Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Mariskwartier - Patrimoniumbuurt
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0622.0261wp01Stad2009-0030

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer Woningstichting Samenwerking Vlaardingen  is voornemens een deel van het stadshart in Vlaardingen te herontwikkelen. De woningen in dit gebied zijn verouderd en dienen te worden vervangen door nieuwe woningen.
 
Het plangebied van dit wijzigingsplan maakt onderdeel uit van de ontwikkeling 'Mariskwartier' en is niet passend in het bestemmingsplan. Het geldende bestemmingsplan kent wel wijzigingsbevoegdheden die het mogelijk maken om de geldende bestemming, onder voorwaarden, te wijzigen ten behoeve van de herstructurering van het gebied. Voor de invulling van de wijzigingsbevoegdheden is het opstellen van een wijzigingsplan noodzakelijk. Ten behoeve van de te realiseren woningen is onderhavig wijzigingsplan opgesteld. Voorliggend plan betreft de ontwikkeling van 24 woningen en 107 appartementen. Het overig deel van de ontwikkeling 'Mariskwartier' ligt in het plangebied van een ander bestemmingsplan op basis waarvan ook een wijzigingsplan is opgesteld (Wijzigingsplan Mariskwartier Jozef Israëlsstraat).
  
 
1.2 Plangebied
Het plangebied van dit wijzigingsplan betreft het gebied tussen de Patrimoniumstraat, de Mesdagstraat, de Marisstraat, de Gedempte Biersloot, de Cronjéstraat en de Jozef Israëlsstraat in het centrum van Vlaardingen.  De historische binnenstad van Vlaardingen met diverse winkelstraten, ook wel 'Stadshart Vlaardingen' genoemd, ligt op loopafstand ten zuiden van het plangebied. In de buurt van het plangebied bevindt zich diverse detailhandel in de vorm van een bakker, snackbar, restaurant of kapsalon. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.000 m². De volgende afbeeldingen tonen de globale ligging en de begrenzing van het plangebied.
 
Globale ligging plangebied in het centrum van Vlaardingen
 
Globale ligging plangebied (plangebied rode omkadering)
  
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Stadshart'. Dit bestemmingsplan is op 29 september 2011 vastgesteld door de raad van de gemeente Vlaardingen. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
 
Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan (plangebied rode omkadering)
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Centrum', 'Verkeer' en 'Wonen - 1' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Tevens is voor het plangebied de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' opgenomen. Op basis van deze wijzigingsbevoegdheid, artikel 21.2, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de geldende bestemmingen ter plaatse van de aanduiding geheel, gedeeltelijk en/of gefaseerd te wijzigen ten behoeve van de herstructurering van het gebied.
 
Een klein onderdeel van de beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de begrenzing van het wijzigingsgebied.
Het bouwplan gaat namelijk uit van een rechte hoek in plaats van een schuine hoek. Op basis van de algemene wijzigingsregel - artikel 21.1, overschrijding van bestemmingsgrenzen - heeft bevoegd gezag de mogelijkheid de bestemmingsgrenzen te overschrijden indien dit van belang is voor een technische betere realisering van de bestemming en gezien de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag niet meer dan 10% worden vergroot.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. Hoofdstuk 4 licht de haalbaarheid van het wijzigingsplan toe aan de hand van de wijzigingsbevoegdheid conform de geldende bestemmingsplanregels. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de milieuwetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
2 Initiatief
2.1 Huidige situatie
Het plangebied ligt in het centrum van Vlaardingen. De wijk  is een vooroorlogse woonwijk met bebouwing die stamt uit 1916. Een karakteristiek pand in de wijk is het badhuis. Het ontwikkelingsgebied Mariskwartier ligt precies tussen een vooroorlogse woonwijk en het kernwinkelgebied van Vlaardingen in. De stedenbouwkundige structuur wordt vooral bepaald door de dichte korrelstructuur van het winkelcentrum, in combinatie met de strokenbouw in het noorden/noordwesten. Het plangebied bestaat uit kleine arbeiderswoningen en uit zogenaamde bebo-woningen (beneden-bovenwoningen). In totaal gaat het om 88 woningen in het plangebied.
 
De volgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie van het plangebied.
 
Impressie plangebied - hoek Conjéstraat / Gedempte Biersloot (bron: Google Streetview)
Impressie plangebied - hoek Mariastraat (bron: Google Streetview)
  
Impressie plangebied - Patrimoniumstraat (bron: Google Streetview)
2.2 Toekomstige situatie
De herontwikkeling en stedenbouwkundige invulling van het project Mariskwartier behelst meer dan alleen het plangebied van dit wijzigingsplan. De bestaande woningen in het plangebied van dit wijzigingsplan worden gesloopt en vervangen door 24 eengezinswoningen en 107 appartementen. De volgende afbeelding geeft de plattegrond van de totale ontwikkeling weer.
 
Stedenbouwkundig plan Mariskwartier (plangebied rode omkadering)
 
De bebouwing houdt de meegegeven rooilijn aan en volgt het stedenbouwkundige patroon van de wijk. De middelste woningen zijn gesitueerd rondom een autovrije of autoluwe straat, waardoor er veel ruimte is voor groen in de straat. Hierdoor ontstaat er een woonerf-achtige sfeer en lijkt het een natuurlijke verlenging van de Patrimoniumdwarsstraat. Daarnaast zijn alle hoekwoningen verbijzonderd door de entree op de hoek te leggen en door extra aandacht voor architectuur. De bergingen zijn allen geschakeld, zodat de tuinen alsnog de volledige diepte benutten. 
 
Appartementen
De in totaal 107 appartementen zijn opgedeeld in 89 appartementen voor Samenwerking (sociale huur) en 18 appartementen voor eigen risico (koop). De appartementen zijn verder verdeeld in 71 appartementen in de woontoren en 18 appartementen aan de Cronjéstraat. Tussen deze appartementen zit de hoofdentree van de woontoren en de bergingenentree van de portiekwoningen. Daarnaast wordt er in deze ruimte een referentie gemaakt naar de voormalige entree van het badhuis en de sfeer van dit gebouw.
 
Het lange appartementgebouw aan de Cronjéstraat is opgedeeld in twee delen, huur en koop. Deze huur- en koopappartemeneten hebben  beide een eigen portiek. Op deze manier hoeven ze geen gebruik van elkaar te maken, waardoor een mogelijke VVE vermeden wordt. Door de toepassing van een loggia op de begane grond, heeft het complex geen blinde gevels aan de Cronjéstraat.
 
De woontoren staat los van de overige appartementen en een deel van de bergingen is op de eerste verdieping gelegen en een fietsenstalling/scootmobielstalling op de begane grond. De woontoren heeft zes appartementen per woonlaag, rondom een centrale kern met twee liften.
 
De volgende afbeelding toont een schets van de toekomstige appartementengebouwen.
 
Impressie appartementengebouwen
 
Huurwoningen
De huurwoningen zijn tweelaagse woningen met een kap die qua uitstraling past in de wijk. Het dak begint op de eerste verdieping waar deze verticaal is. De kap is geïnspireerd op de Patrimoniumdwarsstraat. De woningen zijn zodanig gepositioneerd dat de tuinen een aangenaam intiem karakter hebben. De volgende afbeelding toont een schets van de toekomstige huurwoningen.
 
Impressie huurwoningen 
Niet-woonfuncties
Op basis van het moederplan zijn binnen de bebouwing aan de Cronjéstraat (binnen de bestemmingen Gemengd en Centrum) een groot aantal niet-woonfuncties mogelijk. Dit betreffen de functies ambachtelijke bedrijvigheid, detailhandel met uitzondering van supermarkten en volumineuze detailhandel, dienstverlening, kantoren met een baliefunctie en maatschappelijke voorzieningen. Binnen de bestemming Centrum tevens de functie horeca tot en met categorie 1 (lichte horeca / dagzaken).
 
Gezien de vraag en aanbod van niet-woonfuncties en woningen in het stadshart geeft initiatiefnemer aan dat het meer wenselijk is woningen te realiseren op de begane grond van het bouwvlak met de bestemming Gemengd dan niet-woonfuncties. Ook is van belang dat voor deze functies de uitvoerbaarheid ten aanzien van het parkeren niet is aangetoond.  In dit wijzigingsplan zijn daarom de niet-woonfuncties binnen de bestemming Gemengd niet bij recht toegestaan. 
 
In het bestemmingsplan 'Stadshart' is binnen de bestemming Centrum nadrukkelijk de keus gemaakt op op de begane grond geen woningen toe te staan. Dit aangezien die bestemming destijds is gemaakt voor het winkelgebied in het centrum. Het is inmiddels echter niet meer gewenst om de 150 m² commerciële ruimte op de begane grond van de woontoren te vullen met detailhandel. Dit is contrair aan de uitgangspunten van de concept Kadernota Binnenstad en de Detailhandelsnota (terugdringen van m² leegstand). Het blijft echter gewenst om de begane grond van de woontoren te vullen met andere niet-woonfuncties. 
Dit wordt tevens gehanteerd in dit wijzigingsplan. Wel heeft de initiatiefnemer aangegeven dat horeca op deze locatie voor haar minder wenselijk is in combinatie met de woonfunctie. Ook is van belang dat voor deze functie de uitvoerbaarheid ten aanzien van het parkeren niet is aangetoond. In dit wijzigingsplan is er dan ook voor gekozen om de horecafunctie niet bij recht toe te staan binnen de centrumbestemming. De overige niet-woonfuncties zijn wel toegestaan.
3 Beleidskader
Het geldende bestemmingsplan 'Stadshart' is op 29 september 2011 vastgesteld. In hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan is een beschrijving opgenomen van het relevante beleid. Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan 'Stadshart' zijn verschillende nieuwe beleidsstukken vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt op dit nieuwe relevante beleid nader ingegaan.
3.1 Nationaal beleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
 
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. 
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
 
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren: de "ladder voor duurzame verstedelijking". Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond of er een actuele regionale behoefte is (trede 1), deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - of de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).
 
De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. In toelichting paragraaf 3.2.2 wordt hierop nader ingegaan.
  
3.2 Provinciaal beleid
Provincie Zuid-Holland heeft voor haar ruimtelijke visie de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte 2014 en het Programma Ruimte vastgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in de Verordening.
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
 
De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. Onder planspecifiek wordt voor voorliggende ontwikkeling nader ingegaan op de hoofdstukken.
 
Planspecifiek
Aan de hand van voorgaande hoofdstukindeling wordt hiernavolgend de relatie tussen beoogde ontwikkeling en de VRM beschreven.
 
Mobiliteit en bebouwde ruimte
Om de bebouwde ruimte beter te laten benutten heeft de provincie het bestaand stads- en dorpsgebied en de linten in het buitengebied aangegeven en gesteld dat, in beginsel, hierbinnen de verstedelijking dient plaats te vinden. Het plangebied is geheel binnen het bestaande stads- en dorpsgebied gesitueerd. Daarmee draagt het voornemen tot (ver)nieuwbouw van de woningen in het Mariskwartier bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'vergroten van de agglomeratiekracht'.
 
Ruimtelijke kwaliteit
De provincie stuurt middels een kwaliteitenkaart en gebiedsprofielen op de ruimtelijke kwaliteit. Voor dit bestaande stedelijk gebied worden nagenoeg geen richtinggevende uitspraken gedaan op deze kaarten. Met de herontwikkeling van de locatie is er wel sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Functioneel blijft de woonfunctie goed inpasbaar en ook ruimtelijk is er sprake van een kwaliteitsverbetering door het bouwen van nieuwe woningen in dit plangebied. 
 
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de VRM en draagt bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'vergroten van de agglomeratiekracht'. Bovendien krijgt het plangebied een kwaliteitsimpuls. Daarmee vormt de VRM geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
3.2.2 Verordening ruimte 2014
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 4 februari 2016 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. In artikel 2.1.1 lid 2 is opgenomen wat wordt verstaan onder het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
 
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
  1. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  2. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en
    3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.'
Planspecifiek
Omdat de provincie Zuid-Holland er voor heeft gekozen om de ladder ook in de verordening op te nemen, omdat de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking ook van provinciaal belang is. Voorgaande provinciale ladder komt overeen met de ladder voor duurzame verstedelijking die in toelichting paragraaf 3.1.3 aan de orde is gekomen.
 
Trede 1
De Stadsregio Rotterdam heeft “Dat spreken we af!” aangeboden als regionale woonvisie en daarmee voldaan aan de wens van de provincie om een beleidskader vast te stellen. De provincie verleent goedkeuring aan een bouwplan als dit past in de regionale woonvisie. De woningbehoefte is dan aangetoond. De provincie verzoekt de regio wel op het actualiseren van de regionale woonvisie en/of het regionale woningbouwprogramma. Vóór 1 juli 2017 wordt gevraagd om een actualisatie van de regionale woonvisie.
De woonvisie van Vlaardingen is afgestemd op en past binnen de regionaal vastgelegde strategische doelstellingen voor de woningmarkt, zoals neergelegd in het Verstedelijkingsscenario 2020 (oktober 2010). De uitgangspunten van de Verstedelijkingsscenario zijn bevestigd in de publicatie ‘Dat spreken we af’, Woningmarktstrategie en Woonvisie Regio Rotterdam 2014-2020 (februari 2014).
De subregio Waterweg en de woningcorporaties in dit gebied hebben de hieraan gekoppelde Samenwerkingsafspraken woningmarkt subregio Waterweg 2014-2020 ondertekend (29 januari 2014)”
 
Trede 2 en 3
De ontwikkeling van het Mariskwartier vindt plaats binnen de bebouwde ruimte, zoals blijkt uit de voorgaande beschouwing op de provinciale structuurvisie. De betreffende locatie was eerder ook al in gebruik voor de woonfunctie, een passende functie in zijn omgeving. Door herstructurering wil de gemeente het gebied kwalitatief verbeteren qua aangenaam woonmilieu.
    
Het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is daarmee passend binnen het provinciale beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Actieplan Wonen, Woonvisie Vlaardingen 2008 -2030
De raad van de gemeente Vlaardingen heeft op 19 juni 2008 het 'Actieplan Wonen, Woonvisie Vlaardingen 2008-2030 vastgesteld. Het actieplan is begin 2014 geactualiseerd. Het Actieplan Wonen is de woonvisie tot 2030 van de gemeente Vlaardingen en woningcorporaties Waterweg Wonen en Woningstichting Samenwerking Vlaardingen. In het actieplan worden de kaders, doelstellingen en mogelijke maatregelen voor de periode tot 2030 gegeven. Vlaardingen zal de komende jaren moeten werken aan de volgende doelen:
  • Kwaliteitsslag maken, waardoor de toekomstwaarde van woningen in de bestaande woningvoorraad wordt verbeterd (ingrijpende verbetering/renovatie);
  • Vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen (goed woningaanbod in gewenst woonmilieu en leefstijlen);
  • Doorstroming te bevorderen door met name nieuwbouw te realiseren en de betaalbaarheid tussen de grens bereikbaar en middeldure huur- of koopwoningen te verbeteren (door bijvoorbeeld startersleningen te verstrekken, koopconstructies, huurprijsbeleid of onrendabele top nieuwbouwwoningen); 
  • Woongenot te vergroten (sociale woonomgeving/voorzieningen); 
  • Bijdrage leveren aan het verbeteren van de positie van de huidige bewoners (sociale ‘liftfunctie’).
Planspecifiek
Voor het centrumgebied, waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt, is een gebiedsgerichte uitwerking van het Actieplan opgesteld. In toelichting paragraaf 3.3.2 wordt op deze gebiedsgerichte uitwerking nader ingegaan.
 
Op 1 maart 2010 hebben initiatiefnemers en de gemeente Vlaardingen een prestatieafspraak gemaakt om uitvoering te geven aan de Vlaardingse woonvisie en het Actieplan Wonen. Voorliggende ontwikkeling is een uitwerking van de prestatieafspraak.
  
3.3.2 Actieplan Wonen - Gebiedsvisie Centrum
Op 10 juni 2010 is de Gebiedsvisie Centrum vastgesteld door de raad van de gemeente Vlaardingen. De gebiedsvisie is een gebiedsgerichte uitwerking van het Actieplan Wonen en geeft aan welke koers de gemeente met het centrum wil varen en hoe zij dat willen aanpakken. Ondanks dat het centrumgebied veel positiefs te bieden heeft zijn er maatregelen nodig om op het gebied van wonen te kunnen blijven concurreren met omringende gemeenten in Rijnmond. Kansen liggen in het Centrumgebied van Vlaardingen. Zo mag de kracht van het historisch erfgoed sterker worden uitgedragen. Het opwaarderen van het centrumgebied is dan ook sterk bepalend voor de slagingskans van het Actieplan Wonen.
 
Het Actieplan Wonen richt zich primair op de verbetering van de woningvoorraad in Vlaardingen, waarmee een wooncarrière binnen Vlaardingen beter mogelijk wordt. Daarmee blijven Vlaardingse bewoners behouden en worden nieuwe doelgroepen aangetrokken. Om Vlaardingen als woonstad aantrekkelijker te maken, wordt tussen nu en 2030 fors ingezet op sloop, nieuwbouw en renovatie. 
 
Planspecifiek
Het project Mariskwartier is, naast andere projecten, onderdeel van het Actieplan Wonen. De herontwikkeling van het Mariskwariter is opgnomen in de Gebiedsvisie Centrum. Met de voorgenomen ontwikkeling vindt aansluiting plaats bij de uitgangspunten van de gebiedsvisie Centrum. Immers, de sloop/nieuwbouw van de woningen draagt bij aan de kwaliteitsverbetering van het centrum van Vlaardingen. Hierbij wordt aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur en karakteristiek van de wijk. Daarnaast wordt de herontwikkeling van het project Cronjéstraat en Patrimoniumstraat, waar het plangebied onderdeel van uit maakt, gezien als de motor voor de ontwikkeling van het Stadshart en de nabijgelegen binnenstad.
   
3.3.3 Welstandsnota 2012
De gemeente Vlaardingen heeft in 2004 een welstandsnota vastgesteld. Hierin zijn beoordelingskaders opgenomen voor gebieden en objecten, die hun grondslag vinden in de samenhang van het bebouwingsbeeld, stedenbouwkundige kenmerken en landschappelijke structuren. Met de herziening wil de gemeente het welstandsbeleid actualiseren en meer afstemmen op de beleving van de burger. Hierbij wordt aangesloten op de landelijke trend van meer vrijheid en verantwoordelijkheid voor de burger. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde
ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen.
 
Het plangebied valt onder het gebied ‘Wonen centrum west’, waarvoor een ‘gewoon’ welstandsniveau geldt. Uitzondering hierop is de bijzondere inzet voor bouwplannen binnen de invloedssfeer van de invalswegen. Het beleid is terughoudend en gericht op het beheer van de samenhang binnen de stedenbouwkundige eenheden. Bouwplannen aan een achterkant zonder invloed op het straatbeeld worden beperkt getoetst.
 
De welstandscommissie zal bij de advisering onder meer aandacht schenken aan het behoud van samenhang in het afwisselende straatbeeld op het niveau van de architectonische uitwerking en in het materiaal- en kleurgebruik. Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria:
 
Ligging
  • gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon
  • gebouwen richten op de belangrijkste openbare ruimte
  • de nokrichting is in hoofdzaak evenwijdig aan de weg, een haakse richting komt voor als accent
  • verspringingen in de rooilijn hebben een stedenbouwkundige aanleiding
  • de individuele woning maakt deel uit van de compositie van het cluster
  • gebouwen met een bijzondere functie zoals scholen kunnen een meer vrije positie innemen en daarbij een meerzijdige oriëntatie krijgen
Massa
  • bouwmassa’s zijn gedifferentieerd en gevarieerd en afgestemd op de samenhang in de rij of het cluster
  • woningen bestaan uit een onderbouw met één tot drie bouwlagen en met kap of plat dak
  • appartementengebouwen zijn middelhoog en voorzien van een kap of plat dak
  • accenten in hoogte en vormgeving hebben een stedenbouwkundige aanleiding
  • uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen bij voorkeur per woningtype gelijk uitvoeren
  • vrijstaande woningen en gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm
Architectonische uitwerking
  • de architectonische uitwerking en detaillering zijn in beginsel verzorgd, gevarieerd en per cluster in samenhang
  • per rij of cluster de samenhang in de gevelindeling en architectonische elementen zoals schoorstenen een rol laten spelen
  • vrijstaande woningen kunnen een individuele uitstraling hebben
  • elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen
  • kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren
  • op maaiveldniveau hebben appartementengebouwen een bewoond karakter
  • wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume en de rij of het cluster
Materiaal en kleur
  • materialen en kleuren zijn verzorgd en in samenhang met de rij of het cluster
  • gevels in hoofdzaak in baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen uitvoeren danwel invullen met puien of houten delen
  • plaatmateriaal alleen gebruiken als invulling van een kozijn
  • hellende daken bij voorkeur voorzien van pannen
  • kleuren zijn terughoudend
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 2.2 is een korte stedenbouwkundige toelichting gegeven op de voorgenomen ontwikkeling. Wat betreft ligging sluit de ontwikkeling aan op het stedenbouwkundige patroon van de wijk. De bebouwing houdt de meegegeven rooilijn aan. Architectonische elementen zoals schoorstenen en een statige luifel spelen in de ontwikkeling een rol. Ook elementen als gevels, deuren en ramen worden dermate in het plan gepast dat de woningen passen in de karakteristiek van de wijk en over veel daglicht beschikken. De gevels van de woningen zijn van baksteen en terughoudend van kleur. De daken van de tussenwoningen zijn verticaal op de eerste verdieping en zijn voorzien van pannen. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de Welstandsnota.
 
Al bij de start van de planvorming is op stedenbouwkundig vlak overleg gepleegd met zowel de gebiedsmanager als de stedenbouwkundige voor dit plangebied. Ook bij de selectie van de ontwikkelende aannemer is de gemeente nauw betrokken geweest. De stedenbouwkundige was een van de juryleden bij de selectie/aanbesteding.
In het voorjaar van 2016 is het schetsplan bovendien door de welstand positief beoordeeld.
 
3.3.4 Parkeerbeleid Vlaardingen
Op 24 januari 2008 heeft de raad van de gemeente Vlaardingen het Parkeerbeleid Vlaardingen vastgesteld. Naar aanleiding van een evaluatie is het parkeerbeleid in 2011 bijgesteld. In dit parkeerbeleid zijn de volgende beleidskaders vastgesteld:
  • het parkeerbeleid moet gericht zijn op het zo efficiënt mogelijk omgaan met de schaarse publieke ruimte en een bijdrage leveren aan de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit;
  • het parkeerbeleid is erop gericht om de parkeervraag en het parkeeraanbod zoveel mogelijk per gebied op elkaar af te stemmen zodat gebieden zo min mogelijk met elkaars probleem worden opgezadeld;
  • het parkeerbeleid houdt rekening met de ontwikkeling van een vitale binnenstad;
  • het parkeerbeleid stimuleert het gebruik van duurzame vervoerwijzen;
  • het parkeerbeleid moet op lange termin kostendekkend zijn.
Algemeen geldt dat de parkeersituatie in Vlaardingen moet bijdragen aan een aangenaam verblijf en dat per deelgebied of ruimtelijke functie/ontwikkeling bezien moet worden welke parkeerbehoefte daarbij gewenst is. Om de parkeerbehoefte te bepalen zijn parkeernormen vastgesteld. De van toepassing zijnde normen dienen voor elke planontwikkeling te worden toegepast. In het geval dat het aantal plaatsen niet realiseerbaar is, kan het College vrijstelling verlenen aan de initiatiefnemer. De initiatiefnemer dient dan wel een afkoopsom te storten in het parkeerfonds.
 
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 5.9 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. Uit deze paragraaf blijkt dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de geldende parkeernormen.
3.3.5 Groenplan gemeente Vlaardingen - Vlaardingen blijvend groen
De raad van de gemeente Vlaardingen heeft in juni 2012 het 'Groenplan gemeente Vlaardingen, Vlaardingen blijvend groen' vastgesteld. De komende jaren wil de gemeente het groen in Vlaardingen op niveau houden. Dit moet in deze tijd met minder middelen en met andere regels dan voorheen. Dat vereist keuzes. Deze zijn vastgelegd in het nieuwe groenbeleidsplan. Er is gekozen voor vier speerpunten: gebruik en beleving, ecologie, duurzame instandhouding en structuren en netwerken. Het nieuwe beleid is gericht op de lange termijn. De gemeente wil het groen duurzaam in stand houden en kwaliteit bieden tegen realistische kosten. Het doel is gevarieerd groen van voldoende kwaliteit, een duurzaam ingerichte openbare ruimte en voldoende afwisseling voor de burgers.
 
Planspecifiek
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur. Daarnaast zijn in de huidige situatie in het plangebied geen waardevolle groene elementen aanwezig. Ten opzichte van de huidige situatie zal in de toekomstige situatie in het plangebied meer ruimte voor groen zijn.
3.3.6 Visie externe veiligheid - Ruimte voor duurzame veiligheid
In 2012 is de 'Visie externe veiligheid, ruimte voor duuzame veiligheid' opgesteld. Deze visie is onderdeel van de duurzame ontwikkeling van de gemeente Vlaardingen. Enerzijds moeten ruimtelijke en bedrijfsmatige ontwikkelingen mogelijk blijven. Anderzijds moet de gemeente zorg dragen voor een aanvaardbaar veilige woon- werk- en leefomgeving. In de visie staat de samenhang tussen ruimtelijke ordening, economie, beheersbaarheid en verantwoording van risico's centraal. Met de visie geeft de gemeente concreet richting aan een aanvaardbaar veilige invulling van haar ruimtelijke ontwikkelingen. Voor concrete bouwplannen of bij het opstellen van bestemmingsplannen geeft deze visie de planologische kaders voor het omgaan met risico's. Indien nodig worden hieraan voorwaarden gekoppeld die de risico's beheersbaar houden of zelfs geheel uitsluiten. Deze planologische kaders bieden vooraf duidelijkheid in de omgang met externe veiligheid bij ruimtelijke plannen. Dat geldt zowel voor de ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van risicobronnen als voor nieuwe en bestaande risicobronnen. Het risicobeeld en de ruimtelijke ambities van de gemeente Vlaardingen leiden tot de volgende beleidsuitgangspunten voor de omgang met externe veiligheid:
  • Het aantal risicobronnen neemt niet toe, de hoogte van bestaande risico's neemt af.
  • In bestemmingsplannen worden geen nieuwe Bevi-bedrijven toegestaan.
  • Er mogen geen nieuwe risicobronnen binnen de woongebieden worden gesitueerd.
  • De oriëntatiewaarde van het groepsrisico mag niet worden overschreden, met uitzondering van het gebied langs de Nieuwe Maas/Rivierzone.
  • Grenswaarde contouren van risicovolle bedrijven liggen binnen de inrichtinggrenzen en worden vastgelegd in de bestemmingsplannen.
  • Van bedrijven wordt verwacht dat zij actief communiceren over hun risico's naar de omgeving.
  • Verminderd zelfredzame personen worden extra beschermd tegen externe veiligheidrisico's.
  • De plaatsgebonden risicocontouren van bedrijven buiten de gemeente reiken niet over de gemeentegrens, tenzij wordt aangetoond dat er geen belemmeringen ontstaan voor de geplande woningbouw in de rivierzone.
Een significante toename van het groepsrisico dient bestuurlijk te worden verantwoord. De zwaarte van de verantwoording wordt bepaald door de omvang van het risico, de toename ervan, de bestrijdbaarheid van de mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van personen nabij de risicobron.
 
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 5.7 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.

3.3.7 Detailhandelsnota 2013
In januari 2013 heeft de raad van de gemeente Vlaardingen de detailhandelsnota vastgesteld. De centrale doelstelling van het detailhandelsbeleid is het realiseren van een evenwichtige detailhandelsstructuur, die aansluit bij de aankoopbehoeften en bezoekmotieven van de consument, en dusdanig duurzaam is, dat gemeente en ondernemers hierin willen blijven investeren. Naast dit hoofddoel streeft de gemeente de volgende subdoelen na:
  • het versterken van de koopkrachtbinding en -toevloeiing van Vlaardingen als regionaal verzorgend centrum om de bestedingen in de detailhandelssector te doen toenemen;
  • het consolideren van de werkgelegenheid in de detailhandelssector en gerelateerde sectoren;
  • het stimuleren van de aantrekkingskracht en wederzijdse versterking tussen detailhandel, warenmarkt, toerisme, cultuur en horeca, als belangrijke onderdelen van het totaalproduct 'binnenstad'.
Juist in deze nieuwe tijden is het belangrijk dat er bij het opstellen van een detailhandelsvisie keuzes worden gemaakt. Bij het maken van die keuzes, vindt de gemeente de volgende punten van belang:
  • Een winkelstructuur, die voorziet in een bepaalde mate van duurzaamheid: meervoudig ruimtegebruik waar mogelijk, voldoende ruimtelijke kwaliteit en alternatief aanwendbare gebouwen.
  • Voortbouwen op wat al sterk en kansrijk is. Dit verdient de voorkeur boven het nieuw in de markt zetten van winkelgebieden.
  • Bij het (her)ontwikkelen van winkelgebieden zorgen voor voldoende kritische massa, een massa die past bij het (reëel gedefinieerde) ambitie- en verzorgingsniveau, en niet overmatig groot is of juist te klein gekozen is.
  • De keuze voor een duidelijk profiel voor elk winkelgebied, vertaald in promotie, branchering, winkelgrootte, maar ook in ruimtelijke randvoorwaarden ten aanzien van bijvoorbeeld bereikbaarheid, parkeren en de inrichting van de openbare ruimte.
  • Voorkomen van nieuwe solitaire ontwikkelingen, en zorgen voor zo veel mogelijk clustering qua bezoekmotief van gelijksoortige detailhandel. Dit betekent bijvoorbeeld concentratie in de binnenstad van branches en formules waar het recreatieve bezoekmotief domineert, concentratie van branches en formules waar boodschappen doen centraal staat in de hoofd- en wijkcentra, en zoveel mogelijk concentratie van winkels waar het doelgerichte motief domineert in perifere centra.
  • De kwalitatieve verbetering van de winkelstructuur is leidend, een verbetering die in overeenstemming is met het ambitieniveau. Staar niet blind op de vierkante meters, maar beantwoord de vraag of het voor de consument nu en straks leidt tot meer keuze, op aanvaardbare afstand.
  • Bij een visie op de gewenste winkelstructuur hoort ook een visie hoe om te gaan met winkelgebieden of winkellocaties die als weinig perspectiefrijk worden gezien.
In zijn algemeenheid geldt dat bij de uitbreiding aan vierkante meters detailhandel, het een kwaliteitsverbetering van het (winkel)gebied betekent. Dit houdt in:
  • dat met de uitbreiding, het winkelgebied compacter wordt en er een betere routing ontstaat;
  • dat de uitbreiding ruimtelijk past (verkeerstechnisch, milieutechnisch, op aanvaardbare afstand voor de consument, stedenbouwkundig);
  • dat, in geval van uitbreiding van een bestaande winkel, het modernisering (schaalvergroting of specialisatie) betreft. Deze modernisering is noodzakelijk wanneer dit betekent dat de aantrekkingskracht van een winkelcentrum en de werkgelegenheid hierdoor behouden blijft of toeneemt;
  • dat de uitbreiding door middel van een distributieplanologisch onderzoek is onderbouwd.
    Een distributieplanologisch onderzoek, uitgevoerd door de branche/winkel die zich wil vestigen, zal moeten aantonen dat er vraag is vanuit de markt, dat er geen duurzame ontwrichting in de detailhandelsstructuur in Vlaardingen en de regio optreedt en welke verdringingseffecten er te verwachten zijn. 
Met betrekking tot verspreide bewinkeling is het beleid dat de gemeente in de woonwijken levendigheid, sociale cohesie en werken in de wijk wil bevorderen. Detailhandel (richtlijn minimaal één bedrijfsruimte per 100 woningen) kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Daarom continueren wij het bestaande beleid van bestaande bedrijfsruimten in woonwijken, die zijn bedoeld voor kleinschalige bedrijven en voorzieningen, waaronder detailhandel.
 
Planspecifiek
Zowel in de bestemming Gemengd als Centrum is detailhandel toegestaan in het moederplan. Gezien recentere ontwikkeling in de detailhandelsector en het nog vast te stellen Kadernota Binnenstad blijkt dat minder detailhandel buiten het stadscentrum minder wenselijk is. Voor dit wijzigingsplan is er voor gekozen om de regels van het moederplan aan te passen en detailhandel niet (meer) mogelijk te maken binnen de bestemming Gemengd.
3.3.8 Actieplan Economie
Op 24 januari 2013 is het Actieplan Economie vastgesteld door de raad van de gemeente Vlaardingen. Het plan streeft naar een betere balans tussen wonen, werken en recreëren. Om dat te bereiken is een groot aantal maatregelen beschreven om de economie in Vlaardingen te stimuleren. Vooral de maatregel 'meer banen' in het actieplan heeft direct effect op de extra (bedrijfs)ruimte die het college denkt nodig te hebben.
 
Met het actieplan verbetert Vlaardingen de economie. Het plan laat zien waar men vandaan komt en waar men naartoe wil. Het geeft in grote lijnen aan wat men tot 2030 wil bereiken. Naast het actieplan worden ieder jaar zogenoemde uitvoeringsprogramma's geformuleerd waarin men laat zien met welke projecten de in het actieplan beschreven doelstellingen bereikt worden.
 
De belangrijkste onderwerpen uit het actie plan zijn:
  • Nieuwe ondernemingen en werkgelegenheid in specifieke branches.
  • Stimuleren lokaal ondernemerschap.
  • Stimuleren detailhandel en vrijetijdseconomie.
  • Binding van jongeren, koopkrachtigen en hoogopgeleiden aan Vlaardingen.
  • Verbeteren gemeentelijke dienstverlening.
  • Verduurzamen economie.
  • Verbeteren van de bereikbaarheid.
De economische activiteit en de werkgelegenheid in Vlaardingen is vooral te vinden in de Rivierzone, de Binnenstad en de Oostwijk. Deze gebieden hebben dan ook prioriteit in het actieplan.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt in de binnenstad. Als uitwerking van het Actieplan Economie is specifiek voor de binnenstad is de Kadernota Binnenstad opgesteld. Op deze kadernota wordt in toelichting paragraaf 3.3.9 nader ingegaan.
 
Zowel in de bestemming Gemengd als Centrum is detailhandel toegestaan in het moederplan. Gezien recentere ontwikkeling in de detailhandelsector en het nog vast te stellen Kadernota Binnenstad blijkt dat minder detailhandel buiten het stadscentrum minder wenselijk is. Voor dit wijzigingsplan is er voor gekozen om de regels van het moederplan aan te passen en detailhandel niet (meer) mogelijk te maken binnen de bestemming Gemengd.
  
3.3.9 Kadernota Binnenstad (concept)
De gemeente Vlaardingen is momenteel bezig met het opstellen van de Kadernota Binnenstad. Heroriëntatie op de binnenstad is namelijk hard nodig. Het doel van de Kadernota Binnenstad is het vastleggen van ambities en het maken van gedragen keuzes. De gewenste situatie waar men gezamenlijk naar toe wil is:
 
'In de toekomst heeft Vlaardingen een levendige binnenstad waarin de historische kwaliteiten verbonden zijn met moderne aantrekkelijkheden. De levendige binnenstad straat kwaliteit uit door de hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte en de prominente aanwezigheid van kunst en cultuur. De binnenstad is goed bereikbaar en heeft een gevarieerd aanbod van winkels, horeca, leisure faciliteiten en cultuur met een mooie stadshaven. het is een compacte, complete en comfortabele binnenstad waar het prettig is om te wonen, winkelen, werken en verblijven.'
 
Door het overschot aan vierkante meters winkeloppervlakte moet het aantal winkelmeters in de markt gereduceerd worden en de binnenstad moet als verblijfsplaats versterkt worden. De gebieden in de binnenstad krijgen een verblijfsfunctie passend bij de kernkwaliteiten van het gebied. De bereikbaarheid en het parkeren moeten gastvrijer en terughoudendheid is gewenst bij ontwikkeling van nieuwe winkellocaties.
 
Planspecifiek
Zowel in de bestemming Gemengd als Centrum is detailhandel toegestaan in het moederplan.  
Zowel in de bestemming Gemengd als Centrum is detailhandel toegestaan in het moederplan. Voor dit wijzigingsplan is, onder andere op basis van het nog vast te stellen beleid in de Kadernota Binnenstad er voor gekozen om de regels van het moederplan aan te passen en detailhandel niet (meer) mogelijk te maken binnen de bestemming Gemengd.
3.3.10 Actieplan Geluid Vlaardingen 2016-2018
Vlaardingen heeft, ingevolge de Europese richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai, een Actieplan Geluid opgesteld voor het binnenstedelijk wegverkeer, het Actieplan Geluid Vlaardingen 2016-2018. Voor het verminderen van geluidoverlast zijn de voglende doelstellingen geformuleerd:
  1. het aantal geluidgehinderden in 2025 is ten opzichte van 2006 met 30% verminderd;
  2. in de ruimtelijke planvormging houdt men vroegtijdig rekening met het integreren van maatregelen tegen geluidhinder en het bevorderen van luchtkwaliteit;
  3. bij de aanbesteding van infrastructurele projecten zijn maatregelen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit en het verminderen van geluidhinder een ontwerpeis.
Het vertrekpunt voor het Actieplan geluid zijn de Geluidkaarten 2012. Door de geluidkaarten zijn het industriegeluid van gezoneerde terreinen en geluid door wegverkeer, luchtvaart en railverkeer in kaart gebracht. Het stedelijk wegverkeer geeft hierbij de meeste geluidhinder. Het Actieplan richt zich dan ook met name op deze bron. Ingezet wordt op een breed programma van aanvullende maatregelen, waarbij naast stiller wegdek ook acties gericht zijn op:
  • overdrachtsmaatregelen aan gevels van woningen langs infrastructuur (isolatie);
  • preventieve maatregelen bij stedelijke ontwikkeling (voorkomen nieuwe gehinderden);
  • projecten die aangrijpen op de beleving van geluid en geluidhinder in Vlaardingen.
Wat betreft nieuwbouw controleert de gemeente de eisen op geluidbelaste locaties door middel van een ontheffingbesluit.
 
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 5.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluid. toelichting paragraaf 3.3.11 komt ook het beleid voor Hogere grenswaarden aan de orde.
 
3.3.11 Beleid hogere waarden Vlaardingen 2016
De gemeente Vlaardingen heeft een vastgesteld geluidbeleid. Het hogere waardenbeleid heeft als uitgangspunt dat wonen op geluidbelaste locaties niet hoeft te leiden tot een toename van de geluidhinder. Het uiteindelijke doel is het zoveel mogelijk voorkomen of verminderen van (nieuwe) geluidhindersituaties in de gemeente. Het hogere waardenbeleid heeft geen betrekking op industrielawaai. Het geluidbeleid formuleert kwaliteitsniveaus als ambitie. 
 
Bij het vaststellen van een hogere waardenbesluit worden de volgende voorwaarden voor het
wegverkeerslawaai gesteld:
  • minimaal één geluidluwe zijde of loggia;
  • een geluidluwe buitenruimte (tuin/balkon);
  • de meeste slaapkamers gesitueerd aan de geluidluwe zijde. 
Voor alle voorwaarden geldt dat een gelijkwaardig of beter alternatief (minimaal dezelfde effecten) ook mogelijk is. Indien geen geluidluwe buitenruimte mogelijk is, worden bij voorkeur serres of afsluitbare balkons (loggia’s) toegepast.
 
Indien het ontwerp van de aanvrager aan een of meerdere voorwaarden niet voldoet of hiervoor gelijkwaardige alternatieven aandraagt, dan wordt er geen hogere waardenbesluit vastgesteld. Met betrekking tot deze voorwaarden is wel sprake van een inspanningsverplichting. De aanvrager kan in zijn ontwerp gemotiveerd afwijken, indien er andere gronden zijn om toch een hogere waardenbesluit vast te stellen. Denk aan grote economische of maatschappelijke belangen. Het College kan daarop bij de vaststelling van de hogere waarde besluiten om bij uitzondering gemotiveerd af te wijken van de aanvullende voorwaarden uit het Beleid hogere waarden. Op deze manier wordt voorkomen dat de beleidslijn leidt tot onvoorziene en ongewenste gevolgen.
 
De grenswaarde voor een geluidluwe gevel of buitenruimte is 53 dB (zonder aftrek) voor wegverkeerslawaai. Voor wegverkeerslawaai betekent dit dat de geluidbelasting van alle wegen tezamen (ook de 30 km/uur-wegen) op de gevel maximaal 53 dB mag zijn, wil er sprake zijn van een geluidluwe gevel.
 
De Wgh stelt dat burgemeester en wethouders alleen hogere waarden kunnen toekennen indien de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Voor het hogere waardenbeleid is er daarom gekozen hierbij aan te sluiten en het beleid voor het vaststellen van hogere waarden af te stemmen op de hoogte van de optredende gecumuleerde hindergewogen geluidbelasting van alle bronnen tezamen. De grenswaarde voor een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is bepaald op 70 dB.
  
3.3.12 Gebiedsgericht milieubeleid Vlaardingen
De gemeente Vlaardingen heeft in maart/april 2013 het ambitiedocument 'Gebiedsgericht milieubeleid Vlaardingen' vastgesteld. Dit beleid biedt de basis voor duurzame gebiedsontwikkeling in de gemeente Vlaardingen. Beschreven is welke milieu- en duurzaamheidsambities Vlaardingen heeft voor de verschillende deelgebieden in de gemeente. 
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen het deelgebied 'Centrum'. Voor dit deelgebied gelden de milieu- en duurzaamheidsambities zoals aangegeven in de volgende tabel. Aan deze tabel is een kolom toegevoegd waarin is aangegeven of het plan voldoet aan het wettelijk niveau (1), het niveau van Vlaardingen (2) en het hoge ambitieniveau (3)
 
 Wettelijk niveau (1)Niveau Vlaardingen (2)Hoog ambitieniveau (3) Plan voldoet aan (1), (2),
Energie/dubo
    
  - EPLnvt810nvt, ?, ?
  - EPC  0,60,50ja, ?, ?
  - GPRnvt6,57 of meernvt, ?, ?
Geluid    
  - Lden(dB)6353-58 / 53< 53 / 48ja, nee, nee
  - Lmax (dB)6060 / 6060 / 60ja, ja, ja
Luchtkwaliteit    
  - NO2 (μg/m³)4030-35 / 30< 30 / 25ja, ja, nee
  - PM10 (µg/m³)4025-30 / 25< 25 / 20ja, ja, nee
Externe veiligheid    
  - plaatsgebonden risico1*10-61*10-61*10-7ja, ja, ja
  - groepsrisiconvtnvtgeen woningen in invloedsgebied E.V.nvt, nvt, ja
BodemIIIIIIIIIja, ja, ja
Groen / natuur 
  - kwaliteit groen/natuur
conform Groenbeleidsplan Vlaardingen   ja
Water
  - % waterberging
  - % afkoppelen
  - % natuurvriendelijke oevers
conform Waterplan Vlaardingen  ja
         
3.3.13 Visie Openbare Ruimte
Begin 2016 is de 'Visie Openbare Ruimte' vastgesteld door de raad van de gemeente Vlaardingen. In deze visie is, samen met inwoners, ondernemers, brandweer, politie, de woningbouwcoöperatie en andere belanghebbenden bepaald wat belangrijk is voor de openbare ruimte. Dit is samengevat in de volgende vier waarden voor Vlaardingen:
  • Identiteit - Vlaardingen heeft een aantal gebieden met een sterke eigen identiteit, zoals de Rivierzone, het centrum en het Oranjepark. Maar er zijn er ook gebieden waar de identiteit minder sterk is. Waar ligt dat aan? Plekken zonder identiteit missen eigenheid, ze missen een unieke waarde. De opdracht is dus duidelijk: men moet de openbare ruimtes van Vlaardingen een identiteit meegeven. Want een ruimte met een sterke identiteit voegt waarde toe aan de stad
  • Gastvrij en bruikbaar - Goede openbare ruimte is gastvrij en bruikbaar. Dit is van belang, omdat mensen pleinen, straten en groen op verschillende manieren gebruiken. Hoe meer belanghebbenden in een ruimte terechtkunnen, des te meer (sociaal) waardevast is de ruimte. Een gastvrije en bruikbare plek is ook veilig. Dit betekent dat een plek er goed uit moet zien, zonder losse stoeptegels of kapotte speeltoestellen, maar ook dat de verlichting in orde is en er genoeg mensen gebruik van maken.
  • Gezond - Met een aantrekkelijke openbare ruimte gaan mensen sneller naar buiten, waar ze vervolgens ook meer bewegen. Een aantrekkelijke buitenruimte heeft voldoende paden voor fietsers en voetgangers. Maar ook een klimboom voor de kinderen of een vuurplaats om ’s avonds omheen te zitten.
  • Duurzaam -  Ten slotte is een goede openbare ruimte duurzaam. Een openbare ruimte waar Vlaardingers aan zichzelf en het milieu kunnen werken, laat dit zien. Bijvoorbeeld met een wandelpad door een wei met stieren. Want zelfs de meest fanatieke stadsmens heeft op zijn tijd behoefte aan natuur. Alleen met zo’n groene uitvalsbasis is een stad een gezonde plek om te leven.
Planspecifiek
In het plangebied is slechts beperkt openbare ruimte aanwezig. Daar waar deze ruimte wel aanwezig is zal deze zo functioneel en groen mogelijk ingericht worden.
4 Haalbaarheid - toetsing wijzigingsvoorwaarden
Artikel 21.2 Wro - zone - wijzigingsgebied
In artikel 21.2 van de planregels van het geldende bestemmingsplan 'Stadshart' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Op grond van deze wijzigingsbevoegdheid zijn burgemeester en wethouders bevoegd de geldende bestemmingen ter plaatse van de aanduiding geheel, gedeeltelijk en/of gefaseerd te wijzigen ten behoeve van de herstructurering van het gebied. Bij een wijziging moeten de volgende regels in acht worden genomen:
  1. toegelaten zijn de bestemmingen 'Wonen - 1', 'Wonen -2', 'Gemengd' en 'Centrum' volgens de volgende afbeelding 'bestemmingen en maximale bouwhoogtes', en indien nodig de bestemmingen verkeer, groen en water;
  2. de maximale bouwhoogte zoals aangegeven op de volgende afbeelding 'bestemmingen en maximale bouwhoogtes' niet worden overschreden;
  3. vooraf dient een bezonnings- en windonderzoek plaats te vinden;
  4. maximaal 165 woningen worden toegestaan;
  5. voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd volgens de parkeernormen van de gemeentelijke parkeernota;
  6. na wijziging van de verbeelding zijn de desbetreffende bestemmingsregels van toepassing.
Bestemmingen en maximale bouwhoogtes 
ad a) Dit wijzigingsplan bevat de bestemmingen Centrum, Gemengd, Verkeer, Wonen-1. Hiermee wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden.
 
ad b) De maximale bouwhoogte voor de bestemming Centrum bedraagt 45 meter, voor de bestemming Gemengd 15 meter en voor Wonen-1 maximaal 10 meter. Hiermee blijft de hoogte van de bebouwing in dit wijzigingsplan onder de maximale bouwhoogten zoals gesteld in de wijzigingsvoorwaarden.
 
ad c) Voor de ontwikkeling is een bezonnings- en windhinderstudie uitgevoerd, zie toelichting paragraaf 5.11 en toelichting paragraaf 5.12.
 
ad d) Op basis van dit wijzigingsplan worden in totaal 131 woningen gerealiseerd. Dit is minder dan het gestelde maximum van 165 woningen.
 
ad e) Door een groot deel van de niet-woonfuncties niet bij recht toe te staan, kan worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen zoals deze zijn gesteld in de parkeernota van de gemeente Vlaardingen. In toelichting paragraaf 5.9 is dit nader toegelicht.
 
ad f) De regels in dit wijzigingsplan zijn overeenkomstig de regels uit het vigerende bestemmingsplan.
 
In aanvulling op de regels van het moederplan, die overeenkomstig van toepassing zijn op dit wijzigingsplan, is voor het realiseren van een minder geluidbelaste gevel een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het voorzien van een gesloten borstwering op de balkons van de woningen aan de Cronjéstraat en het realiseren van serres (afsluitbare buitenruimte) bij de woningen van het appartementengebouw. 
 
Om bij de vaststelling van dit bestemmingsplan te kunnen voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen zijn binnen de bestemming 'Centrum' de horecafuncties en in de bestemming 'Gemengd' de niet-woonfuncties geschrapt. In de bestemmingsomschrijvingen in de regels zijn de betreffende functies doorgehaald. Om deze betreffende functies op een later moment toch mogelijk te maken is middels een binnenplanse afwijking deze mogelijkheid geboden aan het bevoegd gezag. Voorwaarde daarbij is dat moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernota. 
De aanvullingen cq wijzigingen gaan uit van een strikter regime dan het moederplan.   
 
Artikel 21.1 Overschrijding van bestemmingsgrenzen
Middels artikel 21.1. is een overschrijding van bestemmingsgrenzen tot maximaal 3 meter toegestaan. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het plan een rechte hoek te realiseren op de hoek Cronjéstraat - Gedempte Biersloot. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de betreffende wijzigingsbevoegdheid aangezien de hoek buiten de begrenzing van het wijzigingsgebied van artikel 21.1 ligt. De overschrijding is minder dan 3 meter  Gezien de geringe omvang is ook geen sprake van een vergroting van het bestemmingsvlak met meer dan 10%. Daarmee voldoen het beoogde bouwplan en dit wijzigingsplan aan de voorwaarden.
 
5 Randvoorwaarden
 
5.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het voorgenomen initiatief valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. De nieuwe woningen maken onderdeel uit van een herontwikkeling, waarbij de bestaande woningen worden gesloopt en nieuwe woningen worden gerealiseerd. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal woningen, als gevolg van de herontwikkeling, toe van 88 naar 131 woningen. Gezien deze beperkte toename kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
 
De vorm vrije m.e.r.-beoordeling wordt gevormd door de hiernavolgende paragrafen. Daarin worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen gesignaleerd. Deze gevolgen kunnen derhalve worden uitgesloten, een nadere m.e.r. beoordeling is niet noodzakelijk.
5.2 Bodem
 1 Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop en nieuwbouw van woningen. Om inzicht te krijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2
     
Uit het vooronderzoek blijkt op basis van de beschikbare informatie dat de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging wordt beschouwd als verdacht in verband met diffuse bodembelasting, waarbij wordt uitgegaan van een heterogene lichte  verontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie. De locatie wordt als niet-asbestverdacht aangemerkt.
   
Ter plaatse van de binnenplaats achter de Patrimoniumstraat 10-12 is in het grondwater een sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond. De verontreiniging is in het horizontale vlak afgeperkt. Ingeschat wordt dat de omvang van de minerale olieverontreiniging in het grondwater niet meer dan 40 m² bedraagt. Hierbij is uitgegaan van een oppervlakte van 40 m² en een verticale verspreiding van 1,0 m. Aangezien het omvangscriterium niet wordt overschreden is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en is er geen saneringsnoodzaak aanwezig.
 
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese 'verdacht' voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de aangetroffen verontreinigingen in grond en grondwater. De aangetoonde zinkverontreiniging in de grond en de minerale olieverontreiniging in het grondwater geven formeel op de basis van de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding tot het nemen van saneringsmaatregelen. Bovendien is geen sprake van een verzwaring van het gebruik. In de huidige situatie is ook al sprake van een woonfunctie. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde woonbestemming.
 
Voor de omgevingsvergunning bouwen wordt het bodemonderzoek nog aangevuld en beoordeeld.
 
5.3 Cultureel erfgoed
5.3.1 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het 'rijksbeschermd stadsgezicht Vlaardingen' dat door de rijksoverheid in februari 2013 is aangewezen. Daarnaast zijn in het plangebied geen monumenten aanwezig. Wat betreft de beeldbepalende panden is op 23 februari 2010 een lijst met beeldbepalende panden vastgesteld. In eerste instantie zouden het bouwblok Cronjéstraat 66-68 en het volksbadhuis (Marisstraat 19) worden aangewezen als beeldbepalende panden. Uiteindelijk is besloten deze panden niet als dusdanig aan te wijzen.   In het geldende bestemmingsplan 'Stadshart' heeft het Volksbadhuis aan de Marisstraat 19 overigens wel de aanduiding 'karakteristiek' gekregen. Voor panden met de aanduiding 'karakteristiek' gelden de volgende bouwregels:
  1. de bestaande goot- en bouwhoogte mag niet worden gewijzigd;
  2. de bestaande afdekking van gebouwen en kapvorm/nokrichting mag niet worden gewijzigd;
  3. ten behoeve van de onderliggende, voor deze gronden geldende bestemming mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de beeldbepalende en karakteristieke waarden daardoor niet onevenredig worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.
Sloop is ter plaatse van de aanduiding slechts toelaatbaar:
  1. bij de sloop van het gehele gebouw; indien dit gepaard gaat met herbouw van een vergelijkbaar gebouw, gelet op de bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen en gelet op de afdekking van de gebouwen en kapvorm/nokrichting;
  2. bij de sloop van een gedeelte van een gebouw; indien het te slopen gedeelte zelf niet beschermenswaardig is en de bescherming van het resterende gedeelte is gewaarborgd;
  3. schriftelijk advies over de sloop of gedeeltelijke sloop is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.
De planvorming is behandeld in de geïntegreerde welstands- en monumenten en positief beoordeeld op welstandaspecten, waarbij nog wel een aantal zaken nader uitgewerkt dienen te worden, zie het verslag van de welstandscommissie van 14 december 2016. Ten aanzien van cultuurhistorie is men positief ten aanzien van de gevel van het badhuis, en de monumentencommissie heeft daarbij aangegeven deze gevel aan de noordzijde van het omsloten gedeelte geïntegreerd te willen zien (zie bijlage 3).
De commissie is qua welstand zeer positief over de getoonde ontwikkeling qua stedenbouwkundige opzet, architectonische referenties en de opzet van de bouwvolumes. Op 13 november 2011 heeft het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen goedkeuring verleend aan de intentie van sloop van de betreffende woningen in het plangebied.
 
  
5.3.2 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
   
Planspecifiek
In het vigerend bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie 3'. De voor Waarde – Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Dit betekent dat bij ingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m -mv archeologisch onderzoek noodzakelijk is om de daadwerkelijke waarde van het plangebied te bepalen. Gezien de omvang van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4.
   
Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een hoge verwachting aanwezig is op het aantreffen van archeologische waarden uit de Romeinse Tijd, Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. de aanbeveling is nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Omdat de huidige bebouwing nog aanwezig is kan dit onderzoek niet goed uitgevoerd worden. De regels voor Waarde - Archeologie 3 in het vigerende bestemmingsplan zijn van toepassing.
5.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor vervangende nieuwbouw in stedelijk gebied is 68 dB. Een ontheffing hogere waarde dient te voldoen aan het Beleid hogere waarden Vlaardingen 2016.
 
Verder is het Regionaal Afsprakenkader (RAK) van toepassing. De gemeente Vlaardingen is partij bij het Regionaal Afsprakenkader (juli 2015 ondertekend). Hierin zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop bij de vaststelling van ruimtelijke plannen dient te worden omgegaan met geluid. Het RAK is van toepassing op plannen die betrekking hebben op woningbouw binnen een gedefinieerde bufferruimte rond de Rotterdamse haven. In het RAK zijn onder andere procesafspraken opgenomen met betrekking tot de vaststelling van hogere waarden (artikelen 21 - 23 uit het RAK). Deze afspraken betreffen onder andere de hoogte van de vast te stellen hogere waarden en de wijze waarop die worden bepaald.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelig object. Gezien de ligging van het plangebied binnen de zone van omliggende wegen als ook binnen de geluidzone van de industrieterreinen Botlek-Pernis en Vulcaanhaven is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5
  
Uit het onderzoek blijkt dat op een groot deel van de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Cronjéstraat/Van Schravendijkplein en de Gedempte Biersloot wordt overschreden alsmede op twee huurappartementen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) vanwege het industrieterrein Botlek-Pernis. De geluidbelasting op alle huurwoningen is lager dan de voorkeursgrenswaarde. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB voor het wegverkeerslawaai en 55 dB(A) voor het industrielawaai wordt niet overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting (wegverkeer maatgevend) bedraagt maximaal 63 dB en is daarmee niet onaanvaardbaar hoog (max. 70 dB conform gemeentelijk Beleid hogere waarden).
 
Bron- / overdrachtsmaatregelen om de geluidbelastingen te reduceren zijn redelijkerwijs niet mogelijk of stuiten op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of vervoerskundige aard. Om het plan mogelijk te maken dient een hogere grenswaarde procedure te worden doorlopen. Het vaststellen van een hogere waarde impliceert dat op grond van het gemeentelijk Beleid hogere waarden voorwaarden worden gesteld aan de woningen waarbij de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai. Deze voorwaarden hebben met name betrekking op de aanwezigheid van geluidluwe zijdes, geluidluwe buitenruimtes en de woningindeling. Met het toepassen van aanvullende maatregelen zoals beschreven in het onderzoek en het ontwerpbesluit Hogere grenswaarden is woningbouw mogelijk binnen de grenzen van de Wet geluidhinder en het gemeentelijk Beleid hogere waarden waarbij de geformuleerde ambities slechts beperkt worden overschreden. Om een minder geluidbelaste gevel (3 dB lager) te creëren worden balkons van de woningen aan de Cronjéstraat (het woonblok Haring) voorzien van een gesloten borstwering met een minimale hoogte van 1,3 meter en het plafond van een akoestisch absorberend materiaal met een absorptiecoëfficiënt van 0,8 of hoger. De woningen van het appartementengebouw (Zeemeeuw) op de 1e tot en met de 12e verdieping worden voorzien van een serre (afsluitbare buitenruimte).
 
Door de DCMR Milieudienst Rijnmond is geconstateerd dat voor het berekenen van de geluidbelasting van industrieterrein Botlek-Pernis een verouderde berekeningssystematiek gehanteerd is en heeft verzocht de geluidbelasting nogmaals te berekenen. Deze aanvullende en gewijzigde berekeningsresultaten zijn in een notitie opgenomen en zijn errata op de eerdere rapportage gegeven, zie bijlage 6
De geluidbelasting in het gebied is 49 dB(A). Dit betekent dat alleen voor de gebouwen met een zevende bouwlaag en hogere bouwlagen hogere waarden van 51 dB(A) moeten worden vastgesteld. In vergelijk met het eerdere akoestisch onderzoek en de onjuiste systematiek dient. in het deelgebied Patrimoniumbuurt, voor 42 woningen hogere waarden te worden vastgesteld in plaatst van 2 woningen.
 
Het is juist dat ook op het wijzigingsplan Mariskwartier-Jozef Israëlsstraat RAK van toepassing is, maar voor dit plan zijn geen hogere waarden nodig.
 
Tegelijkertijd met het ter visie leggen van het wijzigingsplan wordt het ontwerpbesluit Hogere grenswaarden ter visie gelegd.
 
5.5 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Derhalve is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied.  
 
Gekeken naar de verbeelding van de geldende bestemmingsplannen in de omgeving van het plangebied blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied, naast wonen, gemengde en centrumbestemmingen voorkomen. Binnen deze bestemmingen is bedrijvigheid tot en met maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Gezien de sterke functiemenging in het gebied mag uitgegaan worden van het omgevingstype gemengd gebied. Dit houdt in dat de aan te houden richtafstand maximaal 10 meter is. Binnen een straal van 10 meter rondom de nieuwe woningen is geen bedrijvigheid aanwezig.
 
Binnen gemengde gebieden kan echter ook sprake zijn van functiemenging. Dit betekent dat op gebouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels. In de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” is voor gebieden met functiemenging een aparte lijst (bijlage 4) opgenomen. In gebieden met functiemenging gelden geen richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën:
  • categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;
  • categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden;
  • categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden:
  1. het gaat om kleinschalige, ambachtelijke bedrijvigheid;
  2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;
  3. de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats;
  4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
 
Wat betreft de gemengde en centrumbestemmingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt geldt dat er enkel bedrijvigheid is toegestaan die, wat betreft hinder naar de omgeving, passend is in het gemengde woonmilieu en voldoet aan bovengenoemde voorwaarden.
 
5.6 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop en nieuwbouw van woningen. Als gevolg van deze herontwikkeling neemt het aantal woningen in het plangebied toe van 88 naar 131 woningen. De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsting van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. De ontwikkeling heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Aan de andere kant wordt 'wonen' in het Besluit gevoelige bestemmingen niet gezien als een gevoelige bestemming.
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de achtergrondconcentraties over 2014 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Uit de afbeeldingen blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. In de praktijk blijkt dat als aan de grenswaarde voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarde van PM2,5 wordt nageleefd.
  
Achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide (< 35 µg/m³ , 2015, kaart NSL Monitoring 2016)  
5.7 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een fragment van deze kaart:
 
Uitsnede risicokaart (plangebied zwarte omkadering)
 
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in of in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. De dichtstbijzijnde risicobron betreft betreft het zwem- en recreatiebad 'De Kulk' op minimaal 450 meter afstand van het plangebied. In het zwembad is een opslagtank chloorbleekloog aanwezig. Hiervoor geldt een generiek plaatsgebonden risico van 0 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand tot deze inrichting. Gezien voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.8 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
 
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • Beschermde Natuurmonumenten;
  • Wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Het NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen herontwikkeling is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 7. In het onderzoeksrapport wordt het volgende geconcludeerd:
  • In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Flora-­ en faunawet voor. Het plangebied heeft, behoudens vleermuizen en gierzwaluw, aannemelijk geen essentiële betekenis voor zwaarder en strikt beschermde soorten (tabel 2 & 3). De daken bieden mogelijk een vaste rust-­ en verblijflocatie van vleermuizen en nestlocatie van gierzwaluw. De dichtere struiken (beperkt aanwezig) zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels.
  • De ruimtelijke ingrepen leidden, behoudens vleermuizen, gierzwaluwen en broedvogels, slechts tot een tijdelijke verstoring van algemene voorkomende en licht beschermde soorten. Ten aanzien van vleermuizen en gierzwaluw geldt dat er een aanvullend onderzoek moet plaats vinden om de aan-­ dan wel afwezigheid van deze soorten vast te stellen.
  • Afhankelijk van de onderzoeksresultaten met betrekking tot het aanvullend onderzoek naar vleermuizen en vleermuizen, en mits gewerkt wordt zoals navolgend aanbevolen, leiden de werkzaamheden niet tot overtreding van de Flora‑ en faunawet. Er behoeft vooralsnog geen ontheffing van de Flora-­en faunawet (art. 75) aangevraagd te worden.
  • De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000‑gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Ecologische Hoofdstructuur. Gezien de aard van de werkzaamheden, de afstand en de beperkte toename van mensen en verkeersbewegingen is van externe werking op de Natura2000 gebieden ‘Oude Maas’ en ‘Solleveld en Kapittelduinen’ geen sprake.
Naar aanleiding van de ecologische quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en gierzwaluwen (zie bijlage 8. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de te slopen bebouwing op de locatie geen functie heeft voor gierzwaluwen en/of vleermuizen. Tevens maakt de planlocatie geen essentieel onderdeel uit van het functioneel habitat. De beoogde sloop en herontwikkeling heeft geen negatief effect op de gierzwaluw en op vleermuizen.
   
5.9 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen en kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
In het kader van de ontwikkeling van het gehele ontwikkelingsgebied Mariskwartier heeft intensief overleg plaatsgevonden tussen de gemeente, de woningstichting en de ontwikkelaar over een parkeeroplossing voor het gebied. Uitgangspunt is dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernota en daarmee ook aan de wijzigingsvoorwaarden.
  
Het gemeentelijk parkeerbeleid biedt ruimte aan het college om vrijstelling te verlenen van de parkeernormen onder bepaalde voorwaarden, zoals het parkeerfonds. Naar analogie met het parkeerfonds voor een oplossing gekozen waarbij tegen betaling parkeerruimte in de nabijheid van het plangebied beschikbaar komt en welke met een collegebesluit geformaliseerd wordt.
 
Op basis van de gemeentelijke parkeernomen is een parkeerbalans opgesteld. Deze parkeerbalans is exclusief het bewonersdeel van de sociale huurwoningen, waarvoor het college vrijstelling heeft verleend onder de voorwaarde van parkeren in garage Hoogstraat. Voor het bewonersdeel zijn de benodige 106 parkeerplaatsen ook daadwerkelijk beschikbaar in parkeergarage Hoogstraat. Uit recent onderzoek (oktober 2016) blijkt dat de maximale bezetting van de parkeergarage Hoogstraat 73 bedraagt (zaterdagmiddag). Gezien de capaciteit van 423 parkeerplaatsen is er altijd ruim voldoende restcapaciteit om de parkeerbehoefte van het bewonersdeel van het Mariskwartier op te vangen.
 
Uit onderstaande tabellen blijkt dat, rekening houden met aanwezigheidspercentages, er een parkeerbehoefte is van 72 parkeerplaatsen (parkeervraag). Uit het stedenbouwkundig ontwerp blijkt dat het mogelijk is om 78 parkeerplaatsen te realiseren (parkeeraanbod). Er is dan nog een marge van 6 parkeerplaatsen, die ingezet kunnen worden voor gehandicaptenparkeerplaatsen of e-laadpunten. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte en -normen.
           
Parkeervraag (Berekening volgens CROW publicatie 182 parkeerkencijfers-basis voro parkeernormering
  
  
Parkeeraanbod
 
5.10 Waterhuishouding
De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 
5.10.1 Rijksbeleid
Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
5.10.2 Beleid Hoogheemraadschap van Delfland
Waterbeheerplan
Het Waterbeheerplan 2010 - 2015, 'Keuzes maken en kansen benutten' is het document waarin Delfland de ambities voor de komende jaren heeft vastgelegd. Het plan beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Delfland investeert de komende jaren volop in het vergroten van de veiligheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van wateroverlast en het optimaliseren van de zuivering van afvalwater. Klimaatverandering, zeespiegelstijging verzilting en nieuwe wetten en regels gaan het waterbeheer de komende decennia ingrijpend veranderen. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten. Delfland spreidt daarom de maatregelen in de tijd, zodat het tempo aansluit bij de mogelijkheden van de organisatie en het gebied.
 
Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft op 20 maart 2012 de 'Handreiking watertoets voor gemeenten' vastgesteld. De handreiking biedt handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau.
 
Waterplan Vlaardingen
De gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben gezamenlijk het Waterplan Vlaardingen opgesteld. Het waterplan is een integratiekader voor het totale waterbeheer in Vlaardingen. Het waterplan bestaat uit een aantal deelplannen, waaronder een Watervisie, een Waterfunctieplan en een Waterstructuurplan. In de plannen geven Vlaardingen en Delfland een gezamenlijke visie op de gewenste ontwikkeling van het watersysteem op middellange termijn (2030). Met het oog op de klimaatsverandering zal het watersysteem van Vlaardingen in de toekomst moeten worden aangepast. Het watersysteem van Vlaardingen kenmerkt zich door een snelle afvoer van regenwater, voornamelijk via de riolering. In de stedelijke polders stroomt veel water vanuit de singels de riolering in en wordt het water via overstortbemaling afgevoerd naar de Nieuwe Maas. De visie van het waterplan is gericht op een robuust systeem, waarin meer water wordt vastgehouden en meer waterberging wordt aangelegd. In het waterplan is de integrale wateropgave bepaald en worden maatregelen
uitgewerkt om die opgave te realiseren. Het waterplan Vlaardingen geeft daarmee invulling aan het waterbeleid, met als hoofddoelstellingen:
  • Water draagt in belangrijke mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit van Vlaardingen.
  • De stedelijke polders van Vlaardingen voldoen aan de NBW-normering wateroverlast.
  • Het water in Vlaardingen is schoon en voldoet op termijn aan de eisen van de KRW.
  • De vuilemissie uit de riolering is teruggebracht volgens de normering basisinspanning.
  • Het oppervlaktewater wordt niet meer via riolering afgevoerd.
5.10.3 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze
laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
Het waterbergend vermogen van de bodem mag bij nieuwe ontwikkelingen niet verloren gaan. In de huidige situatie is sprake van een zeer stedelijk gebied waar vrijwel alle gronden verhard zijn. Dit geldt ook voor de binnentuinen die bestraat dan wel bebouwd zijn. Het karakter van de ontwikkeling is dat wederom een zeer stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De mate van verharding in het plangebied blijft daarmee onveranderd. Compenserende maatregelen zijn dan ook niet aan de orde.
 
Voor de ontwikkeling zal de aanleghoogte worden verhoogd. Om die reden wordt een bergingsriool voor de berging van regenwater aangelegd in de Patrimoniumstraat. Deze maatregel beperkt de wateroverlast van het plangebied en de directe omgeving.
 
5.11 Bezonning
Voor bezonningstudies gelden geen wettelijk vastgestelde normen. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, in het besluit gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. De wet gebruikt hiervoor de term goede ruimtelijke onderbouwing. Een planologisch besluit, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, dient voorzien te zijn van een dergelijke onderbouwing.
 
Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningstudie toe te voegen aan een bestemmingsplan of omgevingsvergunning waarmee gemotiveerd kan worden dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing.
Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Bezonningstudies worden echter veel toegepast om inzicht te krijgen op de bezonningseffecten en vormen ook de basis voor planschaderisicoanalyses.
 
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied en de voorwaarden bij de wijzigingsbevoegdheid is een bezonningsstudie opgesteld, zie bijlage 9. De bezonningsstudie maakt inzichtelijk of en hoeveel beperking van directe zonlicht de nieuwe bebouwing oplevert voor de (directe) omgeving. Daarbij wordt de bestaande bebouwing vergeleken met de nieuwe. De lichte en strenge 'TNO-norm' is daarbij gehanteerd.
 
In onderstaande afbeelding zijn de onderzoeksvlakken weergegeven.
 
Onderzoeksvlakken bezonningsstudie
 
Vlak 1
Door de nieuwe verkavelingsopzet is er sprake van een verslechtering van de bezonningssituatie in de
periode van maart tot en met september. Dit vlak zal door de nieuwe verkavelingsopzet gedurende het hele jaar voldoen aan de strenge TNO-norm.
 
Vlak 2
Door de nieuwe verkavelingsopzet is er in de maanden maart tot en met september een verslechtering van
de bezonningssituatie. Dit vlak zal door de nieuwe verkavelingsopzet gedurende het hele jaar voldoen aan de strenge TNO-norm.
 
Vlak 3
Door de nieuwe verkavelingsopzet is er sprake van een verbetering van de bezonningssituatie gedurende
het gehele jaar. Dit vlak zal door de nieuwe verkavelingsopzet gedurende het hele jaar voldoen aan de strenge TNO-norm.
 
Vlak 4
Door de nieuwe verkavelingsopzet is er sprake van een verbetering van de bezonningssituatie in de periode
maart tot en met september. Dit vlak zal door de nieuwe verkavelingsopzet gedurende het hele jaar, meer zonuren krijgen en hiermee voldoen aan de strenge TNO-norm.
 
Vlak 5
Door de nieuwe verkavelingsopzet is er het gehele jaar sprake van een verslechtering van de bezonningssituatie.
Dit vlak zal door de nieuwe verkavelingsopzet gedurende het hele jaar, ondanks de verslechtering, nog steeds voldoen aan zowel de strenge als de lichte TNO-norm.
 
Vlak 6
Door de nieuwe verkavelingsopzet is er sprake van een verslechtering van de bezonningssituatie gedurende
het hele jaar. Deze verslechtering is steeds gedeeltelijk op de gevel van dit appartementencomplex
en treedt op aan het einde van de middag vanaf ca. 15:00-16:00 uur, afhankelijk van de tijd van het
jaar, tot aan zonsondergang. Ondanks deze verslechtering wordt er nog steeds voldaan aan de lichte TNO-norm.
 
Aangezien het gehele plangebied minimaal voldoet aan de lichte TNO-norm kan worden geconcludeerd dat sprake van een overwegend goed woon- en leefklimaat.
5.12 Windhinder
Naast nuttig (windenergie) kan wind ook hinderlijk of zelfs gevaarlijk zijn. De mate van wind bepaalt mede of er sprake is van windhinder of niet. Windhinder treedt op rondom hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kunnen maken.
 
In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Op basis hiervan is een windhinderonderzoek in de volgende situaties noodzakelijk:
  • gebouwen hoger dan 30 meter > windonderzoek is noodzakelijk;
  • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m > deskundige beoordeelt of windonderzoek noodzakelijk is;
  • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m > deskundige beoordeelt of windonderzoek noodzakelijk is.
Planspecifiek
Voorliggend wijzigingsplan maakt bebouwing mogelijk tot een hoogte van 45 meter. In het kader van de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid van het moederplan is een windonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 10. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
  • In het gebied rond de geplande hoogbouw wordt nergens een slecht windklimaat of een overschrijding van het gevaarcriterium verwacht.
  • Als gevolg van de bouwhoogte treden plaatselijk hogere windsnelheden op dan in de omgeving. Dit heeft op enkele plaatsen een als matig te beoordelen windklimaat tot gevolg, waaronder bij enkele gebouwentrees van de bestaande omliggende bebouwing.
  • Voor zover er gebouwentrees van de hoogbouw nabij de gebouwhoeken gepland zijn, kan er sprake zijn van een matig windklimaat. 
  • Bij enkele van de geplande grondgebonden woningen aan de westzijde is plaatselijk sprake van een beoordeling matig tot goed bij de woningentrees.
Naar aanleiding van de resultaten van het windhinderonderzoek is besloten aanvullend onderzoek uit te voeren naar de huidige windsituatie in het plangebied. Hiermee kan een goed vergelijk worden gemaakt tussen de huidige situatie en die met nieuwbouw. De resultaten van deze vergelijking gaven aanleiding om onderzoek te doen naar de effecten van mogelijke windreducerende maatregelen in Gedempte Biersloot. Hier ter plaatse was het grootste verschil merkbaar. De maatregelen betreffen een luifelconstructie bij de bestaande entree en toegevoegde begroeiing op het troittoir. Het aanvullende onderzoek is als bijlage toegevoegd 11
 
Uit de onderzoeksresultaten zijn de volgende conclusies te trekken:
  • In de huidige situatie kan het windklimaat in het gebied rondom de bouwlocatie als goed beoordeeld worden volgens de NEN 8100:2006. Dit geldt ook voor de plaatsen waar in de geplande situatie een beoordeling matig is vastgesteld.
  • Bij het plaatsen van een luifel met zijschermen bij de bestaande woningentree aan de Gedempte Biersloot is in de nieuwbouwsituatie bij de entree een goed windklimaat te verkrijgen (in plaats van matig).
  • Met de plaatsing van begroeiing is te zien dat het gebied met een matig windklimaat van het trottoir af wordt verplaatst richting de straat. Op het betreffende trottoir van de Gedempte Biersloot zal hiermee een goed windklimaat aanwezig zijn. 
Ondanks de realisatie van de toren, zonder aanvullende maatregelen, wordt voldaan aan de NEN-normen 8100:2006 en is sprake van een overwegend positief windklimaat. Dit geeft geen aanleiding tot het nemen van maatregelen.
 
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerp wijzigingsplan, tegelijkertijd met het ontwerpbesluit hogere waarden Wgh, heeft met ingang van 16 februari 2017, gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegen.
 
Op 7 maart 2017 van 20:00 tot 21:30 uur is er een informatiebijeenkomst georganiseerd in de vorm van een inloopavond in de Burgerzaal van het Stadhuis aan de Markt 11 te Vlaardingen. De direct omwonenden en aanliggende bedrijven en voorzieningen zijn middels een brief geïnformeerd over datum, tijdstip en locatie van de bijeenkomst.
6.1.1 Verslag zienswijzen
Tijdens de ter inzage legging zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn in de Nota Zienswijzen 12 samengevat en voorzien van een beantwoording (zie bijlage). Naar aanleiding van de zienswijzen worden de volgende aanpassingen doorgevoerd in het wijzigingsplan:
  • Het aanvullend windhinderonderzoek wordt in de toelichting nader toegelicht en als bijlage bij de wijzigingsplannen gevoegd.
  • De aangepaste rapportage van de bezonningsstudie wordt in de toelichting nader toegelicht en als bijlage bij de wijzigingsplannen gevoegd.
  • Het beleidskader in de toelichting van de wijzigingsplannen zal worden aangevuld met het Regionale Afsprakenkader (RAK).
  • De aanvullende memo op het akoestisch onderzoek, waarin wordt getoetst aan het RAK, wordt in de toelichting nader toegelicht en als bijlage bij de wijzigingsplannen gevoegd.
 
De volgende aanpassingen worden doorgevoerd in de besluiten hogere grenswaarden:
  • Voor het wijzigingsplan Mariskwartier – Patrimoniumbuurt geldt dat voor de gebouwen met een zevende bouwlaag en hoger, hogere waarden van 51 dB(A) moeten worden vastgesteld. Op basis van het akoestisch onderzoek en de aanvullende memo worden hogere waarden aangevraagd en vastgesteld.
6.2 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan het bevoegd gezag bij het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te tellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het project wordt op initiatief van de initiatiefnemer gerealiseerd. De kosten in verband met de procedure van het wijzigingsplan en de aanvraag omgevingsvergunning zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Het project wordt gefinancierd uit middelen van de initiatiefnemer. Tussen initiatiefnemer en gemeente Vlaardingen wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet meer aan de orde.
  • 1.
  • 2. Verkennend en nader bodemonderzoek ter plaatse van een locatie aan de Patrimoniumstraat e.o. te Vlaardingen, Arnicon, Rapport C12-131-O, 9 januari 2013
  • 3. Verslag welstand herbouw Mariskwartier, 16 november 2016
  • 4. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek - verkennend booronderzoek, Synthegra bv, Projectnummer: S120419, 1 oktober 2013
  • 5. Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai Mariskwartier te Vlaardingen, Buro bouwfysica B.V., Referentie: 16.117.06, 14 september 2016
  • 6. Aanvullend akoestisch onderzoek Mariskwartier, Buro Bouwfysica, 18 april 2017
  • 7. Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna Mariskwartier te Vlaardingen, Blom Ecologie, Kenmerk: BE/2016/169/r, 16 juni 2016
  • 8. Gierzwaluw- en vleermuizenonderzoek, Blom Ecologie, 28 september 2016
  • 9. Bezonningsstudie Mariskwartier Vlaardingen, Buro SRO, 12 mei 2017
  • 10. Windklimaatonderzoek met behulp van CFD - Hoogbouw Mariskwartier Vlaardingen, Peutz, Rapportnummer H 5472-1-RA, 26 augustus 2016
  • 11. Notitie varianten windklimaat Mariskwartier Vlaardingen, Peutz, 10 mei 2017
  • 12. Nota Zienswijzen, Buro SRO/Gemeente Vlaardingen, 17 mei 2017