| Type plan: | bestemmingsplan |
|---|---|
| Naam van het plan: | Eiland Ossenwaard |
| Status: | vastgesteld |
| Plan identificatie: | NL.IMRO.0620.bp0008-VG01 |
In deze regels wordt verstaan onder: |
Plan: |
het bestemmingsplan "Eiland Ossenwaard" met identificatienummer NL.IMRO.0620.bp0008-VG02 van de gemeente Vianen. |
Bestemmingsplan: |
de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels. |
Verbeelding: |
de digitale plankaart. |
Verdere begrippen in alfabetische volgorde: |
Aanduiding: |
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. |
Aanduidingsgrens: |
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. |
Aan huis gebonden (ambachtelijk) bedrijf: |
het uitoefenen van een (ambachtelijk) bedrijf, waarbij de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. |
Aan huis gebonden beroep: |
een dienstverlenend of kunstzinnig beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. |
Abiotische waarden: |
waarden in verband met het abiotische milieu (niet-levende natuur), in de vorm van specifieke aardkundige en/of hydrologische kenmerken en eventueel op basis daarvan aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van een waardevol biotisch milieu (levende natuur, gevormd door organismen en leefgemeenschappen). |
Ambachtelijk bedrijf: |
bedrijvigheid, die voor een overwegend deel bestaat uit handwerk, het vervaardigen, bewerken, installeren of herstellen van goederen, die voornamelijk ter plaatse zijn vervaardigd ten behoeve van de uiteindelijke gebruiker of verbruiker. |
Archeologisch deskundige: |
de gemeentelijke (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologie. |
Archeologisch onderzoek: |
het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. |
Archeologische waarde: |
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis. |
Bebouwing: |
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. |
Bedrijf: |
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. |
Bedrijfswoning: |
een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op een bedrijfsterrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het bedrijfsgebouw of het bedrijfsterrein. |
Bestaand: | |
a. | bij bouwwerken: |
een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouw- of omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; | |
b. | bij gebruik: |
het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. | |
Bestemmingsgrens: |
de grens van een bestemmingsvlak. |
Bestemmingsvlak: |
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. |
Bijbehorend bouwwerk: |
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. |
Bouwen: |
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. |
Bouwgrens: |
de grens van een bouwvlak. |
Bouwperceel: |
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. |
Bouwperceelgrens: |
een grens van een bouwperceel. |
Bouwvlak: |
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. |
Bouwwerk: |
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. |
Cultuurhistorische waarde: |
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid. |
Extensief dagrecreatief medegebruik: |
verblijf buiten de woning voor extensieve vorm van dagrecreatie - zonder geluidsoverlast - die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en vissen, inclusief naar de aard en omvang daartoe behorende voorzieningen, zoals zitbankjes, informatieborden en een vissteiger. |
Gebouw: |
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. |
Gebruiken: |
gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven. |
Geluidsgevoelig object: |
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. |
Hoofdgebouw: |
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. |
Horecabedrijf: |
een bedrijf dat is gericht op het verschaffen c.q. verstrekken van logies, dranken, maaltijden en/of kleine eetwaren, zoals een hotel, een restaurant, een café of een combinatie van twee of meer van deze bedrijven. |
Karakteristiek: |
een gebouw of een gebied, dat vanwege haar cultuurhistorie en/of architectuur opvalt en waarvan het beleid is om de verschijningsvorm te behouden bij verandering of uitbreiding. |
Landschappelijke waarde: |
de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. |
Lawaaisporten: |
sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het achtergrondniveau wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, gemotoriseerd paragliding en (model)vliegsport, de jachtsport wordt hieronder niet begrepen. |
Ligplaats: |
een plaats in het water bestemd voor het afmeren van een vaartuig. |
Maatvoeringsgrens: |
de grens van een maatvoeringsvlak. |
Maatvoeringsvlak: |
een op de verbeelding als zodanig aangegeven vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt. |
Mantelzorg: |
een tijdelijke, maar langer dan drie maanden durende behoefte aan zorg op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, waarbij de zorgverlening gebeurt op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. |
Natuur: |
alle levende organismen, hun habitat, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen. |
Natuurwaarde: |
de aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van planten en dieren die zichzelf in stand houden, onder invloed van klimaat, geomorfologie, bodemkundige en waterhuishoudkundige gesteldheid en al dan niet beïnvloed door menselijke aanwezigheid. |
(Openbare) nutsvoorzieningen: |
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. |
Overig bouwwerk: |
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. |
Paardenbak: |
omheinde gronden, waarop, door middel van het aanbrengen van zand en/of het plaatsen van bouwwerken ten behoeve van de springsport, het trainen van paarden kan plaatsvinden. |
Pand: |
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. |
Peil: | |
a. | voor een gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: |
de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; | |
b. | in alle andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: |
de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. | |
Recreatief medegebruik: |
gebruik ten behoeve van ontspanning (in de vrije tijd) en vrijetijdsbesteding (sport en spel, verblijf in de natuur en uitstapjes, zoals wandelen, fietsen, paardrijden), inclusief naar de aard en omvang daartoe behorende voorzieningen, zoals natuurlijke speelvoorzieningen, picknicktafels, een verhard wandelpad, voetgangersbruggen en informatieborden, niet zijnde verblijfsrecreatie. |
Seksinrichting: |
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch en/of pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. |
Staat van Bedrijfsactiviteiten: |
de Staat van Bedrijfsactiviteiten die onderdeel van deze regels uitmaakt. |
Waterbeheerder: |
het bevoegde bestuursorgaan van een overheidslichaam, dat is belast met de overheidszorg die is gericht op de in artikel 2.1 van de Waterwet genoemde doelstellingen. |
Waterhuishoudkundige voorzieningen: |
Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, -afvoer, -berging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, bestortingen, etcetera. |
Woning: |
een (gedeelte van een) gebouw - inclusief aan- en uitbouwen, exclusief aangebouwde bijgebouwen - geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. |
2.1 | Meten |
Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: | |
a. | de dakhelling: |
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. |
b. | de inhoud van een bouwwerk: |
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. |
c. | de bouwhoogte van een bouwwerk: |
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. |
d. | de oppervlakte van een bouwwerk: |
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. Dakoverstekken, luifels, balkons en dergelijke worden hierbij niet meegeteld, mits zij niet verder uitsteken dan 0,5 meter. |
e. | de breedte van een gebouw: |
van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. |
f. | de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens: |
vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens. |
3.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: | |
a. | bedrijven behorende tot categorie 1 of 2 van de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; |
b. | ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek': beeldbepalende bebouwing; |
met daarbij behorend(e): | |
c. | voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. |
3.2 | Bouwregels |
3.2.1 | Gebouwen |
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: | |
a. | gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; |
b. | het gehele bouwvlak mag worden bebouwd; |
c. | binnen het bouwvlak mag uitsluitend bebouwing worden opgericht ten behoeve van één bedrijf; |
d. | bedrijfswoningen zijn niet toegestaan; |
e. | de bouwhoogte respectievelijk goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de bouwhoogte respectievelijk goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan; |
f. | de bouwhoogte van gebouwen ten dienste van openbare nutsvoorzieningen mag niet meer dan 8 meter bedragen. |
3.2.2 | Bouwwerken, geen gebouwen zijnde |
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: | |
a. | de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen; |
b. | de bouwhoogte van antennes mag niet meer dan 10 meter bedragen; |
c. | de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 6 meter bedragen. |
3.3 | Specifieke gebruiksregels |
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: | |
a. | Wgh-inrichtingen en Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan; |
b. | Activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage zijn niet toegestaan |
c. | opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk is niet toegestaan; |
d. | opslag van goederen is alleen toegestaan ten dienste van de geldende bestemming , met dien verstande dat een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter op onbebouwde gronden niet is toegestaan; |
e. | per bedrijf is een kantoorvloeroppervlakte van niet meer dan 50% van de bruto vloeroppervlakte toegestaan, met een maximum van 400 m2. |
3.4 | Afwijken van de gebruiksregels |
3.4.1 | Afwijken ten behoeve van bedrijvigheid behorende tot een andere milieucategorie |
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 onder a en een bedrijf toestaan dat behoort tot een hogere milieucategorie, met dien verstande dat het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën als genoemd in 3.1 onder a. | |
3.4.2 | Afwijken ten behoeve van niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijvigheid |
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 onder a en een bedrijf toestaan dat niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is genoemd en behoort tot de in 3.1 onder a genoemde milieucategorieën, met dien verstande dat het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën als genoemd in 3.1 onder a. | |
3.4.3 | Afwijken ten behoeve van andere functies |
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en andere functies toestaan, zoals een horecabedrijf, vrijetijdsbesteding (leisure) en congres- en vergaderfaciliteiten, met dien verstande dat een dergelijke functie naar aard en invloed een ruimtelijk aanvaardbare uitstraling op de directe omgeving heeft, onder andere ten aanzien van akoestiek en parkeren. |
3.5 | Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk |
3.5.1 | Vergunningplicht |
Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' is voor het slopen van bouwwerken een omgevingsvergunning vereist. | |
3.5.2 | Uitzonderingen |
Het verbod als bedoeld in 3.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: | |
a. | het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; |
b. | reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. |
3.5.3 | Voorwaarden voor omgevingsvergunning |
De in 3.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: | |
a. | geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing; |
b. | de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld; |
c. | de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is; |
d. | het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt; |
e. | nadat een schriftelijk advies van de ter zake deskundige is ingewonnen. |
3.6 | Wijzigingsbevoegdheden |
Verwijderen aanduiding 'karakteristiek' | |
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten einde de aanduiding 'karakteristiek' te verwijderen, indien de gebouwen waarop deze aanduiding van toepassing is, overeenkomstig een verleende omgevingsvergunning als bedoeld in 3.5.1 zijn gesloopt. |
4.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: | |
a. | de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van natuurwaarden en landschappelijke en (a)biotische waarden; |
b. | ter plaatse van de aanduiding ‘verkeer’, tevens een verkeersontsluiting; |
c. | waterlopen en -partijen, alsmede voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; |
met daaraan ondergeschikt: | |
d. | extensief dagrecreatief medegebruik; |
e. | (on)verharde ontsluitingswegen ten behoeve van de aangrenzende woon- en/of bedrijfsbestemming; |
f. | onverharde voet- en wandelpaden; |
g. | onverharde parkeervoorzieningen; |
h. | aanlegsteigers. |
4.2 | Bouwregels |
Voor het bouwen gelden de volgende regels: | |
a. | uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht; |
b. | de bouwhoogte voor scheepvaarttekens mag niet meer dan 11 meter bedragen; |
c. | de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen; |
d. | binnen het plangebied mogen niet meer dan 16 aanlegsteigers worden opgericht, met dien verstande dat deze alleen het noordelijke of het zuidelijke deel van de afgedamde Lek zijn toegestaan. |
4.3 | Afwijken van de bouwregels |
Aanmeervoorziening voor bewoners en gebruikers van de landgoederen | |
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 onder g van dit artikel en toestaan dat binnen de bestemming 'Natuur' één of meerdere aanmeervoorzieningen voor bewoners en gebruikers van de landgoederen worden gerealiseerd, met dien verstande dat: | |
a. | het aantal aanmeerplaatsen in totaal niet meer dan het aantal wooneenheden als bedoeld in 6.2.2 onder b mag bedragen en deze evenredig verdeeld worden over de noord- en zuidzijde van de toegangsdam; |
b. | de aanmeervoorziening(en) ontsloten worden op de oostzijde van het eiland, op het noordelijk of het zuidelijk deel van de afgedamde Lek |
c. | de aanleg vanuit bodemkundig oogpunt aanvaardbaar is; |
d. | de aanleg vanuit ecologisch oogpunt aanvaardbaar is; |
e. | door het bevoegd gezag schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken waterbeheerder. |
4.4 | Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden |
4.4.1 | Verbod |
Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: | |
a. | het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; |
b. | het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, alle dieper dan 1 meter onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervangen van bestaande drainage; |
c. | het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels en kleine oppervlaktewateren alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; |
d. | het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2; |
e. | het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen; |
f. | het vellen of rooien van houtopstanden en/of opgaande bomen. |
4.4.2 | Uitzonderingen |
Het verbod in 4.4.1 geldt niet voor werken of werkzaamheden: | |
a. | die het normale beheer en onderhoud van de gronden ten dienste van de bestemming betreffen; |
b. | waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (of een aanlegvergunning) is verleend; |
c. | die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; |
d. | die voortkomen uit dan wel samenhangen met de realisatie van de vier landgoederen en de inrichting van het eiland Ossenwaard als gebied om de natuurpotenties te versterken en/of die verband houden met de voorgenomen rivierverruiming; |
e. | die verband houden met het waterstaatkundig belang als bedoeld in 9.1. |
4.4.3 | Voorwaarden voor een omgevingsvergunning |
De in 4.4.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: | |
a. | de werken of werkzaamheden zijn noodzakelijk in het kader van natuurontwikkeling; |
b. | als gevolg van deze werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (in)direct te verwachten gevolgen, de natuurlijke, ecologische en/of landschappelijke waarden als bedoeld in 4.1 onder a mogen niet onevenredig worden aangetast; |
c. | bij het graven, dempen, herprofileren van sloten en oppervlaktewateren is door de waterbeheerder verklaard, dat tegen de te nemen maatregelen geen bezwaar bestaat; |
d. | het aanbrengen van verhardingen met een oppervlak groter dan 100 m2 is toegestaan, als deze noodzakelijk is in het kader van het beheer van de gronden of het recreatief medegebruik; |
e. | bij het aanbrengen van oeverbeschoeiingen mogen waardevolle oevervegetaties niet onevenredig worden aangetast; |
f. | bij het aanbrengen van ondergrondse leidingen blijft de bestaande bodemopbouw behouden en is het behoud van het natuurgebied gewaarborgd. |
5.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: | |
a. | wegen; |
b. | voet- en fietspaden |
c. | parkeren; |
d. | water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; |
e. | nutsvoorzieningen; |
f. | groenvoorzieningen. |
5.2 | Bouwregels |
Op deze gronden mag worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: | |
a. | het oppervlak voor gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen mag niet meer dan 20 m² bedragen; |
b. | de bouwhoogte voor gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen mag niet meer dan 4 meter bedragen; |
c. | de bouwhoogte van zend- en/of ontvangstinstallaties mag niet meer dan 40 meter bedragen; |
d. | de bouwhoogte voor scheepvaarttekens mag niet meer dan 11 meter bedragen. |
6.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: | |
a. | wonen; |
b. | aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten; |
met daarbij behorend(e): | |
c. | paden; |
d. | tuinen en erven; |
e. | parkeervoorzieningen; |
f. | water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; |
g. | nutsvoorzieningen; |
h. | groenvoorzieningen. |
6.2 | Bouwregels |
6.2.1 | Algemeen |
Op of in de tot ‘Wonen’ bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: | |
a. | woningen; |
b. | bijbehorende bouwwerken; |
c. | bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen, palen en masten; |
d. | het totaal bebouwd oppervlak mag per bestemmingsvlak niet meer dan 2.000 m2 bedragen, met dien verstande dat per landgoed niet meer dan 1.000 m² aan bebouwd oppervlak gerealiseerd mag worden. |
6.2.2 | Hoofdgebouwen |
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: | |
a. | de afstand van een hoofdgebouw tot de perceelgrens mag niet minder dan 5 meter bedragen; |
b. | ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer dan het aangegeven aantal bedragen; |
c. | ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet meer dan de aangegeven hoogte bedragen; |
d. | de hoofdrichting van hoofdgebouwen dient evenwijdig met en/of haaks op de weg Ossenwaard te zijn, in aansluiting op de hoofdrichting van de droogloodsen en de steenfabriek in de bestaande situatie; |
e. | het maaiveldniveau van nieuwe woningen bedraagt minimaal hetzelfde als het niveau ter plaatse van de bestaande woningen; |
f. | een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt niet verleend voordat voldoende zekerheid bestaat dat de werkzaamheden voor de rivierverruiming worden uitgevoerd. |
6.2.3 | Bijbehorende bouwwerken |
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: | |
a. | ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer dan de aangegeven hoogte bedragen; |
b. | de bouwhoogte van een losstaand bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 6 meter bedragen. |
6.2.4 | Bouwwerken, geen gebouwen zijnde |
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: | |
a. | de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel niet meer dan 1 meter mag bedragen; |
b. | per hoofdgebouw is één paardenbak toegestaan met dien verstande dat de oppervlakte per paardenbak niet meer dan 800 m2 mag bedragen; |
c. | de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen. |
6.3 | Afwijken van de bouwregels |
Paardenbak | |
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.4 onder b van dit artikel en toestaan dat een paardenbak van maximaal 1.200 m² wordt gerealiseerd, onder voorwaarde dat: | |
a. | de paardenbak landschappelijk en stedenbouwkundig gezien op een aanvaardbare wijze wordt ingepast; |
b. | geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen plaatsvindt; |
c. | per paardenbak vier lichtmasten met een hoogte van maximaal 15 meter gerealiseerd mogen worden, indien lichtversnippering voorkomen wordt; |
d. | de afstand tussen de paardenbak en woningen van derden niet minder dan 50 meter bedraagt. |
6.4 | Specifieke gebruiksregels |
Aan huis gebonden beroep/bedrijf | |
In aanvulling op het bepaalde in 6.1 onder b wordt het gebruik van gedeelten van het hoofdgebouw en bijbehorende bijgebouwen ten behoeve van aan huis gebonden beroepen/bedrijven toegestaan, voor zover: | |
a. | de oppervlakte maximaal 25% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen bedraagt tot een maximum van 150 m2; |
b. | de hoofdactiviteiten door de bewoner/ster zelf worden uitgeoefend en sprake is van maximaal twee werknemers ( 2 fte) aan ondersteuning; |
c. | geen detailhandelsactiviteiten worden uitgeoefend; |
d. | geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en onevenredige parkeerdruk; |
e. | het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving. |
7.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor ‘Waarde – Archeologie - 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. |
7.2 | Bouwregels |
Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: | |
a. | vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; |
b. | een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 30 m2; |
c. | een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. |
7.3 | Afwijking van de bouwregels | |
Bouwen ten dienste van andere bestemming | ||
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2 van dit artikel en toestaan dat in de andere bestemmingen bouwwerken worden gebouwd, mits: | ||
a. | de aanvrager aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; | |
b. | de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; | |
c. | de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals bedoeld onder b, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden gericht op: | |
1. | het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; | |
2. | het doen van opgravingen; | |
3. | begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; | |
d. | vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige. | |
7.4 | Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden | |
7.4.1 | Verbod | |
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op of in gronden ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’ de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren: | ||
a. | het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of bouwhoogte dan 30 centimeter beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; | |
b. | het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; | |
c. | het verlagen of verhogen van het waterpeil; | |
d. | het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; | |
e. | het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructie, installaties of apparatuur. | |
7.4.2 | Uitzonderingen | |
Het verbod als bedoeld in 7.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: | ||
a. | het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; | |
b. | een oppervlakte beslaan van niet meer dan 30 m2; | |
c. | reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; | |
d. | noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in 7.2; | |
e. | ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. | |
7.4.3 | Voorwaarden voor een omgevingsvergunning | |
De in 7.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: | ||
a. | de aanvrager aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; | |
b. | de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; | |
c. | de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals bedoeld onder b, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden gericht op: | |
1. | het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; | |
2. | het doen van opgravingen; | |
3. | begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; | |
d. | vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige. | |
8.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor ‘Waarde – Archeologie - 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. |
8.2 | Bouwregels |
Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: | |
a. | vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; |
b. | een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2; |
c. | een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. |
8.3 | Afwijking van de bouwregels | |
Bouwen ten dienste van andere bestemming | ||
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2 van dit artikel en toestaan dat in de andere bestemmingen bouwwerken worden gebouwd, mits: | ||
a. | de aanvrager aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; | |
b. | de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; | |
c. | de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals bedoeld onder b, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden gericht op: | |
1. | het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; | |
2. | het doen van opgravingen; | |
3. | begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; | |
d. | vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige. | |
8.4 | Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden | |
8.4.1 | Verbod | |
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op of in gronden ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’ de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren: | ||
a. | het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of bouwhoogte dan 30 centimeter beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; | |
b. | het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; | |
c. | het verlagen of verhogen van het waterpeil; | |
d. | het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; | |
e. | het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructie, installaties of apparatuur. | |
8.4.2 | Uitzonderingen | |
Het verbod als bedoeld in 8.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: | ||
a. | het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; | |
b. | een oppervlakte beslaan van niet meer dan 2.500 m2; | |
c. | reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; | |
d. | noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in 8.2; | |
e. | ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. | |
8.4.3 | Voorwaarden voor een omgevingsvergunning | |
De in 8.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: | ||
a. | de aanvrager aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; | |
b. | de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; | |
c. | de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals bedoeld onder b, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden gericht op: | |
1. | het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; | |
2. | het doen van opgravingen; | |
3. | begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; | |
d. | vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige. | |
9.1 | Bestemmingsomschrijving |
De voor ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: | |
a. | de instandhouding van de waterstaatsdoeleinden in de vorm van de waterhuishouding of de bescherming en het behoud van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed; |
b. | het verkeer te water; |
c. | de afvoer van hoog oppervlaktewater. |
9.2 | Bouwregels |
Op de in 9.1 bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: | |
a. | voorzieningen ten behoeve van de waterafvoer en waterberging, zoals kunstwerken en andere waterstaatswerken; |
b. | kleinschalige voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik. |
9.3 | Afwijken van de bouwregels |
Bouwen ten dienste van andere bestemming | |
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2 en toestaan dat gebouwde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van riviergebonden activiteiten worden opgericht,evenals voor bouwwerken ten behoeve van een andere met deze dubbelbestemming samenvallende bestemming, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: | |
a. | de bebouwing vormt geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten; |
b. | de situering en uitvoering zijn zodanig, dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn; |
c. | er is sprake van een duurzame compensatie van resterende waterstandverhogende effecten; |
d. | door het bevoegd gezag is schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken waterbeheerder. |
9.4 | Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden |
9.4.1 | Verbod |
Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: | |
a. | het wijzigen van het profiel van de bodem en de dijken; |
b. | het aanleggen van leidingen en andere ondergrondse constructies; |
c. | het graven van sleuven; |
d. | het aanbrengen van houtopstanden. |
9.4.2 | Uitzonderingen |
Het verbod in 9.4.1 geldt niet voor werken of werkzaamheden: | |
a. | welke ten tijde van het van kracht worden van dit plan in uitvoering waren; |
b. | die het normale onderhoud en beheer van de gronden betreffen; |
c. | waarvoor een onherroepelijke vergunning is verkregen op basis van de Waterwet. |
9.4.3 | Voorwaarden voor een omgevingsvergunning |
De in 9.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien: | |
a. | de situering en uitvoering van de werken en werkzaamheden zodanig zijn, dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn; |
b. | sprake is van duurzame compensatie; |
c. | door het bevoegd gezag schriftelijk is advies ingewonnen bij de betrokken waterbeheerder. |
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. |
11.1 | Bestaande afstanden en maten | |
a. | De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, breedte, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die meer bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen ter plaatse van de overschrijding als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden, met dien verstande dat dit niet van toepassing is: | |
1. | ingeval er bij de bestemming 'Wonen' reeds meer dan 75 m² aan bijgebouwen aanwezig is; | |
2. | op voormalige agrarische bouwvlakken ingeval er sprake is van hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. | |
b. | De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die minder bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen ter plaatse van de afwijking, als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. | |
c. | Ingeval van herbouw is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. | |
11.2 | Overschrijding bouwgrenzen | |
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: | ||
a. | tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt; | |
b. | tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; | |
c. | andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt. | |
11.3 | Ondergronds bouwen | |
Voor het bouwen van geheel of gedeeltelijk beneden het maaiveld gelegen ruimten gelden de volgende bepalingen: | ||
a. | het bouwen van ondergrondse bedrijfsruimten is niet toegestaan; | |
b. | de bouw van ondergrondse ruimten behorende bij en dienstbaar aan een woning is uitsluitend toelaatbaar voor zich op het bouwvlak een woning bevindt en met dien verstande dat: | |
1. | de bouwhoogte van een ondergrondse ruimte niet meer dan 4 meter mag bedragen; | |
2. | ondergrondse ruimten uitsluitend toelaatbaar zijn onder de woning of onder de bijgebouwen behorende bij de woning. | |
12.1 | Strijdig gebruik |
Onder een met de in dit plan gegeven bestemmingen strijdig en dientengevolge verboden gebruik, zoals bepaald in artikel 2.1 lid 1 sub c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval verstaan het gebruik en laten gebruiken van gronden en/of opstallen: | |
a. | voor het opslaan van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; |
b. | voor de beoefening van lawaaisporten; |
c. | als opslag-, stort-, lozing of bergplaats van afvalstoffen alsmede van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; |
d. | voor het opleiden en trainen van honden en het houden van oefeningen en wedstrijden met honden; |
e. | voor een seksinrichting, (straat)prostitutie of escortbedrijf; |
f. | voor (zelfstandige) bewoning van bijbehorende bouwwerken, niet zijnde aan- en uitbouwen. |
13.1 | Geluidszone - weg | |
In aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt, dat de (her)bouw van geluidgevoelige objecten ingevolge planwijziging of afwijking – ter beperking van geluidshinder – niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone-weg'. De bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze zone kan uitsluitend worden toegestaan indien: | ||
a. | uit geluidsberekeningen blijkt dat op die afstand aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder of aan een verleende of nog te verleden hogere waarde wordt voldaan; | |
b. | de 10-6plaatsgebonden risicocontour vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de wegen niet wordt overschreden. | |
13.2 | Milieuzone - boringsvrijezone | |
13.2.1 | Verbod | |
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrijezone' zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor de bescherming van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening en is het buiten een inrichting verboden om: | ||
a. | boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; | |
b. | grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld; | |
c. | werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem. | |
13.2.2 | Uitzonderingen | |
Op het in 13.2.1 genoemde verboden gelden de volgende uitzonderingen: | ||
a. | het bepaalde in 13.2.1 onder a en b is niet van toepassing voor: | |
1. | boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; | |
2. | het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening; | |
3. | bronbemalingen; | |
4. | het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming; | |
5. | sonderingen; | |
6. | ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet; | |
7. | grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; | |
8. | funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: | |
| ||
9. | open bodemenergiesysteem, als: | |
| ||
10. | een gesloten bodemenergiesysteem, als: | |
| ||
b. | het bepaalde in 13.2.1 onder c geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als: | |
1. | aannemelijk is gemaakt, dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak; en | |
2. | hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet. | |
13.3 | Vrijwaringszone - vaarweg | |
Ten aanzien van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' geldt, dat: | ||
a. | geen nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd; | |
b. | het verbouwen of uitbreiden van bouwwerken niet is toegestaan met uitzondering van verkeersvoorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer op de Lek. | |
14.1 | Gebouwen van openbaar nut |
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan teneinde het bouwen of vergroten van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals telefooncellen, wachthuisjes /abri's, gasreduceerstations en schakelstations, toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: | |
a. | de inhoud mag niet meer dan 50 m³ bedragen; |
b. | de bouwhoogte mag niet meer dan 4 meter bedragen; |
c. | voor zover het de bestemming 'Natuur' betreft, mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de in 4.1 onder a genoemde waarden; |
d. | de gebouwen mogen geen belemmering vormen voor de waterstaatkundige functies noch voor de zichtlijnen ten behoeve van de scheepvaart; |
e. | hierover afstemming met de rivierbeheerder heeft plaatsgevonden. |
14.2 | Mantelzorg |
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan teneinde het inrichten en het gebruiken van woningen en bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: | |
a. | mantelzorg in of nabij woningen is alleen toelaatbaar als dat gebeurt in afhankelijke woonruimte; |
b. | van afhankelijke woonruimte is sprake bij een min of meer zelfstandige woonvorm, ontstaan door een interne verbouwing, of in een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw bij een (bedrijfs)woning; de zelfstandigheid kan tot uiting komen in bijvoorbeeld een eigen toegang en/of eigen voorzieningen; |
c. | er mag geen sprake zijn van een zelfstandige woning; |
d. | de afhankelijke woonruimte mag een woonoppervlakte hebben van maximaal 80 m²; |
e. | met de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid ontstaan geen nieuwe bouwmogelijkheden anders dan de in deze regels opgenomen bouwmogelijkheden; |
f. | er dient rekening gehouden te worden met de belangen van omwonenden en nabijgelegen (agrarische) bedrijven; |
g. | de omgevingsvergunning wordt ingetrokken indien de zorgbehoefte niet meer bestaat. |
15.1 | Overschrijding bestemmingsgrenzen |
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken, dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. |
16.1 | Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening |
De regels van stedenbouwkundige aard en de bereikbaarheidseisen van paragraaf 2.5 van de bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betreft: | |
a. | bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, brandblusvoorzieningen; |
b. | brandweeringang; |
c. | bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; |
d. | de ruimte tussen bouwwerken; |
e. | parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen. |
16.2 | Werking wettelijke regelingen |
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. |
17.1 | Overgangsrecht bouwwerken |
17.1.1 | Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, |
a. | gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; |
b. | na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. |
17.1.2 | Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 17.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. |
17.1.3 | Het bepaalde in 17.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. |
17.2 | Overgangsrecht gebruik |
17.2.1 | Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. |
17.2.2 | Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 17.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. |
17.2.3 | Indien het gebruik, bedoeld in 17.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. |
17.2.4 | Het bepaalde in 17.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. |
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Eiland Ossenwaard", gemeente Vianen. |