| Plan: | Woude |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | beheersverordening |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0597.BVWoude-VG01 |
Conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente Ridderkerk bezig haar bestemmingsplannen te actualiseren. Voor het bedrijventerrein Woude en het bebouwingslint langs de Ringdijk zijn de vigerende bestemmingsplannen nog niet geactualiseerd.
Om aan de actualiseringsplicht te voldoen, bestaat als alternatief voor een nieuw bestemmingsplan de mogelijkheid een beheersverordening op te stellen. Dit instrument leent zich voor situaties waarbij redelijkerwijs geen ruimtelijke ontwikkelingen worden voorzien of waarbij duidelijk is op welke termijn ruimtelijke ontwikkelingen verwacht (kunnen) worden. Voor die situaties legt een beheersverordening de ruimtelijke mogelijkheden uit de vigerende bestemmingsplannen vast en blijven ook alle legale situaties toegestaan die van die vigerende plannen afwijken. Aangezien de vigerende regelingen voor de komende jaren afdoende ruimte bieden voor kleinschalige ontwikkelingen, is een beheersverordening voor dit gebied een goed instrument om over een actueel planologisch kader te beschikken.
Een nadere toelichting op het instrument 'beheersverordening' en de keuze hiervoor is opgenomen in paragraaf 3.2. Hierin wordt tevens ingegaan op het type beheersverordening dat voor dit gebied is gekozen.
De exacte ligging en begrenzing van het verordeningsgebied is weergegeven in figuur 1.1.
In het verordeningsgebied zijn de volgende plannen van kracht:
Deze plannen komen, zoals in de Wro is bepaald en voor zover in het verordeningsgebied gelegen, bij inwerkingtreding van de beheersverordening te vervallen.
De toelichting bij de verordening is als volgt opgebouwd:
Bedrijventerrein Woude
Op voormalige agrarische gronden is einde vorige eeuw bedrijventerrein Woude ontwikkeld. Het bedrijventerrein Woude wordt begrensd door de Rotterdamseweg, de Gildeweg en de waterloop evenwijdig aan de Ringdijk en vormt hiermee een ruimtelijke afronding van het bedrijventerrein Donkersloot-noord. Het bedrijventerrein is in eerste instantie ontwikkeld voor Ridderkerkse bedrijven die door ruimtegebrek of door de aanwezigheid elders in een woonomgeving in Ridderkerk minder gewenst waren.
Het bedrijventerrein wordt ontsloten door de Gildeweg, welke eveneens voorziet in de ontsluiting voor bedrijventerrein Donkersloot-noord. Door de hier toegestane beperkte hoogte van de bebouwing, de grote afstand daarvan ten opzichte van de hoofdrijbaan en door de 'dunne' beplanting is het profiel zeer grootschalig en heeft een eigen beeldkarakter. Om de milieubelasting richting het woongebied Slikkerveer te beperken is voorzien in een brede groenbuffer richting de Ringdijk.
Ringdijk
De Ringdijk aan de oostzijde van Slikkerveer maakt eveneens deel uit van het verordeningsgebied. Het karakter wordt hier sterk bepaald door de groene taluds en de deels historische bebouwing tussen de Benedenrijweg en de Ringdijk. Het talud langs de dijk is nagenoeg onbebouwd gebleven, waardoor dit deel een bijzonder groen karakter heeft. Het verordeningsgebied word sterk bepaald door de aan de dijkvoet gesitueerde en op de dijk georiënteerde bebouwing. Deze bestaat vooral uit lage rijtjes met arbeiderswoningen en verspreid voorkomende twee-aan-één of vrijstaand gebouwde woningen.
Op de opengebleven tussenliggende agrarische gronden zijn verspreid volkstuinen en een enkele paardenbak aanwezig.
Aan de Ringdijk ligt tevens het cultuurhistorisch waardevolle Huis te Woude. Het kasteel Huis te Woude is gebouwd op een stuk grafelijk domeinvan de De Woudes uit Delfland. Het tot stand gekomen muurwerk van het nog niet afgebouwde kasteel overleefde de overstroming van 1373, maar werd tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten in 1418 omver getrokken. In 1421, tijdens de Sint Elizabethvloed werd het met een kleilaag bedekt en twintig jaar later legde men de polderdijk eroverheen. In 1969 zijn de restanten van Huis te Woude gerestaureerd, waardoor ze weer zichtbaar werden voor het publiek. In 2011 zijn de funderingen en een deel van de gevel opnieuw gerestaureerd en gedeeltelijk weer opgebouwd.
In dit hoofdstuk wordt de keuze voor het instrument beheersverordening uiteengezet en een uitleg gegeven bij de planologische regeling.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening voor een gebied vast te stellen. Een beheersverordening vormt, net als het bestemmingsplan, het kader waaraan onder andere bouwaanvragen worden getoetst en op basis waarvan de gemeente handhavend kan optreden op het moment dat in strijd met bepalingen uit de verordening wordt gehandeld (denk aan illegale gebruiksvormen of illegale bebouwing).
De Wro heeft een bovengrens gesteld voor gebieden waarvoor de verordening kan worden toegepast. Een beheersverordening vormt namelijk een beheerregeling voor het bestaand gebruik voor een gebied waarin geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien binnen de horizon van de verordening. Onder beheerregeling wordt zowel een regeling voor de daadwerkelijk aanwezige situatie verstaan, als een regeling voor planologische ruimte. Dit betekent dat de beheersverordening kan worden ingezet voor gebieden waar op korte en middellange termijn (circa de komende 10 jaar) geen ontwikkelingen worden verwacht die afbreuk doen aan het bestaande straat- en functiebeeld van het betreffende gebied. Naast de bestaande situatie, kan de beheersverordening ook voorzien in planologische ruimte, zolang hiermee geen ruimtelijke ontwikkeling ontstaat.
De gemeente is gehouden aan de zogenoemde actualiseringsplicht op grond van artikel 3.1 Wro. Deze actualiseringsplicht betekent dat de gemeente ervoor dient te zorgen dat het hele grondgebied is voorzien van actuele bestemmingsplannen of beheersverordeningen. Actueel wil zeggen niet langer dan 10 jaar geleden vastgesteld.
De gemeente kiest er voor om voor het plangebied een beheersverordening vast te stellen. Deze beheersverordening heeft tot doel de bestaande situatie te beheren.
Gebleken is dat het huidige planologische kader van onderhavig beheersgebied nog voldoende actueel is. Binnen deze regeling worden geen ongewenste ontwikkelingen en mogelijkheden geboden. Er is daarom voor gekozen uit te gaan van de planologische mogelijkheden zoals nu in de vigerende bestemmingsplannen zijn opgenomen.
De beheersverordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Zowel het behoud van de bestaande situatie als het behoud van de planologische ruimte vormen de onderlegger voor de beheersverordening. Om de planologische ruimte uit de vigerende plannen in deze verordening over te nemen, is de regeling uit de vigerende plannen in deze verordening overgenomen.
In de regeling is expliciet bepaald dat indien de bestaande legale situatie afwijkt van hetgeen op het kaartbeeld en/of in de regels is bepaald, de bestaande legale situatie alsnog is toegestaan.
Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is een aantal termen die gebruikt werden in de voorgaande bestemmingsplannen niet meer actueel. In plaats van een 'aanlegvergunning', wordt nu gesproken van een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden' en in plaats van een ontheffing of vrijstelling, is nu sprake van een afwijking. De inhoud en de bedoeling van de regels wijzigen echter niet, er is sprake van een nieuwe naam van de vergunningen. In deze verordening is aangegeven hoe deze vergunningen nu moeten worden gelezen.
De vigerende bestemmingsplannen dienen als basisplannen die binnen het verordeningsgebied vigeren. De regelingen en bijbehorende kaarten zijn om die reden in artikel 2 vastgelegd en opgenomen als bijlage bij de regels van deze verordening.
Wijzigingsbevoegdheden uit de vigerende plannen kunnen binnen een beheersverordening niet worden overgenomen. Voor wijzigingsbevoegdheden geldt dat deze ontwikkelingen mogelijk maken die afwijken van ofwel de bestaande ruimtelijke structuur ofwel de bestaande functionele structuur. Om die reden stroken deze regelingen niet met het doel van een beheersverordening als instrument. De wijzigingsbevoegdheden zijn daarom uitgesloten via artikel 2. Hetzelfde geldt voor nadere eisen. De wet staat niet toe dat de verordening een dergelijke regeling bevat.
Situaties die niet voldoen aan de ter plaatse geldende regeling, maar wel legaal tot stand gekomen zijn, blijven eveneens toegestaan. Dit is bepaald in artikel 3.
Het kan daarbij gaan om zowel bouw- als gebruiksmogelijkheden overeenkomstig een eerder doorlopen ruimtelijke procedure, zoals artikel 19 WRO procedures. Binnen het verordeningsgebied zijn geen ruimtelijke procedures conform artikel 19 WRO doorlopen.
Archeologische waarden
De gemeente Ridderkerk heeft recentelijk archeologisch beleid vastgesteld. De nadere onderbouwing van dit sectorale aspect is opgenomen in paragraaf 5.2, waaruit blijkt dat binnen het verordeningsgebied middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarden voorkomen. Voor deze gebieden is vanaf een bepaalde dieptemaat archeologisch onderzoek verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen.
De bijbehorende regels die op basis van deze verwachtingswaarde van toepassing zijn, zijn opgenomen in Bijlage 6 tot en met Bijlage 9 van de regels. Deze zijn verankerd in artikel 2. Deze regeling ter bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden geldt ter aanvulling op de bovengenoemde regelingen.
Erfbebouwingsregeling
Voor de bestaande woningen is in deze beheersverordening een geactualiseerde erfbebouwingsregeling opgenomen. Hiermee worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden afgestemd op de meest actuele bestemmingsplannen binnen de gemeente Ridderkerk. De nieuwe regeling voorziet onder andere in een regeling met betrekking tot mantelzorg.
Overgangsregels
Deze beheersverordening kent geen overgangsregels. Dit wordt niet nodig geacht omdat al het legale gebruik en alle legale bouwwerken expliciet zijn toegestaan in deze verordening via artikel 3.
De beheersverordening is slechts één van de beschikbare instrumenten voor het ruimtelijke beheer van het verordeningsgebied en kan niet los worden gezien van de andere instrumenten die ook voor het beheer kunnen worden benut. Het gaat daarbij om het volgende:
In het kader van het welstandstoezicht wordt het uiterlijk van een bouwwerk beoordeeld aan de hand van de zogenaamde redelijke eisen van welstand. Deze eisen zijn voor het verordeningsgebied vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwactiviteiten wordt getoetst aan de welstandseisen. Daarmee is het welstandstoezicht een instrument voor het beheer van de ruimtelijke kwaliteit van een gebied, net zoals de beheersverordening of een bestemmingsplan.
Voor het gebied rondom de Ringdijk geldt een bijzonder welstandsregime. Het heeft een cultuurhistorische waarde omdat de eerste groei van de stad is af te lezen van de bebouwing langs de dijk. Het behoud van het dorpse karakter staat dan ook voorop, met de daarbij behorende afwisseling en individualiteit van de veelal kleinschalige bebouwing.
Voor het bedrijventerrein Woude geldt het reguliere welstandsregime. Dit houdt in dat het beleid terughoudend is en zich met name richt op het goed functioneren en het beheer van het terrein. Representativiteit en zorgvuldige inpassing van nieuwe architectuur tussen de bestaande panden is van belang.
In bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn bouw- en gebruiksactiviteiten opgenomen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van vergunningvrije activiteiten:
Voor beide categorieën gelden enkele uitzonderingen op het vergunningvrij bouwen.
Voor de vergunningvrije activiteiten uit bijlage II, artikel 2 is geen procedure van toepassing. Deze kunnen zonder meer worden uitgevoerd. Voor activiteiten uit bijlage II artikel 3, is een procedure voor het gebruik van toepassing.
In bijlage II van het Bor zijn ook de zogenaamde planologische kruimelgevallen opgenomen. Het gaat onder meer om bijbehorende bouwwerken, die groter zijn dan de bouwvergunningvrije bouwwerken, infrastructurele en nutsvoorzieningen, antennes tot 40 m en duurzame energie-installaties.
Voor de activiteiten die via kruimelgevallenregeling mogelijk kunnen worden gemaakt geldt de reguliere voorbereidingsprocedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betekent dat er een beslistermijn van 8 weken geldt na ontvangst van de aanvraag. Nadat de vergunning is verleend staat tegen de vergunning bezwaar en beroep open.
Voor - de op dit moment - onvoorziene ontwikkelingen, die niet met de voorgaande instrumenten zijn in te passen, biedt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid van de beheersverordening af te wijken. Dit kan alleen als wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Mocht zich gedurende de looptijd van een plan zodoende een situatie voordoen die niet in de beheersverordening is in te passen, en ook niet met voorgaande instrumenten kan worden toegestaan, zal deze situatie worden beoordeeld in het kader van de gevolgen die de betreffende ontwikkeling voor de ruimtelijke kwaliteit heeft.
Voor het bouwen/gebruiken met een ruimtelijke onderbouwing geldt de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Deze procedure omvat een termijn waarin de ontwerpvergunning ter inzage wordt gelegd en een ieder zijn of haar zienswijze kan indienen. De procedure heeft een beloop van 6 maanden. Nadat de vergunning is verleend staat hiertegen direct beroep open.
In het kader van deze beheersverordening is getoetst welke beleidsstukken op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau relevant zijn. Gelet op de uitgangspunten van deze beheersverordening - voortzetting van de bestaande situatie, inclusief de planologische mogelijkheden - is met name stilgestaan bij beleid dat eventuele consequenties voor de beheersverordening kan of dient te hebben. Omdat de beheersverordening ziet op het beheer van de bestaande situaties is een uitgebreidere toetsing niet noodzakelijk. De conclusie is dat deze beleidsaspecten de totstandkoming van de beheersverordening niet in de weg staan.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (maart 2012)
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor Ridderkerk relevante belangen zijn:
Deze belangen zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro (voorheen AMvB Ruimte) bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart) en Erfgoed (Unesco). In het Barro zijn voor het verordeningsgebied geen specifieke aanwijzingen opgenomen.
Provinciale Structuurvisie
In deze 'Visie op Zuid-Holland' beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De structuurvisie geeft de visie voor 2020 met bijbehorende uitvoeringsstrategie. Daarnaast is er een doorkijk naar 2040.
De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.
Visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
Verordening Ruimte
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte vastgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke plannen. Het volgende artikel is relevant voor deze beheersverordening:
Artikel 2 Contouren
Om het stedelijk netwerk te versterken kiest de provincie het uitgangspunt om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Om dit te bereiken zijn het stedelijk netwerk en alle daarbuiten gelegen kernen in Zuid-Holland voorzien van bebouwingscontouren. Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren zijn strak getrokken om het bestaand stedelijk gebied en kernen. Er is rekening gehouden met de vastgelegde streekplangrenzen en plannen waar de provincie al mee heeft ingestemd. Verstedelijking buiten deze bebouwingscontouren is in principe niet toegestaan.
Het verordeningsgebied is binnen de contour gelegen en maakt bovendien geen extra verstedelijking mogelijk. Deze beheersverordening is om die reden in overeenstemming met de provinciale verordening.
Actualisering Provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte (januari 2013)
De actualiseringen van de Provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte (tot en met januari 2013) bevat geen relevante passages en artikelen waarmee in deze beheersverordening specifiek rekening dient te worden gehouden.
Structuurvisie Ridderkerk 2020
Als belangrijke kernkwaliteit van Ridderkerk wordt aangegeven dat de Ridderkerker in de gemeente zelf kan wonen en werken. Om dit te faciliteren heeft de gemeente een 8-tal uitdagingen geformuleerd:
In de structuurvisie is het gebied langs de Ringdijk aangewezen als 'groene begrenzing wijken'. Doelstelling is om de cultuurhistorische dijken - waaronder de Ringdijk - openbaar en toegankelijk te maken. Hierbij zal de functie van de Ringdijk als fietsroute worden versterkt.
Voor bedrijventerrein Woude wordt ingezet op continuering, verduurzaming en verbetering van de bestaande (reguliere) bedrijvigheid.
Volkstuinen
De gemeente Ridderkerk heeft recentelijk beleid ontwikkeld voor de bebouwingsmogelijkheden op de verschillende (gemeentelijke)volkstuinen. Omdat de volkstuinen in oorsprong, oppervlakte en karakter verschillen is het vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk om één regeling voor alle volkstuinen toe te passen. De in deze beheersverordening opgenomen volkstuinen langs de Ringdijk zijn voorzien van een passende planologische regeling, waarbij per volkstuin één gebouw met een vloeroppervlak van ten hoogste 8 m2 en een maximale bouwhoogte van 2,5 m is toegestaan.
In het kader van de beheersverordening heeft voor het verordeningsgebied een scan plaatsgevonden van relevante omgevingsaspecten in het gebied. Dit onderzoek is beperkt van aard, omdat de beheersverordening gericht is op instandhouding van de bestaande situatie met de bestaande kwaliteit. Het onderzoek richtte zich erop te bepalen of in het gebied vanuit het oogpunt van milieu, natuur, verkeer of water aanleiding bestaat tot het treffen van maatregelen. Hiervoor is een toets uitgevoerd op het voldoen aan wet- en regelgeving.
Toetsingskader: Gemeentelijk archeologiebeleid
Onderzoek en conclusie
Op basis van de archeologische waarden- en beleidskaart van de gemeente Ridderkerk gelden ter plaatse van het verordeningsgebied verschillende archeologische verwachtingswaarden. Op onderstaand figuur 5.1 is duidelijk te zien dat de Ringdijk een gebied is met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Hier zijn archeologische waarden te verwachten op 0 tot 50 cm onder het maaiveld. Daarnaast is op basis van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de Provincie Zuid-Holland een zeer hoge archeologische verwachtingsplaats aangewezen.
De gronden naast de Ringdijk hebben een redelijk hoge verachtingswaarde op archeologische vondsten op een diepte van 0-50 cm respectievelijk 50-80 cm beneden maaiveld.
Figuur 5.1: Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) Ridderkerk
Om deze waarden te beschermen is in de verordening een beschermde regeling opgenomen die ertoe leidt dat bij bodemwerkzaamheden vanaf een bepaalde diepte en/of omvang eerst archeologisch onderzoek dient plaats te vinden, voordat die werkzaamheden mogen worden uitgevoerd.
Toetsingskader: Wet bodembescherming
Onderzoek en conclusie
In de Wet bodembescherming is bepaald dat bij functiewijzigingen onderzocht dient te worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Deze beheersverordening is gericht op instandhouding van de bestaande planologische situatie. Er wordt in de beheersverordening geen functiewijziging mogelijk gemaakt waarbij rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Hierdoor is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. Het aspect bodem staat de vaststelling van de beheersverordening niet in de weg.
Toetsingskader: Flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet 1998
Onderzoek en conclusie
Er dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur, de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De beheersverordening staat geen ontwikkelingen toe, die een negatieve invloed hebben op de omliggende natuurgebieden of voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Vanuit ecologisch oogpunt zijn er geen bezwaren voor vaststelling van de beheersverordening.
Toetsingskader: Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen en Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
In het zuiden van het verordeningsgebied ligt een BEVI-inrichting. Dit betreft het tankstation van de Esso aan de Rotterdamseweg. Dit tankstation verkoopt tevens LPG en is daarom een BEVI-inrichting. De inrichting beschikt over een PR 10-6 risicocontour van 45 m en een invloedsgebied voor het groepsrisico van 150 m. Zowel de PR 10-6 risicocontour als het invloedsgebied voor het groepsrisico liggen binnen het verordeningsgebied.
Aan de Touwslagerstraat 13 is daarnaast het bedrijf Pakor BV gelegen. Hier vindt opslag van gevaarlijke stoffen plaats. Het bedrijf is geen Bevi-inrichting. Volgens de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is de PR 10-6 risicocontour van het bedrijf 165 m. De dodelijke effectafstand bedraagt 107 m en de effectafstand voor gewonden bedraagt 590 m. Het bedrijf is op circa 230 m van het verordeningsgebied gelegen. Het verordeningsgebied ligt dan ook binnen de effectafstand voor gewonden.
De beheersverordening voorziet niet in enige ontwikkeling, waardoor de aanwezige risicovolle inrichting geen beperkingen vormen voor de vaststelling van voorliggende beheersverordening. Door de ligging binnen het invloedsgebied van de inrichtingen is wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Deze verantwoording is verderop in deze paragraaf opgenomen.
Transport gevaarlijke stoffen
Over de Rotterdamseweg, ten zuiden aangrenzend aan het plangebied, vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Dit weggedeelte maakt deel uit van de gemeentelijke routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, maar is niet opgenomen in het Basisnet of de Circulaire RVGS. Dat houdt in dat voor deze weg geen risicoplafond is vastgesteld met de bijbehorende veiligheidszone. De hoogte van het GR en het invloedsgebied van de weg zijn berekend in het kader van de Externe Veiligheidsvisie Ridderkerk. Uit de visie blijkt dat de PR 10-6-contour niet buiten de weg ligt. In de huidige situatie ligt het GR beneden de oriënterende waarde. Omdat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de Rotterdamseweg, is het plan niet van invloed op de hoogte van het GR. In de verantwoording van het GR is evenwel ingegaan op het meest geloofwaardige ongevalscenario en de effecten.
In de directe omgeving van het verordeningsgebied vindt daarnaast geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, het water of door buisleidingen.
Verantwoording GR
Omvang GR huidige en toekomstige situatie
Voor het lpg-tankstation en Pakor BV geldt dat er zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie sprake is van een GR dat beneden de oriënterende waarde ligt. De uitvoering van de beheersverordening zorgt niet voor een toename van het GR, omdat er geen ontwikkelingen in zijn voorzien.
Effectscenario
Pakor, Touwslagersweg
Voor Pakor bestaat het maatgevende ongevalscenario uit een loodsbrand (50 m2). In de onderstaande tabel staan de effectafstanden van het scenario weergegeven die zijn gebaseerd op de scenarioanalyse van de VRR die deel uitmaakt van de Externe veiligheidsvisie van de gemeente Ridderkerk.
Tabel 5.1 Effectafstanden loodsbrand (bron: VRR, scenarioanalyse EV Ridderkerk)
| Scenario loodsbrand | ||
| Effect | Schadebeeld | Effectafstand |
| 100% letaal | verwoestende schade | 0 m |
| 10% letaal | middelmatige schade | 0 m |
| 1% letaal (= invloedsgebied) |
middelmatige schade | 0 m |
| 1e graads brandwonden (bij hitte) | lichte schade | 50 m |
Lpg-tankstation Rotterdamseweg
Voor het lpg-tankstation bestaat het maatgevend ongevalscenario uit een incident met een tankwagen waarbij een BLEVE ontstaat. In het maatgevende, meest geloofwaardige, scenario scheurt de tankwagen waardoor het tot vloeistof verdichte gas (lpg) expandeert en een overdrukscenario veroorzaakt (BLEVE). Dit kan worden gevolgd door een wolkbrand of een explosiescenario. De effecten reiken tot op grotere afstand dan 150 m van het LPG-vulpunt. In de onderstaande tabel staan de effectafstanden van het scenario weergegeven die zijn gebaseerd op de scenarioanalyse van de VRR die deel uitmaakt van de Externe veiligheidsvisie van de gemeente Ridderkerk.
Tabel 5.2 Effectafstanden BLEVE-scenario (bron: VRR, scenarioanalyse EV Ridderkerk)
| Koude BLEVE-scenario met een tankwagen | ||
| Effect | Schadebeeld | Effectafstand |
| 100% letaal | verwoestende schade | 90 m |
| 10% letaal | middelmatige schade | 140 m |
| 1% letaal (= invloedsgebied) |
middelmatige schade | 230 m |
| 1e graads brandwonden (bij hitte) | lichte schade | 400 m |
Transport gevaarlijke stoffen over de Rotterdamseweg
Met betrekking tot het vervoer van brandbare gassen zoals LPG of propaan is een incident mogelijk met een tankwagen geladen met een van deze stoffen met als gevolg het voltrekken van een BLEVE (Boiling liquid expanding vapour explosion). In het meest geloofwaardige scenario scheurt de tankwagen waardoor het tot vloeistof verdichte gas (LPG) expandeert en een overdrukscenario veroorzaakt (koude BLEVE). Dit kan worden gevolgd door een wolkbrand of een explosiescenario waarvan de effecten overeenkomen met de drukgolf van de koude BLEVE. In de onderstaande tabel staan de effectafstanden van het scenario weergegeven. Dit scenario wordt gezien als het maatgevend scenario voor een ongeval met een LPG- tankwagen. Het scenario waarbij een zogenaamde warme BLEVE ontstaat is na uitvoering van de maatregelen uit het LPG convenant (aanbrengen van hittewerende coating op tankwagens) niet meer maatgevend. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het beschouwen van effecten bij het verladen van LPG bij tankstations.
Tabel 5.3 Effectafstanden koude BLEVE scenario
| Koude BLEVE-scenario met een tankwagen | ||
| Effect | Schadebeeld | Effectafstand |
| 100% letaal (0,3 bar) | verwoestende schade | 30 m |
| 1% letaal ( 0,1 bar) (= invloedsgebied) |
middelmatige schade | 70 m |
| Glasbreuk (0,03 bar) | lichte schade | 180 m |
Maatregelen ter beperking van risico's
Vermindering van het aantal transporten van lpg (het aantal verladingen) zorgt voor een beperking van de risico's. Verdere vermindering van het aantal transporten is niet mogelijk, de jaarlijkse doorzet van lpg is in de vergunning reeds vergund en beperkt tot maximaal 1.000 m³ lpg per jaar.
Vermindering van het aantal transportbewegingen over de Rotterdamseweg leidt tot een beperking van risico's. Deze transporten zijn echter gekoppeld aan de vergunde doorzet van de langs de Rotterdamseweg gelegen bedrijven zoals bijvoorbeeld het LPG-tankstation. Deze bedrijven worden daardoor beperkt in haar bedrijvigheid. Dergelijke maatregelen zijn, gelet op de hoogte van het groepsrisico echter niet noodzakelijk.
Vanwege het reeds relatief lage risico dat uit gaat van de aanwezige risicovolle inrichting Pakor BV is het realiseren van maatregelen om de risico's te verkleinen niet noodzakelijk.
Maatregelen ter beperking van effecten
Deze beheersverordening legt de huidige planologische situatie vast. Er is geen sprake van ontwikkelingen. Binnen de beheersverordening is er geen ruimte voor de realisatie van maatregelen om de externe veiligheidseffecten te verlagen.
Mogelijkheden voor bestrijdbaarheid van calamiteiten
Aangenomen wordt dat het gebied voldoende toegankelijk is voor hulpdiensten en dat er voldoende primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Het verordeningsgebied beschikt over voldoende oppervlaktewater en een goede infrastructuur. De beheersverordening legt enkel de huidige planologische situatie vast. Er wordt vanuit gegaan dat in de huidige situatie voldaan wordt aan de toegankelijkheid en hoeveelheid bluswater.
Beschouwing van zelfredzaamheid
Binnen de PR 10-6-risicocontour is geen sprake van de aanwezigheid van groepen personen met een verminderde zelfredzaamheid zodat er geen bijzondere maatregelen nodig zijn. In het algemeen wordt gesteld dat de zelfredzaamheid van de aanwezige personen kan worden verhoogd door het bieden van handelingsperspectief. Voor het gebied geldt, evenals de rest van Ridderkerk, dat er wordt gezorgd voor een dekking van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS).
Conclusie
Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van deze beheersverordening niet in de weg.
Toetsingskader: grenswaarden uit de Wet milieubeheer en Besluit niet in betekenende mate (nibm)
Onderzoek en conclusie
De beheersverordening maakt geen ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Toetsingskader: Richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)
Onderzoek en conclusie
Het verordeningsgebied bestaat uit een bebouwingslint en een bedrijventerrein. In dit verordeningsgebied zijn voornamelijk woon- en bedrijfs- en horecafuncties aanwezig. De bedrijfsfunctie betreft bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 4.1. De milieuzonering is in het vigerende bestemmingsplan gebaseerd op de VNG-brochure. De functies passen binnen de algemene toelaatbaarheid en vormen geen belemmering voor de vaststelling van deze beheersverordening. In het verordeningsgebied worden ook geen (nieuwe) hinder veroorzakende of hinder gevoelige functies mogelijk gemaakt. Een nader onderzoek naar milieuhinder van bedrijvigheid en horeca is niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van de woningen rondom het verordeningsgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de vaststelling van de beheersverordening dan ook niet in de weg.
Toetsingskader: Waterwet/watertoets/Besluit ruimtelijke ordening
Onderzoek en conclusie
Het verordeningsgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, dat verantwoordelijk is voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Het gehele verordeningsgebied ligt daarnaast in een boringsvrije zone (zie figuur 5.2). Dit betekent dat het gebied te maken heeft met specifieke eisen bij (bouw)activiteiten. Deze zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland. De beheersverordening maakt geen (bouw)activiteiten mogelijk die van invloed zijn op de boringsvrije zone. De boringsvrije zone vormt dan ook geen belemmering voor het voorliggende plan. Daarnaast maakt de beheersverordening geen ontwikkelingen mogelijk die voor een grote toename in verharding van het oppervlak zorgen. Watercompensatie is voor deze beheersverordening dan ook niet noodzakelijk. De beheersverordening heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse.
Figuur 5.2 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater (uitsnede kaart 8 Krimpenerwaard/Alblasserwaard behorende bij de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland)
Deze beheersverordening legt de bestaande situatie vast, terwijl kleinschalige ruimtelijke wijzigingen mogelijk blijven binnen het bestaande planologische toelaatbare gebruik. Uit de scan naar de relevante omgevingsaspecten blijkt dat de omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor het vaststellen van de beheersverordening.
De beheersverordening is een planologisch instrument dat conserverend van aard is. Gezien het karakter van de beheersverordening, zullen er aan de uitvoerbaarheid daarvan (met uitzondering van de ambtelijke kosten voor het opstellen en vaststellen van de verordening) dan ook geen kosten verbonden zijn. De economische uitvoerbaarheid van de beheersverordening is om die reden verzekerd.
De voorliggende beheersverordening legt de bestaande situatie vast en continueert zoveel mogelijk de vigerende (bestemmings)planregeling. Zoals in hoofdstuk 2 al aan de orde is gekomen, zijn er geen ontwikkelingen voor het verordeningsgebied voorzien. Ook zijn er geen particuliere initiatieven bekend die tot een ander inzicht ten aanzien van de planologische ruimte zouden moeten leiden. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van de beheersverordening is, gezien het voorgaande, verzekerd.