direct naar inhoud van 4.13 Archeologie
Plan: Rivierzone-Oost
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0622.bpRivoost2010-0131

4.13 Archeologie

4.13.1 Toetsingskader

Verdrag van Malta

Het Verdrag van Malta is in 1992 ondertekend en in 1995 in werking getreden. Doelstelling van het Verdrag van Malta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

De inhoud van het Verdrag van Malta is neergelegd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg die op 1 september 2007 van kracht is geworden en een wijziging van de Monumentenwet 1988 tot gevolg heeft gehad. Op grond van deze aangescherpte regelgeving stellen Rijk en provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.

Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005-2008, de Nota Belvedère, de Vijfde Nota Ruimtelijke ordening 2000/2002, het Structuurschema Groene Ruimte 2, een brief van de Staatssecretaris van OC&W aan de Tweede Kamer van 17 april 2000, de herziene Monumentenwet 2006 en diverse publicaties van het Ministerie van OC&W.

Gemeentelijk Archeologisch beleidsplan

In de beleidsnota Archeologie 2009-2013 is uitgewerkt op welke wijze de gemeente Vlaardingen, binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid, invulling geeft aan de archeologische monumentenzorg. Daarbij wordt ook specifiek aandacht besteed aan de wijze waarop in betsemmingsplannen om dient te worden gegaan met archeologische waarden.

De gemeente houdt bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen. De op de plankaart opgenomen archeologische terreinen worden gekoppeld aan bouwvoorschriften en een aanlegvergunning. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangegeven waarom de aangewezen terreinen vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen. In de planvoorschriften wordt vastgelegd welke gevolgen de gemeente verbindt aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen bij geplande bouwactiviteiten of andere bodemverstorende activiteiten. Die gevolgen kunnen zeer uiteenlopend zijn, variërend van ’geen gevolgen voor bouwen’ via ‘eerst onderzoeken, dan bouwen’ tot en met ’geen bodemverstoring, maar behoud in de bodem’. De voorwaarden voor het verlenen van bouw-, sloop en aanlegvergunningen worden hierop aangepast.

Algemene omgang met archeologie

In het kader van de archeologische monumentenzorg geldt een algemene procedure, de AMZ-cyclus. In deze procedure wordt een aantal stappen onderscheiden.

Ten eerste dient een inventarisatie te worden gedaan, het zogeheten 'Bureauonderzoek' (BO). In deze fase worden alle bestaande archeologische gegevens verzameld.

Indien er aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid van archeologische waarden (bestaand of verwacht), of juist indien er onvoldoende informatie voorhanden blijkt te zijn, zal een 'Inventariserend Veldonderzoek' (IVO) volgen. In het IVO worden door middel van non-destructief onderzoek (bijvoorbeeld grondboringen, grondradar, weerstandsmetingen) of meer destructieve methoden (het trekken van proefsleuven) bijkomende archeologische gegevens verzameld. Het onderzoek resulteert in een verslag waarin op grond van de verkregen gegevens terreinen worden gewaardeerd. Op basis van de waardering kunnen terreinen worden aangewezen die archeologische waarden bevatten.

Het uitgangspunt van de archeologische monumentenzorg is dat terreinen die archeologische waarden bevatten door middel van planaanpassing behouden blijven. De bescherming en het behoud van archeologische waarden wordt hiermee geoptimaliseerd en werkt bovendien kostenbesparend. De inventarisatie van archeologische waarden dient dan ook in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming plaats te vinden.

Bij onontkoombare vernietiging van belangrijke archeologische waarden dienen deze door middel van een opgraving te worden gedocumenteerd. Hieronder kan ook worden verstaan, het archeologisch begeleiden van de werkzaamheden. Opgraven en begeleiden dient te gebeuren door een bedrijf dat hiertoe volgens de Monumentenwet gemachtigd is.

De kosten voor de stappen die in de procedure gevolgd dienen te worden, komen ten laste van het project (de initiatiefnemer/veroorzaker).

4.13.2 Onderzoek

Referentiesituatie

De archeologische verwachting voor bestemmingsplangebied 227 is gebaseerd op de resultaten van de archeologische inventarisatie die voor het plangebied is uitgevoerd (zie: Van Loon 2011). De verwachting is chronologisch weergegeven en wordt getoond in figuur 4.4.

 

In het plangebied ligt een rivierduinencomplex, dat bewoond was in het midden-neolithicum. Gezien rivierduinen gevormd worden in het laat Dryas, is ook laat-paleolithische en mesolithische bewoning mogelijk. De top is aangetroffen op circa - 3,80 m NAP, net ten noordwesten van het plangebied. AMK-terrein 10428 omvat deze top en strekt zich uit tot in het plangebied. Voor deze zone geldt een hoge verwachting op vondsten en sporen uit het neolithicum.

De rest van het rivierduinencomplex strekt zich uit over het oosten van het plangebied. De geologische kaart geeft aan dat rivierduinafzettingen hier mogelijk aangetroffen kunnen worden vanaf - 15 m NAP. In het zuidoosten van het plangebied ligt nog een zone waar de afzettingen al vanaf -13 m NAP aanwezig kunnen zijn. Voor deze zone geldt een middelhoge verwachting op vondsten en sporen uit het neolithicum, mesolithicum en laat-paleolithicum.

Net ten noorden van het plangebied zijn in het veen nederzettingssporen uit de ijzertijd gevonden. De goed geconserveerde vondsten werden gedaan op circa - 2,8 m NAP. De boringen in DINOLoket geven aan dat er ook in het plangebied nog verschillende veenlagen in de ondergrond aanwezig zijn. Voor het plangebied betekent dit een middelhoge verwachting op sporen en vondsten uit de ijzertijd.

Op Sportpark Vijfsluizen zijn verschillende nederzettingssporen en een cultuurlaag uit de Romeinse tijd gevonden op de oeverwallen van kreken. Sporen werden aangetroffen vanaf - 2,10 m NAP, vondsten vanaf - 1,84 m NAP. Gezien de ligging van het bestemmingsplangebied mag het krekenstelsel ook hier verwacht worden. Voor de Romeinse tijd geldt een middelhoge verwachting op sporen en vondsten.

In de 12e eeuw (late middeleeuwen) legde men dijken aan en het noordoosten van het bestemmingsplangebied kwam binnendijks te liggen. Tot in de 20e eeuw was het een woon- en agrarisch gebied. Het is onbekend of er nog veel bewaard is gebleven uit deze periode. Daarom geldt een middelhoge archeologische verwachting voor dit gebied voor de periode vanaf de late middeleeuwen. Voor het verwachte verloop van het dijktracé is een hoge verwachting opgenomen. De dijk zal in de loop van de tijd onder zijn eigen gewicht naar beneden zijn gezakt (en steeds weer zijn opgehoogd). Dus zelfs na (mogelijke) egalisatie in de 20e eeuw kunnen er nog restanten in de bodem aanwezig zijn.

 

De rest van het bestemmingsplangebied bestond tijdens de middeleeuwen en een groot deel van de nieuwe tijd uit gorzen. Bewoningsresten moeten hier niet verwacht worden, maar andere structuren kunnen wel aangetroffen worden. Indien het latere 'Oostelijke Spuiwater' voor 1560 in verbinding stond met de Maas, mag de samenvloeiing tussen de KW-haven en de Vulcaanhaven verwacht worden. In dat geval kunnen ter plekke 16e-eeuwse dempingspakketten en een damstructuur aanwezig zijn. De waterloop kan ook afval en eventueel scheepsresten bevatten, daterend uit de gehele periode waarin deze stroom actief was. Ten noorden van de KW-haven kunnen nog resten liggen van de 18e-eeuwse kade (vanaf 3,74 m NAP) en rond de Vulcaanhaven kaden uit de 18e eeuw en later (vanaf 1,84 m NAP).

Het bestemmingsplangebied is in de 19e en 20e eeuw opgehoogd. Hoeveel grond is opgebracht, is niet bekend. Een vergelijking tussen het huidige straatniveau en gegevens op historische kaarten doet vermoeden dat het vaak over 2 tot 4 m gaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0622.bpRivoost2010-0131_0007.png"

Figuur 4.4 Archeologische verwachtingen in het bestemmingsplangebied

Plansituatie

Om de aanwezige en verwachte archeologische monumenten tegen vernietiging te behoeden, is in dit bestemmingsplan een beschermende regeling opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0622.bpRivoost2010-0131_0008.png"

Figuur 4.5 Plankaart archeologische waarden

Er worden 4 dubbelbestemmingen onderscheiden:

Waarde - Archeologie - 1 (WR-A-1; rood): Alle projecten waarbij bodemingrepen plaatsvinden die dieper gaan dan 2 m onder NAP dienen aandacht te besteden aan archeologie.

Waarde - Archeologie - 2 (WR-A-2; groen): Projecten met een omvang van meer dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 1 m onder maaiveld dienen aandacht te besteden aan archeologie.

Waarde - Archeologie - 3 (WR-A-3; geel): Projecten met een omvang van meer dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 2 m onder NAP dienen aandacht aan archeologie te besteden. Projecten met een omvang van meer dan 100 m² waarbij het maaiveld tot onder 0 m NAP wordt verlaagd, dienen eveneens aandacht aan archeologie te besteden. Dit ongeacht de diepte van de verdere bodemingrepen.

Waarde - Archeologie - 4 (WR-A-4; blauw): Projecten met een omvang van meer dan 100 m² en ontgravingen dieper dan 15 m onder NAP dienen aandacht te besteden aan archeologie.

Toelichting

Projecten met een omvang van minder dan 100 m², die worden uitgevoerd in archeologische verwachtingsgebieden in dit bestemmingsplangebied (zie figuur 1), zijn vrijgesteld van de verplichting om aandacht te besteden aan archeologie. De vrijstelling behoedt kleine projecten met bodemingrepen voor hoge archeologische kosten. De vrijstellingsgrens is in lijn met de Monumentenwet en met het beleid van de provincie Zuid-Holland. Uitzondering hierop zijn projecten die plaatsvinden in zone WR-A-1.

Naast een vrijstellingsgrens naar omvang, gelden er in het bestemmingsplangebied drie verschillende vrijstellingsgrenzen naar gelang de diepte van de geplande bodemingrepen. Deze grenzen zijn gebaseerd op de resultaten van de archeologische inventarisatie die is uitgevoerd voor het bestemmingsplangebied. Heien wordt in Vlaardingen als verstorend voor het bodemarchief beschouwd. Dit betekent dat plannen met heiwerkzaamheden ook in dit plangebied aandacht dienen te besteden aan archeologie.

WR-A-1: Dit gebied staat aangegeven op de archeologische monumentenkaart en behoort tot AMK-terrein 10428. Het omvat de top van een rivierduin die bewoond was in het neolithicum en mogelijk reeds vroeger. Naar alle verwachting is de rivierduin nog intact in de bodem aanwezig. Voor projecten in dit gebied geldt geen vrijstelling naar omvang. Er geldt wel een vrijstelling naar diepte. Gezien het feit dat de top van de duin is vastgesteld op - 3,80 m NAP, zijn projecten die de bodem niet dieper verstoren dan - 2 m NAP vrijgesteld.

WR-A-2: Dit is het gebied van het voormalige tracé van de oude Schiedamse dijk. Mogelijk zijn nog delen van deze dijk intact in de bodem aanwezig. Plannen die de bodem niet dieper verstoren dan 1 m onder maaiveld, zijn vrijgesteld. Dit heeft te maken met de wijze waarop de archeologische informatie ontsloten moet worden. Zinvol archeologisch onderzoek naar de opbouw van de dijk is pas mogelijk indien er een ruime doorsnede blootgelegd kan worden.
Met 1 m hoogte is dit naar verwachting het geval.

WR-A-3: Dit gebied is voor het overgrote deel fors opgehoogd. Onder deze ophoging kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn. De rivierduin die in het plangebied ligt, is hier een voorbeeld van. De diepteligging van archeologische sporen en vondsten in dit gebied geeft al enige bescherming. Het huidige maaiveld ligt enkele meters boven de archeologische niveaus, zodat in de praktijk goed archeologische onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologie enkel mogelijk is met behulp van kostbare ingrepen. Daarom dient er alleen een archeologisch traject ingezet te worden bij projecten waarbij de bodem tot op grote diepte wordt verstoord. De grens voor dergelijke verstoringen is op - 2 m NAP gezet. De hoogtemaat volgt uit onderzoeksresultaten van Sportpark Vijfsluizen, waarbij een middeleeuwse vindplaats en Romeinse sporen en vondsten ongeveer op dit niveau zijn aangetroffen. Echter, indien een project plannen omvat waarbij het huidige maaiveld tot onder nul meter NAP wordt verlaagd, dan dient ook hier aandacht besteed te worden aan archeologie. Het wordt dan immers wel mogelijk om vanaf het verlaagde maaiveld onderzoek te doen naar mogelijk aanwezige archeologie.

WR-A-4: De rivierduin waarop neolithische bewoning is aangetroffen, strekt zich uit onder een gedeelte van de KW-haven en Vulcaanhaven. Bij de aanleg van de havens is de rivierduin vermoedelijk niet verstoord, maar recentere archeologische structuren wel. Op basis van de geologische kaart kunnen in dit gebied rivierduinafzettingen aangetroffen worden vanaf - 15 m NAP. Projecten waarbij ontgravingen worden uitgevoerd die niet dieper gaan dan - 15 m NAP zijn daarom vrijgesteld.

4.13.3 Conclusie

Gebieden met een archeologische verwachtingswaarde krijgen een toepasselijke dubbelbestemming. Op deze manier zijn de archeologische belangen gewaarborgd.