. palen en masten: 6 m;
  2. speelvoorzieningen: 5 m;
  3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m.
 
Artikel 8 Maatschappelijk
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Maatschappelijk’.
 
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Maatschappelijk’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend in de vorm van een woonzorgvoorziening voor niet meer dan 44 kamers met gezamenlijk niet meer dan 47 zorgplaatsen voor personen met dementie en een 24-uurs zorgvraag;
  2. niet meer dan twee bedrijfswoningen;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’: tevens voor parkeren ten behoeve van de functies ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen – Gestapeld’;
  4. bij deze functies behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groen, water en nutsvoorzieningen.
 
8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
8.3.1 Algemeen
Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Maatschappelijk de volgende regels voor
bouwwerken:
  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de aangegeven bouwvlakken worden gebouwd.
 
8.3.2 Goothoogte gebouwen
  1. De goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’.
 
8.3.3 Bouwhoogte gebouwen
  1. De bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’.
 
8.3.4 Bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.26 en 22.27 gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:
  1. bijbehorende bouwwerken zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan;
  2. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelgrens mag niet minder bedragen dan 2 m;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  4. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
8.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.26 en 22.27 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    1. voor palen en vlaggenmasten: 6 m;
    2. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1 m op het voorerf en 3 m op het zij- en achtererf.
 
8.4 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen
8.4.1 Ondergeschikte bouwdelen
In afwijking van 22e.8.3.3 onder a kan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als:
  1. dit noodzakelijk is voor ondergeschikte bouwdelen;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte bouwdelen niet meer bedraagt dan 25% van de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  3. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse toegestane bouwhoogte vermeerderd met 3 m, en;
  4. de afstand tot de gevel niet minder bedraagt dan 3 m.
 
8.4.2 Welstand
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.7, 22.29 en 22.35 gelden de criteria van het beeldkwaliteitplan in bijlage 22e.2 Beeldkwaliteitplan als kader voor de beoordeling of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
 
8.5 Specifieke functieregels
8.5.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik met de in 22e.8.2 bedoelde functies wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gebouwen en gronden voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf en een seksinrichting.
 
8.6 Specifieke beoordelingsregels functies
8.6.1 Andere doelgroepen
In afwijking van het bepaalde in 22e.8.2 onder a kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als:
  1. dit noodzakelijk is voor het huisvesten van andere doelgroepen;
  2. het afwijkende gebruik qua aard en uitstraling vergelijkbaar is met het gebruik als bedoeld in 22e.8.2 onder a;
  3. het afwijkende gebruik niet in strijd is met het gemeentelijke woonzorgonderzoek;
  4. er sprake blijft van maximaal 47 zorgplaatsen, en;
  5. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
 
Artikel 9 Tuin
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Tuin’.
 
9.2 Functieomschrijving
Een als ‘Tuin’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  2. ontsluiting van de aangrenzende gronden;
  3. de daarbij behorende voorzieningen.
 
9.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.3.1 Algemeen
Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Tuin de volgende regels voor bouwwerken:
  1. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
 
Artikel 10 Wonen – Gestapeld
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen – Gestapeld’.
10.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen – Gestapeld’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. wonen gestapeld;
  2. tuinen en erven;
  3. aan huis verbonden beroepen;
  4. groen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. parkeren;
  7. ontsluitingsverharding.
 
10.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
10.3.1 Algemeen
Op deze gronden gelden ten behoeve van de functie Wonen de volgende algemene regels voor
gebouwen:
  1. het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’.
 
10.3.2 Goothoogte gebouwen
Voor gebouwen gelden de volgende maximale goothoogten:
  1. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’.
 
10.3.3 Bouwhoogte gebouwen
Voor gebouwen gelden de volgende maximale bouwhoogten:
  1. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’.
 
10.3.4 Bijbehorende bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.26 en 22.27 gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:
  1. bijbehorende bouwwerken zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan;
  2. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelgrens mag niet minder bedragen dan 2 m;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  4. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
10.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.26 en 22.27 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    1. voor palen en vlaggenmasten: 6 m;
    2. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1 m op het voorerf en 3 m op het zij- en achtererf.
 
10.4 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen
10.4.1 Ondergeschikte bouwdelen
In afwijking van 22e.10.3.3 onder a kan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als:
  1. dit noodzakelijk is voor ondergeschikte bouwdelen;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte bouwdelen niet meer bedraagt dan 25% van de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  3. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de ter plaatse toegestane bouwhoogte vermeerderd met 3 m, en;
  4. de afstand tot de gevel niet minder bedraagt dan 3 m.
 
10.4.2 Welstand
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 22.7, 22.29 en 22.35 gelden de criteria van het beeldkwaliteitplan in bijlage 22e.2 Beeldkwaliteitplan als kader voor de beoordeling of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
 
10.5 Specifieke functieregels
10.5.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik met de functieomschrijving als bedoeld in 10.2 wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruiken van geluidgevoelige ruimten in geluidgevoelige gebouwen waarin de geluidniveaus als gevolg van activiteiten meer bedragen dan de grenswaarden voor toelaatbaar geluid als bedoeld in tabel 5.66 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  2. het gebruik van gebouwen en gronden voor een aan huis verbonden bedrijf en een seksinrichting.
 
10.5.2 Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan huis verbonden beroep is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van het bepaalde in 22e.10.6.1.
 
10.6 Specifieke beoordelingsregels functies
10.6.1 Aan huis verbonden beroep
Een aan huis verbonden beroep is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, als:
  1. de activiteiten geen afbreuk doen aan de woonfunctie en daaraan ondergeschikt zijn in die zin, dat de woonfunctie de belangrijkste functie dient te blijven. Dit betekent dat ten behoeve van een aan huis verbonden beroep niet meer dan 40% van het vloeroppervlak van een woning mag worden gebruikt, één en ander met een maximum van 50 m²;
  2. de activiteiten geen hinder opleveren voor de woonsituatie. Dit betekent dat, in geval van bedrijfsactiviteiten, slechts aan het vestigen van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten dan wel bedrijfsactiviteiten in categorie 1 zoals genoemd in bijlage 22e.1 Staat van bedrijfsactiviteiten bij woningen medewerking wordt verleend;
  3. de activiteiten zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving;
  4. de activiteiten geen detailhandel betreffen;
  5. de activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling;
  6. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de regels van het bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeernormen Woerden” met identificatienummer NL.IMRO.0632.bpparkeernormen-bVA1, en;
  7. er geen buitenopslag plaatsvindt.
 
10.6.2 Afwijken van de functieregels
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend voor:
  1. het in afwijking van het bepaalde in 22e.10.6.1 toelaten van bedrijfsactiviteiten die niet in categorie 1 van bijlage 22e.1 Staat van bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren toe de toegelaten categorieën van bedrijven;
  2. het in afwijking van het bepaalde in 22e.10.2 voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, als:
    1. de activiteiten geen afbreuk doen aan de woonfunctie en daaraan ondergeschikt zijn in die zin, dat de woonfunctie de belangrijkste functie dient te blijven. Dit betekent, dat ten behoeve van een aan huis verbonden beroep niet meer dan 40% van het vloeroppervlak van een woning mag worden gebruikt, een en ander met een maximum van 50 m²;
    2. de activiteiten geen hinder opleveren voor de woonsituatie;
    3. de activiteiten zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving;
    4. de activiteiten geen detailhandel betreffen, tenzij het detailhandel door middel van internet betreft, met uitzondering van het afhalen van goederen door personen die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik, verhuur of aanwending;
    5. de activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale verkeersafwikkeling;
    6. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, en;
    7. er geen buitenopslag plaatsvindt.
 
Artikel 11 Waterstaat – Waterkering
 
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Waterkering’ en gelden als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29.
 
11.2 Functieomschrijving
Een als 'Waterstaat – Waterkering' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. het behoud van de waterkering.
 
11.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.3.1 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van bouwwerken op of in deze gronden wordt alleen verleend als de belangen van de waterkering dit toelaten.
 
11.3.2 Inwinnen advies
Het bevoegd gezag wint advies in van de beheerder van de waterkering, alvorens over het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
 
3 Algemene regels
Artikel 12 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
 
13.1 Geluidaandachtsgebied – industrie
13.1.1 Toepassingsbereik
De regels in dit lid zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘geluidaandachtsgebied – industrie’ en gelden als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29.
 
13.1.2 Beoordelingsregels voor het gebruiken
Het gebruiken van geluidgevoelige gebouwen is uitsluitend toegestaan, als voldaan wordt aan:
  1. de omgevingswaarde, zijnde de in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gestelde standaardwaarden voor industrieterreinen, of;
  2. de hogere grenswaarde die door het bevoegd gezag is vastgesteld .
13.2 Geluidaandachtsgebied – wegen
13.2.1 Toepassingsbereik
De regels in dit lid van zijn toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen – Gestapeld’ en gelden als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29.
 
13.2.2 Beoordelingsregels voor het gebruiken
  1. Een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan, als de geluidbelasting op een gebouw niet hoger is als de standaardwaarde voor gemeentewegen, te weten 53 dB Lden.
  2. Een nieuw geluidgevoelig gebouw met een geluidbelasting die hoger is dan de standaardwaarde, als bedoeld onder a, is toegestaan als:
    1. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen;
    2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt;
    3. het geluid op geluidgevoelige gebouwen bij voorkeur niet hoger is dan 63 dB Lden, maar in ieder geval niet hoger is dan de grenswaarde voor gemeentewegen;
    4. iedere woning minimaal één geluidluwe gevel heeft;
    5. iedere woning per etage minimaal één verblijfsruimte met minimaal één te openen deel aan de geluidluwe gevel heeft;
    6. indien niet kan worden voldaan aan het bepaalde onder 4 en 5 aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen worden getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de standaardwaarde;
    7. geluidwerende maatregelen worden getroffen om te voldoen aan de binnenwaarde, te weten 33 dB;
    8. indien een woning over een of meer buitenruimten beschikt, daarvan minimaal één buitenruimte aan de geluidluwe zijde van de woning ligt; en
    9. aan de onderzijde van balkons weersbestendige geluidabsorptie wordt geplaatst ter voorkoming van ongewenste reflecties.   
13.3 Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied
13.3.1 Toepassingsbereik
De regels in dit lid zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied’ en gelden als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29.
 
13.2.2 Beoordelingsregels voor het gebruiken
Het is verboden de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. activiteiten die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie.
 
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels
 
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend voor:
  1. het bouwen en gebruiken van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, met een goothoogte van niet meer dan 3 m en een inhoud van niet meer dan 50 m³ mag bedragen;
  2. het in geringe mate afwijken van de grens of richting van wegen, paden en waterlopen, en ligging van bebouwingsgrenzen en grenzen van bouwlakken en aanduidingen, mits dit noodzakelijk is ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein en de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer bedraagt dan 5 m;
  3. het afwijken van regels ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages en aangetoond wordt dat deze afwijking noodzakelijk is voor het toegestane gebruik.
 
4 Overgangsregel
Artikel 15 Overgangsrecht
 
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
15.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.