| Plan: | Emplacement Vulcaanweg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0622.0279bpEmvu2018-0030 |
De gemeente Rotterdam heeft in overleg met de gemeente Vlaardingen besloten om bij de Vulcaanweg een emplacement op te richten, ter vervanging van het emplacement bij het station. Geconstateerd is dat dit (op basis van de vigerende bestemmingsplannen) deels binnen het gezoneerde industrieterrein Vulcaanhaven – Klein Vettenoord en deels daarbuiten valt. Hierdoor valt het toetsingskader voor het milieudeel binnen 2 wetten. Het is wenselijk de begrenzing van het gezoneerde industrieterrein (zoals nu opgenomen in de bestemmingsplannen KW-kades en Rivierzone-Oost) aan te passen, zodat de nieuwe grens samenvalt met de grens tussen de bestemmingen Bedrijventerrein en Verkeer. Hiertoe is een nieuw postzegelbestemmingsplan nodig. In dit postzegelbestemmingsplan wordt het emplacement tevens planologisch vastgelegd.
Het plangebied ligt ten zuidoosten van de kern Vlaardingen, ter hoogte van de Vulcaanweg.
De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied
Ter plaatse van het plangebied vigeren de bestemmingsplannen KW-kades (vastgesteld in 2014), Rivierzone-Oost (vastgesteld in 2015) en Oostwijk-Zuid (vastgesteld in 2014). Het plangebied heeft (groten)deels de bestemming Verkeer, deels de bestemmingen Verkeer - Railverkeer en Groen en diverse dubbelbestemmingen. De gronden hebben een gebiedsaanduiding voor 'gezoneerd industrieterrein'. Ter plaatse van bestaand spoor binnen de bestemming Verkeer is de aanduiding 'spoorweg' opgenomen.
Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (kaart met regels) en de daarbij behorende toelichting. De verbeelding is uitgevoerd conform de RO Standaarden 2012 (IMRO2012, SVBP2012 en STRI2012).
Het ontwerpbestemmingsplan ligt op basis van artikel 3.8 van de Wro gedurende zes weken ter inzage (tezamen met de ontwerpomgevingsvergunning milieu). Binnen deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend. Hierna volgt de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad, al dan niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan beroep worden ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 is het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de relevante sectorale aspecten, waaronder geluid. In hoofdstuk 5 is een toelichting op de juridische regeling van het bestemmingsplan opgenomen. Hoofdstuk 6 ten slotte gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
In de huidige situatie rijden goederentreinen van Vlaardingen Oost over de spoorbrug
naar Vlaardingen Centrum. Daar kan de trein keren (‘kopmaken’). Vervolgens rijdt de
trein van Vlaardingen Centrum weer terug om via een wissel het industrieterrein
Vulcaanhaven te bereiken.
Figuur 2.1 Huidige situatie
In de nieuwe situatie kunnen de goederentreinen van Vlaardingen Oost via een wissel
en de nieuwe sporen rechtstreeks naar het industrieterrein Vulcaanhaven rijden. De
bestaande aftakking naar industrieterrein Vulcaanhaven is gelegen ter hoogte van de
Binnensingel en komt te vervallen met de realisatie van het emplacement.
Figuur 2.2 Nieuwe situatie
Met de (inmiddels gerealiseerde) aanleg van de wissel en de nieuwe sporen hoeft een goederentrein niet meer door te rijden naar Vlaardingen Centrum. Dit levert de volgende voordelen op voor
zowel bewoners, bedrijven als openbaar vervoer:
In dit hoofdstuk is een samenvattend overzicht opgenomen van de beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau die relevant zijn voor het bestemmingsplan Emplacement Vulcaanweg.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
Doelen
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.
Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd april 2019)
Knooppunten en stedelijke centra
Binnen de stedelijke agglomeratie stuurt de provincie op sterke en complementaire centra en ontwikkelingslocaties bij knooppunten. Nieuwe investeringen in gebiedsontwikkeling, mobiliteit en infrastructuur worden zo veel mogelijk geconcentreerd. Daarvoor komen locaties in aanmerking binnen de stedelijke agglomeratie, waar het infrastructuurnetwerk nog onbenutte capaciteit heeft en waar door de stedelijke dynamiek kansen liggen voor de versterking van de agglomeratiekracht en complementariteit in de regio. Andere ontwikkelingslocaties kunnen in aanmerking komen, als ze uitstekend zijn ontsloten over de weg en per hoogwaardig openbaar vervoer en goed te bereiken zijn per fiets. Nieuwe bovenregionale voorzieningen (zoals bovenregionale ziekenhuizen, opleidingscentra en culturele voorzieningen) wil de provincie concentreren op locaties die verschillende voordelen combineren: de te bereiken schaalvoordelen, de bijdrage aan de stedelijke dynamiek van de gebieden en het benutten van de capaciteit op het mobiliteitsnetwerk.
De provincie zet in op een combinatie van knooppuntontwikkeling met bijzondere aandacht voor onderbenutte capaciteit op het netwerk. De provincie zet het bestaande beleid van Stedenbaan door. Naast de impulsen van Stedenbaan, het R-net en het Programma Hoogfrequent Spoor blijft het oplossen van knelpunten belangrijk.
Adequaat aanbod openbaar vervoer
De provincie realiseert een adequaat aanbod van Openbaar Vervoer in Zuid-Holland. Daartoe regelt de provincie:
1. de kaderstelling en vertegenwoordiging voor regional openbaar vervoer;
2. het aanbesteden en het aansturen van de regionale OV-concessies en –contracten.
3. het uitvoeren van infrastructurele projecten / maatregelen voor het openbaar vervoer.
4. het uitvoeren van projecten / maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het OV.
5. het stimuleren van mobiliteitsaanbod waar onvoldoende regulier OV beschikbaar is.
6. het samenwerken met aantal gemeenten en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag aan een netwerk van personenvervoer over water in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in de vraag naar OV.
7. het stimuleren van veren en de verbetering van de veerinfrastructuur in Zuid-Holland.
8. het subsidiëren van projecten en maatregelen in het Openbaar Vervoer in Zuid-Holland.
Voor de stedelijke gebieden werkt de provincie met het Rijk, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en gemeenten samen aan impulsen zoals Stedenbaan en het Programma Hoogfrequent Spoor. De provincie zet daarbij in op de ontwikkeling van het R-net netwerk. En daarnaast zoekt de provincie in de samenwerking met het Rijk en de regio’s naar het oplossen van (toekomstige) OV-knelpunten.
Conclusie
Het omvormen van de Hoekse lijn naar een metroverbinding is een van de concrete uitvoeringsprojecten uit het programma Stedenbaan. Het verleggen van het emplacement draagt bij aan vergroting van de capaciteit van deze metroverbinding en daarmee ook aan een goed functionerend HOV-netwerk. Dit past binnen de beleidsdoelstellingen van de provincie.
Programma ruimte (geconsolideerd februari 2019)
De doelstelling van Stedenbaan is het verhogen van het aantal reizigers per openbaar vervoer door het verkorten, versnellen en veraangenamen van de reis, waardoor deze aantrekkelijker wordt. Dit draagt bij aan de agglomeratiekracht van de Zuidelijke Randstad. In het kader van Stedenbaan zijn in 2007 en 2011 ruimtelijke ambities vastgesteld door de Zuidvleugelpartners.
Conclusie
Het omvormen van de Hoekse lijn naar een metroverbinding is een van de concrete uitvoeringsprojecten uit het programma Stedenbaan.
Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd april 2019)
In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke plannen. Het plangebied is aangemerkt als Provinciale infrastructuur. Er zijn enkele artikelen die betrekking hebben op de provinciale infrastructuur.
Toetsing
Het plan vergroot het doelmatig gebruik van infrastructuur. Omdat geen fysieke werkzaamheden nodig zijn, zijn de regels uit de Omgevingsverordening niet relevant voor de realisering van het emplacement.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
Lid 2 tm 7 NVT
Toetsing
Het plangebied is op de kwaliteitskaart aangemerkt als rivierdijk en als infrastructuur-spoorlijn. De relevante richtpunten zijn:
Relevante richtpunten voor rivierdijken
Relevante richtpunten infrastructuur
Er is sprake van 'inpassen'. De ontwikkeling vindt plaats bij een bestaand spoortracé op een rivierdijk. Er is geen sprake van wijzigingen op structuurniveau.
Regionaal afsprakenkader geluid & ruimtelijke ontwikkeling
De gemeente Vlaardingen heeft samen met andere gemeenten in de regio, Havenbedrijf Rotterdam, provincie Zuid-Holland, Deltalinqs en DCMR het Regionaal afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (RAK) ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over ruimtelijke plannen in de omgeving van de gezoneerde industrieterreinen. Het doel van het RAK is een brede afstemming op regionaal niveau in een vroeg stadium van woningbouw- en havenontwikkeling om problemen in vergunningprocedures te voorkomen, elkaar niet te verrassen en geen onnodige kosten te maken. In het RAK wordt afgesproken met welke werkwijze de partners rondom haven en omgeving, binnen de geldende geluidkaders, samenwerken om zowel haven als omgeving te blijven ontwikkelen.
Gebiedsgericht milieubeleid Vlaardingen, ambitiedocument (2013)
Het in 2013 vastgestelde Ambitiedocument Gebiedsgerichte milieubeleid geeft voor diverse gebieden van Vlaardingen door middel van milieukwaliteitsprofielen de ambities voor geluid weer. In het Actieplan Geluid wordt hierop nader ingegaan.
Actieplan Geluid Vlaardingen 2016-2018 (vastgesteld 29 november 2016)
Dit actieplan beschrijft de maatregelen die Vlaardingen de komende vijf jaar gaat treffen om de geluidsoverlast voor Vlaardingers ten minste gelijk te houden, maar liefst te verbeteren. De ambitie van het actieplan is de berekende geluidhinder van de gevelbelasting in de planperiode niet toe te laten nemen (stand still) en waar mogelijk terug te dringen. Daarnaast wordt met aanvullende maatregelen gewerkt aan het verminderen van de ervaren hinder door geluid. De belangrijkste maatregel die het college hiervoor tot haar beschikking heeft, is de toepassing van stiller wegdek.
Ingezet wordt op een breed programma van aanvullende maatregelen, waarbij naast stiller wegdek ook acties gericht zijn op:
Daarnaast is ervoor gekozen het actieplan te richten op activiteiten waarbij de gemeente zelf bevoegd gezag is. De maatregelen hebben dan ook geen betrekking op treinverkeer, op hinder door rijkswegen of industriegeluid van de Rotterdamse haven. Verkeersreducties worden niet meegenomen als oplossingsmogelijkheid voor de aanpak van de geluidproblematiek, omdat het verkeer met 50% verminderd moet worden voordat dit in de stad hoorbaar is. Wel kan het terugdringen van geluidhinder worden meegenomen bij de ontwikkeling van het Actieplan Mobiliteit.
Conclusie
De verplaatsing van het emplacement betekent een afname van het geluidhinderniveau en het aantal geluidgehinderden en past daarmee binnen de doelstellingen van het Actieplan.
Visie externe veiligheid (2012)
In de beleidsvisie Ruimte voor duurzame veiligheid staat de samenhang tussen ruimtelijke ordening, economie, beheersbaarheid en verantwoording van risico's centraal. Met deze beleidsvisie geeft de gemeente concreet richting aan een aanvaardbaar veilige invulling van haar ruimtelijke ontwikkelingen. Voor concrete bouwplannen of bij het opstellen van bestemmingsplannen geeft deze visie de planologische kaders voor het omgaan met risico's. Indien nodig worden hieraan voorwaarden gekoppeld die de risico's beheersbaar houden of zelfs geheel uitsluiten. Deze planologische kaders bieden vooraf duidelijkheid in de omgang met externe veiligheid bij ruimtelijke plannen. Dat geldt zowel voor de ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van risicobronnen als voor nieuwe en bestaande risicobronnen. De beleidsvisie bestaat uit vier delen. In het eerste deel zijn de ambities weergegeven, die invulling geven aan het doel van de visie: “concreet richting geven aan een aanvaardbaar veilige en duurzame invulling van de ruimtelijke ontwikkelingen in Vlaardingen”. In het tweede deel is het wettelijk kader weergegeven en de huidige risicosituatie beschreven waaruit de beleidsuitgangspunten en ambities zijn ontstaan. In het derde deel is het risicobeleid uitgewerkt voor specifieke onderwerpen zoals nieuwe en bestaande risicobronnen, veranderingen bij inrichtingen, advisering veiligheidsregio, GR-verantwoording en risicocommunicatie. In het vierde en laatste deel van de visie zijn de ambities uitgewerkt in concrete planologische kaders voor nieuwe ruimtelijke plannen. Bij het opstellen van de planologische kaders is onderscheid gemaakt in risicobronnen en gebieden.
Integraal Veiligheidsplan 2015 - 2018 (2016)
De gemeente stelt in het integraal veiligheidsbeleid de volgende prioriteiten ten aanzien van Externe veiligheid/rampenbestrijding
Externe veiligheid, de bescherming tegen (de gevolgen van) incidenten en rampen, scoort niet zo hoog in onderzoeken naar veiligheidsbeleving. Pas wanneer een incident plaats heeft en iets fout gaat in de bestrijding daarvan, blijkt het belang van een goede aanpak. Gezien de ligging van Vlaardingen, de enorme impact die een incident of ramp kan hebben en het altijd weer onverwachte karakter ervan, blijft maximale inzet op externe veiligheid noodzakelijk. De tendens dat de gemeente en met name de burgemeester hierbij een essentiële rol vervult is ongewijzigd van kracht. Dit rechtvaardigt de hoogste prioriteit voor externe veiligheid binnen het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Het aantal incidenten wordt beïnvloed door het succes van preventieve activiteiten maar niet alleen daardoor. Schade en aantallen slachtoffers worden onder meer beïnvloed door repressieve activiteiten en geoefendheid. Naast de bestaande organisatie heeft Vlaardingen een crisisorganisatie die in beginsel een lege organisatie is. Op het moment dat hier reden voor bestaat, worden medewerkers uit de staande organisatie onttrokken om de crisisorganisatie te bemensen.
Programma Duurzaamheid 2012-2015
Met het duurzaamheidsprogramma wil de gemeente een extra impuls geven aan energiebesparende maatregelen, het stimuleren van het gebruik van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, warmte/koude opslag en aardwarmte. Verder stimuleert de gemeente duurzame mobiliteit, het duurzaam gebruik van grondstoffen en het hergebruik van afvalstoffen. Voorbeelden van duurzame mobiliteit zijn elektrisch vervoer, openbaar vervoer (ook over het water) en de fiets. Deze maatregelen dragen ook bij aan het verminderen van de CO2-uitstoot en het verminderen van geluidsoverlast, luchtverontreiniging en stank.
In het kader van het MER en de planologische afwijking voor de Hoekse Lijn is uitgebreid milieuonderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn de gevolgen van de verplaatsing van het emplacement in beeld gebracht en afgewogen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten, waarbij gebruik wordt gemaakt van reeds beschikbare informatie, waar nodig aangevuld met meer specifieke informatie en onderzoeksgegevens.
Mer-(beoordelings)plicht
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met mogelijke verplichtingen op grond van het Besluit milieueffectrapportage. De wijziging of uitbreiding van een spoorlijn is mer-beoordelingsplichtig indien deze bestaat uit een uitbreiding met één of meer sporen met een aaneengesloten tracélengte van 5 kilometer of meer en voor zover deze is gelegen in een gevoelig gebied (categorie D2.2). Gezien de beperkte omvang van de aanpassingen ten behoeve van het emplacement en de locatie (niet binnen gevoelig gebied) is op zich zelf geen sprake van een mer-(beoordelings)plicht. De verplaatsing van het emplacement is echter wel onderdeel van de voorgenomen activiteiten die zijn onderzocht in het MER voor de Hoekse Lijn (in een variant Aanpassing goederenspoor Vulcaanhaven). In dit hoofdstuk wordt waar relevant gebruik gemaakt van de informatie uit dat MER.
Conclusie
Gezien het voorgaande is geen sprake van een mer-(beoordelings)plicht in het kader van het bestemmingsplan voor het emplacement.
Milieucategorisering en richtafstanden
In de omgeving van het emplacement zijn woningen gelegen. Voor de afstemming tussen potentieel milieuhinderlijke functies (zoals een goederenemplacement) en milieugevoelige functies (zoals woningen) kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag de richtafstand met één stap worden verkleind. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Op grond van de VNG-publicatie vallen rangeerterreinen en overslagstations in categorie 4.2: richtafstand 300 meter (rustige woonwijk) of 200 meter (gemengd gebied). Geluid en gevaar zijn de maatgevende milieuaspecten. Gezien de aard en omvang van het emplacement in Vlaardingen zal de milieuimpact in dit geval aanzienlijk beperkter zijn (van het rangeren van treinen of overslag is geen sprake). Direct ten noorden van het plangebied zijn woningen aanwezig. Dat betekent dat akoestisch onderzoek noodzakelijk is om de gevolgen van de verplaatsing van het emplacement noodzakelijk is. Van transport of het rangeren van gevaarlijke stoffen is geen sprake. Nader onderzoek naar de risicosituatie ter plaatse is daarmee niet aan de orde. Wel dient aandacht te worden besteed aan eventuele trillingshinder.
Geluid
In het kader van de voor het emplacement vereiste vergunning op grond van de Wet milieubeheer is door Antea akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidsbelasting te bepalen op de woningen langs het emplacement (zie bijlage 1). Daarbij is zowel gekeken naar het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als naar de maximaal optredende geluidniveaus (pieken).
Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijk dat de verplaatsing van het emplacement positieve gevolgen heeft voor de optredende geluidbelasting ter plaatse van de woningen ten noorden van het beoogde emplacement (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau). Dat positieve effect wordt enerzijds veroorzaakt door het vervallen van de goederentreinen op het doorgaande spoor en anderzijds door de maatregelen die worden getroffen om de geluidbelasting verder te beperken (snelheidsverlaging naar 10 km/h, spoorstaafconditioneringsinstallatie en middenbermscherm). De maximaal optredende geluidbelasting in de beoogde situatie bedraagt 54 dB(A) etmaalwaarde. Gezien de significante verbetering van de akoestische situatie en het feit dat verdergaande maatregelen niet kosteneffectief zijn, wordt deze beperkte overschrijding van de richtwaarde (50 dB(A)) aanvaardbaar geacht.
Als het gaat om de maximale geluidniveaus treedt ter plaatse van de woningen in de directe omgeving van het bestaande emplacement een verbetering op en ter plaatse van de woningen ter hoogte van het een nieuwe emplacement een verslechtering. In de toekomstige situatie bedraagt het maximale geluidniveau als gevolg van remmen ten hoogste 79 dB(A) in de dagperiode en 82 dB(A) in de avondperiode. Als gevolg van het afbuigend berijden van wissels bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 75 dB(A) in de dagperiode en 68 dB(A) in de avondperiode. Er wordt voldaan aan de eisen uit de 'Circulaire Piek'. Per saldo is er sprake van een verbetering van de situatie, omdat het aantal woningen met een relevante geluidbelasting afneemt en ook de maximale pieken in de beoogde situatie lager zijn dan in de huidige situatie.
Het emplacement is geen onderdeel van het gezoneerde industrieterrein 'Vulcaanhaven/Koningin Wilhelminahaven/Klein Vettenoord'. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van dit terrein (en de geluidzone van Botlek-Pernis) is op de verbeelding wel de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen. De grens van het gezoneerde industrieterrein komt grotendeels overeen met de zuidelijke grens van het plangebied. Alleen het deel van de Vulcaanweg dat het industrieterrein ontsluit is onderdeel van het gezoneerde industrieterrein.
Trillingen
In het MER voor de Hoekse Lijn is ook gekeken naar de mogelijke gevolgen van de aanpassing van het goederenspoor voor het optreden van trillingen. Geconcludeerd wordt dat de verplaatsing van het emplacement op dit punt geen relevante gevolgen heeft (geen negatieve, maar ook geen positieve gevolgen). Op geen enkele locatie in Vlaardingen is sprake van een overschrijding van de streefwaarde voor de trillingsintensiteit, niet in de referentiesituatie en ook niet in de beoogde situatie met verplaatsing van het emplacement. Dat geldt dus ook voor de woningen ter hoogte van het nieuwe emplacement.
Conclusie
De verplaatsing van het emplacement leidt niet tot onaanvaardbare milieusituaties ter plaatse van omliggende woningen. Waar het gaat om de akoestische situatie is per saldo sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
Uit gegevens die beschikbaar zijn via de monitoringstool (onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) blijkt dat in de omgeving van het plangebied wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Figuur 4.1 laat de meest actuele informatie zien op basis van de monitoringstool (situatie 2020). Uit de onderliggende gegevens blijkt dat ter hoogte van het emplacement (onder andere rekenpunt 15952903) aan de zijde van de Vulcaanweg de jaargemiddelde concentratie NO2 ongeveer 27 µg/m3 bedraagt, de jaargemiddelde concentratie PM10 circa 20 µg/m3 en de jaargemiddelde concentratie PM2.5 circa 12 µg/m3. In het MER voor de Hoekse Lijn zijn de effecten van de aanpassingen aan het spoor als niet onderscheidend beoordeeld. De verplaatsing van het goederenemplacement kan plaatselijk beperkte gevolgen hebben voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen, waarbij deze gevolgen per saldo positief zullen zijn doordat de transportroute in de beoogde situatie wordt verkleind. Het plan voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheheer.
Figuur 4.1 Uitsnede NSL-monitoringstool (2020): jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10
Er worden geen gevaarlijke stoffen over het spoor vervoerd. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico wijzigen niet als gevolg het verplaatsen van het emplacement. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig (risicovolle inrichtingen en transportroutes), maar deze vormen geen belemmering voor de verplaatsing van het emplacement.
Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen gelegen.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.
In het MER voor de Hoekse Lijn is op hoofdlijnen ingegaan op de bodemkwaliteit binnen het plangebied. Daarbij is aangegeven dat voor de locatie aanpassing goederenspoor Vulcaanhaven geen SBNS onderzoeksgegevens voor handen zijn. Op de verontreinigingstekening is geen verontreinigingscontour aangegeven. Gegevens afkomstig van DCMR Milieudienst Rijnmond geven in deze strook wel een verontreiniging aan. Uit de samenvatting blijkt dat er een ernstige verontreiniging aanwezig is, maar geen spoedsanering. Dit betekent dat de strook zeer waarschijnlijk (deels) is verontreinigd met immobiele parameters (zware metalen en/of PAK). Tussen de rails wordt een matige tot sterke verontreiniging verwacht. De bodemkwaliteit ter plaatse staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Na vergunningverlening wordt een nulsituatieonderzoek uitgevoerd.
Direct ten zuiden van het station Vlaardingen Oost en het spoor is sprake van een verdacht gebied voor niet gesprongen explosieven (NGE). Er vinden hier geen werkzaamheden plaats in het kader van de de realisatie van het emplacement.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd om ten behoeve van de voorbereiding van een ruimtelijk plan vooroverleg te voeren met de waterbeheerder(s), de zogenaamde watertoets. De waterbeheerders zijn ook betrokken geweest bij de totstandkoming van het deelrapport 'Water' bij het MER voor de Hoekse Lijn. In dat kader is ook de verplaatsing van het emplacement beoordeeld.
Het plangebied is gelegen op de grens van het buiten- en binnendijkse gebied. In het bestemmingsplan is een beschermende regeling opgenomen voor de waterkering (dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering voor de kering zelf en aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' voor de (binnen)beschermingszone). Voor het project Hoekselijn locatie Spoorsingel/Vulcaanweg is in november 2016 een watervergunning door het Hoogheemraadschap verleend.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In het kader van het MER voor de Hoekse Lijn de mogelijke gevolgen voor natuurwaarden in beeld gebracht.
Effecten op beschermde gebieden kunnen gezien de afstand tot het plangebied worden uitgesloten. Dit blijkt ook uit de resultaten van het in december 2019 uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie (zie bijlage 2). De verplaatsing van het emplacement leidt niet tot een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden.
De zone langs het spoor vormt marginaal leefgebied van licht beschermde soorten. Er zijn geen fysieke ingrepen voorzien. Het is uitgesloten dat populaties zodanig worden aangetast dat hun voortbestaan in het geding komt. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar binnen de geldende kaders.
In de Erfgoedwet is opgenomen dat de gemeenteraad bij de bestemming van de grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
In het plangebied is een terrein van archeologische waarde aanwezig. Het terrein staat op de archeologische monumentenkaart van de provincie en omvat de top van een rivierduin waarop neolithische bewoning is aangetroffen. Rondom dit terrein strekt de rivierduin dieper in de bodem verder uit. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de voormalige zeedijk in de bodem. Daarnaast geldt voor het hele plangebied een middelhoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf de IJzertijd tot en met de Middeleeuwen. Deze resten zijn op een niveau vanaf 2 meter onder NAP en dieper aan te treffen.
Er zijn drie dubbelbestemmingen opgenomen om de archeologische (verwachtings)waarden te beschermen. Dubbelbestemming WR-A-1 betreft het archeologisch waardevolle terrein. Dubbelbestemming WR-A-2 beschermt de resten van de oude zeedijk. WR-A-3 geldt voor de overige delen van het plangebied. Elke dubbelbestemming heeft haar eigen beschermingsregime.
Met de realisering van het emplacement worden geen archeologische (verwachtings) waarden verstoord.
Het plangebied is onderdeel van het Beschermd Stadsgezicht. De realisering van het emplacement heeft geen invloed op de structuur van de stedenbouwkundig waardevolle wijken, beeldbepalende objecten en overige waardevolle elementen.
In dit hoofdstuk wordt een koppeling gemaakt tussen de in de voorgaande hoofdstukken beschreven elementen en de verbeelding (plankaart en regels). De verbeelding vormt het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
De regels zijn gestructureerd in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. De algemene regels (waaronder ook de parkeerregeling) zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels.
In deze paragraaf is een beschrijving gegeven van de bestemmingen in het gebied.
Enkelbestemmingen
Groen
Deze bestemming is toegekend aan de huidge groenstrook in het noordoosten van het plangebied.
Verkeer
De openbare ontsluitingswegen zijn bestemd tot Verkeer. De spoorweg is voorzien van de aanduiding 'spoorweg'. Het emplacement is ook voorzien van een specifieke aanduiding. Er is - met het oog op de verkeersveiligheid en de doorstroming - een specifieke gebruiksregel opgenomen met een verbod op het oversteken van goederenterreinen in de spitsuren ter hoogte van een tweetal locaties.
Dubbelbestemmingen
Waarde - Archeologie - 1, Waarde - Archeologie - 2 en Waarde - Archeologie - 3
Aan het gehele plangebied is een archeologische dubbelbestemming toegekend (zie ook paragraaf 4.11). Ten behoeve van de dubbelbestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen mogen slechts onder voorwaarden worden gebouwd. Daarnaast is voor diverse werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren ervan nodig. Een archeologisch rapport is in de in de regeling opgenomen gevallen indieningsvereiste bij de aanvraag om omgevingsvergunning ten behoeve van bouwen dan wel aanleggen.
Waterstaat - Waterkering
Deze bestemming is toegekend aan de kernzone van de waterkering. Bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen mogen slechts onder voorwaarden worden gebouwd. Daarnaast is voor diverse werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren ervan nodig.
Het plangebied is grotendeels voorzien van de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie'. De zuidelijke uitloper heeft de gebiedsaanduiding 'gezoneerd industrieterrein'. De beschermingszone van de waterkering is tevens voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor diverse werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. De waterkeringsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.
In de bestuurlijke overeenkomsten zijn de afspraken inzake de financiële uitvoerbaarheid van
de ombouw van de Hoekse Lijn, de verlenging van de Hoekse Lijn, de (toekomstige)
exploitatie van de Hoekse Lijn en de aanleg van het emplacement vastgelegd. Zo komt de uitvoering van het project voor rekening en risico van de MRDH en stelt de MRDH (als subsidieverlener) de gemeenten middelen beschikbaar voor de realisatie van het project. Ook zijn afspraken gemaakt over de overdracht van Rijksgronden en gronden van derde partijen.
Met deze bestuurlijke overeenkomsten is anderszins in het verhaal van kosten van de
grondexploitatie voorzien. Zodoende bestaat geen noodzaak om hiervoor een exploitatieplan
vast te stellen. Gelet op de gesloten overeenkomsten kan tevens gesteld worden dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.
Vanwege de aard van het plan is afgezien van het houden van inspraak en overleg.
In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is dit bestemmingsplan, conform de wettelijke vereisten, gedurende 6 weken als ontwerpplan ter inzage gelegd. Gedurende deze periode konden zienswijzen door eenieder worden ingediend. In deze periode zijn geen reacties ontvangen.