direct naar inhoud van 4.7 Externe veiligheid
Plan: Maasoeverzone
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0622.0208bpMaas2009-0130

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken5 en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Een uitgebreid overzicht van de geldende wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid is opgenomen in Bijlage 7.

4.7.2 Onderzoek en conclusie

Risicovolle inrichtingen

Referentiesituatie

Op basis van de provinciale risicokaart (zie ook Nederland.risicokaart.nl) en de externe veiligheidsvisie van de gemeente Vlaardingen (zie Bijlage 8) is geïnventariseerd welke risicovolle inrichtingen zich binnen het plangebied bevinden. Deze bedrijven zijn opgenomen in tabel 4.4 (Bevi-inrichtingen) en tabel 4.5 (overige risicovolle inrichtingen).

Tabel 4.4 Overzicht Bevi-inrichtingen

bedrijf   bijzonderheden  
DL Freight Management   opslag gevaarlijke stoffen, Brzo/Bevi  
Praxair BV   opslag gasflessen, Brzo/Bevi  
NU3   opslag kunstmeststoffen, Brzo/Bevi  
Chemicaliënhandel HBV   opslag gevaarlijke stoffen, Bevi  
Tessenderlo Chemie Rotterdam BV   opslag ammoniak, Bevi  
Struyk Verwo Infra   opslag propaan (>40 m³), Bevi  

Tabel 4.5 Overzicht overige risicovolle inrichtingen

bedrijf   bijzonderheden  
RWZI   opslag methanol  
Van der Zouwen VOF   brandbare vloeistoffen en gasflessendepot  
Gamma   propaantank (< 40 m³)  
P.L. van Adrighem   propaantank (< 40 m³)  
EMBS BV   tankstation (geen lpg)  

Ook buiten het plangebied bevinden zich verschillende inrichtingen die uit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn (met name aan de overzijde van de Nieuwe Maas), waaronder de raffinaderij van Shell (Vondelingenplaat).

De risicokaart is niet op alle punten volledig en actueel. Struyk Verwo Infra in het zuidoosten van het plangebied is niet opgenomen op de risicokaart. Ook van enkele andere bedrijven worden de PR 10-6-contouren momenteel aangepast. De meest actuele PR 10-6-contouren van de Bevi-inrichtingen zijn opgenomen op de plankaart. De PR 10-6-contouren van de inrichtingen aan de overzijde van de Nieuwe Maas (waaronder Shell Nederland) reiken niet tot over het plangebied Maasoeverzone. De risisokaart zal worden geactualiseerd, waarbij wordt aangesloten bij de contouren zoals die zijn opgenomen op de plankaart.

Door de milieudienst DCMR is voor de gehele gemeente Vlaardingen een inventarisatie van Bevi-saneringssituaties uitgevoerd (zie Bijlage 9). Volgens het Bevi is sprake van een saneringssituatie als een bedrijf dat nu onder de werkingssfeer van het Bevi valt, een PR 10-6-contour kent waarbinnen kwetsbare objecten liggen. In de inventarisatie Bevi-saneringssituaties is voor de definitie van het begrip 'kwetsbaar object' aangesloten bij het Bevi, waarbij op een aantal onderdelen een eigen interpretatie is gehanteerd. Bij beoordeling van de kwetsbaarheid van een gebouw is in het genoemde inventarisatierapport:

  • geen onderscheid gemaakt tussen kantoorgebouwen en bedrijfsgebouwen; alle gebouwen waarin meer dan 50 personen aanwezig zijn, zijn aangemerkt als kwetsbaar;
  • een bedrijfsverzamelgebouw beoordeeld als zijnde één gebouw;
  • het hele gebouw beschouwd, ook als slechts een deel binnen de PR 10-6-contour ligt.

In het voorliggende bestemmingsplan is de benadering uit het inventarisatierapport overgenomen. Een kwetsbaar object is gedefinieerd als:

"bedrijfsgebouwen waar meerdere dagen per week meer dan 50 personen een groot deel van de dag verblijven; een bedrijfsverzamelgebouw wordt in dit kader als één gebouw aangemerkt. Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel uit."

Andere functies die in het Bevi ook zijn aangemerkt als kwetsbaar object zijn op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Het hanteren van dezelfde definitie voor (bedrijfsgebonden) kantoren en overige bedrijfsgebouwen achten wij het meest eenduiding en rechtszeker.

Uit de inventarisatie van Bevi-saneringssituaties bleek dat binnen het plangebied Maasoeverzone alleen in het geval van Chemicaliënhandel HBV sprake was van een saneringssituatie. Uit de actuele QRA blijkt echter dat inmiddels geen sprake is van een saneringssituatie.

In de eerder genoemde externe veiligheidsvisie voor de gemeente Vlaardingen wordt inzicht gegeven in het GR rondom de inrichtingen binnen het plangebied en in de omgeving daarvan. Uit de resultaten blijkt dat in de huidige situatie in geen geval sprake is van een overschrijding van de oriënterende waarde. In veel gevallen ligt het GR zelfs ver onder de oriënterende waarde. Voor nadere informatie over het GR rondom de inrichtingen wordt verwezen naar de genoemde Bevi-inventarisatie van DCMR.

Plansituatie

Het bestemmingsplan staat geen nieuwe Bevi-inrichtingen toe. De gemeente is zeer terughoudend met het toelaten van Bevi-inrichtingen. Dat vanwege het feit dat thans binnen de gemeentegrenzen (en zeker in het onderhavige plangebied) reeds een aanzienlijk aantal van dergelijke bedrijven is gevestigd en mede daardoor het grootste deel van de gemeente is gelegen binnen de invloedsfeer van één of meerdere bronnen in het kader van externe veiligheid. De gemeente voelt de behoefte om ook in het ruimtelijke spoor de regie daarop te behouden. Dat niet alleen vanwege risico's sec, maar ook vanwege mogelijke (domino)effecten, leefbaarheid en ruimtelijke uitstraling. Vanuit die gedachte is ervoor gekozen om in de regel geen nieuwe Bevi-inrichtingen toe te laten. Er is alsnog niet gekozen voor een wijzigingsbevoegdheid die voorziet in het (indirect) toelaten van nieuwe Bevi-inrichtingen. De gemeente meent dat in het geval een nieuwe Bevi-inrichting zich in het plangebied zou willen vestigen, dan een volledige afweging van belangen plaats moet kunnen vinden. Het moet dan gaan om een integrale afweging, en zeker niet beperkt tot risico's, in het concrete geval. Daarbij wenst de gemeenteraad zich het primaat voor het maken van een dergelijke afweging voor te behouden. Ook dat is een reden niet te kiezen voor een algemene wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders. Indien aan de orde ligt het in de rede dat een beoordeling zal plaatsvinden in het kader van een partiële herziening van het bestemmingsplan.

De binnen het plangebied aanwezige Bevi-inrichtingen zijn op de plankaart en in de regels specifiek bestemd. Ook zijn de bijbehorende PR 10-6-contouren op de plankaart opgenomen voor zover deze over bedrijfspercelen van derden (geen Bevi-inrichtingen zijnde) zijn gelegen. Dit is gebeurd op basis van de provinciale risicokaart, met uitzondering van de PR 10-6-contour van Acetra Logistic Solutions BV. In het ontwerpbestemmingsplan zal voor een aantal bedrijven een geactualiseerde PR 10-6-contour op de plankaart worden opgenomen.

Het bestemmingsplan sluit kwetsbare objecten binnen de PR 10-6-contouren van Bevi-inrichtingen uit. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten en uitbreiding van bestaande beperkt kwetsbare objecten (die zelf geen onderdeel zijn van een Bevi-inrichting) binnen de PR 10-6-contouren zijn alleen mogelijk via een omgevingsvergunning. In dat kader moet worden aangetoond dat er gewichtige redenen zijn om de beperkt kwetsbare objecten te realiseren en dat het PR niet meer dan 10-5 bedraagt. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn positief bestemd. Er is geen dwingende reden deze bedrijfsgebouwen te slopen.

Naast de PR 10-6-contouren moet er in het bestemmingsplan rekening worden gehouden met de invloedsgebieden voor het GR. De Koggehaven is gelegen binnen het invloedsgebied voor het GR van Acetra. De invulling van het gebied rond de Koggehaven zal leiden tot een toename van de personendichtheden in het gebied en daarmee tot een toename van het GR. Uit de berekeningen zoals opgenomen in de externe veiligheidsvisie blijkt echter dat het GR ver onder de oriënterende waarde is gelegen. De uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan zal in geen geval leiden tot een overschrijding van deze oriënterende waarde. Aan het slot van deze paragraaf is een verantwoording van het GR opgenomen.

In het plangebied wordt ten westen van de Koggehaven een tweetal windturbines mogelijk gemaakt. Door Ecofys is een analyse van de risico's op de bestaande omgeving van de geplande windturbines gemaakt (zie Bijlage 10). Als uitgangspunt voor de risicobenadering in deze situatie is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) gehanteerd, conform de aanbeveling in het Handboek Risicozonering Windturbines, februari 2005. Deze windturbines worden op zodanige afstand van de bedrijfspercelen rond de Koggehaven gerealiseerd, dat de PR 10-6-contour maximaal 25 m over de bedrijfspercelen ligt. In de regels van het bestemmingsplan wordt aangesloten bij de aanpak rond Bevi-inrichtingen. Dit betekent dat binnen de PR 10-6-contouren geen kwetsbare objecten mogelijk zijn. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten en uitbreiding van bestaande beperkt kwetsbare objecten van derden (die geen onderdeel zijn van een Bevi-inrichting) binnen de PR 10-6-contouren zijn alleen mogelijk via omgevingsvergunning. In dat kader moet worden aangetoond dat er 'gewichtige redenen' zijn om de bedrijfsbebouwing te realiseren.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Referentiesituatie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water en door leidingen.

Transport over de weg

De Maassluissedijk is aangewezen als gemeentelijke route voor gevaarlijke stoffen (tussen de Marathonweg en de ontsluiting van de RWZI). Dat geldt ook voor de Deltaweg tot aan de Heliniumweg. Aangezien het alleen gaat om vervoer van en naar de risicovolle inrichtingen in het gebied, is het aantal transportbewegingen relatief beperkt. Uit de 'Inventarisatie externe veiligheid route gevaarlijke stoffen in Vlaardingen' (december 2006) blijkt dat de PR 10-6-contour niet buiten de weg en het GR ligt onder de oriënterende waarde is gelegen.

Transport over het water

Ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Nieuwe Maas. Door de DCMR is het GR berekend, waarbij rekening is gehouden met de ontwikkeling van het gebied rond de Koggehaven. Uit de resultaten blijkt dat de oriëntatiewaarde ter hoogte van het plangebied wordt benaderd, maar niet overschreden. Voor de Fn-curve wordt verwezen naar het onderzoek van DCMR dat is opgenomen in Bijlage 11.

In het (concept) Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) worden plasbrandaandachtsgebieden aangewezen. Volgens het ontwerpBasisnet water is het plasbrandaandachtsgebied gelegen binnen 40 m vanaf de kade. Op basis van het (concept)Btev moet in de toelichting bij het bestemmingsplan worden ingegaan op de mogelijkheden om de door het plan toegelaten ruimtelijke ontwikkelingen te laten plaatsvinden buiten die gebieden, gelet op de mogelijke effecten van een ongeval met zeer brandbare vloeistoffen. Daarnaast of in samenhang met deze afweging dient in ieder geval aandacht te worden besteed aan de bestrijdbaarheid van een plasbrand (hulpverlening en zelfredzaamheid mede in relatie tot effectreducerende maatregelen of brandvertragende maatregelen aan het gebouw).

De Provinciale Verordening Ruimte geeft aan dat voor gebieden waar zeeschepen aanmeren binnen 65 m van de kade geen bebouwing is toegestaan (in verband met plasbrandrisico's). Afwijking is mogelijk voor bebouwing in het gebied tussen 40 en 65 m vanaf de kade indien:

  • 1. sprake is van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang; én
  • 2. de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond en de vaarwegbeheerder en/of havenbeheerder advies heeft uitgebracht.

Transport door leidingen

Binnen het plangebied liggen verschillende risicovolle leidingen. Op de uitsnede uit de risicokaart in figuur 4.3 is de indicatieve ligging van deze leidingen weergegeven (rood).

afbeelding "i_NL.IMRO.0622.0208bpMaas2009-0130_0006.png"

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart Zuid-Holland: leidingen

De leidingen (inclusief de bijbehorende belemmeringenstrook aan weerszijden van de leiding) zijn opgenomen op de plankaart. In de regels is een beschermende regeling opgenomen.

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Met de AMvB is aangesloten bij de risiconormering uit het Bevi. Daarbij worden de toetsings- en bebouwingsafstand uit de oude Circulaire vervangen door een afstand voor het PR en een afstand voor het invloedsgebied van het GR. Tabel 4.6 geeft een overzicht van de 1% en 100% letaliteitsgrens van de gasleidingen in het gebied. De 1% letaliteitgrens komt overeen met het invloedsgebied voor het GR. Ontwikkelingen binnen de 100% letaliteitsgrens kunnen een relevante bijdrage leveren aan de hoogte van het GR.

Tabel 4.6 1% en 100% letaliteitsgrens gasleidingen

leidingnummer   druk (bar)   diameter (inch)   1% letaliteitsgrens   100% letaliteitsgrens  
W-537-29   40   6   70   50  
W-537-29   40   12   140   70  
W-537-98   40   6   70   50  
W-504-01   40   12   140   70  
W-504-92   40   6   70   50  
W-504-93   40   6   70   50  
W-504-94   40   6   70   50  
W-504-01   40   6   70   50  
A-517   66   30   380   160  
W-521-20   40   6   70   50  
W-521-32   40   4   45   30  
A-613   80   16   230   100  

Door DCMR zijn berekeningen uitgevoerd om het GR langs de verschillende gasleidingen in beeld te brengen. Uit de resultaten blijkt dat voor de leiding A-613 het GR de oriënterende waarde nadert. Langs de overige leidingen ligt het GR (ruimschoots) onder de oriënterende waarde. Voor een gedetailleerd overzicht van de resultaten en de bijbehorende Fn-curves wordt verwezen naar het onderzoek van DCMR (zie Bijlage 11).

Er is niet voor alle leidingen uit tabel 4.6 is het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) bepaald. Uit informatie van de Gasunie blijkt dat leiding W504 zodanig is beveiligd dat de druk niet hoger kan zijn dan 13,2 bar. Dit houdt dat deze leiding buiten de reikwijdte van het Bevb valt. Voor deze leiding hoeft dus geen berekening te worden uitgevoerd.

Plansituatie

Bij de ontwikkeling van het gebied rond de Koggehaven dient rekening te worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maassluissedijk. Voor de Maassluissedijk is geen sprake van een PR 10-6-contour. Het GR ligt in de huidige situatie ver onder de oriënterende waarde. Hoewel de uitvoering van het bestemmingsplan beperkte gevolgen kan hebben voor de hoogte van het GR zal het plan in geen geval leiden tot een overschrijding van de oriënterende waarde. Bij de verantwoording van het GR wordt rekening gehouden met het vervoer over de Maassluissedijk.

De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas zijn aanzienlijk groter. In het bestemmingsplan wordt binnen een afstand van 40 m (plasbrandaandachtsgebied) van de oever geen nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen mogelijk gemaakt.

Uit onderzoek blijkt dat in de referentiesituatie mogelijk reeds sprake is van een overschrijding van de oriënterende waarde voor het GR. Door de ontwikkeling van het gebied rond de Koggehaven zal het GR verder toenemen. In de verantwoording van het GR dient om deze reden aandacht te worden besteed aan deze risicobron.

De risicorelevante leidingen binnen het plangebied en in de omgeving daarvan bevinden zich allemaal op ruime afstand (> 500 m) van het gebied rond de Koggehaven. De invulling van het gebied zal dan ook geen relevante gevolgen hebben voor de risicosituatie rond de leidingen. In de berekeningen die zijn uitgevoerd door DCMR is echter wel rekening gehouden met de toekomstige invulling van dit deel van het plangebied.

Buiten het gebied rond de Koggehaven wordt er in het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied en daarmee tot een toename van het GR rond de aanwezige risicobronnen.

Verantwoording groepsrisico

De verantwoordingsplicht van het GR houdt in dat inzicht moet worden gegeven in de hoogte van het GR en dat ook rekening moet worden gehouden met een aantal kwalitatieve aspecten. Hiertoe behoren met name de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) om advies gevraagd. Het advies is opgenomen in Bijlage 17.

Omvang GR in huidige situatie

In de voorgaande paragraaf is ingegaan op de risicobronnen binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan:

  • in de externe veiligheidsvisie voor de gemeente Vlaardingen wordt inzicht gegeven in het GR rondom de inrichtingen binnen het plangebied en in de omgeving daarvan. Uit de resultaten blijkt dat in geen geval sprake is van een overschrijding van de oriënterende waarde. In veel gevallen ligt het GR zelfs ver onder de oriënterende waarde;
  • de Maassluissedijk is aangewezen als gemeentelijke route voor gevaarlijke stoffen (tussen de Marathonweg en de ontsluiting van de RWZI). Dat geldt ook voor de Deltaweg tot aan de Heliniumweg. Gezien de bebouwingsdichtheden langs de route ligt het GR naar verwachting ruimschoots onder de oriënterende waarde;
  • ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Nieuwe Maas. Er is mogelijk sprake van een overschrijding van de oriënterende waarde;
  • binnen het plangebied liggen verschillende risicovolle leidingen. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk in het gebied rond deze leidingen. Het GR is om deze reden niet berekend.

Gevolgen bestemmingsplan voor het GR

Het bestemmingsplan Maasoeverzone maakt ten opzichte van de op dit moment vigerende bestemmingsplannen geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen mogelijk en heeft daarmee geen gevolgen voor de hoogte van het GR. Het plangebied omvat de bestaande bedrijventerreinen binnen de Maasoeverzone. De komende jaren zullen verschillende braakliggende delen van het gebied worden ingevuld, waarvan de Koggehaven de meest omvangrijke ontwikkeling is. De betreffende percelen hebben in het vigerende bestemmingsplan ook reeds een bedrijfsbestemming.

Maatregelen ter beperking van het GR

Bronmaatregelen om het GR rondom de bovengenoemde risicobronnen te beperken zijn niet te treffen in het kader van onderhavige ruimtelijke procedure. In het bestemmingsplan zijn waar mogelijk wel op andere manieren maatregelen getroffen om risico's te beperken:

  • kwetsbare objecten en nieuwbouw of uitbreiding van beperkt kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen de PR 10-6-contouren rondom de Bevi-inrichtingen;
  • nieuwbouw of uitbreiding van gebouwen is niet toegestaan binnen het plasbrandaandachtsgebied langs de Nieuwe Maas (tot een afstand van 65 m vanaf de oever, behoudens omgevingsvergunning);
  • in het hele plangebied worden geen zelfstandige kantoren toegestaan;
  • de mogelijkheden voor (volumineuze) detailhandel zijn beperkt (geen nieuwvestiging).

Bestrijdbaarheid

In het advies van de VRR wordt ingegaan op de bereikbaarheid en de inzetbaarheid van middelen (onder andere de bluswatervoorziening).

Bereikbaarheid

De bereikbaarheid van het gebied is over het algemeen goed. In het advies van de VRR wordt de ontsluiting van 't Scheur als aandachtspunt benoemd. Geadviseerd wordt om een calamiteitenontsluiting te realiseren.

Nader overleg met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) en de veiligheidscoördinator van de gemeente Vlaardingen heeft plaatsgevonden over mogelijke knelpunten en oplossingen. De bereikbaarheid van bedrijventerrein 't Scheur kan verbeterd worden door aan de noordoost zijde van het gebied een doorgang te creëren naar de Maassluissedijk. Dit kan door middel van een weg, maar de kosten hiervan zijn vrij hoog. Het is ook mogelijk een verbinding aan te leggen die alleen in geval van calamiteiten gebruikt kan worden. Een fietspad kan reeds voldoen in deze behoefte en de kosten ervan zijn veel lager. Als er gekozen wordt voor deze optie zou uitvoering ervan mogelijk zijn middels:

  • Doortrekken van de Beugsloepweg naar de Maassluissedijk (in de vorm van een fietspad).
  • Aansluiten op het pad langs het water (ten zuiden van het bedrijventerrein) op een fietspad dat ten oosten van het bedrijventerrein (over de groenstrook) komt te liggen. Dit pad kan vervolgens doorlopen tot de Maassluissedijk.
  • Het bestaande fietspad van de Maassluissedijk naar de Trawlerweg zodanig aanpassen dat het als calamiteitenroute gebruikt kan worden.

Bluswatervoorziening

Langs de Deltaweg ligt een drinkwaterleiding met voldoende brandkranen. De primaire bluswatervoorziening aan de Heliniumweg en Kreekweg is matig. Een secundaire bluswatervoorziening in de vorm van open water is niet aanwezig. Verschillende bedrijven in het gebied hebben een eigen bluswatervoorziening. De primaire bluswatervoorziening van het bedrijventerrein 't Scheur is goed. Een secundaire bluswatervoorziening is hier niet aanwezig. Ten westen van het bedrijventerrein 't Scheur is op dit moment geen primaire bluswatervoorziening in de vorm van brandkranen aanwezig.

Nader overleg met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) en de veiligheidscoördinator van de gemeente Vlaardingen heeft plaatsgevonden over mogelijke knelpunten en oplossingen. De bluswatervoorziening bij de Kreekweg en de Heliniumweg kan op verschillende manieren verbeterd worden. De mogelijkheden hiervoor zijn de volgende:

  • 1. Verbeteren/ uitbreiden van de bestaande waterleidingen;
  • 2. Gebruik maken van geboorde putten om uit het grondwater te putten;
  • 3. Ontsluiten van het open water middels een stationaire installatie;
  • 4. Bluswatervoorziening op eigen terrein eisen van bedrijven.

Een mogelijke tussenoplossing zou een combinatie tussen oplossing 2 en 4 zijn. Vanwege het feit dat bedrijven een bepaalde verplichting dragen tot het hebben van een bluswatervoorziening, kunnen zij mogelijk verleidt worden tot het gezamenlijk financieren van een aantal geboorde putten.

De bluswatervoorziening op industrieterrein 't Scheur kan eveneens op verschillende manieren verbeterd worden. De mogelijkheden hiervoor zijn de volgende:

  • 1. Gebruik maken van geboorde putten om uit het grondwater te putten;
  • 2. Ontsluiten van het open water middels een stationaire installatie (bijvoorbeeld een vaste pomp met een bluswaterleiding en aftappunten op verschillende locaties);
  • 3. Creëren van een aantal waterwinplaatsen open water aan de Nieuwe Maas.

Gezien het feit dat de primaire waterwinning op 't Scheur in orde is, is er slechts behoefte aan secundaire en tertiaire waterwinning. Geboorde putten zijn hiervoor niet noodzakelijk, maar zijn een goed alternatief op de andere twee oplossingen.

De aangedragen oplossing zullen op korte termijn worden onderzocht door de veiligheidscoördinator van de gemeente Vlaardingen.

Zelfredzaamheid

In het bestemmingsplan worden woningen en functies waar kwetsbare groepen mensen verblijven (zoals kinderdagverblijven, verpleegtehuizen en scholen) niet toegestaan. In het advies van de VRR wordt een beschrijving gegeven van de verschillende maatgevende incidentscenario's en hoe deze zich verhouden tot de zelfredzaamheid van de aanwezigen binnen het gebied. Tevens wordt een aantal maatregelen beschreven om de zelfredzaamheid te vergroten. daarbij gaat het om maatregelen op gebouwniveau (maatregelen aan de gevels, ventilatiesystemen en oriëntatie van nooduitgangen), maatregelen om de ligging van buisleidingen te benadrukken en maatregelen op het gebied van voorlichting.

Afweging

Het bestemmingsplan Maasoeverzone is consoliderend van aard. De beperkte ontwikkeling die in het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt leiden niet tot nieuwe knelpunten op het gebied van externe veiligheid of de verslechtering van bestaande knelpunten. Voor zover mogelijk zijn in het bestemmingsplan maatregelen vastgelegd ter beperking van het GR. De beperkte ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, hebben niet tot nauwelijks gevolgen voor de hoogte van het GR rondom de verschillende risicobronnen.

De zelfredzaamheid van de personen binnen het plangebied is over het algemeen voldoende. De meeste maatregelen om de zelfredzaamheid te vergroten dienen op gebouwniveau te worden getroffen en kunnen niet worden geborgd in het bestemmingsplan. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient hieraan aandacht te worden besteed. De VRR vraagt om de oriëntatie van nooduitgangen in het bestemmingsplan vast te leggen in een nadere eis. Aangezien in het plan geen hoofdeis is opgenomen (en dit ook niet mogelijk is/wenselijk is), kunnen op dit punt geen nadere eisen worden gesteld. Wel zal de gemeente (conform het advies van de VRR) de risicovolle leidingen binnen het gebied zichtbaar maken, waarschijnlijk door bebording. Dit wordt vastgelegd in de gemeentelijke externe veiligheidsvisie die momenteel wordt opgesteld. Daarnaast wordt (door middel van een wijzigingsbevoegdheid) een nieuwe ontsluitingsweg over de Scheurstrook mogelijk gemaakt, waardoor de bereikbaarheid van dit deel van het plangebied aanzienlijk wordt verbeterd. Dit heeft positieve gevolgen voor de bestrijdbaarheid van een eventuele calamiteit.

Conclusie

In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de regelgeving en het beleid over externe veiligheid. Het GR wordt aanvaardbaar geacht.